Mikao Usui: verlichting na faillissement

De geschiedenis en praxis van reiki leken tien jaar geleden vast te staan. Niets bleek minder waar. In 2009 verscheen ‘Das ist Reiki’ van Frank Arjava Petter (Windpferd). Met dit boek zijn we weer een belangrijke stap verder in het onderzoek naar de achtergronden, methoden en personen uit de beginperiode van reiki, intussen bijna een eeuw geleden.

Een aantal zaken was vanaf eind jaren negentig al duidelijk uit research van onder anderen Frank Arjava Petter, Dave King en William Lee Rand. Zo was Mikao Usui, de stichter van de reiki-beweging, geen christelijke predikant die wilde leren hoe Jezus Christus mensen genas en die doceerde aan de Doshisha Universiteit in Tokyo. Ook heeft hij niet gestudeerd aan of een eredoctoraat gekregen van de Universiteit van Chicago.

Dit waren, evenals de titels ‘master’ en ‘grand master’, bedenksels uit de Hawaiiaanse lijn Chujiro Hayashi – Hawayo Takata. Ze bleken nuttig voor de acceptatie van een Japanse heelmethode in de christelijke Verenigde Staten toen ‘Pearl Harbor’ nog vers in het geheugen lag, maar hadden geen historische basis.

Mikao Usui heeft ook geen onbekende uitspraken van de historische boeddha gevonden en reisde evenmin naar de VS en Europa. Met ‘het westen’ op zijn gedenksteen worden vermoedelijk direct westelijk van Japan gelegen landen bedoeld.

Uit het nieuwe boek van Frank Arjava Petter blijkt verder dat het westerse master-symbool in Japan niet gebruikt wordt. Dit laatste is waarschijnlijk gekomen door een verkeerde interpretatie van Hawayo Takata.

Invloeden

Wat weten we zeker? Mikao Usui was een boeddhist die 15 augustus 1865 is geboren in een dorpje bij het hedendaagse Nagoya. Hij stierf 9 maart 1926 en ligt begraven op de Saihoji begraafplaats in Tokio, die behoort tot het Zuiver Land-Boeddhisme (Jodo Shu).

Wat is er te zeggen over de bronnen waaruit Mikao Usui heeft geput? Bronwen en Frans Stiene noemen in 2005 Tendai Mikkyô, een esoterische tak van het Tendai Boeddhisme. Mikao Usui was volgens hun bronnen lekenpriester binnen deze stroming.

Verder zou hij zijn beïnvloed door het Shintoïsme, een animistische wereldvisie, en door Shugendô, een amalgaam van Sjamanisme, Shintoïsme, Taoïsme en Boeddhisme. Usui zou zijn opgeleid tot Shugenja (een soort sjamaan).

Andere bronnen, bijvoorbeeld van Frank Arjava Petter, geven over de relatie met Shinto en Shugendô weinig informatie. Vast staat wel dat Mikao Usui samen met zijn broers na de Kanto-aardbeving in 1923 voor het lokale Shinto-heiligdom in Taniai een kostbare Torij heeft opgericht. De namen van de schenkers staan erop vermeld.

En de eerste samenkomst van de primaire reikivereniging, de Gakkai, vond plaats op het terrein van Shinto-heiligdom Togo Jinja in Tokyo, aldus Frank Arjava Petter in zijn nieuwe boek.

Gakkai

Deze vereniging is belangrijk om even bij stil te staan, want hier is veel informatie uit de beginperiode bewaard gebleven. Schriftelijk en uit mondelinge overlevering.

De Gakkai werd in 1922 opgericht, heette voluit Shin Shin Kaizen Usui Reiki Ryôhô Gakkai en had Mikao Usui als president. Na diens dood in 1926 aan een beroerte, werd hij opgevolgd als president, maar niet door zijn student Chujiro Hayashi, zoals Hawayo Takata leerde.

Chujiro Hayashi stichtte – vanwege zijn opleiding tot arts én op verzoek van Mikao Usui, zo blijkt uit het boek van Frank Arjava Petter - een eigen school (Hayashi Reiki Kenkyukai). Deze kende een sterk vereenvoudigd curriculum. Na opnieuw diverse aanpassingen zijn de leringen hiervan via Hawayo Takata bekend geworden als de westerse ‘reiki’ (Usui Reiki Shiki Ryôhô).

