Bibliorura-directeur Jeanine Deckers is gek op wilde projecten


De Bibliotheek Bibliorura heeft een nieuwe directeur: Jeanine Deckers. Geboren in Sevenum, uitgevlogen naar Amsterdam en nu weer geland op Limburgse bodem. Wij gingen bij haar op de koffie om kennis te maken.

Na 28 jaar in de culturele hoofdstad keerde ze onlangs terug naar het land van vlaai, muziek en schutterijen. Intussen heeft ze de eerste drie maanden erop zitten. Bevalt het een beetje in Remunj?

“Het bevalt me hier uitstekend. Mijn familie woont hier in de buurt en ik heb bij de bibliotheek prettige collega’s. Het is ook een mooie bibliotheek. Wel mis ik soms mijn vrienden in Amsterdam en het uitgaan, bijvoorbeeld toneelvoorstellingen bezoeken. Maar over het algemeen is het erg fijn om terug te zijn. De mensen zijn hier minder direct en minder gestrest. En ik had niet gedacht dat ik het zo leuk zou vinden om weer dialect te spreken.”

Jeanine Deckers is bibliothecaris en kunsthistoricus, maar zeker geen stoffig type. Anderen noemen haar ‘bijdehand, eigenwijs en aardig’. Op d’r blog betitelt ze zichzelf als ‘militante bibliothecaris’. Wat wil deze strijdlustige dame met de Roermondse bibliotheek?

“We hebben hier een prachtige bibliotheek met een mooie collectie. Zo hebben we enorm veel internationale kranten in de leeszaal. Ook hebben we een indrukwekkende collectie ‘Limburgensia’. Misschien niet zo groot als in Maastricht, maar erg goed en uitgebreid. En behalve de bibliotheek, zijn hier ook het Historiehuis en een brasserie gevestigd. Toch weten heel veel mensen dat niet. Dat is jammer, want de bieb is van en voor iedereen. Ook als je niet van lezen houdt, kun je hier terecht, bijvoorbeeld om de krant te lezen of te studeren. Het verhaal over wat we bieden moeten we beter en vaker vertellen.”

In een notitie, die aansluit bij het huidige beleid van Bibliorura, geeft ze aan dat laaggeletterdheid hoog op de agenda moet komen. Waarom is de bestrijding daarvan zo belangrijk en wat gaat zij daar concreet aan doen?

“Veel kinderen verlaten de basisschool met een fikse achterstand wat betreft begrijpend lezen. Zo’n achterstand haal je niet snel meer in. De Bibliotheek Bibliorura heeft een heel goed programma om samen met alle basisscholen laaggeletterdheid tegen te gaan. Zo bieden we kinderen betere kansen in hun leven. Verder zijn er veel ouderen die vroeger alleen de lagere school hebben afgerond. Dat was toen genoeg, nu niet meer. De samenleving is ontzettend ingewikkeld geworden. Die mensen gaan we ook helpen. Zo denken we na over een Taalpunt in Roermond waar jong en oud terecht kan met vragen over lezen, schrijven en taalonderwijs.”

In Noord- en Zuid-Holland ontwikkelde ze met succes een keten strandbibliotheken en bedacht de bibliotheek op Schiphol - de eerste vliegveldbibliotheek ter wereld. Heeft ze ook zulke wilde plannen voor Roermond en Roerdalen?
“Ik ben gek op wilde projecten, alleen heb ik nu nog niets op het oog. Ik ben overal voor in.”

Het is bij de nieuwe directeur overigens niet alleen innovatie wat de klok slaat. Zo is ze al twee decennia lid van het conservatieve Cuypersgenootschap. Dat is een landelijke club die onder meer vocht voor behoud van Cuypers’ Teekenschool in Roermond en Kolleg St. Ludwig in Vlodrop.

“Tijdens mijn studie architectuurgeschiedenis ben ik daar lid van geworden. Dit genootschap zet zich in voor behoud van bouwkundig erfgoed uit de negentiende en twintigste eeuw, vooral van na 1940. Dat ik nu, na al die jaren, terecht ben gekomen in de stad van Pierre Cuypers, maakt wonen en werken in Roermond voor mij natuurlijk nog specialer.”

De koffie is intussen op en het koekje verorberd. Tot slot een vraag om de nieuwe Bibliorura-directeur persoonlijk wat beter te leren kennen: wat is haar favoriete boek?

“Gebr. van Ted van Lieshout. Ik vind al zijn boeken erg goed. Gebr. gaat over een homoseksuele jongen die in de jaren zeventig in Eindhoven opgroeit met een broer die later zelfmoord pleegt. Het boek is een soort zoektocht van de hoofdpersoon in het verleden. Het gaat over zelfmoord en is zielig, maar tegelijkertijd erg om te lachen. Daarnaast is het heel mooi geschreven. Ik ben in dezelfde tijd opgegroeid, daardoor zijn veel dingen voor mij herkenbaar. Het is een heel bijzonder boek.”

[Afbeelding detail uit werk van Edward W. Camp]

Geen Reacties »

admin op 8 August 2016 in Boek & Meer

Jos Saes: “Bibliotheek meer nodig dan ooit”

Onlangs nam Jos Saes na veertig jaar afscheid als directeur van de Bibliotheek Bibliorura. Portret van een man die liever op de achtergrond blijft.

“Jos Saes, dat ìs de bibliotheek Roermond”, zegt een medewerkster die jarenlang nauw met hem heeft samengewerkt. Ze schetst Saes als een directeur met visie, open, eerlijk, direct en met oog voor de inhoud. “Geen groot ego, hij werkt liever in de luwte, maar wel iemand die altijd vocht voor zijn bibliotheek.”

In veertig jaar zag Jos Saes Roermond van ingedut plattelandsstadje uitgroeien tot internationale winkelmagneet. Sociaal-culturele, politieke en technologische veranderingen, verhuizingen, fusies en reorganisaties; het kwam op zijn pad. En hij heeft het allemaal overleefd.

Hij zag bestsellers fonkelen en verdwijnen, schrijvers komen en gaan, en trends opvlammen en uitdoven. Binnenkort draagt hij de organisatie met een gerust hart over aan zijn opvolgster. De organisatie is efficiënt, het team is hecht, er ligt een heldere en goed onderbouwde visie, en de Bibliotheek Bibliorura is goed ingebed in de maatschappij. Maar dat ging niet vanzelf.

De verhuizing in 2000 naar de Neerstraat was voor Jos Saes, die in 1980 directeur werd, professioneel het meest ingrijpend.

“In 1976, toen ik begon, zaten we samen met het CK-Theater in De Oranjerie. Tot Van der Valk erin wilde. Wij hadden een contract tot 2010. Bij de gemeente hebben we toen een nieuwe locatie en een noodhuisvesting bedongen; de voormalige RAM Garage aan het Wilhelminaplein, waar later de Action in heeft gezeten.

We kregen subsidie voor verhuizing naar de garage, maar voor de rest moesten we alles zelf uitzoeken. Ik zie ons nog door dat gebouw gaan om met krijt op de vloer aan te gegeven waar de internetaansluitingen moesten komen.

Gevecht om brasserie

De verhuizing naar de Neerstraat en de verbouwing zijn tien jaar voorbereid. Het zorgde voor felle maatschappelijke en politieke discussies, onder meer over het spreidingsbeleid en de maatschappelijke rol en functie van de bibliotheek.

De meningen over wat de bibliotheek zou kunnen zijn, veranderden in die periode gestaag. We werden door de gemeente steeds meer gezien als een zakelijke partner. Voor die tijd was het eerder een beetje als de bedeling.

Ik was adviseur van de gemeente voor dit gebouw, daardoor hebben we dingen kunnen realiseren die niet voorzien waren. Zo kwamen we erachter dat er een vergader-/tentoonstellingsruimte nodig was.

En we wilden een brasserie met terras. Dat is een heel gevecht geweest. Zoiets werd toen nog niet geassocieerd met een bibliotheek. Het was pas een jaar of tien later dat hippe boekwinkels koffiehoeken kregen.

Door de brasserie kwamen er later soms klachten als: ‘Als ik hier een boek zit te lezen, ruik ik het eten.’ Ik dacht dan: Wat maakt dat nou uit!

Voor de verbouwing hebben we zeker tien tekeningen op tafel gehad. Er waren dan ook nogal wat uitdagingen.

