Krasse knarren op de barricaden om servicekosten

Een groep senioren in een flat aan de Cavaleriestraat in Sittard voert actie vanwege de voortdurend toenemende servicekosten. Intussen heeft de verhuurder toegezegd dat er maatregelen worden genomen.

Het zijn law and order-types, met samen bijna een eeuw ervaring bij marine, leger, marechaussee en politie. Klaas Nuiver en Bert Lauffer zijn ook niet meer de jongsten, respectievelijk vierenzeventig en tachtig jaar. Geen types die je op de barricaden zou verwachten. Toch staan ze daar nu, want volgens hen maakt hun huurbaas, DOS Vastgoedmanagement in Maastricht, er een potje van. En dat al een aantal jaren.

Nuiver en Lauffer hebben al jaren elk een appartement in een wooncomplex van DOS aan de Cavaleriestraat, een belegging van de Stichting Pensioenfonds voor Tandtechniek. Ze winden zich met name op over de voortdurend stijgende servicekosten (vaste kosten plus naheffingen). In de vrijwel identieke buurflat zouden de bedragen lager zijn, en het onderhoud en beheer stukken beter, net als de communicatie met de huurders.

“In 2009 hebben we gevraagd om een gesprek”, foetert Klaas Nuiver. “Dat kwam er steeds niet. Veel vijven en zessen en toen bleek dat de contactpersoon ziek was. Daarna zijn we er achteraan blijven gaan, maar op een gegeven moment hoefde het van ons ook niet meer.”

Met de laatste naheffing was de maat vol. Nuiver: “We hebben het gevoel dat we op een ordinaire manier getild worden met de servicekosten.” De actievoerders stuurden met in totaal zeventien medebewoners een boze brief met handtekeningenlijst, maar hebben vervolgens naar eigen zeggen niets meer gehoord. Ze willen een gesprek in hun flat met DOS Vastgoedmanagement. Met een heldere uitleg over de servicekosten en de naheffingen, en discussie over het verbeteren van diverse andere zaken, zoals de inspraak.

Nuiver: “Ze denken zeker: Die oudjes daar, die betalen dat wel, maar die oudjes betalen dat niet! Je wordt uitgekleed waar je bij staat en je kunt er geen flikker aan doen. Voor dit jaar is mijn vakantiegeld naar de kloten!” Lauffer: “Veel mensen zitten hier met een AOW-uitkering en een pensioen, die schrikken zich telkens rot van die verhogingen.” Nuiver: “Als het binnenkort niet wordt opgelost, dan smeer ik ‘m!”

Voor zover na te gaan, waren de maandelijkse servicekosten in 2009 40 euro, en in 2010, 2011 en 2012 55 euro. Op 1 juli 2013 gingen de servicekosten omhoog naar 65 euro per maand. Dat is een stijging van ruim zestig procent in vijf jaar. In 2010 moest 137,5 euro aan naheffing worden betaald, het jaar erop 65,77 euro, in 2012 13,20 euro en in 2013 (over 2012) 328,03 euro. De laatste naheffing viel in juni op de mat.

DOS verklaart de laatste naheffing in een brief van 12 juni 2013 met de hogere elektriciteitskosten. De oorzaak daarvan: Essent zou over 2012 voor het eerst de werkelijke meterstanden hebben aangehouden. ‘Dit in tegenstelling tot voorgaande jaren, waarin het verbruik was gebaseerd op geschatte meterstanden.’

Uit het aan de brief toegevoegde overzicht blijkt dat voor gemeenschappelijk elektriciteitsgebruik voor het hele wooncomplex in 2012 3.000 euro was begroot. De werkelijke kosten waren dat jaar 9.867,81 euro. Ruim drie keer zoveel. Voor 2013 is 5.800 euro begroot, en de vraag is of dat genoeg is.

De brief raakte een open zenuw. Elektriciteit was namelijk eerder ook al een kwestie, maar dan op een andere manier, vertelt Nuiver: “We hebben ons in 2009 hard gemaakt voor een meter met twee tarieven; voor dag- en nachtstroom. Dat kwam er maar niet van, dat moesten we zelf maar met Essent regelen. Ze deden daar helemaal geen moeite voor. Dus hebben we heel lang ’s nachts dagstroom betaald.”

De beide actievoerders leggen een aantal rekeningen op tafel van volgens hen vergelijkbare woningen in aanpalende complexen. (Onbekend is of Essent daar vanaf 2009 wel de werkelijke meterstanden heeft gebruikt. Essent heeft niet gereageerd op onze vragen.)

Hoewel vergelijken lastig is, doordat de benodigde informatie niet compleet is, wordt de indruk bevestigd dat de buren bij een vergelijkbare huur minder servicekosten betalen en soms zelfs geld terugkrijgen (zoals in 2009 en 2010).

Accountmanager Luc Moonen van DOS Vastgoedmanagement in Maastricht over de voortdurende stijging van de servicekosten: “Servicekosten van nieuwe gebouwen zijn lastig in te schatten. Het liefst zet je die in begin laag om huurders te trekken. Als je te hoog zit en ze krijgen aan het eind van het jaar geld terug, dan krijg je de klacht dat ze geen rente over het teveel betaalde bedrag hebben ontvangen.

Er zijn in het algemeen vaak misverstanden over de servicekosten. Het zijn kosten die we wettelijk moeten heffen en we berekenen die één op één door. Het is niet zo dat we er op uit zijn om de huurders zo hoog mogelijke servicekosten in rekening te brengen.

Het probleem lijkt vooral veroorzaakt te zijn door de elektriciteit. Het pensioenfonds heeft nu akkoord gegeven om slimme meters te plaatsen die door het energiebedrijf op afstand kunnen worden uitgelezen. Zo moet dit probleem in de toekomst worden voorkomen.” (De slimme meters waren al eerder per e-mail bij Nuiver en Lauffer aangekondigd door DOS, en wel enkele uren nadat wij om een reactie hadden gevraagd.)

Wat betreft de vergelijking van de huren en servicekosten met die van naburige gebouwen: “Vergelijken is heel erg moeilijk. Wij hebben bijvoorbeeld een complex met drie ingangen, drie liften en drie trappenhuizen waarvan de elektriciteitskosten per segment worden bijgehouden. Daar zie je gemakkelijk verschillen van vijf tot tien euro per maand. Dat komt door de manier waarop de huurders ermee omgaan. Hoe vaak ze de lift gebruiken bijvoorbeeld. Ook als het gaat om verlichting zijn er verschillen; zitten er schemerschakelaars in of bewegingsdetectoren? Dat is allemaal van invloed.”

De actievoerders willen nu een gesprek in hun flat, al kan Lauffer zich wel vinden in de reactie van DOS. Voor meer duidelijkheid over de kosten(ontwikkeling) èn om te praten over andere kwesties. Zo hebben ze vragen over het groenonderhoud. Nuiver: “Is het hartje winter, ligt er een pak sneeuw, gaan ze hier het gras maaien. Dat is raar. Maar dat komt wel terug in onze servicekosten!” Luc Moonen: “Of er een gesprek komt met de actievoerders, daar doe ik geen mededelingen over. Dat is iets dat we willen regelen met de huurders.”

Comments Off

admin op 24 October 2013 in Politiek & Media

Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Comments Off

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media

Sittardse “friteskoning” verovert Limburg

Ze zeiden in Amstenrade dat het toch niet zou lukken. Waarom zou hij slagen, waar tien voorgangers de afgelopen acht jaar jammerlijk hadden gefaald? Het was de beste aanmoediging die ondernemer Lahcen Askour (29) kon krijgen. Zijn frituur in Amstenrade ging in juni open, draait intussen goed en een volgend project, in Geleen, staat al op stapel.

De Sittardenaar praat energiek en gedreven, weet wat hij wil, én hij durft knopen door te hakken. Hij is geen ondernemer, hij is ondernemend – en wel vanuit zijn tenen. Lahcen Askour bruist van energie. Dat is ook noodzakelijk wanneer je regelmatig een stuk tegen de stroom in zwemt; de stroom van verwachtingen. Dat vereist visie, kracht en een stevige portie doorzettingsvermogen.

Tweeëntwintig is hij, als hij in 2005 samen met zijn kameraad Stan Huiveneers een frituur overneemt in Ophoven, Sittard. De buurt vindt het wel grappig; twee jonge jongens, op dat moment hovenier en taxichauffeur/barkeeper, die de horeca ingaan. Dat is lef, denken ze. Maar of ze het redden?

Vooraf hebben Stan Huiveneers en Lahcen Askour aandachtig geluisterd naar wat klanten willen; goed en veel eten, scherpe prijzen, een prettig ingerichte zaak en een opgewekte bediening, altijd klaar voor een praatje. Dat wordt het, en hun aanpak werkt. De dagverse frites, gemaakt van Limburgse aardappelen, maakt het plaatje compleet.

De klinkende resultaten smaken al snel naar meer. In 2007 kopen ze het pand en twee jaar later breiden ze uit met een friteswagen plus voortent. Stan Huiveneers zal “Ophoven” runnen, Lahcen Askour gaat de boer op. Woensdags staat hij in Hoogveld (Sittard), donderdags in Doenrade en vrijdags in Holtum. Vaak staan er lange rijen voor de wagen, maar dat hebben de klanten er voor over. Zijn frites zijn met liefde gebakken, en dat proef je.

Het zakelijke wonderduo doet het goed, zowel in Ophoven als onderweg. Sommige mensen zouden met dit succes tevreden zijn. Maar niet Lahcen Askour. Hij heeft een onstilbare honger naar nieuwe uitdagingen.

In 2010 zag hij dat het pand in Amstenrade te huur stond, maar viste toen achter het net. Er kwam een pizzeria in. In november 2011 wordt de deal alsnog beklonken. Hij laat zich door Stan Huiveneers uitkopen wat betreft de exploitatie van de frituur in Ophoven en gaat alleen verder, alle energie gericht op “Amstenrade” en zijn friteswagen.

De eerste keer dat hij het pand bekijkt, slaat de schrik hem om het hart. Het raast door zijn hoofd: ‘Dit kan alleen maar beter. Het moet beter. Veel beter.’ Dus wordt er maandenlang stevig verbouwd tot de zaak 23 juni dit jaar opengaat met in de bediening Lahcen Askour, zijn vrouw Siobhan Askour, zijn broer Rachid en Marvin Baartz. Het resultaat mag er zijn.

Er is gekozen voor een lounge-achtige steer met leren meubels, stijlvolle tafels en dito stoelen. De ruimte is licht, stijlvol afgewerkt en geeft klanten een aangenaam gevoel. De gloednieuwe keuken is ingericht met de modernste apparatuur waarin de maaltijden en snacks volgens de HCCAP-eisen worden klaargemaakt.

En het eten, wel, de dagverse frites maar ook alle andere gerechten op het menu worden door de klanten hoog gewaardeerd. ‘We krijgen alleen maar positieve reacties en er komen steeds meer klanten bij.’

Het lijkt er dus op dat “friteskoning” Lahcen Askour het weer geflikt heeft; opnieuw heeft hij een mislukking omgetoverd in een zakelijk succesverhaal, met als basis opnieuw zijn dagverse, Limburgse frites.