Bronnen

De oorspronkelijke Gakkai bestaat nog steeds en wordt sinds 1998 geleid door professor Masayoshi Kondo. Ondanks het besloten karakter ervan, is er sinds begin deze eeuw al veel informatie over naar buiten gesijpeld.

Bekende bronnen zijn Hiroshi Doi, die in 1993 lid werd van de Gakkai en intussen een op hun technieken gebaseerde eigen school heeft (Gendai Reiki Hô).

Daarnaast is er mevrouw Suzuki San. Zij is (in 2005) een stokoude leerlinge van Usui uit de pro-Gakkai periode en is, naast anderen, een belangrijke bron voor Bronwen & Frans Stiene.

Andere prominenten achter de schermen van de reiki-geschiedschrijving zijn de (intussen overleden) Chiyoko en haar zoon Tadao Yamaguchi, die voortkomen uit de lijn van Hayashi en in 1999 de basis legden voor een eigen school (Jikiden Reiki Kenkyukai).

Frank Arjava Petter baseert zich op de verhalen, documenten en boeken van diverse mensen, onder anderen van mevrouw Kimiko Koyama; de voorlaatste president van de Gakkai (Fumio Ogawa); een Shihan (leraar) van de Gakkai, en op moeder & zoon Yamaguchi.

Veelzijdig

Wat is het plaatje als we alle informatie op een rij zetten? Mikao Usui was een veelzijdig man. Kimiko Koyama vertelde Frank Arjava Petter dat Mikao Usui als journalist werkte, maar ook als geestelijk raadsman in een gevangenis, sociaal werker en als missionair van een Shinto-groep.

Vervolgens werd hij secretaris van de kleurrijke en visionaire politicus Shimpei Goto, die in Japan diverse ministersposten heeft bezet. In de jaren twintig was Shimpei Goto burgemeester van Tokyo. Rond die tijd heeft Mikao Usui vermoedelijk zijn reizen naar ‘het westen’ gemaakt.

Na zijn baan bij Shimpei Goto ging Mikao Usui als zelfstandig ondernemer aan de slag, waarschijnlijk in het familiebedrijf (een winkel). Dat was geen succes. Mogelijk ligt hierin een oorzaak van de breuk met zijn ooit rijke (Daimyo) familie, waarvoor in het boek van Frank Arjava Petter geen reden wordt gegeven.

Het debacle in het bedrijf heeft in elk geval grote persoonlijke impact gehad. Reiki is volgens Kimiko Koyama ontstaan uit een identiteitscrisis die Mikao Usui ervoer nadat zijn bedrijf failliet was gegaan.

Verlichting

Mikao Usui zocht vervolgens naar de zin van het leven en diepe innerlijke rust, en schreef zich in voor een driejarige meditatie- en vastenkuur in een zentempel in Kyoto. Het was toen gebruikelijk voor mannen om op een bepaald stadium in hun leven een korte bezinningsperiode in te lassen.

Na de drie jaar had Mikao Usui niet het gewenste inzicht gekregen. Hij vroeg zijn abt om raad en die zag voor deze in meditatie getrainde zoeker maar één oplossing: de dood ervaren om in het sterfproces zichzelf te vinden. De historische boeddha, Gautama Siddharta, zou ook deze weg zijn gegaan.

In maart 1922 begon Mikao Usui met het laatste deel van zijn queeste op de heilige berg Kurama, vermoedelijk ver van de platgetreden paden en zonder de mensen van de tempels op de berg te informeren.

Mogelijk volgde hij hierbij het programma van Isyu Guo, een eenentwintigdaagse boeddhistische training, bestaand uit meditatie, vasten, chanten en bidden. Deze training werd in de tempels op Kurama indertijd niet aangeboden.

Op een dag werd hij ’s avonds als door een bliksemschicht getroffen in zijn voorhoofd. Mikao Usui verloor bewustzijn en tijdsbesef en toen hij weer bij kwam, was hij vervuld van een nieuwe kracht. Hij voelde zich vol licht en energie.

(Een ervaring die wellicht vergelijkbaar is met de indertijd meer voorkomende inbezitneming door een godheid bij Shinto-groepen. Mensen die dat overkwam, stichten vaak een spirituele groep of beweging.)