Het gebouw bestaat uit een gerenoveerde voorbouw met een nieuwe achterbouw. De achterbouw heeft geen directe verbinding met het straatniveau. De architect, Han Westelaken, heeft dit opgelost door de verdiepingen in de achterbouw los in de ruimte te plaatsen.

Gebouw van de bevolking

Het is nu een hartstikke mooi gebouw, en nog belangrijker: het is een gebouw van de bevolking. Je mag er ook gewoon praten, want er zijn hier genoeg luwteplekken voor als mensen stilte zoeken.

En iedereen is welkom, lid of geen lid. Ouderen lezen er de krant, studenten maken hier op de computer hun werkstukken, en soms zitten hier ook zwervers. Mijn insteek: je bent welkom als je je fatsoenlijk gedraagt. Wij willen niemand buitensluiten.

De bibliotheek was begin jaren ‘70 toch nog vooral een bibliotheek voor de gegoede burgerij. In de jaren ‘80 veranderde dat. Nu is de bibliotheek een ontmoetingsplaats voor iedereen op het kruispunt van kennis, contact en creativiteit. Daarnaast is er natuurlijk internet.

Maar ook dat is niet heilig. Met de opkomst van e-books en snel internet waren diverse politici overtuigd dat de bibliotheek overbodig was geworden. Dat is dus niet zo. Misschien is er door de enorme hoeveelheid beschikbare informatie juist nu wel meer behoefte dan ooit aan onderzoek, duiding en inspirerende locaties om samen te komen.

Neem bijvoorbeeld de geschiedenis. Veel jongeren denken: dat is voorbij, maar het leeft nog steeds. Dat merkten we bijvoorbeeld aan de belangstelling voor onze tentoonstelling over de tijd van Napoleon Bonaparte. Veel moderne staten zijn gebaseerd op inzichten uit die tijd.

Verder vervult de bibliotheek een belangrijke rol bij leesbevordering en het tegengaan van laaggeletterdheid. Dat doen we onder meer via ons succesvolle programma voor de schoolbibliotheken en de doorgaande leeslijn.

Lezen is leuk en nuttig. Het is een cruciale vaardigheid om je te kunnen redden in deze samenleving.

Ook het lezen van romans is daarbij belangrijk, dat weten veel mensen niet; daarvan ga je genuanceerder denken. Ook word je in romans geconfronteerd met een breed palet aan emoties en manieren om daarmee om te gaan. Zo kom je op een andere manier in het leven te staan.

Zelf houd ik van Russische schrijvers als Boris Pasternak en Ivan Boenin, mijn lievelingsschrijver. Een persoonlijke favoriet is ‘Portret van een man’ van Jens Christian Grøndahl, maar veel mensen vinden hem misschien niet zo bijzonder hahaha. Ik kan ook genieten van ‘Het verhaal van Ferrara’ van Giorgio Bassani. ‘De graaf van Montecristo’ van Alexandre Dumas vind ik ook een prachtig boek.”

Snijden in eigen vlees

Zo’n tien jaar na de verhuizing van de bibliotheek naar de Neerstraat, tussen 2010 tot 2013, ontstond een situatie die Jos Saes persoonlijk het meest heeft geraakt. Met het spreekwoordelijke gouden horloge in zicht, moest hij fors snijden in eigen vlees.

“Er was te weinig geld in de maatschappij. Roerdalen wilde de bibliotheken in de eigen gemeente sluiten, want het was te duur om ze open te houden. Zeker omdat de kwaliteitsvraag in een dorp dezelfde is als in de stad - daar vergissen mensen zich vaak in.

We hebben toen ingezet op de schoolbibliotheken en dat heeft achteraf heel goed uitgepakt. De bevolking was eerst hartstikke kwaad, maar de ontwikkelingen gaan door. Het is net als met de flappentap in de dorpen; iedereen vindt het vervelend dat hij verdwijnt, maar de meesten pinnen rechtstreeks bij de winkels in de stad.

Met onze organisatie moesten wij van ruim 40 naar ongeveer 20 medewerkers. Ik heb veel mensen moeten ontslaan en dat heeft er ingehakt. Ook persoonlijk. Niemand wil mensen ontslaan.

In die tijd heb ik een TIA gehad, een voorbijgaande beroerte. Bij het onderzoek bleek dat ik eerder al diverse herseninfarcten heb gehad. Het advies was om het rustig aan te doen.

Iedereen die zoiets meemaakt, gaat anders nadenken over wat hij wil. Je gaat anders leven.”

Jos Saes dacht aan de mooiste momenten in zijn leven. Zijn gezin, de mensen die hij heeft ontmoet. Over het belang van werk, zijn werk. Lekker eten en drinken. De bijzondere plaatsen die hij heeft bezocht, zoals het eiland Sark en zijn geliefde Frankrijk. En natuurlijk dacht hij aan de jaren die nog komen.

Marktpartijen hollen bieb uit

Ook professioneel maakte hij de balans op. In een notitie heeft hij laten beschrijven waar de Bibliotheek Bibliorura voor staat, wat de kansen en bedreigingen zijn, en hoe de beste strategie voor de toekomst eruit ziet. Het stuk heeft pamflettistische trekken en ademt een onverschrokken strijdbaarheid; tot hier en niet verder!

“Met deze notitie willen we het team, dat een onzekere periode achter de rug heeft, houvast geven voor de toekomst. Ook leggen we zo aan derden als de gemeente uit wat we doen en waarom dat toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld in vergelijking met marktpartijen.

De marktpartijen die nu in de bibliotheekwereld opereren, geven je een ouderwetse bibliotheek terug. Dus zonder de complexe meerwaarde die wij bieden. Dan kan ook niet, want anders zouden zij geen winst maken. Ze melken een bestaand concept uit en daarna blijft de gemeenschap achter met het gat.

Dan hebben wij het in Roerdalen toch beter gedaan. Niet alleen zijn gemeente en scholen heel tevreden over het project met de schoolbibliotheken, we hebben ook voortdurend constructief overleg als ze iets willen veranderen. Dat is heel fijn. Ook in Roermond hebben we een uitstekende samenwerking met de gemeente.

Kortom: de organisatie is klaar voor de toekomst, en ik ben klaar om ermee op te houden. Wat ik ga doen als ik met pensioen ben? Het eerste half jaar ga ik helemaal niks doen hahaha.

Nou ja, mijn tuin uitbouwen; ik heb een cottage tuin. Engelse tuinen, die vind ik geweldig. Een tuin met vier geweldige lindenbomen erin, heb ik. Daar ga ik me heerlijk aan wijden. Daarna zie ik wel verder.”

Geen Reacties »

admin op 31 March 2016 in Boek & Meer, Politiek & Media

Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Koen, Georgette & de kunst van het koffiedrinken

Tegenover bestierde zijn betovergrootvader een kleine schoenmakerij die later uitgroeide tot de succesvolle keten Durlinger schoenenzaken. Koen van Beek (34) hoopt op een vergelijkbare expansie met zijn nieuwe koffiehuis aan de Markt in Sittard. In november gaat Coffee Mundo espresso & brew bar open, met zijn charmante vrouw Georgette van Geleijnen (32) als barista. Gelijktijdig introduceert het ondernemende koppel een koffielijn voor particulieren.

Het concept en de ontwikkeling van Coffee Mundo doen denken aan het in 1971 in Seattle opgerichte Starbucks. Deze formule, gericht op kwaliteit, beleving en gemeenschap, begon met de verkoop van bonen. Later kwamen daar de koffiehuizen bij, die tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten populair zijn.

Koen en Georgette volgen een vergelijkbaar traject. Koen startte in 2006 een eigen lijn met koffie voor de horeca en het mkb. Met de opening van het eerste koffiehuis en de introductie van een lijn voor de particuliere markt is de tweede fase bereikt. Als het meezit, volgen nog vele koffiehuizen in middelgrote steden in de Euregio, in eigen beheer of als franchiseformule.

De versgebrande koffie wordt in het koffiehuis geserveerd of kan worden meegenomen en is daarnaast via internet te koop. Op termijn is ook verkoop via geselecteerde retailers voorzien. Coffee Mundo telt op dit moment elf soorten zorgvuldig geselecteerde arabica bonen uit de drie belangrijkste koffieregio’s ter wereld. ‘Wij bieden een selectie van ’s werelds beste koffiesoorten’, zegt Koen.