‘Tien jaar geleden’, vertelden ze hem in Amstenrade voor hij begon, ‘zat er op die plek een uitstekende frituur. Daarna is het nooit meer zo goed geweest.’ De toenmalige uitbaatster woont om de hoek. Ze is nu een vaste klant van Frituur Amstenrade. Dat zegt toch genoeg?

De enthousiaste ondernemer is ondertussen bezig met de voorbereiding van zijn volgende project; een frituur in Lindenheuvel, Geleen. De volgende pijler van zijn groeiende frites-imperium. Geplande opening: eind september.

Illustratie gestolen van Joost Langeveld Origami.

Comments Off

admin op 14 August 2012 in Ongewoon & Anders

Oost-Europese gaatjesboorders al jaren actief in Hoogveld

In de Sittardse wijk Hoogveld zijn al ruim twee jaar gaatjesboorders actief. Volgens de politie zeker vanaf september 2011. Vermoedelijk gaat het om een Oost-Europese bende.

Het zijn inbrekers die zich binnen een paar vooraf uitgekozen straten richten op contanten en snel verkoopbare spullen zoals laptops. Ze komen vaak binnen over de schutting en breken in via deuren in de achterpui.

Met een handboor of accuboor boren ze gaatjes in kozijnen of deuren om vervolgens met een ijzerdraadje en een magneetje de sleutel aan de binnenkant om te draaien. Dit is de handelswijze van zogenoemde gaatjesboorders.

Op 8 maart dit jaar waren in Hoogveld op deze manier drie woningen het doelwit; aan de Romeinseweg en aan de Liviusstraat. In één geval mislukte de inbraak. Bij de twee overige twee woningen zijn de inbrekers er vandoor gegaan met geld en waardevolle spullen.

Knuffelbeer in de tuin

Een gedupeerde van de Liviusstraat: ‘Ik zag ineens een gaatje in de tuindeur. Toen zei ik tegen mijn vrouw: “Schrik niet, maar het zou wel eens kunnen dat er vannacht bij ons ingebroken is.” Behalve het gaatje, met een doorsnee van een centimeter, was er niet veel te zien. Ze hadden alles keurig opgeruimd en pas later merkten we wat er allemaal weg was.

De laptop is verdwenen, mijn zonnebril, en al het geld is uit onze portefeuilles gehaald, maar de pasjes hebben ze laten zitten. Zelfs het buitenlandse geld, dat ik in een apart vakje bewaar als herinnering aan onze reizen, hebben ze meegenomen, ook al is het niet veel waard.

Toen de politie weg, was kwamen vonden we achter in de tuin onze spaarpot, stukgeslagen. Die hadden we nog niet gemist. Ernaast lag de beer van één van onze dochters; waarschijnlijk gebruikt om het geluid te dempen.’

Het stel is niet van slag door de inbraak, die ze ongeveer 650 euro armer heeft gemaakt. ‘Het wordt allemaal gedekt door de verzekering, toch blijft het heel vervelend. Vreemd ook, dat we niets hebben gehoord, terwijl ze waarschijnlijk ’s nachts bij ons over de schutting zijn geklommen.’

De inbraak 11 maart bij de WonenPlus-woongemeenschap voor verstandelijk gehandicapten aan de Brauningerstraat leidde tot meer commotie. Hier werden twee daders gezien rond kwart voor vier ’s nachts. Op het moment dat de politie verscheen, vluchten ze te voet en lieten een laptop en een geldkistje achter. Net als hun vluchtauto, een grijze, in het Duitse Bunde gestolen Audi A4.

Er waren drie laptops weg

In november en december waren er soortgelijke inbraken. In december braken gaatjesboorders in bij woningen aan de Deversstraat, de Tunnelweg, de Smithlaan en de Andersonstraat. Deze straten vormen een aaneengesloten gebied dat de tuinen van buiten afsluit. Via een leegstaand huis werd dit groene hart binnengedrongen en konden de inbrekers vervolgens rustig hun doelwitten kiezen.

‘’s Ochtends ging ik brood snijden om mee te nemen naar mijn werk en toen in de kamer keek, zag ik een schilderij, dat stond tegen de bank’, vertelt een gedupeerde, wonend aan de Deverstraat. ‘En een dressoir, dat normaal tegen de muur staat, was ook verplaatst. Er waren drie laptops weg die we de avond ervoor niet hadden opgeborgen. Met de schade aan de deur hadden we zo’n drieduizend euro aan kosten.’

Twee dagen later was het raak bij twee woningen in Biddlestraat: ‘Ik sprak in die tijd een buurtbewoner waar twee jaar geleden ook al was ingebroken door gaatjesboorders. De politieagent die bij hem op bezoek is geweest, zei dat het gaat om een Oost-Europese bende met Hongaarse en Bulgaarse leden.’

Oost-Europese bende

De politie Limburg Zuid constateert dat er in Zuid-Limburg zeker vanaf september 2011 serie-inbraken plaatsvinden door gaatjesboorders. ‘Dit is ook in Hoogveld het geval’, aldus een woordvoerder. Vermoedelijk gaat het hier, net als in Noord- en Midden-Limburg, om Oost-Europese bendes.

Zorgt dit voor een toename van het aantal inbraken? In 2011 werd in Sittard-Geleen 480 keer ingebroken, in 2010 gebeurde dat 372 keer; een toename van 22,5 procent. Over een langere periode bezien, blijken 2010 en 2011 voor Sittard-Geleen echter jaren van in verhouding weinig inbraken.

Van 2006 tot en met 2009 is in de gemeente respectievelijk 504, 619, 643 en 612 keer ingebroken in woningen, aldus de Kadernota Integrale Veiligheid Sittard-Geleen 2011-2014. De afgelopen vijf jaar vonden in Sittard-Geleen dus gemiddeld 545 inbraken per jaar plaats. Daarbij lijkt het aantal inbraken vanaf oktober 2011 weer toe te nemen.

Inbraakcijfers sinds januari 2010 voor de wijk Limbrichterveld, waar Hoogveld deel van uitmaakt, laten inderdaad een sterke stijging zien. In 2010 waren er 5 inbraken en 8 pogingen daartoe (samen 13), in 2011 waren die aantallen respectievelijk 12 en 15 (samen 27). In de eerste vier maanden van dit jaar waren er 3 inbraken en 5 pogingen, samen 8 incidenten; zestig procent van het aantal inbraken en pogingen in heel 2010.

Topmaanden waren maart (5 inbraken en pogingen), oktober (4 inbraken en pogingen) en december 2011 (6 inbraken en pogingen) en maart 2012 (6 inbraken en pogingen).

Particuliere beveiliging

Wat kunnen de inwoners van Hoogveld doen om de kans op inbraken door gaatjesboorders te verkleinen? ‘Sleutels verwijderen en deur- en raamhefboompjes met een slot te gebruiken. Een buitenlamp plaatsen helpt ook’, meldt de politie in het kader van algemene voorlichting, ‘want inbrekers houden van het donker. Ook is het verstandig om waardevolle spullen niet in het zicht te leggen.’

Preventie en toezicht kunnen ook collectief worden opgepakt. Bij de gemeente wordt hierover al nagedacht, zo bleek begin dit jaar. ‘We zouden mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt of vrijwilligers kunnen inzetten voor stad- en wijktoezicht’, opperde wethouder Pieter Meekels tijdens het Werkatelier Limbrichterveld-Hoogveld in januari.

Een andere, wat onorthodoxe mogelijkheid is om collectief een beveiligings- of bewakingsbedrijf in te huren. Dat is overigens alleen effectief als er een geïntegreerd plan van aanpak komt, aldus de directeuren van twee Limburgse bedrijven in de veiligheidsbranche die liever niet met naam genoemd willen worden.

Eens per week een jaar lang laten surveilleren in Hoogveld kost naar schatting van één bedrijf ongeveer 32.500 euro. Bij zo’n 1100 woningen komt dat neer op 29 euro per woning per jaar / 8 cent per woning per dag. Via afspraken met stadstoezicht en de politie en cameratoezicht zouden die kosten kunnen worden verlaagd.

Als de verwachte ontwikkelingen doorzetten, is het een oplossing die zeker het overwegen waard is. Vooral ook omdat politie en justitie nog maar weinig zicht hebben op deze bendes, die overigens los staan van de reguliere arbeidsmigranten uit Oost-Europa die in ons land werken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje en 15 april aangepast op basis van extra informatie van de Politie Limburg Zuid.)

Comments Off

admin op 30 March 2012 in Politiek & Media

Henk Stultiens over het eeuwige gevecht tegen de verlaging

Fel het debat aangaan met Geert Wilders heeft geen enkele zin, zegt organisatiedeskundige Henk Stultiens uit Sittard. We praten met hem over statusbewegingen in het bedrijfsleven en in de politiek.

De verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. Henk Stultiens noemt dit interactiestatus en heeft hiervoor samen met zijn broer Luuk een wetenschappelijk model ontwikkeld. Daarmee wordt expliciet en bespreekbaar gemaakt wat impliciet en voelbaar is.

Volgens dit model, dat is uitgewerkt in ‘Het fenomeen status’ uit 2004, hebben mensen onderling altijd vier keuzen – of ze zich hiervan bewust zijn of niet; zichzelf verhogen, de ander verhogen, zichzelf verlagen of de ander verlagen.

Zijn basisvoorbeeld om deze abstracte termen toe te lichten, kunnen we allemaal navoelen uit onze schooltijd. Stultiens onderscheidt de strenge leraar (altijd hoog), het watje (altijd laag) en de ideale leraar (die kan ’schakelen’ afhankelijk van wat het beste resultaat oplevert).

Fusie KLM en Air France

Welk gedrag je kiest is afhankelijk van het moment en wordt beïnvloed door vorming, de aanleg, de cultuur en de socaal-economische en / of de functiegebonden status. Evolutionair bezien is de drijfveer van mensen volgens dit model om statusverlaging te voorkomen (eerder dachten de broers aan het bereiken van statusverhoging).

Op basis van hun model voorspelden Luuk en Henk Stultiens in 2004 dat de zogenoemde bootcamps voor jongeren averechts werken. De geschiedenis gaf hen gelijk.

In 1999 ging het eerste Nederlandse Glen Mills kamp open in Wezep. Onderzoek toonde in 2007 aan het niet succesvoller was dan andere, ‘zachtere’ vormen van jeugdhulpverlening. Glenn Mills sloot medio 2009, geplaagd door schandalen. De methode wordt in Nederland niet meer gebruikt.

Ook voor bedrijven heeft het model een toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld op het niveau van bedrijven en naties. Zo voorzagen de broers in hun boek dat de fusie tussen Air France en KLM, beklonken in september 2003, een moeilijk en langdurig proces zou worden; de nationale culturen en de bedrijfsculturen zijn te verschillend.