Een maand na zijn verlichting gaf Mikao Usui al les in zijn methode om via de geestkracht van het universum innerlijke rust en verlichting te bereiken.

(Dit artikel is in december 2011 herschreven, in 2010 verscheen een eerdere versie in Koorddanser.)

Comments Off

admin op 14 June 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus, gijzelaar van het christendom

Als er iemand is die ik graag eens zou willen interviewen, is het Jezus, de man die in de loop der eeuwen een enorme gedaanteverwisseling lijkt te zijn ondergaan. Wie was hij en vooral wie was hij niet? Zijn invloed, of in elk geval de invloed die in zijn naam is uitgeoefend, is enorm. Maar waar is deze op gebaseerd?

Historische onderzoekers anno 2010 moeten zich vaak als archeologen door diverse lagen ‘geloofsfeiten’ heen werken die religie heeft achtergelaten (fysieke opstanding na de dood et cetera). Verhalen die mensen van de eigen gemeenschap(pen) inzicht bieden en op de juiste weg houden. En verhalen die aansluiten bij een werkelijke of gewenste politieke situatie vanwege het maatschappelijke belang van de eigen groep.

In oktober 2009 verscheen in Nederland bij Tirion Uitgevers het boek ‘De vele gezichten van Jezus Christus – Beeldvorming, tegenstellingen, (on)waarheden’ van Lynn Picknett en Clive Prince (29,95 euro). In deze goed gedocumenteerde baksteen bieden ze een modern perspectief op Jezus, gebaseerd op recente (vaak onorthodoxe leken-) studies van de afgelopen jaren en van ander, in theologische kringen meer geaccepteerd, onderzoek.

Dit boek is slechts één weg door de materie. Als leek, niet geheel doorwrocht in theologische en andere relevante kennis, is het lastig om op punten te zien in hoeverre weerleggingen mogelijk zijn met mogelijk meer ‘wetenschappelijke’ autoriteit. Bijvoorbeeld als het gaat om contextuele interpretatie van begrippen en gebruiken, met name uit het Joodse en het Griekse geloof, maar ook uit vanuit smeltkroes Alexandrië ingepast gedachtegoed.

Toch is dit boek heel waardevol, omdat het laat zien hoe functionele illusies ontstaan en voortdurend in verandering zijn. Een boek als dit zal door de orthodoxie worden doodgezwegen of verworpen, terwijl deze het als een geschenk zou moeten aanvaarden. Een geschenk, dat het mogelijk maakt dat het christendom zich verjongt en opnieuw een betekenisvol geloof wordt voor mensen van nu. Terug naar de spirituele kern, die er ongetwijfeld is en waarvoor een geheime brief van Clemens van Alexandrië duidelijke aanwijzingen geeft.

Het boek is te veelomvattend om hier recht te doen. Toch wil ik een aantal punten aanstippen. Volgens de auteurs, die hier onder anderen Burton Mack volgen, wordt het ontstaan van de evangeliën gekenmerkt door twee cruciale en traumatische incidenten in de jaren zestig van onze jaartelling. Het verdwijnen van Paulus uit het verhaal doordat hij naar verluidt stierf tijdens de eerste christenvervolgingen in 64 door Nero en de Joodse Opstand tussen 66 en 70. Beide zaken zorgden voor zelfreflectie op het imago en een gedwongen herpositionering. Christenen konden alleen overleven als ze afstand namen van de rebellerende joden.

Deze twee gebeurtenissen kunnen ook invloed hebben gehad op het ontstaan of versterking van de scheiding tussen een exoterische en een esoterische leer. Voor dat laatste is de vondst van Morton Smith in 1941, een kopie van brief van Clemens van Alexandrië waarin wordt gerept over een spiritueel evangelie en een inwijdingsleer verborgen achter zeven sluiers (chakra’s?) die tegenwoordig als authentiek wordt beschouwd, een sterk argument. Verder zijn ook in de evangelieverhalen en natuurlijk in het evangelie van Thomas diverse aanwijzingen te vinden dat niet alle leringen in de openheid plaatsvonden.

