Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Geertje Couwenbergh: een goede schrijver is een goede lover

Recent verscheen bij Ankh Hermes ‘Zin – Lust in je leven door schrijven’ van Geertje Couwenbergh. Ze geeft in haar boek een berg bruikbare schrijftips (met bronvermelding) en brengt deze helder, vrolijk en met de nodige vonken en spetters.

Als schrijver moet je volgens boeddhiste Geertje Couwenbergh ‘bewoest’ zijn. Dat wil zeggen: blijven hangen, staan of liggen in een situatie die confronteert, irriteert, charmeert of desintegreert, om maar eens wat te noemen. Bewust worden van het onverdachte zijn. Proef het leven in alle facetten en schrijf erover. Zo krijg je weer zin. Ga in geen geval wachten op inspiratie. Die klopt altijd een paar deuren verderop aan, nooit bij jou. Ook een verstopt doucheputje kan inspiratie geven om weer te schrijven.

‘De grootste uitdaging is om midden in een verslonsd huis en dichtslibbend leven een bord met aangekoekte etensresten een armlengte weg te schuiven, er een kladblok neer te leggen, en te schrijven. Hoe moeilijk en ranzig het ook is. Als je namelijk midden in de imperfectie van je leven kan schrijven dan creëer je een relatie met imperfectie zelf. Met alles wat onaf, aangekoekt en imperfect is in jezelf. En ik garandeer je dat precies deze relatie de meeste waardevolle in je leven is.’ (blz. 66)

‘Dezelfde eigenschappen die je een goede schrijver maken, maken je een goede lover’, schrijft ze. ‘Ze vereisen totale zintuiglijke aandacht. Om goed te doen moet je leren luisteren, aanraken, voelen, ruiken en reageren. Allebei kennen ze de creatieve spanning van inspiratie, actie, hoogtepunt en afname. Beide schudden je wakker, brengen je in het hier-en-nu. Je gebruikt je hele wezen: van het puntje van je tenen tot in je haarwortels, je angsten en dromen.’ (blz 83)

Om energie op te doen en nieuwe werelden te verkennen struint ze regelmatig op erotische sites (wie niet). Ze noemt er zelfs eentje in haar boek. Dat past binnen het (zelf)onderzoek dat ze (als schrijver en boeddhist) noodzakelijk vindt; kijken waar de lotusbloem zijn voeding haalt, die donkere poel van het onbewuste waarin angsten en verlangens het toneel vormen voor duistere fantasieën die gesublimeerd of uitgeleefd moeten worden. De naam van haar twitter-account, TheKinkyBuddhst, is wat dat betreft veelbetekenend.

Schrijven is hardcore, omdat je jezelf onder ogen moet komen, zegt Geertje Couwenbergh: ‘Wie schrijft komt onvermijdelijk op het punt waar je wilt stoppen. (…) Precies daar besef je namelijk dat je niet wegkomt door alleen je linkerhersenhelft te geven aan het schrijven. Dat het alleen maar werkt als je je ingewanden, demonen, nagelriemen, hartkamers en hersenstam inlevert. Dat maakt schrijven – en leven – als je het goed doet hardcore.’ (…) Schrijven betekent verder gaan dan je denkt dat je kunt.’ Ik heb nu al zin in haar erotische verhalen.

Comments Off

admin op 19 September 2011 in Boek & Meer

Zen in Japan: hard en vrijwel geheel gereguleerd

Een zenmonnik op de veranda van het klooster die via de gsm even naar huis belt. Een collega die in de centrale ruimte luistert naar de abt, zijn mp3-spelertje naast zich op de grond. Niet zen in de polder, maar zen in Japan. Het zijn beelden uit het boek ‘Zazen nu – Het dagelijks leven in een Japanse zenklooster’ van Madelon Hooykaas & Nico Tydeman (Ankh-Hermes, 2010). Dit fraaie bijzettafeltjesboek is een aanrader voor lekenbeoefenaars in Nederlands en voor de romantici die bij zen denken aan badschuim of een Japanserig bijzettafeltje.

De werkelijkheid in het traditionele klooster Bukkoku-ji, waar Hooykaas en Tydeman over schrijven, is hard en vrijwel geheel gereguleerd. Voor romantiek (als stroming) is geen plaats. Voor alles zijn regels, rituelen en gebruiken, zoals de bekende zenleraar Dogen Zenji zo’n achthonderd jaar geleden heeft bedacht. Er is maar één weg: totale overgave. Aan de regels en aan het hier en nu.