Ratten zijn niet echt

Een paar treden lager kan het concept interactiestatus ook veel verduidelijken. Bijvoorbeeld rattengedrag, zoals Joep Schrijvers dat in kaart heeft gebracht. ‘Ratten zijn bijzonder. Bijzonder doortrapt of misschien wel bijzonder goed aangepast. Het zijn mensen die verhogingen en verlagingen heel strategisch inzetten, maar doen voorkomen alsof dat niet zo is. Typisch voor een rat is dat de meeste statusverhogingen niet echt zijn en gebeuren op een andere plek dan waar ze thuishoren.’

Een medewerker die een rat is, verhoogt bijvoorbeeld mevrouw Janssen omdat hij zijn collega mevrouw Pietersen, die het compliment verdient, niet wil verhogen. Bijvoorbeeld om iets van mevrouw Janssen gedaan te krijgen.

Maar ook leiders kunnen ratten zijn: ‘In een bedrijf kreeg een medewerker in de jaarlijkse functioneringsgesprekken telkens complimenten. Wat bleek later: de leidinggevende had daarnaast een dossier aangelegd met kritiek en daar wist dat personeelslid niets van. Die leidinggevende was een rat.’

De reden voor dit achterbakse gedrag zou kunnen zijn dat de leidinggevende zich bedreigd voelde, vermoedt de Sittardse organisatiedokter, en statusverlaging in de toekomst wilde voorkomen. Andere varianten van rattengedrag zijn bijvoorbeeld het zich proberen toe te eigenen van successen van anderen en proberen mensen preventief eruit te werken.

‘Doe eens normaal man!’

In de politiek is het statusmodel eveneens toepasbaar, bijvoorbeeld op de beruchte doe-eens-normaal-confrontatie tussen VVD-premier Mark Rutte en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders.

‘Wat in die situatie gebeurde, is heel gecompliceerd’, zegt Henk Stultiens. ‘Wilders verlaagde Rutte, in lijn met de basisdynamiek van de PVV; anderverlaging. Daarna verlaagde Rutte terug met woorden, maar zijn houding en toon waren daarmee niet in overeenstemming. Het zijn overigens allebei “anderverlagers”, Rutte wat minder en Wilders wat meer.’

Uiteindelijk zei Geert Wilders dat hij het weer over de inhoud wilde hebben. Hij nam de regie terug of heeft hem nooit uit handen gegeven. Heeft Mark Rutte daarmee het onderspit gedolven?

‘Dat kun je zo niet zeggen. Er zijn heel veel zaken die een rol spelen. Het heeft onder meer te maken met de partijculturen, de interne partijpolitiek en natuurlijk de verhouding van de PVV als gedoogpartij tot het kabinet van VVD en CDA, waarvan Rutte vanuit zijn functie de baas is, en het feit dat Rutte over Wilders eigenlijk niets te zeggen heeft. Ook de persoonlijke relatie tussen Rutte en Wilders is van invloed.’

‘Ga niet vechten’

Wat had Mark Rutte moeten of kunnen doen?

‘We hebben vaak de neiging om de ander te vertellen wat hij moet doen. De ander pikt dat niet en voor je het weet ben je aan het vechten. Mijn advies: ga niet vechten. Anders gezegd: als je kiest voor (alleen) terugverlaging, kun je in een welles-nietes gevecht komen. Dat zag je nu gebeuren.

Wilders ging bij Rutte over een grens en dat had Rutte duidelijk aan kunnen geven. Het klinkt misschien raar, maar dat is een kleine zelfverlaging en die doet wonderen. Vervolgens had hij een keuze voor kunnen leggen: op deze manier wil ik het debat voeren, op die manier niet. De ander heeft een keuze en kan zich zonder gezichtsverlies terugtrekken. En dan consequent die grens handhaven – ziedaar: een leider.’

De ideale leraar als leider

Een ideale leider werkt situationeel en is “authentiek”, aldus Henk Stultiens. Hij of zij lijkt daarmee op leraar nummer drie. Of Mark Rutte zo’n leider is, valt moeilijk te beoordelen. Wel heeft de VVD’er schijnbaar bijgeleerd na het doe-eens-normaal-debat. Zo weigerde de premier later om het naar racisme neigende Polenmeldpunt van de PVV te veroordelen.

‘Ach, het is maar een website van één partij, laten we het niet groter maken dan het is’, was de boodschap. Mark Rutte nam daarmee een hogere positie in en verlaagde heel tactisch de PVV-website, niet de PVV of Geert Wilders – die hij hard nodig heeft.

De PVV gaat ondertussen gewoon door met anderverlagen, voorspelt Henk Stultiens. ‘Je kunt wachten op het volgende relletje. De vraag is alleen wie nu weer verlaagd gaat worden na de islamieten en de Oost-Europeanen.’

Gedrag moet congruent

PvdA-fractievoorzitter Job Cohen, in 2005 door Binnenlands Bestuur gekozen tot beste burgemeester van de laatste vijfentwintig jaar, heeft regelmatig met het PVV-schoolpleingedrag te maken gehad.

Cohen bleef in de Kamer tot op het laatst rustig en beleefd, ondanks herhaalde PVV-schofferingen. Hij liet zich niet meer verlagen zoals in het begin, maar slaagde er ook niet in of koos er niet voor om zichzelf te verhogen. Dat leverde hem veel kritiek op. ‘Bijt toch eens van je af’, zeiden veel PvdA’ers.

‘Maar’, zegt Henk Stultiens: ‘De vraag is of dat gedrag bij Job Cohen past. Niet iedereen kan alle communicatiestijlen (even goed) leren of in elke situatie toepassen. Als het niet jouw stijl is, val je uiteindelijk door de mand, ben je niet congruent en daardoor niet geloofwaardig.’

Op 20 februari 2012, vlak na dit interview, is Job Cohen opgestapt als fractievoorzitter van de PvdA. Hij komt niet meer terug in de Tweede Kamer.

Uitsluiting extremisten vrouwelijk

Communicatiestijlen kunnen meer vrouwelijk of mannelijk zijn. Henk Stultiens: ‘In de mannelijke stijl is jezelf verhogen en de ander verlagen wat dominanter aanwezig, in de vrouwelijk stijl jezelf verlagen en de ander verhogen.’

De communicatiestijl van Job Cohen is misschien meer vrouwelijk dan die van Geert Wilders en Mark Rutte, maar hierdoor eigenlijk typisch Nederlands; Nederland is volgens deskundigen een vrouwelijk land. Verklaart die zachtheid de neiging van de Tweede Kamer om, tot de tijd van Pim Fortuyn, het oude extreem-rechts met een cordon sanitaire aan te pakken, een uitsluitingsstrategie zoals vriendinnen die volgens u onderling toepassen?

‘Dat zou goed kunnen. In Duitsland is de cultuur weer anders. Daar zie je dus dat extreem-rechts altijd met geweld de kop wordt ingedrukt, waar dat in Nederland eerder wordt genegeerd.’

Het gelijk van Cohen

Als we het hebben over minderheden die als bedreigend worden ervaren: hoe zit het met de Marokkaanse jongens die in diverse steden op straat voor overlast zorgen; wat is de beste manier om met deze groepen om te gaan?

‘Deze jongeren, met name de Marokkaanse, zijn in een meer mannelijke cultuur opgevoed. Daarnaast hebben ze veel te maken met verlaging. Ze krijgen vaak verlaging op verlaging. Een repressieve aanpak werkt dan niet. Denk ook aan de bootcamps. Beter is om met deze jongeren het gesprek aan te gaan, ze een beetje te verhogen en jezelf een beetje te verlagen, maar wel duidelijke regels te stellen en daar altijd consequenties aan te verbinden.’

De combinatie van zacht en hard dus, die Job Cohen als burgemeester in Amsterdam voorstond, maar waarvan door de sneren van Geert Wilders vooral het ‘theedrinken’, de zachte aanpak, bij veel mensen is blijven hangen.

Een nationale ziekte

Sprekend over Amsterdam: uit onderzoek blijkt dat mensen, wereldwijd beschouwd, in Amsterdam het meest onvriendelijk zijn. Desondanks zien Nederlanders zichzelf vaak nog als vrij tolerant en wordt de Nederlandse cultuur gezien als vrouwelijk. Is de Nederlander schizofreen?

‘Wij doen in Nederland alsof er geen verschillen zijn. We zijn ons suf aan het tutoyeren; we zijn zo gelijk, eh gelijkwaardig. Er mogen ook geen verschillen zijn – denk aan het spreekwoordelijke maaiveld - maar ze zijn er wel. En dat levert spanningen op. Als de verschillen te groot worden, verzuren mensen, komen ze in verzet of doen ze niet meer mee.

In de Tour de France hebben ze daar overigens iets op bedacht. Als je dat zo ziet, zou je kunnen denken: er kan er maar één winnen, dus waarom doet de rest dan zoveel moeite? Nou, om de verlagingen kleiner te maken, hebben ze al die prijzen voor etappes, beklimmingen, afdalingen, de puntenklassementen en de beloningen voor dienstbaar gedrag. Zo heeft iedereen een grotere kans om wat te winnen.’

(Illustratie: Diablo)

Comments Off

admin op 16 March 2012 in Politiek & Media

Lady laat de lampen branden op het industrieterrein

In de rouwkamer is het kil, maar niet door de aanwezigheid van de dood. ‘We hebben wat problemen met de verwarming de laatste tijd’, zegt de gastvrouw verontschuldigend als ze een kopje koffie op tafel zet naast een doos Kleenex. Terwijl de melk in de hete koffie oplost komt Peter Laumen (49) uit Sittard handenwrijvend binnen.

Ik zie het mezelf niet doen; werken in een sfeer van verdriet en afscheid nemen, dacht hij toen ze hem vroegen te solliciteren. Intussen is hij alweer een jaar vestigingsmanager van het Roermondse dierencrematorium van SHCN dat klanten bedient in een straal van zo’n honderd kilometer.

Dan moet je wel van dieren houden, niet? ‘Nou, nee, ik ben niet echt een huisdierenliefhebber’, bekent hij. ‘Thuis heb ik een hamster en vijftig vissen, in mijn jeugd hadden we een hond. Ik heb niks met dieren in die zin, dat ik bijvoorbeeld een zwerfhond uit Spanje zou meenemen naar Nederland. Die koop ik dan gewoon hier.’

Kan hij dan wel invoelen wat de baasjes meemaken? ‘Dat is in m’n sollicitatiegesprek ook een punt geweest. Ja, dat wel. Maar je moet er wel mee kunnen omgaan. Als je hier begint moet je eerst een dag proefwerken, alle werkzaamheden een keer uitvoeren. Dan gaat ook de koeling open…

Allemaal dieren, bloed uit allerlei openingen, dieren die hun ontlasting hebben laten lopen – en die moeten dan gereinigd worden voor het afscheid. Als je daar moeite mee hebt, moet je hier niet komen werken.’

Soms springt hij zelf bij, zoals vandaag bijvoorbeeld, omdat er iemand ziek is. ‘Anders kan een crematie niet doorgaan.’ En vanuit het streven naar hoge kwaliteit, goede service en een grote mate van betrouwbaarheid kan dat natuurlijk niet.

‘Wil ik dit wel zien?’