Daarnaast, zo blijkt steeds meer, speelde een klaarblijkelijke rivaliteitskwestie tussen discipel Jezus en zijn goeroe, de destijds veel bekendere en voor Herodes vanwege zijn enorme aanhang als bedreiger van de sociale orde beschouwde Johannes de Doper. Die leidde ertoe dat Jezus schijnbaar (een groot deel van) de beweging van De Doper overnam en delen van diens rituele teksten en gebruiken overnam of omwerkte.

De missie van Jezus begint ook grotere vormen aan te nemen tijdens de gevangenname van De Doper. Als je het cynisch wilt zien, een uitgekiende periode voor een geleidelijke religieuze paleisrevolutie. Dat vermoeden wordt gesterkt, doordat de schrijvers via diverse theologen argumenten aanvoeren waaruit de sterke indruk ontstaat dat Johannes de Doper Jezus nooit als zijn opvolger heeft gezien.

De beweging van de De Doper en later van Jezus (die de oude wijn (leringen) niet meer in de vorm van Johannes en zijn beweging wilde gieten en daarom als ‘de gemene priester’ een nieuwe zak maakte) is volgens de schrijvers mogelijk voortgekomen uit Alexandrië (denk aan de uittocht-hypotheses van Feather, Osman en Sabbah) en landde in Samaria, waar deze, de schrijvers baseren zich hier onder meer op het onorthodoxe onderzoek van Shimon Gibbon naar de vermeende grot van Johannes de Doper in Suba, al zeker zo’n zevenhonderd jaar voor onze jaartelling actief zou zijn geweest.

Interessant genoeg, had deze Samaritaanse beweging (Jezus wordt in het Nieuwe testament voor Samaritaan uitgescholden en weerlegt dat niet, ook zijn concurrent de tovenaar Simon Magus was een Samaritaan) een cultus waarbij voetwassing minstens zo belangrijk lijkt te zijn geweest als de doop (vergelijk ook de rituele voetwassing van de paus tijdens Pasen; in dat geval zou Johannes de Doper zijn leerlingen de voeten hebben gewassen als teken van nederigheid). Invloed van ‘heidense’ dooprituelen is verder niet zo vreemd, want Jezus’ werkveld was een vrij kosmopolitische omgeving - anders dan jaren geleden werd aangenomen.

In het boek worden de klassieke elementen uit het christelijke stripverhaal, een vereenvoudigde voorstelling van zaken voor de buitenste ring van (licht)gelovigen, punt voor punt besproken. Het is bekend dat Jezus na zijn dood groter gemaakt werd om zijn beweging sterker te maken en meer legitimiteit te geven. Bijvoorbeeld door hem tussen de regels door, maar uiteraard niet openlijk vanwege de rebelse implicaties daarvan, te vergelijken met de keizer (Carotta geeft hiervan enkele overtuigende voorbeelden, maar schiet vervolgens geheel door in zijn behoefte om zijn vooronderstelling, dat Jezus een Romein was, harder te maken).

Een voorbeeld dat niet zo bekend is, is de aankondiging van de geboorte van Jezus door de magi. Picknett & Prince veronderstellen dat dit verhaal vermoedelijk is geleend van een goed gedocumenteerde historische gebeurtenis, namelijk het bezoek van de Parthische koning Tiridates van Armenië en zijn drie zonen aan Nero in 66 om hem te vereren als hun God (in hun geval Mithras, de God die interessant genoeg ook met opstanding wordt geassocieerd). Dit als verzoeningsgebaar vanwege het einde van de lange strijd tussen Rome en de Parthen.

Een ander voorbeeld, is het wonder waarbij water in wijn wordt veranderd. (Dit wonder betreft mijns inziens, gebaseerd op de uitleg van de schrijvers hierboven van de gelijkenis over de wijnzakken, een bekerings- of inwijdingsverhaal; de transformatie van ongelovige in gelovige staat centraal). Ze wijzen erop dat de Griekse God Dionysus (Bacchus bij de Romeinen) om dit soort wonderen bekend stond.

Zo werden door zijn invloed lege en verzegelde vaten ineens vol wijn aangetroffen en werd jaarlijks in Sidon tijdens zijn jaarlijkse feest het verhaal verteld dat hij water in wijn veranderde. Volgens Witherington III, stellen de schrijvers, werd het wonderverhaal in Kana vroeger in de kerk werd voorgelezen op 6 januari, de oude datum van het feest van Dionysus.