De vereiste discipline is groter dan in het leger en voortdurend. Het leven in dit klooster is een onophoudelijke training in bewust zijn. Verder vormen voor een niet-Japanner als Hooykaas de taal en de cultuur een extra drempel. In één zin: het verblijf is uitputtend.

Het leven is er ‘down to earth’. Bukkoku-ji is geen knuffelige New Age-omgeving, maar een plaats waar gewerkt wordt. Spiritueel werk, maar ook fysiek werk, zoals het handmatig legen van de beerput, is belangrijk. Net als alles, biedt het een mogelijkheid om voorbij de leegte te zijn.

Voor alles is een tijd en een plaats, zo blijkt uit de foto’s van Hooykaas. Ook voor de doden. Zo is er een ‘begraafplaats’ (zonder graven) met een grote pagode. Op elke trede staan kleine beeldjes en gedenktekens. Indrukwekkend om te zien, uitnodigend om te bezoeken.

Veel foto’s zijn waardevol omdat ze informatief zijn. Andere zijn erg fraai. Mij troffen de foto’s het meest die het gewone achter het exotische laten zien.

De versleten maaltijdbakken, de houten wandjes voor de zitplaatsen, onkruid op het pad, een kast met mokken (iedereen heeft een andere), de duurzaam uitgevoerde bedelhoeden (bedelen is uiteraard ook geritualiseerd) en het beeld van een monnik die geamuseerd naast een poes zit die water uit een lege bloempot drinkt.

Naast de foto’s biedt ‘Zazen nu’ een dagboekverslag van de fotografe, die overigens ook een film maakte van haar verblijf. Het uitstekende essay van Nico Tydeman, dat hieraan voorafgaat, ‘Laboratorium van de Geest’, maakt het boek compleet.

Niet alleen schetst Tydeman historische lijnen met belangrijke personen en verklaart gebruiken, hij geeft ook de werkelijkheid weer zoals die zich vaak aan de ogen van westerse gasten onttrekt.

Om met die gebruiken te beginnen: Tydeman vertelt bijvoorbeeld dat de kok in een klooster een hoge positie heeft, vaak net onder de abt. Een kok is niet ’slechts’ een medewerker voor het eten en drinken. Hij is idealiter een rolmodel voor elke zenmonnik.

De basis hiervoor is gelegen in de fameuze ontmoeting van Dogen Zenji (1200-1254) met een Chinese kok. Dogen komt met de man in gesprek, raakt gefascineerd en vraagt hem waarom hij zich bezighoudt met koken terwijl hij - met zijn kwaliteiten - beter zazen zou kunnen beoefenen en soetra’s bestuderen. De kok, een oude man, lacht alleen.

Later komt Dogen de kok weer tegen. Dogen vraagt de kok om diens inzicht met hem te delen. De kok trekt de intellectueel opnieuw uit balans. Hij zegt: ‘Een, twee, drie, vier, vijf’. En: ‘Niets is verborgen, alle dingen zijn geopenbaard.’

Dogen blijft zoeken en groeit later uit tot een belangrijke figuur in het zenboeddhisme. Hij ritualiseerde elk aspect van het kloosterleven en hechtte, wellicht mede door zijn ontmoeting met de kok, groot belang aan de bereiding en het eten van voedsel.

In een klein deel van het essay gaat Tydeman in op de dagelijkse praktijk die vaak onbeschreven blijft in westerse boeken. Hij vertelt dat monniken ook mensen zijn. ‘En zelfs de meest rigoureuze training en de grootste verlichting verandert niet wezenlijk iemands karakter.(…)

Net als overal zijn er uitslovers, klaplopers, de kantjes-ervanaf-lopers, klagers, slappelingen, arroganten en stilzwijgers. Er is jaloezie, concurrentie, ellebogenwerk, ruzie, roddel, achterklap, er zijn geruchten gaande. Er zijn uitwassen. In hun vrije tijd (en dat niet alleen) zoeken monniken een uitlaatklap voor de druk van hun training. Zij gaan naar buiten en doen zich te goed aan drank en seks.’

Dit komt vermoedelijk mede doordat veel monniken door hun ouders naar het klooster zijn gestuurd (ruim driekwart van de kloosters is familiebezit) in de hoop dat hun zoon eens de tempel zal kunnen runnen. Dat is een baan die draait om administratie en het houden van ceremoniën voor voorouders.

Het is ook een job met aanzien, leert Tydeman: ‘Priesters en Roshi’s dragen kostbare monnikskleren, van zijde of brokaat. Ze rijden in dure auto’s. Niet alleen wordt aan het bedelen (soms) veel geld verdiend, legaten, schenkingen en de herdenkingsceremoniën vullen een schatkist.’