Het zijn dingen waar Peter Laumen liever over praat; de zakelijke uitdagingen van het groeiende SHCN van de familie Van der Arend, en de uitvaartspaarregeling voor dierenbezitters. Maar eerst nog even naar de dieren. Is er een crematie die hem is bijgebleven het afgelopen jaar?

‘Een tijdje geleden kwam hier een jong paard binnen dat het naar verwachting zeer ver zou gaan schoppen, niet zoals Salinero van Ankie van Grunsven, maar wel op wereldniveau. Om een onverklaarbare reden is het gestorven, daarom werd sectie verricht. Het paard was helemaal opengesneden, z’n ingewanden lagen half eruit. Alleen het hoofd was nog gaaf. Toen dacht ik: wil ik dit wel zien?

De eigenaar van de manage, de eigenaar van het paard en de jockey kwamen gescheiden hier naartoe. Het paard lag opgebaard. Alleen het hoofd was te zien; heel netjes. De jockey kwam later, die heb ik toen opgevangen. Hij trok het even helemaal niet meer.

Er waren twee dochters van de eigenaar meegekomen, die reden ook op dat paard. Zij zijn wel drie kwartier gebleven, waren er niet bij weg te krijgen. Het was allemaal heel emotioneel. Dan moet je wel even een zijsprongetje maken om niet mee te gaan in het verdriet van die mensen.’

In de aangrenzende rouwkamer ligt een witte American Bulldog opgebaard. Hij lijkt te slapen, maar mist de veerkracht die hem eerder moet hebben gekenmerkt. Zijn half openstaande ogen hebben een lichtrode gloed.

Het baasje met familie en vrienden zit in de glazen piramide, vooraan in het pand, omringd door vitrines met alle mogelijke soorten urnen en memorabilia. Een aantal meisjes in het gezelschap zit erbij met betraande gezichten.

De groep is opgevangen door een gastvrouw. Zoals gebruikelijk, vroeg ze gelijk naar de naam van de hond om het persoonlijk te maken, en biedt een luisterend oor. Zo meteen worden de nabestaanden binnengeleid in de rouwkamer waar hun geliefde op hen wacht.

Hoewel een huisdier volgens Peter Laumen tegenwoordig door veel mensen wordt gezien als gezinslid, bijna als een kind, duurt het afscheid meestal maar enkele minuten. Al krijgt iedereen natuurlijk de tijd die hij of zij nodig heeft, haast hij zich te zeggen.

Er wordt vaak een knuffel bij het huisdier gelegd of een speeltje, en bij een paard vaak ook wat stro. Je kunt muziek naar keuze laten horen en daarna vertrekt je hond, kat of cavia voor zijn laatste reis. Als je wilt, kun je erbij zijn om zeker te weten dat hij alleen de oven ingaat.

Het afscheid van de American Bulldog duurt niet lang. Terwijl de familie nog napraat in de piramide wordt de ovale houten sierrand rond zijn laatste mand in tweeën geklapt. Een verrijdbare baar wordt zichtbaar die meteen beheerst door een medewerker naar buiten wordt gereden.

Na twee deuren en een smalle lange gang, staan we voor de deur waarachter we de ovens rustig horen ronken. Er zijn er twee, legt Peter Laumen uit, één voor huisdieren en één grote voor paarden. Speciaal ontworpen door een Van der Arend. Het lijkt een soort ketelhuis met al die buizen en grote machines, en vergeleken met de rouwkamer is het er lekker warm.

Achter de voorste oven staat een rijdende baar met daarop een witte langharige hond, gelegen in een met rood fluweel bedekte mand. Met zijn grote atletische lichaam en prachtige ranke kop is hij zelfs nu nog een indrukwekkende verschijning.

Achter de tweede, op een onbedekte stalen baar, ligt een rechthoekig pakket, omwikkeld met een ruwe deken. Het zou een middelgrote hond kunnen zijn, maar die vorm is niet gelijk herkenbaar, dat maakt het wat luguber.

De American Bulldog is nog niet aan de beurt, deze twee gaan voor. Na zijn crematie, die naar verwachting tussen de één en twee uur zal duren, kan zijn as op het land worden uitgestrooid of vanuit een vliegtuig. Een andere optie is verstrooiing op zee, individueel of samen met anderen. De grote plastic tonnen voor de collectieve verstrooiing staan al klaar in de inpandige garage waar ook de paarden worden opgebaard.

Armband van paardenhaar

Meenemen in een urn kan ook. Daarvan hebben ze hier heel veel soorten. Van echt groot voor een volwassen paard, als pot geschikt voor een fikse kamerplant, tot klein, bijvoorbeeld een knuffelsteen waarin achter een klein afsluitdekseltje de as van je hamster kan worden bewaard.

Bijzonder zijn verder een porseleinen hondenkop die door een kunstenaar aan de hand van foto’s zo wordt beschilderd dat hij lijkt op jouw trouwe kameraad; de strakke design urnen van RVS, bijvoorbeeld in de vorm van een lotusbloem; en de fraaie piramides van keramiek, die eveneens beschilderd kunnen worden.

Verder kunnen er armbanden worden gemaakt van geweven paardenhaar en uiteraard is ook het maken van pootafdrukken of een kunstmatige herinneringsdiamant mogelijk. De as ‘laten opnemen in een speciaal voor u geselecteerde boom of heester’ kan ook.

Maar het hoeft allemaal niet zo duur te zijn. Bij de prijs van het cremeren inbegrepen is een soort ovaal koffieblik, een asbus, met een afbeelding van een landschap erop. Op de plank van een klein kantoortje naast de ovens staat een aantal gecremeerde dieren in zulke bussen keurig op een rijtje te wachten op hun baasjes, uiteraard voorzien van de juiste papieren.

Om de hoek, in het domein van de cremateurs, is het nu echt warm. Er hangt een geur die doet denken aan verbrande vacht en huid. Uren later ruik je het nog.

De achterste oven staat open, de stenen aan de wanden stralen fel oranje. De hitte is intens. Binnenin is het zo’n negenhonderd graden. Een jonge vrouw is bezig om met een ijzeren schraper aan een lange stok de asresten in een eronder geplaatste kruiwagen te werken.

Van de hond is vrijwel niets meer over, minder dan inhoud van een pak suiker. Was dat wel zo, dan waren de resten nog eens getrommeld met marmeren ballen zodat de as mooi fijn wordt.

De alternatieven voor cremeren zijn zelf begraven in de tuin of je huisdier naar een vernietigingsbedrijf brengen. De speelkameraad van de jonge Peter Laumen ging naar ‘destructie’. ‘Daar worden ze vermalen, dat is niet fijn. Als ik dat had geweten, had ik het nooit gedaan. Cremeren is veel mooier.’

En booming business, als je de vestigingsmanager van het Roermondse crematorium moet geloven. SHCN, met vestigingen in Leidschendam en Roermond, heeft in elk geval grote plannen. Zo wil het bedrijf verder groeien, met name gericht op klanten uit Duitsland en België.

‘Dat moet gebeuren door al in het voortraject contacten te leggen, bijna vanaf het moment dat mensen een dier kopen. Bijvoorbeeld via dierenklinieken en contacten in de paardenmarkt.’

Ook op diverse andere manieren is het bedrijf innovatief bezig. Zo wordt in de toekomst mogelijk om via beveiligde webcams afscheid te nemen van je huisdier als je niet naar het crematorium kunt komen. Ook kunnen straks videobeelden worden vertoond in de rouwkamer.

Energie uit huisdieren

In het nieuwe crematorium in Nootdorp met vijf ovens, dat vanaf dit jaar het paradepaardje van het familiebedrijf moet worden, kan het straks allemaal. Dit centrum is echter vooral bijzonder doordat een deel van de warmte van de verbrandingsovens wordt teruggewonnen voor de verwarming van het pand.

Peter Laumen: ‘Het is zelfs zo, dat we straks een deel van het industriegebied waarin dat pand ligt van energie kunnen gaan voorzien. Dat is uniek in de wereld.’

Het ligt gevoelig, geeft hij aan, maar de belangstelling is groot. ‘Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van een aantal landen heeft al interesse getoond. Waarschijnlijk zullen ook de crematoria voor mensen ooit die kant op gaan, maar dat zal nog wel even duren.’

Nu al probeert SHCN de CO2-uitstoot terug te dringen en worden via de Climate Neutral Group ter compensatie bomen aangeplant. Maar daarmee krijg je het natuurlijk niet warm in een rouwkamer als er een probleem is met de verwarming.

(Illustratie: Ralph the Robot.

Comments Off

admin op 5 March 2012 in Ongewoon & Anders

Ria Kleijkers: ‘Ik was vergeten dat ik een mens was of vrouw’

Ria Kleijkers uit Sittard is manager én kunstenaar. We spraken met haar over mannencultuur, vrouwelijkheid, werk en kunst.

‘Het kwam toevallig goed uit; het interview vandaag. Ik ben geen huisvrouw die de tijd aan zichzelf heeft. Ik ga deze week naar India voor mijn werk.’ Ria Kleijkers (60) werkt als manager bij DSM. Ze stuurt (in)direct zo’n dertig mensen aan. En dat zal ik weten ook. Nog voordat ik goed en wel zit.

‘Wil je wat eten, een boterham?’ Het wordt een dubbele bruine boterham met kaas, in vier stukjes voorgesneden, en, op mijn verzoek, een glas water.

Bij DSM houdt ze zich bezig met ‘het managen van Business Processen voor DSM Corporate & Service Units’.

Ze praat in korte zinnen, wil krachtig overkomen.

In India, waar ze over een paar dagen naartoe gaat, komt er een Service Unit bij voor DSM. In Limburg verdwijnen er banen. ‘Er komt hier weer een fikse reorganisatie aan. Maar dat is de policy en als het bedrijf het wil, moeten we dat uitvoeren, zo zijn we opgevoed.’

Zelf heeft ze ook wel eens geadviseerd over te reorganiseren afdelingen. ‘Na twee weken een rapport neerleggen.’ Daar stond dan vaak ook in welke mensen eruit moesten. ‘Dat heb ik wel erg gevonden.’

Iedereen heeft talenten, maar ja, als die niet meer passen in de huidige situatie bij het bedrijf houdt het op, geeft ze aan. Dan moet er afscheid worden genomen.

Dat geldt ook voor haar twee huwelijken. ‘Mijn beide ex-mannen vonden dat het enige recht van de vrouw het aanrecht is.’ En zo is ze niet, dus dat ging op een gegeven moment niet meer. Op het werk wordt duidelijk een andere rol van haar verwacht.

Met management technobabble laat ze zien dat ze één van hen is, one of the guys, deze vrijgevochten vrouw, die ironisch genoeg ooit begon in een ‘vrouwenbaan’.

‘Eigenlijk kunnen we u niet aannemen als vrouw’, kreeg ze van de afdeling P&O te horen bij haar sollicitatie in 1981. ‘“U heeft te veel papieren voor een vrouwenbaan” – DSM had toen mannen- en vrouwenbanen.’

Ze glimlacht, weet intussen hoe ze haar mannetje moet staan.