Onvermijdelijk in een boek als dit, komt ook het fascinerende verhaal van Jezus de magiër aan bod. En inderdaad, hiervoor zijn diverse aanwijzingen, onder meer bij (alweer) Morton Smith (parallellen met Egyptische tovenarij en John Hull (parallellen met Griekse tovenarij). Misschien moest hij Jezus ook wel dat soort technieken gebruiken (misschien wel inclusief enkele goocheltrucs voor de eenvoudigen van geest) om niet uit de toon te vallen en meer aanhang te verwerven. (Zo zie je dat veel mediums tegenwoordig hetzelfde praten en doen in navolging van bekende tv-mediums en -healers. Bepaald gedrag gaat bij de professionele verschijning horen).

Duidelijk is dat Jezus door externen soms als bezetene of als iemand met een geknechte werkgeest (demon), werd gezien en dat hij gebruik maakte van ‘magische’ formules (het Griekse ‘Phimotheti’ bijvoorbeeld) en dito handelswijzen (energie doorgeven door te blazen en op afstand genezen; beide handelswijzen zijn overigens gebruikelijk binnen reiki). Vooral het gebruik van buitenlandse technieken, die het vereren van andere goden impliceren, zou hem kwalijk zijn genomen door de Joden van zijn tijd.

De vraag bij al dit soort zaken, is in hoeverre Jezus zelf door exotische zaken is beïnvloedt en in hoeverre dit achteraf er (in omgewerkte vorm) aan de haren is bijgesleept. Al dan niet door reli-spindoctor Paulus en anderen. Verder is de sterke buitenlands religieuze/spirituele invloed schijnbaar strijdig met het Joodse messiasbeeld (daarvan waren indertijd diverse varianten en er zijn tekstuele sporen dat Johannes door velen als de messias werd gezien en Jezus aanvankelijk helemaal niet) en de verwachte eindtijd (die schijnbaar voor de deur stond, maar later uiteraard moest worden bijgesteld om het uiteenvallen van de beweging te voorkomen).

Of er is een middenweg; de beweging was exotisch en relatief geïsoleerd, maar toch verspreid en beïnvloedt door de mensen, geloven en omstandigheden in het gebied waar De Doper en Jezus actief waren of via via contacten hadden. De schrijvers pleiten hiervoor, door te wijzen op nog niet veel genoemde linken met Samaria, die ze verspreid in hun boek met argumenten onderbouwen.

(De Esseense beweging, met contacten in Egypte, zou ook in zo’n profiel passen, maar ik neig nu, vanwege de sterkere aanwijzingen in de bijbelboeken, naar de Samaritaanse insteek. Misschien sluit het één het ander niet uit, zoals er nu ook veel onderlinge contacten bestaan tussen uiteenlopende groepen).

De vermeende spirituele erfenis van de beweging waar Johannes de Doper en (oorspronkelijk, vermoeden de schrijvers, ook) Jezus deel van uitmaakten, bij de Mandeeërs, wordt ook aangehaald. Jezus komt in één van hun geschriften voor als de spreekwoordelijke Judas in het Johannes de Doper-verhaal. Er lijkt zelfs sprake van wat nu in de VS ‘identity theft’ wordt genoemd. Jezus meet zich de kenmerken van Johannes de Doper toe, de eerstgenoemde wordt de messias die voorspeld was en niet Johannes de Doper.

Een citaat uit het Mandese Boek van Johannes (geciteerd in Maccoby, 1992): ‘Jezus Christus komt, in alle nederigheid, wordt gedoopt met de doop van Johannes en wordt wijs door de wijsheid van Johannes. Vervolgens verdraait hij het woord van Johannes en verandert de doop van de Jordaan, waarbij hij de woorden van de kusta (belangrijke rituele groet en handdruk) aanpast en slechtheid en valsheid in de wereld roept.’