Voor hij werd gegrepen door het zwarte goud, deed hij in Zuid-Amerika en Zuid-Europa commerciële ervaring op als verkoper van onderdelen voor persluchtcompressoren en later in Noord-Afrika en het Midden-Oosten in de sales van natuurlijke smaakstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie.

Dat verschafte de toen pas afgestudeerde Heao’er een mondiaal netwerk en onschatbare ervaring in internationaal zakendoen. ‘Omstreeks 2004 begon de economische opmars van Brazilië en werd ik door mensen daar gevraagd of ik spullen naar Europa wilde exporteren. Dat heb ik niet gedaan, maar het idee sprak me aan. Brazilië is het grootste koffieland ter wereld en de koopkracht is intussen zo toegenomen dat veel mensen Braziliaanse koffie kunnen kopen; voorheen was die uitsluitend voor de export.’

Het plan om producten uit de rest van de wereld naar Nederland te halen, werd concreter na zijn laatste baan bij een internationaal smakenhuis, een zogenoemd flavour house. Koen leerde er de basis van het proeven. Zo kon hij de wensen van zijn klanten beter vertalen naar de smaakdeskundigen.

Hij stuurde er een netwerk aan van verkoopkantoren in Iran, Jordanië, Tunesië en Dubai, maar voelde hij zich in het Midden-Oosten minder thuis dan bijvoorbeeld in Zuid-Amerika. ‘In Zuid-Amerika zijn mensen al emotioneel als ze over hun kinderen beginnen en de Arabische wereld heeft een veel meer gesloten cultuur. Daardoor heb je een heel ander contact met mensen.’ Toen hij in Algerije met gevaar voor ontvoering door het land reisde, vooraf moest hij de ambassade inlichten en zich achteraf weer melden, was de maat vol.

Georgette, verkoper van KNO-producten aan ziekenhuizen, steunde hem dan ook van harte toen hij zes jaar geleden besloot een eigen onderneming op te zetten in zijn vorige werkgebied. Koen koos voor koffie. Na een grondige oriëntatie ontwikkelde hij een eigen koffielijn voor de horeca en het mkb, vanaf november dit jaar aangevuld met het eerste koffiehuis en een koffielijn voor particulieren.

Een van de grootste uitdagingen is om de Nederlanders koffie te leren drinken. Want terwijl we hier sloten koffie naar binnen gieten, en cappuccino, espresso en latte gemeengoed zijn, is in ons land nog veel te winnen. De apparaten met pads en kuipjes hebben al tot “enige bewustwording geleid”, maar de koffiecultuur staat hier nog in de kinderschoenen, aldus Koen, die net als Georgette is opgeleid door wereldberoemde barista’s.

We weten intussen allemaal van de twee soorten bonen, de arabica en de robusta, maar dat is niet genoeg. ‘Er zijn goede robusta’s en slechte arabica bonen. In Italië, een echt koffieland, werken ze veel met robusta’s omdat het land vroeger armer was. In het rijke westen hadden we toen al arabica bonen. Naast de soort bonen, zijn de afkomst en de bereidingswijze van de koffie minstens zo belangrijk voor de smaak, de romigheid, het volume en de afdronk.

Hier wordt espresso bijvoorbeeld gezien als zware koffie waar je hartkloppingen van krijgt, maar dat ligt aan de bereiding en de gebruikte bonen, zegt Koen. ‘In Italië heeft een man me ooit gezegd: “Als je je hele leven espresso drinkt, krijg je nooit een hartaanval”. En dat ben ik nooit vergeten.’

Ter verduidelijking krijg ik een verse espresso van Braziliaanse bonen voorgezet, uiteraard van één van de elf smaken van Coffee Mundo. De espresso is vol van smaak, zonder wrang te zijn, krachtig maar toch zacht, en heerlijk romig, tot hij na de afdronk in korte tijd uiteen valt. Niet te vergelijken met wat hier vaak onder de naam espresso wordt verkocht.

Ook op het gebied van “gewone koffie” willen de Sittardse barista’s hun klanten met plezier inwijden in de diepere geheimen van de koffiewereld. De Nederlandse koffie is vaak een “lungo”, gemaakt door een espressomachine te lang te laten doorlopen, legt Koen uit. Hij trekt een vies gezicht. ‘Zo komen ook de reststoffen in de koffie. Wij bieden “coffee americano”: aan heet water voegen we een espresso toe. Zo houd je de pure, volle smaak.’

De “echt grote jongens” op koffiegebied hebben volgens hem te lang te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit. Een term als “masterblenders” zal daar weinig aan veranderen. Volgens Koen zijn eerder zo succesvolle machines voor capsules en pads dan ook op hun retour. Mensen willen kwaliteit, ook in de horeca.

‘Tegenwoordig geven klanten op een terras een kop koffie terug als die niet lekker is. Als je meer dan twee euro betaalt voor een koffie, zeker nu het financieel niet goed gaat, wil je dat het lekker is. Vroeger had je van die hoge stalen cylinders waar de koffie soms al uren in stond te pruttelen. Iedereen vond dat normaal, maar die tijd is gelukkig voorbij.’

Coffee Mundo brandt kleine hoeveelheden bonen die gelijk worden verpakt. Zo blijft het aroma behouden. De verpakkingen zijn van kunststof en er is geen aluminium in verwerkt. ‘Aluminium wordt gemaakt van bauxiet en de bauxietwinning is één van de meest vervuilende industriën ter wereld.’ Daar wil Coffee Mundo niet aan meedoen, vandaar dat honderd procent kunststof zakjes worden gebruikt.

Het bedrijf wil zo duurzaam mogelijk werken, vertelt Koen. En dat is volgens hem geen window dressing. Hoe zit het dan met de arbeidsomstandigheden en verdiensten van de koffieboeren van wie het stel de koffie via tussenhandelaren betrekt?

‘Veel van onze koffiesoorten hebben een keurmerk, zoals FairTrade / Max Havelaar, EKO en Rainforest Alliance. Sommige merken richten zich op de sociale omstandigheden, andere op de belasting van het milieu via afvalstoffen.

Het liefst wil ik bereiken dat “onze” koffieboeren later een onafhankelijke handelspositie krijgen en dat wij klanten kunnen laten zien welke mensen onze koffie produceren, hoe dat gaat en wat zij er aan overhouden. Dat je bijvoorbeeld ziet dat een koffieboer na een jaar een nieuwe auto heeft kunnen kopen. Door de verhoudingen ter plaatse is dat nu nog niet mogelijk.’

Het eerste koffiehuis aan de Sittardse markt zal het duurzame streven weerspiegelen. De inrichting wordt “vintage”, dat wil zeggen: met gebruikte materialen. In dit geval staal, steen en hout. ‘Je kunt er zitten aan een lange leestafel en de krant lezen en er is ook een “sta-bar”, naar Italiaans gebruik.

Bij hun koffie krijgen mensen gebak. In Sittard is dat vlaai of een “brownie”. In Duitsland of België zal dat lokaal gebak zijn. Altijd vers en van hoge kwaliteit om de koffiebeleving te versterken.’

Na Sittard moeten steden als Roermond, Eindhoven, Aken, Keulen en Hasselt aan de wereldkoffies van Coffee Mundo. ‘In drie jaar drie nieuwe zaken, dat is ons streven. Veel mensen zeggen dat het wel eens veel sneller zou kunnen gaan.’ Maar Koen en Georgette laten zich niet gek maken; gewoon lekker doorwerken, kopje voor kopje. Net zoals de betovergrootvader van Koen die tegenover Coffee Mundo schoenen verzoolde. Dag in, dag uit. En kijk eens waar dat toe heeft geleid.

Afbeelding gestolen bij Dear Coffee, I Love You.

Comments Off

admin op 19 October 2012 in Ongewoon & Anders

Lady laat de lampen branden op het industrieterrein

In de rouwkamer is het kil, maar niet door de aanwezigheid van de dood. ‘We hebben wat problemen met de verwarming de laatste tijd’, zegt de gastvrouw verontschuldigend als ze een kopje koffie op tafel zet naast een doos Kleenex. Terwijl de melk in de hete koffie oplost komt Peter Laumen (49) uit Sittard handenwrijvend binnen.