Heerst er een mannencultuur bij DSM? ‘Mij maakt dat niks uit. Als het met DSM goed gaat, gaat het met mij ook goed. Maar het zit er nog steeds in, ja. De afgelopen jaren hebben ze bij communicatie en in het hoger management diverse vrouwen aangenomen. Binnen korte tijd waren ze weer weg….

Pfff, ik zoek m’n weg. En hoe ver wil en kun je gaan? Het leven heeft meer te bieden dan werken.’

Kunst bijvoorbeeld. Als ze met prepensioen gaat, effectief in augustus volgend jaar, wil ze zich bijna helemaal op de kunst gaan richten en aan huis een galerie beginnen. Die moet in oktober opengaan.

‘Alleen maar werken, dat is niet goed. Zo word je nog gek Ria’, zei ze tegen zichzelf toen ze negenendertig was. En dat was natuurlijk niet de bedoeling.

De kunst heeft haar nooit meer losgelaten of zij de kunst.

In het aquarelleren, de zachte, vloeiende schilderkunst, vond ze een aangenaam contrast met de harde en georganiseerde werkwerelden van het bankwezen en later de chemie. Vervolgens legde ze zich toe op acryl schilderen, textiel, raku (Japanse keramiek) en beelden maken van klei en staal.

In de hoek van de woonkamer staat een sculptuur van gelaste stukken staal, ongeveer een meter hoog. Ook de sokkel is van aan elkaar gelaste plakken staal.

Ze ziet me kijken: ‘Heb je dat wel eens gedaan? Lassen?’ Haar ogen glinsteren; dit vindt ze mooi: lassen, slijpen, hameren.

Het beeld geeft een indruk van sierlijkheid en transparantie, maar ook van hardheid en gevaarlijke scherpte.

‘Ik ga naar de schroothoop om grove stukken te zoeken. Je ziet een basisproduct en dan kijk ik: wat kan ik ermee? Ik blijf altijd vragen en kijken naar vormen. En als ik wat vind om te doen, dan wordt dat gemaakt. Dat groeit dan tot iets. Soms kom je zo boven je zelf te staan en dan ontdek je ook iets van jezelf.’

Wat ontdekte u bij dit kunstwerk? ‘Vertrouwen in de mensen, passie en mijn wilde kant. Ik ben best wel wild, een avontuurlijk mens. Nieuwsgierig ook, wil alles weten. Die kronkel; een mens gaat nooit rechtstreeks, daar zijn heel veel wegen voor.’

Hoe bent u opgevoed? ‘Mijn vader wilde een jongen en hij heeft me opgevoed alsof ik een jongen was. Het bos in, hutten bouwen. Dat is toch ook leuk voor meisjes? Het maakt niks uit of je een jongen of een meisje bent. Hij leerde me vissen en voetballen…

Ik zie het nog voor me: kwam ik op een dag met een vis aan de haak naar huis; moest hij het haakje losmaken hahaha. Vissen lukte wel, maar dat kreeg ik niet voor elkaar.’

Het thema van uw werk is vaak de vrouw of vrouwelijkheid. ‘Ja, ik gebruik het thema vrouw-zijn herhaaldelijk.’

Is het te psychologiserend om te denken dat u via de kunst uw vrouw-zijn aan het herontdekken bent?
‘Nee, dat zou best wel eens zo kunnen zijn. Ook ik mag er zijn als vrouw. Een tijd geleden was ik vergeten dat ik mens was of vrouw…’

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 16 February 2012 in Ongewoon & Anders

Remco van de Vorst, zijn leven lang al straatmuzikant

Met zijn gitaar heeft Remco van de Vorst al jaren een eigen plaats in het Sittardse straatbeeld. Hij heeft altijd gedaan waar hij zich goed bij voelt.

Als het kooplustige publiek massaal door de stad struint, is hij daar waar hij vrij kan zijn; op de hoek van een straat of aan de rand van een plein. Voorzien van een gitaar, de koffer opengeklapt met een aan de rode bekleding geprikt eurobiljet als vriendelijke suggestie, speelt hij zo wat extra geld bij elkaar.

Hoewel zijn zwarte uniform van ingetogenheid dat niet doet vermoeden - broek, halfhoge laarzen, jasje en een onafscheidelijke pet - heeft de 46-jarige Remco van de Vorst al een intens leven achter de rug. Zijn gezicht daarentegen, vertelt het verhaal van dromen die al te vaak tot littekens zijn verworden.

Z’n overvolle Sittardse flat weerspiegelt z’n wispelturige geest. Wat opvalt, zijn een vitrine met exotische snaarinstrumenten, een djembé voor het raam, aangespannen met klimtouw, en een grote troosteloze kamerplant.

Naast een handjevol bij de keuken geparkeerde gitaren staan de voerbakjes van zijn twee katten, Tigri en Theike. Aan de muur er tegenover, boven twee gestapelde podiumboxen, een grote wolk foto’s met in het midden een tekening van Handsome Lake (1735-1815).

‘Ooit gemaakt door mijn vader. Hij was een leider en profeet van de Iroquois die na zwaar alcoholmisbruik door drie spirituele boodschappers werd gewaarschuwd dat de blanken de indianen via alcohol afhankelijk wilden maken.’

Remco van de Vorst lacht. Schenkt even later zijn zoveelste jonge jenever in. Dat praat makkelijker. Liever zingt of speelt hij.

Een blauwe maandag heeft hij in zijn jeugd les gehad aan de Sittardse muziekschool. ‘Alleen ladders spelen, voor de rest niks’. Dus is hij snel weg. Liever leert hij het zelf, met vallen en opstaan.

Hij heeft aanleg. Tijdens een feestje, maanden later, geven mensen spontaan geld nadat hij met een vriend de gitaar pakt en wat speelt. Dat smaakt naar meer en dus gaat hij de straat op en optreden in cafés.

In die tijd woont hij in Nieuwstadt, waar hij als negenjarig met zijn vader naartoe is gekomen toen de scheiding een feit was. Sittard is de grote stad. Hij zit er op het atheneum, heeft daarna diverse baantjes via uitzendbureaus, onder meer bij een kaasfabriek, en woont vervolgens een jaar in Parijs.

‘De nieuwe vrouw van mijn vader was een Française, dus kon ik er goedkoop leven. Ik speelde daar ook op straat, werkte samen met mimespelers en straat-fakirs en liftte heen en weer als ik even in Limburg wilde zijn.’

Hij zucht bijna onmerkbaar; te veel om te ver op de details in te gaan.

Het leven in Frankrijk is goed tot de Staat der Nederlanden aanklopt: de dienstplicht. Remco van de Vorst wil niet in het groene gareel, daarvoor is zijn vrijheidsdrang te groot. En zeker niet naar de gevangenis.

Terug in Nederland belandt hij in het Amsterdamse bandjescircuit en werkt opnieuw als straatmuzikant. Ondertussen soebat hij drie jaar om de onafhankelijke deskundige en later de rechtbanken te overtuigen dat hij gewetensbezwaarde is.

Bij de verstandelijk gehandicapten in ‘Dennendal’, Den Dolder, gaat hij uiteindelijk aan de slag om zijn sociale dienstplicht in te vullen. Daarnaast verzorgt hij in dat kader de publiciteit voor het legendarische Haagse poppodium ‘Het Paard van Troje’.

Het is 1992 en Remco van de Vorst komt terug naar het zuiden voor een nieuwe start. ‘Je moest een economische band met de stad hebben om in Den Bosch te komen wonen’; een uitkering was niet voldoende. Dus wordt het Sittard, waar hij zich inschrijft aan de Katholieke Leergangen, de hogeschool.

‘Twee jaar heb ik de vrije richting gedaan. Maar ze probeerden je steeds de lerarenopleiding in te pushen en daar had ik geen zin in.’

Sittard lijkt ineens nogal klein na zijn tijd in Parijs, Den Haag en Amsterdam. De enige grote stad in de buurt is Maastricht. Daar moet toch genoeg te doen zijn in de kroegen? Hij ziet zichzelf al een beetje studeren en vooral veel feest vieren. ‘Dat viel vies tegen.’

Na anderhalf jaar als assistent licht en geluid aan de toneelacademie en spelen in diverse bandjes en op straat, volgden nog drie Melkertbanen.

Aan de academie had hij ondertussen een vaste aanstelling moeten krijgen, maar dat komt er niet van. Hetzelfde gebeurt later bij het Limburgs Symphonie Orkest, waar hij opstellingen maakt; stoelen en muziekinstrumenten klaarzetten. ‘Het werd steeds gerekt, je was een goedkope kracht, maar daarna hield het op.’

In psychiatrische inrichting ‘Vijverdal’ is hij anderhalf jaar verantwoordelijk voor de logistiek; zorgt onder meer dat de vuile en schone was wordt vervoerd en distribueert medicijnen.

‘Na twee maanden Maasveld’, een organisatie voor gehandicapten, ook in Maastricht, ‘had ik mijn snuit vol’. Hij is een jaar of vijfendertig en het leven is uitzichtloos. Geslaagde optredens kunnen dat gevoel slechts kort onderdrukken.

In die periode krijgt hij een nieuwe kameraad, een veeleisende, die zorgt dat zijn wereld heel snel kleiner wordt en alleen nog maar draait om ‘die flauwekul’; heroïne. ‘Het was modderen, afkicken in Heerlen, nog eens afkicken in een kliniek in Brabant…’ Naar eigen zeggen heeft hij nooit hoeven stelen om zijn verslaving te betalen: ‘Dat is me gelukkig bespaard gebleven.’

Sinds anderhalf jaar is hij clean. Nou ja, drie keer week gaat hij methadon halen. Hij wil ook daar graag vanaf, maar dat zouden ze niet willen bij de Ambulante Hulpverlening Verslavingszorg Westelijke Mijnstreek.

‘Misschien krijgen ze subsidie per deelnemer aan het programma en willen ze je liever bij de club houden? Ze hebben nu een nieuw beleid; als je één keer niet komt, wordt automatisch een afbouwprogramma gestart. Dus misschien moet ik dat maar doen?’ Een schamper lachje.

Hij neemt nog een teug van het verse sjekkie dat rokend op hem wacht op de rand van een slecht schoongemaakte tinnen asbak.

Op zaterdags en donderdags speelt hij op straat ‘aaie leem’, jaren zestig repertoire, en af en toe eigen nummers. Ook treedt hij soms op met bandjes en er zijn zelfs voorzichtige plannen voor een cd met eigen werk.

Wat ‘de mensen’ van hem denken, laat hem koud. Hij speelt en hij zingt. Geïnspireerd door singer-songwriters als Bob Dylan en Paul Westerberg, de ex-frontman van ‘The Replacements’.

‘Van omstanders krijg ik alleen positieve kritiek. Bij sommige winkeliers kan ik mijn kleingeld wisselen en daar zijn ze heel blij mee.’ Nog nooit is hij lastig gevallen en met zijn Oost-Europese collega’s kan hij het goed vinden. ‘Ik zit ook niemand in de weg’.