Als dat laatste al gebeurd is - ook het Boek van Johannes is door de mensen erachter natuurlijk een boek met een missie - blijft de vraag hoe ’slecht’ dat nou is. Slecht voor de gelovigen van de club die het heeft opschreven, maar de mens met zijn neigingen en God / het goddelijke met zijn eigenschappen, veranderen vermoedelijk niet zoveel. Dus de essentie zal altijd blijven bestaan en biedt de mens altijd aanknopingspunten.

Verhalen wordt steeds opnieuw verteld, afhankelijk van hun context. Om ze begrijpelijk te maken en om in te spelen op actuele en/of gewenste ontwikkelingen.  Er lijken zich daarbij overigens herhalende patronen af te tekenen, vergelijkbaar met de filosofie achter filmtrilogie The Matrix. Alles en iedereen wordt voortdurend herbenoemd en opnieuw verbonden. Met de huidige inzichten, ook uit het hier besproken boek, kan Jezus in dat verband worden gezien als een gijzelaar van het christendom.

Een interview met de historische Jezus anno 2010 zou heel interessant kunnen zijn om helderheid te verschaffen over de beeldvorming van zijn tijdgenoten, maar misschien zou ik er wel helemaal niet veel van begrijpen, gewend als ik ben aan de verhalen die eeuwenlang verteld zijn. En dan nog, zou het wat veranderen aan de kerk als instituut? Dat zou wel mooi wezen. Dan wordt het weer ‘de stralende religie’ of ‘de lichtreligie’ zoals de Jezus-beweging genoemd werd in het China van de eerste eeuw van onze jaartelling.

Comments Off

admin op 29 April 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Het hitlerdom als Arische anti-kerk

Hitler is geen mythe, hij was een man van vlees en bloed over wie steeds meer bekend wordt. Een aanvankelijke outsider en mislukkeling die de kracht van religie als geen ander begreep en zijn variant daarvan - een magisch nationaal-socialisme met zichzelf als messias van een heuse anti-kerk – modelleerde op basis van het theater van Wagner en aan elkaar geknoopte mythologische verhalen over een fictief en superieur Germaans verleden van trotse Ariërs die de door de Grote Oorlog vernederde Duitsers kon verbinden en mobiliseren.

De mystieke kant van zijn karakter compenseerde Hitler extern door een gewetenloze hardheid en rigiditeit, en een geslepen opportunisme, allemaal met als doel een soort nieuwe verlosser te worden - in tegenstelling met Jezus nu gelijk compleet met een eigen religie - waar nog duizenden jaren inspiratie uit kon worden geput. Een Arische profeet, die bewust het pad van de politiek koos tijdens zijn Paulinistische openbaringsmoment van inzicht gedurende een vermoedelijk psychosomatische blindheid in de Eerste Wereldoorlog.

Een studie die het gehele plaatje rondom Hitler op micro- en macroniveau op magistrale wijze blootlegt, is ‘Hitlers Religie’ van Michael Hesemann (Aspekt, 2007). Het vlot geschreven boek is een aanrader voor iedereen die meer wil weten over de religieuze facetten van politiek populisme en de politiek van religie.

Hesemann toont aan dat Hitlers wereldvisie geen afgeleide was van het reguliere christendom, maar gebaseerd is op de oplevende belangstelling in de negentiende eeuw voor de vroege, ketterse gnostiek, die de wereld verwikkeld zag in een kosmische strijd tussen goed en kwaad, licht en duisternis, een strijd die ook in het wereldlijke domein moest worden uitgevochten.

In die gnostische visie ziet hij ook de basis voor Hitlers racisme en de haat tegen joden en tegen de katholieke kerk. Dat laatste werkt de schrijver heel overtuigend uit. In dat verband merkt Hesemann onder meer op dat antisemitisme in de kerk overigens wel degelijk voorkwam, en al heel vroeg. Zo blijkt de bekende kerkhervormer Martin Luther aantoonbaar een antisemiet te zijn geweest.

In de gnostische visie die Hitler aanhing, in essentie gebaseerd op de leer van Zoroaster, is de heer van deze wereld niet de hoogste god, maar een lager in de pikorde staande scheppergod die onterecht door de christenen voor de ware god wordt aangezien. De christengod, zo vond Hitler in lijn met Nietzsche, was een voorstander van liefde, in scherp contrast met de god van het Oude Testament, en dat zorgde voor verwekelijking van de Duitser, verraad aan zijn volksaard, die in het bloed lag verankerd.