Ik zie het mezelf niet doen; werken in een sfeer van verdriet en afscheid nemen, dacht hij toen ze hem vroegen te solliciteren. Intussen is hij alweer een jaar vestigingsmanager van het Roermondse dierencrematorium van SHCN dat klanten bedient in een straal van zo’n honderd kilometer.

Dan moet je wel van dieren houden, niet? ‘Nou, nee, ik ben niet echt een huisdierenliefhebber’, bekent hij. ‘Thuis heb ik een hamster en vijftig vissen, in mijn jeugd hadden we een hond. Ik heb niks met dieren in die zin, dat ik bijvoorbeeld een zwerfhond uit Spanje zou meenemen naar Nederland. Die koop ik dan gewoon hier.’

Kan hij dan wel invoelen wat de baasjes meemaken? ‘Dat is in m’n sollicitatiegesprek ook een punt geweest. Ja, dat wel. Maar je moet er wel mee kunnen omgaan. Als je hier begint moet je eerst een dag proefwerken, alle werkzaamheden een keer uitvoeren. Dan gaat ook de koeling open…

Allemaal dieren, bloed uit allerlei openingen, dieren die hun ontlasting hebben laten lopen – en die moeten dan gereinigd worden voor het afscheid. Als je daar moeite mee hebt, moet je hier niet komen werken.’

Soms springt hij zelf bij, zoals vandaag bijvoorbeeld, omdat er iemand ziek is. ‘Anders kan een crematie niet doorgaan.’ En vanuit het streven naar hoge kwaliteit, goede service en een grote mate van betrouwbaarheid kan dat natuurlijk niet.

‘Wil ik dit wel zien?’

Het zijn dingen waar Peter Laumen liever over praat; de zakelijke uitdagingen van het groeiende SHCN van de familie Van der Arend, en de uitvaartspaarregeling voor dierenbezitters. Maar eerst nog even naar de dieren. Is er een crematie die hem is bijgebleven het afgelopen jaar?

‘Een tijdje geleden kwam hier een jong paard binnen dat het naar verwachting zeer ver zou gaan schoppen, niet zoals Salinero van Ankie van Grunsven, maar wel op wereldniveau. Om een onverklaarbare reden is het gestorven, daarom werd sectie verricht. Het paard was helemaal opengesneden, z’n ingewanden lagen half eruit. Alleen het hoofd was nog gaaf. Toen dacht ik: wil ik dit wel zien?

De eigenaar van de manage, de eigenaar van het paard en de jockey kwamen gescheiden hier naartoe. Het paard lag opgebaard. Alleen het hoofd was te zien; heel netjes. De jockey kwam later, die heb ik toen opgevangen. Hij trok het even helemaal niet meer.

Er waren twee dochters van de eigenaar meegekomen, die reden ook op dat paard. Zij zijn wel drie kwartier gebleven, waren er niet bij weg te krijgen. Het was allemaal heel emotioneel. Dan moet je wel even een zijsprongetje maken om niet mee te gaan in het verdriet van die mensen.’

In de aangrenzende rouwkamer ligt een witte American Bulldog opgebaard. Hij lijkt te slapen, maar mist de veerkracht die hem eerder moet hebben gekenmerkt. Zijn half openstaande ogen hebben een lichtrode gloed.

Het baasje met familie en vrienden zit in de glazen piramide, vooraan in het pand, omringd door vitrines met alle mogelijke soorten urnen en memorabilia. Een aantal meisjes in het gezelschap zit erbij met betraande gezichten.

De groep is opgevangen door een gastvrouw. Zoals gebruikelijk, vroeg ze gelijk naar de naam van de hond om het persoonlijk te maken, en biedt een luisterend oor. Zo meteen worden de nabestaanden binnengeleid in de rouwkamer waar hun geliefde op hen wacht.

Hoewel een huisdier volgens Peter Laumen tegenwoordig door veel mensen wordt gezien als gezinslid, bijna als een kind, duurt het afscheid meestal maar enkele minuten. Al krijgt iedereen natuurlijk de tijd die hij of zij nodig heeft, haast hij zich te zeggen.

Er wordt vaak een knuffel bij het huisdier gelegd of een speeltje, en bij een paard vaak ook wat stro. Je kunt muziek naar keuze laten horen en daarna vertrekt je hond, kat of cavia voor zijn laatste reis. Als je wilt, kun je erbij zijn om zeker te weten dat hij alleen de oven ingaat.

Het afscheid van de American Bulldog duurt niet lang. Terwijl de familie nog napraat in de piramide wordt de ovale houten sierrand rond zijn laatste mand in tweeën geklapt. Een verrijdbare baar wordt zichtbaar die meteen beheerst door een medewerker naar buiten wordt gereden.

Na twee deuren en een smalle lange gang, staan we voor de deur waarachter we de ovens rustig horen ronken. Er zijn er twee, legt Peter Laumen uit, één voor huisdieren en één grote voor paarden. Speciaal ontworpen door een Van der Arend. Het lijkt een soort ketelhuis met al die buizen en grote machines, en vergeleken met de rouwkamer is het er lekker warm.

Achter de voorste oven staat een rijdende baar met daarop een witte langharige hond, gelegen in een met rood fluweel bedekte mand. Met zijn grote atletische lichaam en prachtige ranke kop is hij zelfs nu nog een indrukwekkende verschijning.

Achter de tweede, op een onbedekte stalen baar, ligt een rechthoekig pakket, omwikkeld met een ruwe deken. Het zou een middelgrote hond kunnen zijn, maar die vorm is niet gelijk herkenbaar, dat maakt het wat luguber.

De American Bulldog is nog niet aan de beurt, deze twee gaan voor. Na zijn crematie, die naar verwachting tussen de één en twee uur zal duren, kan zijn as op het land worden uitgestrooid of vanuit een vliegtuig. Een andere optie is verstrooiing op zee, individueel of samen met anderen. De grote plastic tonnen voor de collectieve verstrooiing staan al klaar in de inpandige garage waar ook de paarden worden opgebaard.

Armband van paardenhaar

Meenemen in een urn kan ook. Daarvan hebben ze hier heel veel soorten. Van echt groot voor een volwassen paard, als pot geschikt voor een fikse kamerplant, tot klein, bijvoorbeeld een knuffelsteen waarin achter een klein afsluitdekseltje de as van je hamster kan worden bewaard.

Bijzonder zijn verder een porseleinen hondenkop die door een kunstenaar aan de hand van foto’s zo wordt beschilderd dat hij lijkt op jouw trouwe kameraad; de strakke design urnen van RVS, bijvoorbeeld in de vorm van een lotusbloem; en de fraaie piramides van keramiek, die eveneens beschilderd kunnen worden.

Verder kunnen er armbanden worden gemaakt van geweven paardenhaar en uiteraard is ook het maken van pootafdrukken of een kunstmatige herinneringsdiamant mogelijk. De as ‘laten opnemen in een speciaal voor u geselecteerde boom of heester’ kan ook.

Maar het hoeft allemaal niet zo duur te zijn. Bij de prijs van het cremeren inbegrepen is een soort ovaal koffieblik, een asbus, met een afbeelding van een landschap erop. Op de plank van een klein kantoortje naast de ovens staat een aantal gecremeerde dieren in zulke bussen keurig op een rijtje te wachten op hun baasjes, uiteraard voorzien van de juiste papieren.

Om de hoek, in het domein van de cremateurs, is het nu echt warm. Er hangt een geur die doet denken aan verbrande vacht en huid. Uren later ruik je het nog.

De achterste oven staat open, de stenen aan de wanden stralen fel oranje. De hitte is intens. Binnenin is het zo’n negenhonderd graden. Een jonge vrouw is bezig om met een ijzeren schraper aan een lange stok de asresten in een eronder geplaatste kruiwagen te werken.

Van de hond is vrijwel niets meer over, minder dan inhoud van een pak suiker. Was dat wel zo, dan waren de resten nog eens getrommeld met marmeren ballen zodat de as mooi fijn wordt.

De alternatieven voor cremeren zijn zelf begraven in de tuin of je huisdier naar een vernietigingsbedrijf brengen. De speelkameraad van de jonge Peter Laumen ging naar ‘destructie’. ‘Daar worden ze vermalen, dat is niet fijn. Als ik dat had geweten, had ik het nooit gedaan. Cremeren is veel mooier.’