Al pratend kijkt hij vertederd hoe één van zijn katten zich loom uitstrekt en daarna knorrend geniet van een nieuw gevonden slaapplekje. ‘Zijn moeder is vorige week door een rottweiler gepakt…’

Het is even stil in de drukke kamer. Gedachten dwarrelen neer als verstofte herinneringen.

‘Ik doe wat ik doe om mijn innerlijke onrust te bezweren, dat is mijn drijfveer’, zegt hij zachtjes. ‘Ik heb nooit een beeld gehad van wat ik wilde worden. Mijn vader liet ons vrij. Hij zei altijd: “Doe waar je je goed bij voelt.” Dat heb ik gedaan.’

(dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 17 January 2012 in Ongewoon & Anders

Irak-ganger: ‘Ineens zat er een rood stipje op mijn borst’

Exact zeven jaar geleden werd hij in een bus Irak ingereden onder de beschuttende deken van de duisternis. Sergeant der eerste klasse Jeffrey Bont (26) uit Sittard blikt terug. Het verhaal van een Nederlandse militair in Irak.

‘Ik zocht het avontuur, wilde spannende dingen doen en leuk sporten, zoals klimmen, duiken of helikopter vliegen.’

Sinds zijn middelbareschooltijd wilde Jeffrey Bont het leger in, de helden uit zijn favoriete oorlogsfilms achterna. In 2002 kon hij zijn dromen, losjes gebaseerd op jaren tachtig films als “Platoon” en “Full Metal Jacket”, wekelijkheid laten worden; hij werd toegelaten tot het leger.

En het bleek allemaal niet zo te zijn als in de films: ‘Een heleboel dingen zijn functiegerelateerd; als je wilde leren om helikopters te vliegen, moest je naar de Luchtmobiele Brigade. Wilde je veel klimmen, dan moest je naar het Korps Commandotroepen. En had je interesse in tanks, dan werd het de cavalerie.’

Jeffrey Bont wilde ‘de echte actie’ en koos na zijn oriëntatiejaar, toen een Nederlandse pilot, voor de zandhazen, de troepen die als eerste voorwaarts moeten als er iets gebeurt. Hij haalde ondertussen ook het diploma Beveiligingsmedewerker. ‘Daarna was het veel oefenen op weg naar de eerste uitzending.’

Voor de Sittardenaar werd het Irak. Hoe is hij daarop voorbereid? ‘Extra schietoefeningen; schieten, daar moesten we beter in worden. En we oefenden contactprocedures; wat je moet doen als jouw wagen van voren, van achteren of van opzij wordt aangevallen of bedreigd.’

Hij werd opgeleid op de YPR-765 A1, een licht pantservoertuig, als boordschutter van het Oerlikon Contraves boordkanon (dat 25 mm granaten afvuurt) en het Browning .50 machinegeweer. Maar behalve voor techniek, was er ook aandacht voor de menselijke kant van de missie.

‘We kregen geleerd wat je ten aanzien van de bevolking wel en niet moet doen. Zo moet je mensen niet de linkerhand geven omdat ze zich daarmee afwassen als ze hun behoefte hebben gedaan. Dat is onrein.

Het is ook opgepast om je voetzolen naar ze toe te keren. En vrouwen spreek je niet rechtstreeks aan, dat is in die cultuur niet gebruikelijk. Als er echt wat gezegd moet worden, spreek je met de sjeik van het dorp. Dat praten met een sjeik, via een tolk, werd ook geoefend.’

Rare jongens, die Amerikanen

Jeffrey Bonts uitzending naar Irak was voorafgegaan door het nodige gesteggel, voor en na het Kamerbesluit in mei 2003. In Nederland was de vraag of we, zoals gebruikelijk, loyaal aan Amerika moesten blijven en de invasie met soldaten moesten ondersteunen. Spanje bijvoorbeeld, haakte af om politieke redenen.

Er kwam groen licht, maar er bleven vraagtekens vanwege het gedrag en de argumenten van de Amerikanen. In april 2004 bijvoorbeeld, doken geruchtmakende foto’s op uit de voormalige Abu Ghraib gevangenis, één van de vier militaire gevangenissen van de Amerikanen. Daarop is te zien hoe Amerikaanse militairen, onder wie een vrouw, sadistische spelletjes spelen met Iraakse gevangenen. Geen gedrag waar je als land mee geassocieerd wilt worden.

Dan waren er nog de argumenten om de Amerikanen en de Engelsen te helpen bij ‘de bevrijding van het Iraakse volk’. Er zouden massavernietigingswapens zijn (een bedreiging voor Amerika’s regionale bondgenoot Israël) en het regime van dictator Saddam Hoessein zou het internationale terrorisme steunen.

In juli 2003 kwamen formeel de eerste Nederlandse soldaten aan in Irak. In oktober 2003 werd door de coalitie toegegeven dat er geen weapons of mass destruction waren gevonden. Dit verhaal was gebaseerd op flinterdunne informatie. (De beweerde band met Al Qaida, bedoeld om de 9/11-woede te gebruiken om steun te krijgen, is tot op heden ook nooit bewezen.)

Rond die tijd, oktober 2003, werd de “bevrijding” van Jessica Lynch in april 2003, destijds live via tv te volgen, ontmaskerd als een PR-actie van de Amerikaanse overheid / het Amerikaanse leger. Het was doorgestoken kaart; er was zelfs geen Irakees in de buurt geweest. Dat Jessica Lynch door Irakezen was verkracht, een verhaal ook bedoeld om woede op te wekken en draagvlak te creëren, bleek eveneens een verzinsel.

Het kabinet van Jan Peter Balkenende, met medeweten van de coalitiepartijen via de Commissie Stiekem, wist in mei 2003 dat het verhaal van de massavernietigingswapens onzin was. De eigen veiligheidsdienst had corrigerende informatie, maar die werd onder de pet gehouden.

De Tweede Kamer is in 2003 opzettelijk onjuist en onvolledig geïnformeerd, concludeerde de Commissie Davids dan ook in 2010. (Er zijn overigens aanwijzingen, via het VPRO-radioprogramma ARGOS, dat Nederland al voor mei 2003 special forces naar Irak heeft gestuurd.)

Relatief rustig gebied

De militaire trein in Irak denderde in 2004 gewoon door, gedreven door economische, politieke en militaire strategische belangen (olie en de verhoudingen in het Midden-Oosten). Ook Nederland zat op die trein.

De Nederlandse missie werd uitgevoerd als onderdeel van de Stabilisation Force Iraq. Vanwege de veiligheid van ‘onze jongens’, werden uit voorzorg zeventig commando’s aan de ongeveer elfhonderd soldaten toegevoegd.

Dat was geen overbodige luxe. In augustus 2004, drie maanden voordat Jeffrey Bont arriveerde, waren twee mortiergranaten afgevuurd op de Nederlandse basis Camp Smitty in de Zuid-Iraakse stad as-Samawah. Eerder raakte een Nederlandse patrouille in Rumaythah, ten noordoosten van die stad, betrokken bij een vuurgevecht. In beide gevallen vielen er geen doden of gewonden.

Toch was de situatie in het “Nederlandse” (woestijn)gebied naar militaire begrippen relatief rustig. Toen de Sittardenaar aankwam, werd vooral fel gevochten om Fallujah. In die stad waren in maart vier Blackwater USA-huurlingen door de straten waren gesleept en daarna aan een brug opgehangen.

De Amerikanen waren pissed en stuurden tien tot vijftienduizend soldaten die de stad vervolgens binnen enkele weken onder de naam “Operation Phantom Fury” hebben onderworpen. Twaalfhonderd opstandelingen / vrijheidsstrijders, achtendertig Amerikaanse en zes Iraakse militairen kwamen hierbij om.

Tien kogels in de bus

Van alle twaalfhonderd Nederlandse militairen die naar Irak zijn gingen, kwam tien procent rechtstreeks van de opleiding. Jeffrey Bont was één van hen. Hij was chauffeur, boordschutter en ging mee met het uitgestegen personeel; het grondteam.

Met zijn collega’s was hij ingevlogen in Koeweit, zoals de Amerikanen maanden geleden voor hen, die in Irak intussen al zo’n honderdtwintig operationele en veertien semi-permanente basissen hadden opgezet op locaties die voorheen door de Iraakse geheime dienst zijn gebruikt.

Er stond een personenbus op ze te wachten. ‘Onze spullen zaten onderin de bus, in het passagiersgedeelte hadden we alleen ons wapen met elk tien patronen – dat aantal zal iemand wel ooit bedacht hebben. Het is maar goed dat er niets is gebeurd, anders waren we zo door de munitie heen geweest. Gelukkig reden er wel andere auto’s naast de bus om ons te beschermen.

Bij een klein dorpje gingen we in het holst van de nacht de grens over en de volgende ochtend werden we wakker in Camp Smitty. Daar stonden allemaal prefabhuisjes. We hebben gelijk de muren versierd; helemaal volgeplakt met open wonden – een soldaat weet gelijk wat ik bedoel.’

Na de overdracht ging Jeffrey Bont met patrouilles in een voertuig op pad in de omgeving. Soms deden ze ook dorpen aan. Zoals bij alle bewegingen van de coalitietroepen waren de militairen altijd op hun hoede; behalve voor schutters ook voor geïmproviseerde explosieven (“bermbommen”).

Rood stipje op je borst

Eén van de meest indrukwekkende ervaringen van Jeffrey Bont in Irak, lijkt een scene uit één van de oorlogsfilms die hij als jongen graag keek. Alleen nu was het echt. ‘We reden in onze Jeep een dorp in om iemand op te sporen. Op een gegeven moment had ik een rood puntje op mijn borstkas. Het ging van de één naar de ander….’ [De laser-aanwijzer van een geweer.]

‘Dat was even spannend. We zijn gelijk gaan slingeren en hebben het groot licht aangezet om het ze moeilijk te maken. Daarna zijn we er op afgestormd, iedereen in het dorp uit bed gehaald, maar de dader hebben we niet gevonden.’

Op andere momenten vlogen de tracers hem om de oren, lichtsporen van kogels, en werd er dus echt geschoten. Jeffrey Bont: ‘Soms ook door leden van de Iraakse Nationale Garde die ons voor de verkeerden aanzagen.’ In een bepaald dorpje waren altijd problemen, herinnert de boomlange militair zich. ‘Maar we mochten in principe niets terug doen; alleen reageren als er gericht op ons werd geschoten.’

De Nederlanders waren er tijdens hun in totaal twintig maanden lange verblijf in Irak namelijk niet om te vechten. In die periode zijn door de Nederlanders ‘3360 veiligheidsfunctionarissen opgeleid’ , stelt het Ministerie van Defensie. ‘Daarnaast werkten de Nederlandse soldaten mee aan de humanitaire hulpverlening en de wederopbouw’.

Jeffrey Bont, de man die zelf in het Iraakse woestijnzand heeft rondgelopen, zegt hij net wat anders. Wat nuchterder: ‘Wij coachten daar de lokale politie en we hebben één keer [in de vijf maanden dat hij er zat] op een heel afgelegen locatie een watervoorziening aangelegd’. Maar dat was eigenlijk meer uit compassie.