Tydeman ziet het positief in. Over de historie van zen zegt hij: ‘De decadentie van de tempels kon in Japan nog zo groot zijn, steeds weer was er een enkeling, een monnik of leraar, die de Dharma compromisloos, vaak afzijdig van de invloedrijke instituties, leefde.’ Zo werd en wordt het voortbestaan van de leer gegarandeerd. Ook in tijden van mp3-spelers, mobieltjes en zen-badschuim.

Comments Off

admin op 20 May 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

En ik schreeuwde. Helemaal klaar voor haar chocolade…

Onlangs ben ik met de vaste klanten van horecagroothandel Sligro naar de Night of the Proms geweest in Rotterdam. Een leuk concert, met het optreden van Macy Gray als absoluut hoogtepunt. Macy is een lekker gek wijf dat heerlijke funky soul maakt. En ze is zwart. Ze is zo zwart als pure chocolade. En zo zingt ze ook. Sexy brains.

Voorafgaand aan het concert was er in een naburige hal voor de horecalogen volop gelegenheid om alle nieuwe en bestaande hapjes in het assortiment te proeven. Van bami in een handzaam bakje tot Australische ijsjes en van suikervrije cola tot in deeg gevouwen groentesnacks. Voor smikkelaars is er van te voren altijd genoeg te beleven. Zonder uitzondering is het stervensdruk bij een grote rechthoekige glazen vissenkom. Aan de randen ervan staan strak in het wit geklede mannen en vrouwen rechtop achter enorme stapels exclusieve bonbons in alle kleuren en soorten en maten. Als kapiteins op een chocoladeschuit.

Onze gastvrouw had ons hier naartoe getroond omdat ze een fervent liefhebber is. Ik zag hier een tafereel dat ik nog nooit eerder in het openbaar had gezien. Het was bijna pornografisch, en fantastisch - als alles dat verboden is. Ik zag diverse vrouwen begerig hun hand ophouden om gevuld te worden door de zeer correcte bedienden die veilig achter glas stonden en ook nog eens een meter hoger waren geplaatst, zodat zelfs ik moest opkijken naar deze chocolade butlers.

Een stel leuke jonge vrouwen van mijn leeftijd, midden tot eind dertig, drong giechelend naar voren. De ogen werden even groter toen ze een forse bonbon van hun keuze ontvingen. De lippen werden gelikt en al snel draaiden ze zich af om de lekkernij met glimmende oogjes te verslinden. Een fractie later zag ik ze nogmaals gaan, een beetje sluiks kijkend. Ik genoot van hun opwinding en moest ineens keihard schaterlachen. Het kwam er heel droogjes uit: ,,Vrouwen en chocola…” Ze lachten hartelijk mee; betrapt. De donkerharige was best knap, zag ik nu. Al snel was ik haar door het gedrang weer uit het oog verloren.

Wat is dat nou toch met vrouwen en chocolade, vroeg ik me af. Het toch maar eens opgezocht. Chocolade komt van het Azteekse woord ‘xocolatl’, dat zoveel betekent als ‘bitter water’; het was van oorsprong een drank. Chocolade werd door de Atzteken, net als door de Maya’s, geassocieerd met de god van de vruchtbaarheid - dus mijn instincten waren niet verkeerd. Al 1100 tot 1400 voor onze jaartelling werd er chocolade gedronken. (Meer info over de fascinerende geschiedenis van chocolade vindt u hier.)

In onze tijd wordt nog vaak gedacht dat chocolade zorgt voor prikkels vergelijkbaar met verliefdheid, maar recent onderzoek wees uit dat dit niet klopt. Dan moet je letterlijk kilo’s tot je nemen. (Al zijn er - als altijd - ook onderzoeken die dit weerleggen.) De prikkel zit dus vooral tussen de oren. Het kan dus chemisch wel niet werken, psychologisch gezien werkt het wel degelijk, heb ik in Rotterdam kunnen zien (Britse vrouwen hebben ook liever chocolade dan seks). De begeerte was overduidelijk.

Ik zou uren kunnen kijken naar het chocolade-ritueel van deze donkerharige dame, het geile knabbelen aan en het doorslikken van haar donkere vruchtbaarheidsoffertje. Het woord ‘chocodip’ kreeg in mijn hoofd ineens een andere betekenis… Terug naar de feitelijke orde der dingen: Macy Gray was geweldig die avond. Ze had er zin in en ik intussen ook. ,,All the sexy people, stand up and shout your name!” Hup, daar stond ik op de banken. En ik schreeuwde mijn naam. Helemaal klaar voor haar chocolade…

Comments Off

admin op 11 December 2007 in Ongewoon & Anders