En booming business, als je de vestigingsmanager van het Roermondse crematorium moet geloven. SHCN, met vestigingen in Leidschendam en Roermond, heeft in elk geval grote plannen. Zo wil het bedrijf verder groeien, met name gericht op klanten uit Duitsland en België.

‘Dat moet gebeuren door al in het voortraject contacten te leggen, bijna vanaf het moment dat mensen een dier kopen. Bijvoorbeeld via dierenklinieken en contacten in de paardenmarkt.’

Ook op diverse andere manieren is het bedrijf innovatief bezig. Zo wordt in de toekomst mogelijk om via beveiligde webcams afscheid te nemen van je huisdier als je niet naar het crematorium kunt komen. Ook kunnen straks videobeelden worden vertoond in de rouwkamer.

Energie uit huisdieren

In het nieuwe crematorium in Nootdorp met vijf ovens, dat vanaf dit jaar het paradepaardje van het familiebedrijf moet worden, kan het straks allemaal. Dit centrum is echter vooral bijzonder doordat een deel van de warmte van de verbrandingsovens wordt teruggewonnen voor de verwarming van het pand.

Peter Laumen: ‘Het is zelfs zo, dat we straks een deel van het industriegebied waarin dat pand ligt van energie kunnen gaan voorzien. Dat is uniek in de wereld.’

Het ligt gevoelig, geeft hij aan, maar de belangstelling is groot. ‘Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van een aantal landen heeft al interesse getoond. Waarschijnlijk zullen ook de crematoria voor mensen ooit die kant op gaan, maar dat zal nog wel even duren.’

Nu al probeert SHCN de CO2-uitstoot terug te dringen en worden via de Climate Neutral Group ter compensatie bomen aangeplant. Maar daarmee krijg je het natuurlijk niet warm in een rouwkamer als er een probleem is met de verwarming.

(Illustratie: Ralph the Robot.

Comments Off

admin op 5 March 2012 in Ongewoon & Anders

Burgemeester Sittard-Geleen: ‘Je moet je omgeving meeslepen’

De politiek in Sittard-Geleen moet professioneler. Het parkeerbeleid heeft een waterhoofd. De krant is negatief en zorgt zo mede voor een negatief imago. Hoogveld is een voorbeeldwijk. En zijn oud-collega Gerd Leers van Maastricht zou zelf te weinig in de spiegel hebben gekeken. Een interview met Sjraar Cox, burgemeester van Sittard-Geleen en plaatsvervangend korpsbeheerder van de Politie Limburg Zuid.

Wat waren uw verwachtingen toen u burgemeester van Sittard-Geleen werd en wat zijn uw bevindingen tot nu toe?

‘Ik wilde naar een gemeente toe waar de centrumgedachte heerst en veel dynamiek in zit. De min- en pluspunten die ik verwachte, ben ik ook tegengekomen. Als ik naar onze gemeentelijke organisatie kijk, zie ik soms toch nog de worsteling om er één organisatie van te maken. In 2001 moesten drie gemeenten noodgedwongen samenwerken terwijl ze alle drie niet wilden. Op 1 januari 2001 was er nog niets gedaan om er één organisatie van te maken. We startten met drie afzonderlijke begrotingen. Dat is symbolisch. Daarna is er door de diverse colleges goed gewerkt aan harmonisering.’

Symbolisch, maar niet symptomatisch?

‘Ik kan oordelen vanaf 1 oktober 2006. Toen viel me op dat men nog steeds werkte met de systematieken van de vorige individuele colleges, maar ik denk dat we dat nu achter de rug hebben. Natuurlijk was ook bekend dat er politieke tegenstellingen waren. Ik denk dat die vooral in de personen zitten. Ik vind dat we aan sommige persoonlijke tegenstellingen nu maar eens een eind moeten maken.’
Waterhoofd

Hoe wilt u dat doen?

‘We hebben nu veertien nieuwe mensen in de raad. En ik denk dat het bewustzijn toeneemt, ook bij de routiniers, dat de stad alleen voorwaarts kan met een breed draagvlak en als met elkaar ook over de inhoud discussiëren. Anders verliezen we slagen ten opzichte van andere gemeenten. Verder verwacht het bedrijfsleven, het onderwijs - het middenveld - dat we gezamenlijk optreden. Zij willen die oude kinnesinne überhaupt niet.’

Kunt u voorbeelden geven van slagen die de stad door interne verdeeldheid verloren heeft?

‘ Nee. Ik denk dat het gewoon te lang geduurd heeft. Een aantal ontwikkelingen en discussies over detailhandel, structuren… Neem het parkeerbeleid. Je ziet dat er niet standvastig wordt vastgehouden aan uitgangspunten. Dat er constant concessies gedaan worden om maar meerderheden te krijgen. Dat leidt er uiteindelijk toe dat je een soort waterhoofd krijgt waarbij niemand meer weet waar we aan toe zijn.’

Dus het parkeerbeleid is een rommeltje?

‘Ik vind het prima dat ze eind vorig jaar gezegd hebben: “We wachten tot na de verkiezingen.” Als het uitgevoerd zou worden op basis van wat er toen lag, denk ik dat het technisch en voor onze medewerkers bijna onmogelijk zou zijn geweest om uit te werken. Dat ligt puur aan de politiek, niet aan de ambtenaren.
Als het gaat om detailhandel wordt nu ook naar Roermond gekeken. Nou ja, ik heb het van dichtbij mogen meemaken. Tien jaar geleden was in Roermond ook niks loos. Door een aantal goede keuzes hebben ze nu voor het midden- en kleinbedrijf een mooie plek gecreëerd.
Wij moeten wat anders doen en ons met name richten op de industriële, innovatieve kwaliteiten. Denk aan de Research en Business Campus op het Chemelot-terrein, waar universitair onderwijs en bedrijfsleven samenwerken aan innovatie en werkgelegenheid.’

De detailhandel noemde u als eerste. Ik moet dan denken aan de tuinboulevard, waar sinds kort ook andere bedrijven welkom zijn omdat het in de eerste opzet blijkbaar niet werkte.

‘Ja, het wordt nu een tuin-, meubel- en doe-het-zelf-boulevard. Dus van Gamma tot Intratuin en Hornbach. Ik heb pas in de krant gelezen dat projectontwikkelaar 3W optimistisch is over het invullen ervan. De plannen om de boulevard verder uit te breiden, worden binnenkort opgepakt.’

Is dat niet een voorbeeld van een ontwikkeling die door interne verdeeldheid te laat op gang is gekomen? Heerlen heeft de woonboulevard, Roermond onder meer een Designer Outlet en een Retail Park.

‘Ik denk dat we niet drie keer hetzelfde moeten doen. Je moet de schwung in de stad houden. De vraag is wat het effect is op de binnenstad als je alles zo organiseert als de woonboulevard in Heerlen. Wij moeten het minder hebben van grote winkelbedrijven. We moeten de aantrekkelijkheid van de oude kern van Geleen en zeker ook die van Sittard in stand houden. Meer reuring in een stad, dat kan alleen door de kleine winkels.’

Denkt u niet dat de klandizie voor de bedrijven op de tuinboulevard zijn weerslag heeft op de omzet van de winkels in de binnenstad, zoals het Outlet in Roemond?

‘Het heeft ongetwijfeld effecten op de binnenstad. Ik hoor van de wethouder dat ze er in Roermond van profiteren. De discussie over het Outlet in Roermond is vergelijkbaar met die over de Media Markt hier. Ik heb me laten vertellen dat vijfendertig procent van de bezoekers aan de Media Markt, nadat ze daar spullen hebben gekocht, verder gaat in het stadsdeel of de stad waar ze zijn. De rest niet.
Wij proberen een trekker te krijgen die een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van de binnenstad. Het huidige voorstel is dan ook om de Media Markt in de binnenstad te plaatsen, dan heeft zo’n winkel ook uitstraling naar de binnenstad.
Als gemeente willen we met het bedrijfsleven meedenken en meewerken. Bedrijven kunnen zich nu alleen maar ergeren, constant, omdat de stad steeds negatief in de krant komt. Dat heeft veel effect op het bedrijfsleven.
De Limburger heeft het bijvoorbeeld nog altijd over ‘de fusiestad’. Ik heb ze al vijftig keer gezegd dat ze daar mee op moeten houden. Ik noem hen ook niet de fusiekrant, maar gewoon het dagblad. Ze scheppen er blijkbaar behagen in. We moeten vooruit denken, niet achterom kijken. En als mensen dat blijven doen, moeten we ze afstraffen; het abonnement opzeggen.’