In het algemeen lijken de Nederlanders in Irak door hun respectvolle en relatief ontspannen houding een goede indruk te hebben gemaakt bij de lokale bevolking. Ze waren in elk geval niet zo opgefokt als de Amerikanen en minder up tight dan de Britten die ze kwamen aflossen.

Jeffrey Bont: ‘Toen we weggingen, werden we opgevolgd door de Engelsen en daarna ontplofte er gelijk een aantal bommen langs de weg in ons gebied. De Engelsen hebben toch een andere manier om dingen aan te pakken.’

‘Ik had het avontuur wel gezien’

De overdracht aan de Britten was in maart 2005. Die maand vertrok de Sittardenaar uit Irak, waar hij een mooie tijd zegt te hebben gehad. Terug in Nederland stond de eerste missie naar Afghanistan op het punt om goedgekeurd te worden. Jeffrey Bont: ‘Ik had dat wel gewild, maar wilde ook niet langer wachten en ik besloot om hogerop te gaan. Ik had het met het avontuur eigenlijk wel gezien.’

Als onderofficier aan de Infanterieschool in Harskamp gaf hij les in zware wapens. ‘Mijn ervaring als boordschutter in Irak kwam me daarbij goed van pas’. In november vorig jaar werd hij in Oirschot rij-instructeur aan ‘de grootste rijschool van Europa’. Hij geeft er de reguliere B- en C-opleiding, aangevuld met terrein rijden, slippen, onderhoud en het opleggen van sneeuwkettingen.

Mist hij de actie niet? Is dit wel militair genoeg? Jeffrey Bont: ‘Het is een heel stuk minder militair, eigenlijk bijna niet. Maar gezien de thuissituatie, mijn vrouw is vijf maanden zwanger, en mijn behoefte aan een normaal sociaal leven, ben ik erg blij met deze baan.’

In Irak is het ondertussen al jaren onrustig, met name in 2006 was er een piek in het geweld. In 2010 leidden de eerste verkiezingen tot een regering van nationale eenheid. De Amerikaanse militairen, in wiens kielzog Jeffrey Bont in 2004 het land is binnengekomen, zouden eerst voor het eind van dit jaar allemaal zijn vertrokken.

Volgens de New York Times zijn er nu echter gesprekken gaande om een aantal troepen in 2012 te laten terugkeren; niet als bezetters maar als gasten – al dan niet onder de vlag van de NATO. Het broeit namelijk nog op diverse plaatsen in Irak.

De Koerden en de Soennieten zijn bang dat de Sjiieten (met steun uit Iran) de politiek willen gaan domineren. Aan de andere kant heeft de Iraakse overheid in november 2011 een groep van ruim zeshonderd vermeende coupplegers gearresteerd, bestaand uit militairen uit het voormalige leger en leden van de Ba’ath-partij van Saddam Hoessein. Dat zijn dan weer Soennieten.

De Irakezen zijn sinds 2003 dan wel bevrijd van Saddam Hoessein, stabiel is de situatie nog lang niet. Het avontuur van het democratische Irak is nog maar net begonnen.

Comments Off

admin op 12 November 2011 in Politiek & Media

Woont Hoogveld aan de voet van een chemische vulkaan?

De afgelopen maanden is in Sittard-Geleen behoorlijke onrust ontstaan over vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor. Hoewel het zwaartepunt van de discussie ligt bij Chemelot in Geleen, heeft ook de Sittardse wijk Hoogveld heeft ermee te maken. Ontsnappen de inwoners regelmatig aan een ramp van CNN-proporties of is dat zwaar overdreven?

Directe aanleiding was het aanvragen van een nieuwe milieuvergunning van ProRail voor het emplacement in Born, ook voor rangeren met en transport van gevaarlijke stoffen. Dit verzoek was eind 2008 al ingediend, maar de gemeente wilde meer informatie van de spoorgebruikers en die liet zo lang op zich wachten.

De Stadspartij van Sittard-Geleen en maatschappelijke organisaties protesteren tegen deze vergunning vanwege de veiligheid en de overlast voor omwonenden (geluidshinder, fijn stof).

De Stadspartij had eerder al geageerd tegen de plannen van Chemelot om meer gevaarlijke stoffen per spoor te vervoeren. Hierdoor zou de veiligheid van zeker zesduizend mensen in het geding zijn. Bij een ongeluk met LPG wonen zij in de dodelijke zone. Op internet vielen vanwege de LPG-wagons al termen als “rijdende bommen”.

2500 handtekeningen

Volgens Henk Bril, Senior Distribution Safety Expert bij SABIC, is dat een paniekverhaal, al kan een ramp niet geheel worden uitgesloten. SABIC is beeldbepalend op Chemelot en de grootste speler wat betreft transport van gevaarlijke stoffen in de Westelijke Mijnstreek.

Cijfers, plannen en maatregelen zouden volgens Henk Bril door critici op verkeerde wijze zijn gecombineerd, zodat onterecht het beeld ontstaat dat de mensen langs het spoor leven aan de voet van een chemische vulkaan.

In maart dit jaar werd het kookpunt bereikt. De Stadspartij had intussen ruim vijfentwintighonderd handtekeningen verzameld tegen het rijden en rangeren met gevaarlijke stoffen door en langs woonwijken.

Ironisch genoeg, kreeg SABIC drie maanden later van brancheorganisatie VNCI de Nederlandse Responsible Care Award, juist vanwege de voortrekkersrol wat betreft veilig transport via het spoor. En dat allemaal in het Jaar van de Chemie.

Twee sporen bij Hoogveld

Hoe zit het nu met Hoogveld, dat aan twee kanten wordt begrensd door rails? Aan de oostzijde van de wijk ligt een traject waarover vanaf Chemelot, via station Sittard, naar het noorden (gevaarlijke) stoffen worden vervoerd.

Dit gebeurt met name door SABIC (ex-DSM, in Saoedische handen), OCI Nitrogen (onderdeel van het Egyptische Orascom Construction Industries met daarin opgenomen het voormalige DSM Agro en DSM Melamine) en DSM.

Er vinden via station Sittard ook Chemelot-transporten naar het zuiden plaats, maar daar hebben de inwoners van Hoogveld niet direct mee te maken.

Van Sittard naar Born

Aan de zuidzijde van Hoogveld loopt een spoorlijntje dat vanaf station Sittard, tussen Hoogveld en Limbrichterveld, via het emplacement in Born, leidt naar de Rail Terminal Born (RTB) en Industrieterrein Holtum-Noord.

Via dat spoor zijn in 2010 jaar geen gevaarlijke stoffen vervoerd. ProRail telde in 2010 op het emplacement in Born 571 goederentreinen (’nul wagons met gevaarlijke stoffen’) en 122 ‘overige treinen (geen personenvervoer)’, aldus ProRail-woordvoerder René Vegter.

Actievoerders beweren dat voor 2010 wel gevaarlijke stoffen over dit traject zijn gegaan. ‘Eind vorige eeuw, in de tijd van DSM, voordat SABIC en OCI Nitrogen bestonden’, zegt Henk Bril, zijn over het spoor Sittard-Born inderdaad ‘heel sporadisch’ wagons met het giftige acrylnitril vervoerd (D3).

‘Maar dat is al jaren niet meer het geval. Tegenwoordig vervoeren we over dat spoor alleen nog brandbare vloeistoffen in zogenoemde bombes. Dat zijn geen tankwagons, maar platte wagens met daarop tanks van achtduizend liter. De brandbare vloeistoffen die erin zitten, aluminium alkylen, zijn hulpstoffen voor de productie van kunststoffen.

Deze transporten vinden sporadisch, één keer per maand / één keer per kwartaal, plaats en zelfs dat willen we afbouwen tot nul. Probleem is, dat deze stoffen in Duitsland niet via de weg mogen worden vervoerd, dus moet het per spoor. Verder vervoert SABIC geen gevaarlijke stoffen van of naar Born en al helemaal geen LPG; vanwege de veiligheid is dat niet verantwoord.’

Emplacement in Born

Ook DSM en OCI Nitrogen rijden niet met gevaarlijke stoffen over het spoor naar Born. Ze zijn dat naar eigen zeggen ook niet van plan, net zo min als SABIC, hoewel de opname van het traject in het Basisnet volgend jaar dat wel mogelijk maakt. Basisnet is binnen het Nederlandse spoorwegennet een reeks routes voor transport van gevaarlijke stoffen die vermoedelijk in 2012 wettelijk zal worden vastgelegd (er komt ook een Basisnet voor de weg en het water).

Henk Bril: ‘Het lijntje Sittard-Born is een zogenoemde grijze lijn. Dit betekent dat er nauwelijks vervoer van gevaarlijke stoffen is voorzien. En als dat gebeurt, moeten de risicocontouren op de spoorlijn blijven liggen.’

ProRail, sinds 2005 de nationale railbeheerder, heeft een vergunning aangevraagd om jaarlijks maximaal zevenhonderd wagons met gevaarlijke stoffen toe te laten op dit stuk spoor en het Bornse emplacement. Het gaat om tweehonderd wagens met propaan (LPG), vijftig met ammoniak (giftig gas), vierhonderd met benzine en vijftig met acroleïne (zeer giftige vloeistof). Tussen het rangeerterrein in Born en Holtum-Noord mogen met deze vergunning maximaal zesenveertig bewegingen per etmaal plaatsvinden (bijna zeventienduizend per jaar).

Het gaat om dezelfde maximale hoeveelheden als toegestaan voor de Rail Terminal Born. De ruimte die de aangevraagde milieuvergunning biedt, hoeft echter niet te worden benut, zegt René Vegter: ‘Voor zover ik weet, zijn er geen kandidaten die interesse hebben in vervoer van gevaarlijke stoffen over dit traject’.

Langs uw achtertuin

Dan is er nog het andere spoor, aan de oostelijke kant van Hoogveld. Hierover gaan nu al transporten met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt als onderdeel van een koepelvergunning voor alle spoorvervoer van en naar Chemelot.

De Chemelot-bedrijven vervoerden volgens ProRail in 2010 ruim veertienduizend wagons met gevaarlijke stoffen over het spoor oostelijk van Hoogveld. Specifiek ging het om 7600 van categorie A (LPG), 2050 van categorie B2 (ammoniak), 950 van categorie C3 (benzine) en 3750 van categorie D3 (acrylonitril).

Wat kan er mis gaan?

Hoe gevaarlijk of veilig is het (toekomstige) vervoer van gevaarlijke stoffen? Hiervoor worden diverse risicoberekeningen gehanteerd. Simpel gezegd is de kans op overlijden voor omwonenden één op een miljoen per jaar (het plaatsgebonden risico). Daarnaast is er een factor die de kans op een ramp met meerdere doden aanduidt (het groepsrisico).

De soort stof is van grote invloed op het theoretische risico. LPG valt onder de hoogste risico-categorie (A). LPG kan door langdurige externe verhitting van de tank, bijvoorbeeld door een brandende vloeistof, omgezet worden in gas, waardoor de druk in de tank toeneemt. Dit zorgt uiteindelijk voor rupture (openscheuren) en via het vuur voor een explosie, CNN-waardig.