Beter was het, om voorbij te gaan aan dergelijke lage sentimenten en met kracht en hardheid en zonder gevoel de natuurlijke orde van de mensenwereld te herstellen (uiteraard met de vermeende nakomelingen van de ooit in India zo succesvolle immigranten de Ariërs aan het bewind). Hiervoor ontwikkelde hij, in samenspraak en op basis van het (voor)werk van anderen, niets minder dan een eigen religie.

In zijn zoektocht naar verklaringen, waarschijnlijk mede in reactie op zijn aanvankelijke academische en economische mislukking, zo werd Hitler keer op keer afgewezen op de kunstacademie en leidde hij een tijd lang een armoedig bestaan, vond hij steun bij esoterische clubjes, waarin onder anderen Blavatski werd gelezen, en nieuwe riddergenootschappen. Daarbinnen kon hij zijn schijnbare minderwaardigheidscomplex omzetten naar een superioriteitsgevoel en groeide een zelfbeeld van uitverkoren verlosser en toekomstig leider van een nieuwe wereldorde, conform de ‘natuurlijke’ verhoudingen. Deze kringen buiten het gezichtsveld van de velen, vormden het werkelijke hart van het latere hitlergeloof.

Hitler ervoer aan den lijve de Oostenrijkse angst om de macht in het land af te staan aan de nieuwe buitenlanders binnen de landsgrenzen en richtte zijn angst-haat complex in dezen, zoals bekend, vooral op de joden. Hij rechtvaardigde dit vanuit zijn gnostische wereldbeeld, waarin de joden en de christenen, in contrast met de moslims, de volgelingen van de profeet-strijder Mohammed, die hem meer aansprak, het ware geloof zouden hebben verraden. Dat was overigens ook de reden voor de inval in Polen, aldus Hesemann; daar bevonden zich veel meer joden dan in Duitsland. Met deze inval, en later met de vernietigingskampen, kon het ‘jodenprobleem’ pas goed worden ‘opgelost’.

Het antisemitisme, gericht op het ‘ras’, de religie en de joden als sociale groep, was een belangrijk onderdeel van Hitlers religie. De katholieke kerk – Jezus werd door velen in Hitlers kringen gezien als een Duitser; hij kon volgens de Ariosofen niet een jood zijn geweest - was het volgende en laatste te nemen bolwerk in de strijd van het zich ontwikkelende hitlergeloof. (Het communisme, het andere grote gevaar, zou tussentijds worden aangepakt. Dit resulteerde zoals bekend in de rampzalig verlopen expansie oostwaarts; het begin van het einde van het Derde Rijk.)

De vernietiging van de kerk, door aanvankelijk met de mond de leer van de kerk te belijden en ondertussen verdeeldheid te zaaien en zo de protestanten vrij gemakkelijk en massaal voor zich te winnen, was de laatste fase in de door Hitlers zieners gedachte eindstrijd waaruit het nieuwe Duitse ‘ras’ als overwinnaar uit de bus zou komen. Om argumenten voor zijn syncretistische visie te vinden, werden voor en gedurende de oorlog tijd nog moeite gespaard. Zo werden op soms krampachtige wijze - de Führer had altijd gelijk en moest dus altijd gelijk krijgen - massaal de meest wilde pseudowetenschappelijke ideeën omarmd, als het idee dat oer-ijs het verbindende element is in het heelal.

Het boek van Hesemann is te omvangrijk om hier recht te doen. Uit dit toekomstige standaardwerk komt een haarscherp beeld naar voren van een man die zichzelf verblindde en op grond van een esoterisch, romantisch geloof, in contrast met de moderniteit, en voor de buitenwereld vertaald naar een politieke religie, de wereld wilde veranderen en het jodendom en christendom wilde wegvagen van het aardoppervlak. In plaats daarvan zou na de eindstrijd een nieuw gouden tijdperk aanbreken, het tijdperk van, in mijn woorden, het hitlerdom. Met Hitler als de grote profeet die, na de catharsis, het ware geloof op aarde had teruggebracht. Gelukkig is die wereldorde ons bespaard gebleven.

Comments Off

admin op 28 April 2009 in Boek & Meer, Politiek & Media, Religie & Spiritueel