Het gebruik van een woord als fusiestad, daar zullen ze bij DSM toch niet wakker van liggen?

‘De Limburger heeft de neiging om alles wat negatief is uitgebreid naar voren te brengen. Dat heeft grote gevolgen. Mensen gaan zich ergens vestigen, net als bedrijven. En dan gaan ze googelen. Als je dan in de krant schrijft: “Fusiestad is slecht bereikbaar”. En vervolgens klagen de ondernemers in de krant dat het allemaal waardeloos is. Het gevolg is, dat ik niet automatisch naar Geleen zal verhuizen, omdat de ondernemers daar zelf al zeggen dat het een zootje is.’

Sittard-Geleen heeft een imagoprobleem?

‘Sittard-Geleen heeft in het kader van de citymarketing nog wel enkele stappen te zetten. Gedeeltelijk komt dat door de economische crisis en gedeeltelijk door de beeldvorming van derden dat het blijkbaar een zootje in de stad is.’

Een gezegde luidt: ”Waar rook is, is vuur”. Moet u niet ook gewoon werken aan het oplossen van de problemen, naast het ontwikkelen van betere citymarketing?

‘Natuurlijk, daar werken we als overheid ook iedere dag keihard aan, samen met de ondernemers. Maar als je permanent blijft publiceren dat er grote leegstand is in de stad, en je vergelijkt het niet met andere steden met een vergelijkbare omvang et cetera, dan doe je of er hier een unieke situatie is. Dat bestrijd ik. Je moet er met elkaar aan blijven werken. Evenementen organiseren, de aantrekkelijkheid de stad vergroten en de unieke elementen van een stad gebruiken om mensen warm te maken.’

Wat is er volgens u zo fantastisch aan Sittard-Geleen, dat iedereen er gelijk moet komen wonen en werken?

‘De omgeving. Centraal in Limburg. Grote bedrijvigheid. Wijken - Hoogveld is daar een voorbeeld van - met veel activiteiten. Dat is in Hoogveld allemaal prima in elkaar; goed verzorgingscentrum en een mooie Hof van Onthaasting. En Sittard-Geleen ligt tegen het Heuvelland aan. Onze stad ligt ook op een steenworp afstand van alle mooie steden in het buitenland; Leuven, Aken, Hasselt, Luik. En van alle steden in het binnenland uiteraard.’

U bent, naast burgemeester van Sittard-Geleen, ook plaatsvervangend korpsbeheerder van de Politie Zuid-Limburg. Hoe zou u uw leiderschapsstijl omschrijven?

‘Ik ben heel direct. Mensen aan afspraken houden. Lezen. Daar waar mogelijk nieuwe ideeën inbrengen en mensen de ruimte geven. Mensen de indruk en de overtuiging geven dat ze zelf het beste weten wat goed voor hen en voor de omgeving is. Mensen het vertrouwen geven. Als dat er niet meer is, heb je aan vierentwintig uur niet genoeg.’

Vanuit uw rol bij de politie had u intensief contact met Gerd Leers, de oud-burgemeester van Maastricht die onlangs gedwongen afscheid nam. Wat is uw indruk van die gebeurtenis?

‘Ik vermoed dat meerdere zaken een rol hebben gespeeld in het hele debat dan feitelijk naar buiten is gekomen. Ik acht het niet uitgesloten dat de procedure rond ‘Bulgarije’ anders was verlopen als hij veel eerder gezegd had: “Ik ben stom geweest”.
Wat jammerlijk is, en dat geeft ook de solitaire positie van de burgemeester aan, op een gegeven moment kom je in een bepaalde flow terecht. Als anderen je daarbij niet voldoende kunnen ondersteunen of je anderen daarbij niet toelaat, gaan dingen fout. Was dat wel gebeurd, dan hadden mogelijkerwijs wat rampjes voorkomen kunnen worden.
We maken allemaal fouten. Wanneer je niet van elkaar accepteert dat je fouten maakt of als jij in het verleden altijd de vinger op de zere plek hebt gelegd, dan moet je niet verbaasd zijn als andere mensen dat op andere momenten ook doen.
Je moet altijd proberen elkaar de ruimte te geven en te ondersteunen. En daar waar het echt misgaat, keihard ingrijpen. Dat heeft Gerd ook gedaan. Af en toe elkaar een spiegel voorhouden en via die spiegel in debat gaan, dat is soms niet zo heel gek.’

U geeft aan dat Gerd Leers mensen om zich heen had die niet kritisch genoeg waren?

‘Ik praat over mezelf. Ik heb mensen nodig die je, al is het maar thuis, de ruimte geeft om kritische vragen te stellen over wat je doet. Om je te ontnuchteren, want hij werkte zich kapot, dat doen wij ook… En als je af en toe niet eens een verzetje kunt hebben om weer met beide benen weer op de grond te komen, dan raak je… Af en toe, in een drukke periode, denk ik dat er niks aardiger is dan om bij een voetbalwedstrijd op de tribune te zitten en de mensen te horen praten over dingen waar jij de afgelopen weken niet mee bezig bent geweest. Dat is het meest ontnuchterende dat er is.’

U schetst iemand die heel gedreven en heel kundig is, ethisch hoogstaande normen heeft en een beetje los staat van de werkelijkheid. Iemand die zo gelooft in zijn dingen, dat hij wat moeilijker benaderbaar is met kritiek is of de mensen niet om zich heen heeft gehad of verzameld die deze zouden kunnen geven.

‘Ik heb het over mijzelf. Wat betreft Gerd Leers zou dat best kunnen. Verder is de positie van de burgemeester veranderd. Je maakt nu deel uit van een politiek systeem, bent niet meer onaantastbaar. Vroeger had je burgemeesters die dachten dat ze na hun vertrek altijd een standbeeld zouden krijgen. Nou nee, ik moet gewoon mijn werk doen. En mijn werk, daar hoort ook bij dat ik voldoende bewust ben van dat wat ik beteken voor de directe omgeving.
Jij moet je directe omgeving meeslepen. Doe je dat niet, en kijk je niet voldoende achterom, dan heb je uiteindelijk een probleem. Dat geldt ook voor een sportvereniging, maar ook voor personen. Je kunt geweldige ideeën hebben, maar als je het niet kort sluit met de mensen om je heen, niet andere mensen hun ideeën en creativiteit laat inbrengen, ben je met een verloren zaak bezig.’

Comments Off

admin op 13 May 2010 in Politiek & Media

Klein vandalisme, zand erover

Vanochtend om kwart voor zeven kregen we een onplezierige verrassing. Iemand had over de volle lengte een kras in de lak gemaakt. Het is alledaags vandalisme dat tegenwoordig schijnbaar normaal wordt gevonden en daarom misschien hier eens wat meer aandacht verdient.

Als regelmatige kijker van CSI begon ik met aandachtig kijken, om vervolgens na te denken.

De anonieme krasser kwam, blijkens de dikte van de aanzetten en de uitloop ervan, uit het zuiden en liep naar het noorden, richting de straat die dwars op de onze is gelegen.

Geen van de andere auto’s in onze en de omliggende straten was bekrast, dus is er mogelijk een dader-slachtoffer-relatie, ook omdat de auto niet hinderlijk in de weg stond. Irritatie over de auto an sich mag dus worden uitgesloten.

Met andere woorden: misschien kennen wij deze persoon wel of kent hij ons en waarschijnlijk dan alleen van een afstand. (Ik geef onze vrienden en bekenden graag het voordeel van de twijfel over hun geestelijke gezondheid.)

De dader had enkele malen aangezet om de kras tot een lange streep te laten uitgroeien en was dus niet op de fiets; dat zou erg ingewikkeld zijn geweest (voorover gebogen fietsend, sturend en krassend) en niet zo’n rechte streep opleveren.

Blijft over: rolstoel, skateboard of lopend. Voor een rolstoel was de snelheid van krassen, afgaand op de sporen te snel. Een rolstoeler zou met een dergelijke gang een paar meter verderop van de stoep zijn gestuiterd. (Dit soort mensen wil zichzelf ook niets aandoen, voelt zich vaak door anderen aangedaan. Onwaarschijnlijk dus.)