Denk aan een vuurbal met een straal tot honderdtachtig meter die in een fractie van een seconde een enorm krachtige drukgolf voortbrengt.

Het effect van zo’n ontploffing of Warme BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) is dat binnen een straal van tweehonderd meter iedereen sterft. Binnen de straal van de vuurbal wordt alle bebouwing verwoest. Op vierhonderdvijftig meter ben je theoretisch veilig, maar tot negenhonderd meter sneuvelen je ruiten.

Gelukkig zijn de tanks waarin LPG per trein wordt vervoerd, heel sterk. Zo is de kans volgens deskundigen klein dat ze lekken door ontsporing of aanrijding, zo is uit proeven en ongelukken gebleken. Er is zelfs een specialist die beweert dat een LPG-tank nog niet kapot gaat als er een vliegtuig op neerstort.

LPG en ammoniak

Een andere gevaarlijke stof, waarmee langs Hoogveld wordt gereden, is ammoniak. OCI Agro produceert jaarlijks een miljoen ton ammoniak, verwerkt het leeuwendeel daarvan op Chemelot, waar ook een opslag is, en vervoert de rest (volgens haar website) via tankwagens en goederentreinen naar locaties in Nederland, België, Duitsland en Noord-Frankrijk.

Ammoniakgas kan bij het vrijkomen ervan, zelfs als het gaat om kleine hoeveelheden, in een relatief groot gebied (tot meerdere kilometers bij grootschalige transporten en productielocaties) zorgen voor gewonden en doden (bij de bron). Vanwege de mogelijk grootschalige effecten bij een calamiteit wil het Rijk dat OCI Nitrogen alle ammoniak op Chemelot verwerkt.

Als het fout gaat

In de risicoberekening bij ammoniak wordt uitgegaan van een aantal deeltjes in de lucht dat binnen een bepaalde blootstellingstijd door inademing blijvende schade en soms de dood tot gevolg heeft. Gelukkig heeft ammoniak een stekende geur, zodat mensen snel gealarmeerd raken.

Bij de discussie over veiligheid gaat het vrijwel altijd over dit soort abstracte waarden die statistisch bezien niemand zorgen baren. De werkelijkheid blijkt soms echter niet in cijfers te vatten en dat verklaart de emotionele reacties.

Het meest recente voorbeeld is het ongeluk met een goederentrein 7 oktober in het achthonderd inwoners tellende Tiskilwa, in de Amerikaanse staat Illinois. Daarbij ontspoorden zesentwintig van de 131 wagons en explodeerden drie van de zeven tot negen wagons met ethanol (zes raakten in brand). Doordat het dorpje snel is geëvacueerd zijn er geen doden of gewonden gevallen.

Een voorbeeld in Europa is het ongeluk in juni 2009 in Viareggio, Toscane. De eerste wagon van een goederentrein ontspoorde, ook in het station, doordat een wielas brak. Een wagon met LPG kantelde en kwam terecht op een metalen paal, waardoor de twee centimeter dikke tankwand werd doorboord en het gas vrijkwam, dat vervolgens explodeerde via de hete uitlaat van een motorfiets. Daarna explodeerde een andere wagon met LPG. Nog vier wagons ontspoorden en kantelden, twee andere ontspoorden maar bleven overeind. Meerdere woningen werden geraakt door ontspoorde wagons.

De trieste balans: tweeëndertig doden, zesentwintig gewonden en honderd mensen dakloos.

Hetzelfde jaar gebeurden in Nederland drie ongelukken met goederentreinen; in Vleuten, bij Amsterdam-Zuiderpoort en bij Barendrecht.

Bij het laatste ongeluk botsten twee goederentreinen op elkaar. Een personentrein werd geraakt door brokstukken. De ketelwagens met aardgascondensaat in één van de goederentreinen bleven heel dankzij crashbuffers van SABIC, zodat een catastrofe is voorkomen.

Achteraf bezien, heeft de machinist van één goederentrein vermoedelijk een hartaanval gehad, waardoor hij uiteindelijk ‘door rood reed’. De machinist van de andere goederentrein raakte zwaargewond.

Veiligheid wordt beter

Naar aanleiding van met name het ongeluk in Barendrecht is er extra overheidsgeld voor een beter alarmsysteem gekomen dat machinisten corrigeert als ze dingen doen of nalaten die de veiligheid in gevaar brengen.

Het gaat simpel gezegd om het voorkomen van ‘door rood licht rijden’, dat volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid tussen 2000 en 2009 zorgde voor tweeëndertig Nederlandse spoorongelukken, met een sterke verdubbeling de laatste vijf jaar.

Ook zijn de leeftijd van het materieel, de indeling van de goederentreinen, de snelheid en het communicatiesysteem (dat in Barendrecht aanvankelijk faalde) ter discussie gesteld.

De palen, waarvan er één in Toscane zorgde voor het doorboren van een LPG-tank, worden overigens in Nederland sinds de jaren tachtig niet meer gebruikt, stelt Henk Bril.

Zijn bedrijf vervult binnen Nederland wat betreft spoorveiligheid een voortrekkersrol. SABIC vindt veiligheid belangrijk, net als goede sociale inbedding (people, planet, profit). Daarom heeft het onlangs via het SABIC Fonds, dat maatschappelijke initiatieven ondersteunt, voor twintig mille AED’s (reanimatie-kastjes) in de wijken van Sittard-Geleen laten plaatsen.

Wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen, plaatst SABIC intussen crashbuffers op alle wagons. Ook rijdt SABIC alleen nog met wagons jonger dan twintig jaar. Hiervoor heeft het bedrijf in juni de VNCI Responsible Care-prijs gekregen.

Lakse houding verandert

Opvallend genoeg waren deze veiligheidsverhogende maatregelen al veel eerder voorgesteld (in plaats van crashbuffers werd gesproken over kreukelzones), onder meer in ‘Ketenstudies ammoniak, chloor en LPG’ uit 2004 en de ‘Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen’ uit 2005.

De branche, de vervoerders, de railbeheerder en de overheid hadden tot voor kort schijnbaar niet veel haast om het transport van gevaarlijke stoffen echt veiliger te maken. Zo concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid in januari in haar rapport over ‘Barendrecht’:

“De spoorpartijen en de minister voeren (…) een ’rituele dans’ uit, waarbij de nadruk ligt op wat relatief gemakkelijk kan en niet op wat daadwerkelijk noodzakelijk is. (…) Spoorwegveiligheid krijgt met name aandacht nadat een ernstig voorval heeft plaatsgevonden”.

Volgens Henk Bril is het vervoer van gevaarlijke stoffen gebaseerd op regels van de Verenigde Naties en was er aanvankelijk internationaal weinig bijval voor deze (veiligheid maar ook kostenverhogende) maatregelen. Intussen lijkt het tij dus gekeerd.

Een maatregel die nog op stapel staat, is het in 2008 door de overkoepelende brancheorganisatie voor veilig transport, de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen, geopperde Warme BLEVE-vrij rijden. WBV-rijden houdt in dat de afstand tussen een wagon met brandbaar gas en één met een zeer brandbare vloeistof maximaal achttien meter bedraagt.

In december willen de Nederlandse chemiebedrijven, SABIC voorop, een convenant sluiten om alleen nog op deze manier te treinen met gevaarlijke stoffen. Henk Bril: ‘DSM had hierover al eerder afspraken gemaakt met de Nederlandse overheid.’

Meer gevaarlijke stoffen

Hoe ziet de toekomst er uit? Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor zal in Nederland sterk groeien. En daarmee ook het risico, ondanks de toegenomen veiligheidsmaatregelen, en mogelijk ook de overlast.

Chemelot mag vanaf volgend jaar, met het Basisnet, jaarlijks 15.900 wagons met brandbaar gas (LPG en butadieen) vervoeren en hoopt dat aantal in 2015 te realiseren. Daarvan rijden er 13.900 langs Hoogveld over de lijn met Roermond (en 3000 over de lijn Chemelot – Maastricht).

Langs Hoogveld rijden dan maximaal jaarlijks 3500 wagons met ammoniak (op een totaal van 5200), 6200 met zeer brandbare vloeistoffen, als methanol (daarnaast gaan er 400 van en naar Maastricht), en 5500 met acrolyonitril. (Er zit overlap in de cijfers doordat treinen naar het zuiden via Sittard, waar locs gewisseld worden, moeten omrijden. Jaarlijks zijn dat bijna dertigduizend wagons, grofweg zo’n acht treinen per dag.

Meer via spoor en water

De toename komt in het algemeen doordat vervoer per spoor steeds voordeliger wordt, afgezet tegen transport via de weg. Gemiddeld neemt het vervoer van (gevaarlijke) goederen per rail tot 2020 toe met zo’n vijf procent per jaar. In 2010 ging het volgens ProRail om veertig miljoen ton.

De overheid lijkt daarbij overigens sinds 2003 met haar schattingen achter de feiten aan te lopen. SABIC vervoerde in 2010 bijvoorbeeld 8000 wagons van categorie A (LPG), terwijl dat aantal in 2007 nog werd aangehouden als streefgetal voor 2020 (8040). Intussen is het aantal bijna verdubbeld.

Chemisch hart van Europa

Na 2020 wordt een toename met een factor 1,5 tot 2 voorzien. Henk Bril wil niet voorbij die magische grens kijken: ‘Tot 2020 heeft Chemelot hier, denk ik, genoeg aan. Uitbreiding van de vergunning is tot die tijd niet aan de orde’, zegt hij eerst. Na lezing van het concept artikel voegt hij daaraan toe: ‘Maar zeg nooit nooit’.

Want SABIC wil blijven groeien. Zo streeft het bedrijf ernaar om in 2020 wereldleider te zijn in de chemie. Chemelot wordt dan een centrale locatie in Europa die bijna geen gebruik meer maakt van vervoer via de weg (medio 2010 495.000 ton).

Vrijwel alles gaat dan via het spoor en het water (en pijpleidingen, de belangrijkste manier van transport). Dit scheelt tijd en geld, en zorgt voor kleinere milieu- en veiligheidsrisico’s.

Om die grote plannen waar te maken, wordt honderd miljoen geïnvesteerd in de modernisering van naftakraker NAK4 van SABIC en krijgt het Chemelot-terrein een (ook door externe vervoerders te gebruiken) railterminal voor wagons met (gevaarlijke) stoffen (tot 100.000 containers per jaar). De provincie betaalt mee aan deze Rail Terminal Chemelot (RTC). Verder zijn er (nog niet uitgekristalliseerde) plannen voor een zuidelijke ontsluiting, zodat treinen naar het zuiden niet via Sittard hoeven te gaan.

De gevolgen van deze ontwikkelingen voor de inwoners van Hoogveld zijn nog niet goed in te schatten. Zo is onduidelijk of de externe vervoerders met interesse in de RTC, behalve de haven van Stein, ook de lijn naar de Rail Terminal Born in hun plannen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen willen betrekken.

Comments Off

admin op 14 October 2011 in Politiek & Media