Een dader op een skateboard zou kunnen, omdat er een hand-afdruk bij het begin staat. Mogelijk om steun te zoeken. (Een wandelaar hoeft niet te steunen voor het maken van een kras. Een wandelaar die slecht ter been is, bijvoorbeeld door een handicap en/of drank- of drugsgebruik, natuurlijk weer wel.)

Als hij lopend of met het skateboard was, dan is zijn actieradius beperkt. Voor grotere afstanden dan pak-em-beet twee kilometer, pak je tegenwoordig de fiets. (Skateboarders maken ook niet veel meters en het idee dat iemand van ver komt om hier een krasje te zetten, lijkt me absurd.)

De dader heeft tijdens de vernieling het slot geraakt. Dus heeft hij vermoedelijk impulsief maar, gezien, de mogelijke dader-slachtoffer-relatie, in de aard berekenend gehandeld. Anders gezegd: hij was het al langer van plan en op het moment van passeren, besloot hij ineens ertoe.

Argument: In deze impuls, en gehinderd door het donker (het is vermoedelijk vannacht gebeurd), heeft hij niet goed gekeken bij het aanzetten van de kras waar hij uitkwam. Als het idee tenminste was om maximale schade aan te richten (het slot is ongelakt en gehard dus geen beoogd doelwit).

Verder was de dader niet erg zelfverzekerd, want de kras zit niet aan de kant van de auto die vanuit huis te zien is.

De kras is gemaakt met een object met twee tandjes op de punt, als je kijkt naar de diverse aanzetten halverwege de zijkant van de auto. Het verniel-instrument zou heel goed een fietssleutel kunnen zijn, maar ook een huissleutel van een gangbaar type.

Als het een fietssleutel was, dan stond de fiets op dat moment ergens anders. Misschien wel thuis of bij relaties, binnen die straal van twee kilometer. De sleutel zou laksporen moeten bevatten.

De sleutel zat vermoedelijk aan een bos, omdat aan het begin van de vernieling, waar een hand tegen de auto is geduwd, dubbele krassporen te zien zijn, die enkele centimeters uit elkaar beginnen. (Een ring aan de rechterhand zou nooit zo hard, scherp en uitstekend zijn.)

Er vanuit gaand dat iemand die dit doet, niet veel moeite wil doen, door rugklachten te riskeren en voorovergebogen te werken - zie ook hierboven bij het gebruik van een fiets - had hij de dader een lengte van ongeveer 1.80 of kleiner.

(Ik ken mijn lengte en ben rechtop langs de auto gelopen, op de stoep, net als de dader, met de hand langs de krassen. Het verschil aftrekken leidt tot de maximale lengte, uitgaand van normale lichaamsverhoudingen.)

Reed hij op een skateboard, dan kan daar de hoogte van een skateboard van worden afgetrokken (de dader is dan maximaal ongeveer 1.65).

Aan de handafdruk te zien is hij rechts, hij gebruikte waarschijnlijk zijn schrijfhand bij het krassen. Deze rechterhand was behoorlijk vettig, gezien de grijze handafdruk en de twee vingerafdrukken bij het begin van de eerste kras.

Mogelijk had hij enige tijd daarvoor, het was vrijdagavond, een portie frites met iets erbij gegeten, bijvoorbeeld bij de lokale frituur (getuigen?), en wel met zijn handen.

De vingerafdrukken en de hand-afdruk laten zien dat zijn vettige handen niet groot of klein zijn, dus lijkt het niet om een kind of volwassene te gaan, maar om een puber. (Dat sluit ook aan bij het bekende: meestal zijn daders van dit soort vernielingen pubers. Al moet je het oneindige leger der aangepaste idioten natuurlijk nooit uitsluiten.)

De dader is vermoedelijk niet in het bezit van een auto. (Een auto-eigenaar die dit doet, lijkt me net zo onwaarschijnlijk als iemand met katten die gif voor katten strooit.)

We hebben nu dus het voorlopige daderprofiel: een impulsieve en enigszins angstige puber, kleiner dan 1.80 meter, die ons op afstand kent, waarschijnlijk op een afstand tot twee kilometer woont of regelmatig verblijft, ’s nachts door de omgeving loopt of skate, en in het bezit is van een behoorlijke sleutelbos.

Hij was in de nacht van vrijdag op zaterdag vermoedelijk onderweg naar een bekend adres in een straal van zo’n twee kilometer, had voor middernacht frites gegeten en (als hij niet op een skateboard reed) vermoedelijk alcohol gedronken.

Tot zover CSI Roermond. Nu is het wachten tot hij terugkomt naar de plek van het misdrijf, zoals dit soort mensen vaak schijnt te doen. Ze willen het resultaat van hun acties zien om erkend en herkend te worden. Maar goed, laten we niet voor de muziek uit lopen.

Het belooft een mooie dag te worden. Ideaal om buiten te werken. De schep en de hark staan al klaar. Straks lekker aan de slag. En dan daarna fijn met mijn vrienden een pilsje drinken in de tuin. Zand erover.

Nawoord

Vervolgens werd de komende twee weken nog een hele reeks auto’s in onze straat bekrast. De inschatting dat de eerste bekrassing plaatsvond in de nacht van vrijdag op zaterdag, bleek een misvatting. Zoals intussen duidelijk is geworden, zijn de daders twee basisschoolleerlingen die alle vernielingen vermoedelijk telkens na schooltijd hebben gepleegd. Verder heeft de hoofddader schijnbaar gewoon vette handen :- ). Intussen is de zaak in handen van de (kinder)politie gelegd.

Comments Off

admin op 20 March 2010 in Ongewoon & Anders

Veroordeelde kindermisbruikers preventief oppakken

Na verspreiding huis aan huis van pamfletten is vorige week onrust ontstaan in de Roermondse wijk Donderberg over de aanwezigheid van een vermeend veroordeelde kindermisbruiker. Twee jaar geleden kwam Roermond ook al in het nieuws vanwege een omstreden kindermisbruiker.

Bij navraag lijkt de beschuldiging dat hij als kindermisbruiker veroordeeld is, niet te kloppen - bij de politie in Roermond is hij niet bekend - al heeft de man in kwestie door in te gaan op uitlokking van het tv-programma Undercover in Nederland wel genoeg reden gegeven om hem te wantrouwen in de buurt van je kinderen.

Onderzoek leert, dat er binnenkort nieuwe regels komen in dit soort zaken. Zo worden burgemeesters in het vervolg geïnformeerd door het OM over terugkeer van veroordeelde kindermisbruikers in hun wijk, zoals door het Trimbos Instituut bepleit. Dit zou naar mijn mening ook moeten gelden als een veroordeelde kindermisbruiker zich in een andere wijk of stad vestigt, anders wordt een andere groep mensen met het probleem opgezadeld.

Met hulp van de reclassering, al dan niet in opdracht van de burgemeester, kan binnenkort een traject worden afgesproken waarbij de veroordeelde (bijvoorbeeld elektronisch te controleren) beperkingen krijgt opgelegd binnen een bepaalde proeftijd.

Het lijkt me goed om nog verder te gaan en veroordeelde kindermisbruikers, van wie op een bepaalde moment, op grond van duidelijke signalen aan de reclassering, acute herhaling wordt gevreesd, preventief vast te zetten.

Ik kwam op dit idee door een opmerking van minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie. Hij wil reltrappers die verdacht worden van geweld bij een voetbalwedstrijd voorafgaand aan een volgende risico-wedstrijd laten opsluiten (AD van 5 februari 2010). De gevolgen zijn namelijk enorm ingrijpend.

In dat soort bijzondere gevallen, waarbij het publieke belang groot is en de kans op sociale onrust heel reëel, vind ik dat van de normale rechtsgang, je bent pas schuldig als je bent veroordeeld, mag worden afgeweken. Wel moet dan achteraf goed worden bekeken of de juiste procedure is gevolgd, onder meer of specialisten zich aan hun ethische code hebben gehouden.

Het uit de wijk zetten van veroordeelde kindermisbruikers, zoals minister Hirsch Ballin in het AD voorstelt, is geen structurele optie, omdat het probleem dan elders wordt neergelegd. In een andere wijk of in een andere plaats of stad.

In deze tijd van internet een kwestie van tijd voordat de geschiedenis van de veroordeelde hem of haar weer komt achtervolgen. Vaak met meningen en soms ook met feiten onderbouwd. Hetzelfde geldt voor verdachten van kindermisbruik. Ook bij de actuele kwestie in Roermond speelt internet (Hyves, YouTube) een belangrijke rol bij de beeldbepaling.

Gedwongen verhuizen is het probleem verleggen. Bovendien is met evenveel recht te zeggen dat andere criminelen met gevaar op herhaling dan ook gedwongen zouden moeten verhuizen, zoals moordenaars, verkrachters en ernstige geweldplegers. Zij kunnen net zoveel menselijke schade berokkenen en ook dat zijn vaak psychotische tijdbommen. Met name als het gaat om verkrachters zijn de argumenten uitwisselbaar.

Verder moet in de omgang met kindermisbruikers, veroordeelden of verdachten, worden voorkomen dat kortzichtige heethoofden eigen rechter gaan spelen. Goede communicatie met de buurtbewoners (met de mogelijkheid tot preventief oppakken bij duidelijke aanwijzingen die wijzen op acute herhaling van veroordeelde kindermisbruikers) is daarom essentieel.

Veroordeelde kindermisbruikers van wie mag worden aangenomen dat ze niet meer genezen en blijvend een gevaar vormen, bijvoorbeeld als ze via een soort strippenkaartregeling op basis van bovenstaande regeling drie keer preventief zijn opgepakt, zouden wat mij betreft TBS moeten krijgen - al zijn de kosten van de staat hiervoor aanzienlijk. Zijn behoren dan blijkbaar tot de zogenoemde chronici en kunnen niet meer terug in onze samenleving.

Comments Off

admin op 2 February 2010 in Politiek & Media

Sociale problemen niet vertalen in etnische of religieuze termen

Sociale problemen moeten niet worden vertaald in etnische en religieuze begrippen. Dat leidt tot onnodige polarisatie en schaalvergroting van kleinschalige incidenten. Kijk bijvoorbeeld naar Culemborg. In Culemborg ontstonden onlangs op grond van een ingrijpend incident in een bepaalde wijk etnische spanningen tussen Marokkanen en Molukkers. Dat soort problemen moeten we in Roermond proberen te voorkomen.

Roermond kwam onlangs landelijk in het nieuws door problemen met hangjongeren in de wijk Donderberg. Dieptepunt was het in brand steken van een politie-auto. Ten onrechte werd in de vaak sensationele berichtgeving ervan uit gegaan dat de overlast alleen werd veroorzaakt door Marokkaanse jongeren.

Wil je dit soort problemen aanpakken, dan moet je om te beginnen de feiten kennen. De straat op gaan, zodat je weet wat er echt leeft en gebeurt. De Partij voor de Eenheid heeft dat gedaan door een documentaire te maken en heel diverse mensen, ook hangjongeren, aan het woord te laten. De documentaire is hier te bekijken.

Dan blijkt dat er jongeren met diverse etnische achtergronden voor de problemen zorgden. En als je dan doorvraagt en luistert, begrijp je meer van de oorzaken. Er bijvoorbeeld onvoldoende voorzieningen voor dit soort jongeren, waardoor ze veel op straat hangen. Zo is het jongerencentrum maar heel beperkt open. Een klein groepje zorgt voor overlast. Dat groepje moet keihard worden aangepakt. De meelopers hebben meer begeleiding nodig.

Verder hebben diverse hangjongeren weinig kans op een baan, als ze van school komen. Dat werkt ook demotiverend. Ten slotte is het zo, dat Donderberg een wijk is met veel mensen die weinig geld hebben. Door een combinatie van factoren kunnen irritaties oplopen, waardoor incidenten ontstaan. Maar we moeten die niet toeschrijven aan een bepaalde etnische afkomst of een geloof. Dit soort asociale gedrag komt overal voor. Het heeft weinig te maken met waar je voorouders vandaan komen.

Om problemen als in Culemborg te voorkomen, moet je de Roermondse jongeren economisch perspectief bieden, hierdoor kunnen ze eenvoudiger op een normale wijze deelnemen aan het sociale leven. Een baangarantie bijvoorbeeld, naast meer mogelijkheden om te ontspannen, zodat ze geen rotzooi gaan trappen. En verder moet de politie de rotte appels aanpakken, niet de hele mand met fruit als verrot beschouwen.

Ook is het belangrijk om ouders van probleemjongeren te laten inzien dat de verantwoordelijkheid voor hun kind niet ophoudt bij de voordeur en ook niet klakkeloos kan worden overgedragen aan een school of aan de politie. Zij zijn medeverantwoordelijk voor het gedrag van hun kinderen op straat.

Comments Off

admin op 20 January 2010 in Politiek & Media

Hare Hare Tandarts

Wie is er nu fan van de tandarts? Behalve zijn vrouw en kinderen misschien? En de tandarts van de tandarts? Ik heb een bezoek aan de tandarts jarenlang gehaat, soms zelfs jarenlang bewust overgeslagen. Enerzijds vanwege de kosten, anderzijds uit angst.

Pas een jaar geleden, nadat ik bij een nieuwe tandarts ben gekomen, begreep ik hoe en wat. Viel alles op zijn plaats. Als vrijheidminnend mens voelde ik me hulpeloos in die stoel, niet in staat om controle uit te oefenen over de uitkomst. Ik zag niks, er werd me niets verteld over wat er gebeurde, voelde af en toe wat pijn en lag dan met een verkrampt gezicht te wachten tot ik geslacht was. Herstel: tot de tijd om was en ik voorlopig niet meer zou hoeven te komen.

Wat ook meespeelde, is een herinnering uit mijn jeugd waarin ik bij een tandarts of een orthodontist bijna verdronken ben. Ja, verdronken. De assistente was toen meer aan het praten over koetjes en kalfjes met de specialist, dan dat ze haar werk deed en bijvoorbeeld met een zuigslangetje mijn speeksel opruimde.

Verder staat me iets bij van een tandarts die, misschien doordat ik ook wat gespannen was en bewoog, mijn tandvlees raakte. Ook heb ik in een ziekenhuis eens een paar verstandskiezen laten verwijderen – althans, dat was de bedoeling.

Ik zie me nog staan bij de bushalte, met een half verlamde kop, de mond vol bloed dat ik regelmatig op het asfalt moest spugen en rode proppen verbandgaas in de gevoelloze kraters in mijn kaak. Mijn god, wat smaakte die sigaret toen heerlijk. Jaren later bleek overigens dat de chirurg in het ziekenhuis een deel van een kies had laten zitten, ondanks al het breken, trekken en snijden…

Bij mijn nieuwe tandarts kwam ik binnen met de nodige scepsis; wat zou deze automonteur nu weer gaan doen en hoe zou ik de behandeling doorkomen. M’n hart klopte sneller, m’n handen werden koud en ietwat klam – het was weer tijd. Toen herinnerde ik me TM-ers die, in navolging van een millennia oude traditie in India, mantra’s of gebedsformules gebruiken bij hun meditatie, bedoeld om het denken af te leiden.

Dus daar lag ik in de tandartsstoel met in mijn hoofd: ‘Hare Krishna, Hare Krishna, Hare Hare’, en dat de hele tijd achter elkaar. Waarom ik bij Krishna uitkwam, en niet bij mijn favoriete god Shiva, is me nog steeds een raadsel. Misschien dat ik zo snel geen mantra van Shiva paraat had?

Anyway, het hielp redelijk. Dit trucje heb ik een aantal behandelingen volgehouden, tot vandaag. Ik had na de vorige behandeling besloten om de tandarts, en zijn medewerksters, mijn volledige vertrouwen te geven. En de controle natuurlijk.

De tandarts leverde vakwerk en toonde zich zeer gedreven en kalm, de assistente deed haar werk goed. Het resultaat van mijn overgave was verbluffend. Met een langzame, diepe buikademhaling onderging ik alles heel rustig. Af en toe kwam er een gedachte op en die liet ik dan weer gaan.

Ik nam mijn agenda voor vandaag in gedachten even door en liet ook dat weer los. Het was bijna meditatie. Het is dat mijn mond een half uur open stond, niet bepaald een ontspannen pose, anders was ik misschien wel in een delta-staat weggezakt. Hare, Hare Tandarts, Hare Hare Tandararts….

Comments Off

admin op 11 March 2009 in Ongewoon & Anders