Expedities in de christelijke dating jungle

‘Man gezocht’ heet het boek van ‘HopefulGirl’, dat een tijdje geleden onverwacht in mijn bus lag (Ark Media, 2013). Het leek me een typisch vrouwenboek, in de trant van: “You Shopaholic, me Da Vinci Code”, maar de covertekst haalde me over: “Moet ik als een roofzuchtige oudere vrouw rond gaan loeren bij de studentenvereniging?”

De schrijfster van ‘Man Gezocht’ is een Britse die in een middelgrote stad ‘in de media’ werkt en leeft in een conservatief christelijk milieu, waarin haar kerk (’St. Cashmere’, de beschermheilige van de dure gebreide kleding) een belangrijke rol speelt.

Haar boek is gebaseerd op columns die ze schreef voor het christelijke Woman Alive Magazine, een blad ‘met een vaste column van een Wijze Moeder, diepgaande bijbelstudies over de beloften van God en praktisch advies om eenvoudiger te leven’.

En zo kom ik gelijk bij een belangrijk punt. Ik kan me voorstellen dat je als lezer van dat blad bij elk nummer uitkijkt naar de recente ervaringen van HopefulGirl in de christelijke dating jungle (”Wat heeft ze nu weer meegemaakt, guttegut”). Zet je die columns in een boek, dan is de beleving anders. Halverwege het boek had ik het eigenlijk wel gehad.

Dat de lust tot lezen me wat verging, komt niet door de belevenissen, maar door haar overdenkingen en afwegingen. Zo worden de mannen vaak als karikaturen neergezet, met name in de gevallen waarin er geen klik is. Hetis mogelijk dat zij allemaal van bordkarton zijn en aan elkaar hangen van complexen en frustraties, maar het lijkt er meer op dat de schrijfster dit doet om haar lieve – maar nogal beperkte - wereldbeeld te rechtvaardigen.

(De enige man bij wie ze dat niet doet, is TopBroer, die op een voetstuk staat en waar ze volgens mij stiekem de andere mannen aan afmeet.)

Aan haar wereldbeeld twijfelen, dat doet HopefulGirl bijna helemaal niet. Dat roept de vraag op: is zij zelf wel interessant genoeg? En dan gaat het niet over leeftijd en geverfd haar; mannen zijn echt meerdimensionale wezens - althans die zitten er zeker tussen. Maar bijvoorbeeld wat betreft geestelijke bagage, levenservaring en emotionele diepgang. (Met de humor zit het op papier wel goed).

Pas na zo’n twee jaar breekt voorzichtig het inzicht door dat ze misschien ook buiten haar christelijke cocon moet kijken voor ‘een gelijkwaardige partner’. En haar kinderwens, die biologisch druk op de ketel zet, moet ze daaraan blijven vasthouden en zo ja, waarom en voor wie? (In mei van het vierde jaar gaat ze hier pas over nadenken). Ook het idee van tien jaar leeftijdsverschil bij een stel wil maar niet indalen bij HopefulGirl.

Haar meningen en overtuigingen blijven onuitgewerkt - misschien wel omdat ze gesneden koek zijn voor haar doelgroep? Ook haar God komt niet goed uit de verf. Hij speelt meestal de rol van Grote Koppelaar: die christelijke modelman van haar, die komt er wel (en dan trouwen, kinderen en klaar – conform haar christelijke format). De grote vraag waarmee ik achterblijf, is dan ook: what makes her tick? Wat maakt haar aan het huilen, wat aan het lachen, hoe ziet haar vakantie eruit, waar wordt ze boos over, over welke mannen ligt ze in bed te fantaseren?

Toch valt er nog genoeg te beleven in dit boek. Al was het maar door de line up van mannen, die soms wel iets wegheeft van een freakshow. Neem bijvoorbeeld de zoeker die in zijn profiel schrijft: ‘Ik ben de laatste van mijn geslacht en heb geen stamhouder. Ik wil graag een mannelijke nakomeling verwekken die onze naam kan voortzetten, dus ik neem uitsluitend vruchtbare vrouwen in overweging. Verboden voor vrouwen in de overgang.’

Op een christelijk singlesfeest komt ze GemeneGijs tegen, een man die niet veel kwijt wil over zijn werk. In het groepje christenen waar HopefulGirl bij staat, geeft hij hints als: “Ik geef de hongerigen te eten, één voor één.” De hele groep denkt mee: ‘Een hulporganisatie wellicht? Nee. Na een half uur wisten we het antwoord uit hem los te krijgen. Hij werkt voor een supermarkt.’ En blijkt een engerd.

De huwelijksmarkt wordt bevolkt door jagers, mannelijke en vrouwelijke, leren we verder. Zo zijn er de wanhopige vrouwen, die ik maar even de poema’s noem: ‘Een vriend van me, die zelden meer een kerk van binnen ziet, zegt dat hij zich enorm ongemakkelijk voelde als hij door hongerig kijkende vrouwen werd opgezocht. “Ik wilde gewoon in alle rust van de dienst genieten”, zucht hij. (…) Het is nogal wat om te zien hoe mannelijke bezoekers subtiel worden belaagd door alleenstaande vrouwen, van wie de biologische klokken haast hoorbaar tikken.’

De mannelijke tegenhangers van de poema’s zijn de haaien: ‘Een haai is meestal in de vijftig, gescheiden en ziet het wel zitten (…) met een jongere, aantrekkelijkere vrouw. (…) Haaien zwemmen rondjes bij kerkelijke bijeenkomsten en tijdens het koffiedrinken, waarbij ze proberen een zwak vrouwtje te pakken te krijgen. Zodra ze een mogelijk slachtoffer hebben gevonden, proberen ze haar te scheiden van haar school. Ze worden overdreven aanhankelijk, komen te dichtbij staan en nodigen zichzelf uit om haar te komen helpen klussen.’

Voor de datende vrouwen heeft de schrijfster een lijstje met tips, bijvoorbeeld pleisters meenemen voor als nieuwe schoenen gaan knellen. ‘Niets verpest een date sneller dan dat je probeert te glimlachen terwijl er bloed langs je enkels omlaag sijpelt.’ Ook adviseert ze visitekaartjes (zodat er snel gegevens kunnen worden gewisseld zonder gepruts met pen en papiertjes) en een lijstje met gesprekspunten. ‘Als het gesprek doodbloedt, kun je even naar het toilet wegglippen, je aantekeningen erbij pakken en terugkomen met veel vragen om de boel weer op gang te krijgen’.

Voor mannen heeft ze een hilarisch lijstje met afknappers in de profielen: ‘Je ex-vrouw omschrijven als lui of smerig. Opscheppen over hoeveel je verdient of dat je tachtig keer kunt opdrukken. Doorlinken naar je blog waarop je vertelt hoe je de hele dag niet van het toilet af bent gekomen. Gebruikersnamen als GenieGozer en LekkereDirk. Beweren dat je er tien jaar jonger uitziet dat je bent. Dat bepalen wij wel.’

Dat lijstje heeft zelfs een tweede deel: ‘Topless op de foto. Het ziet er ijdel en wanhopig uit. Afgebeeld staan met je ex-vriendin of op een foto waaruit zij is weggeknipt. Nog erger, met haar gezicht uitgewist. Eng gewoon. Een groepsfoto plaatsen zonder uit te leggen wie jij bent. Het is geen grabbelton. Dreigend de lens in staren als een seriemoordenaar op een politiefoto. Frites en frikandellen in je mond proppen. Het lijkt misschien grappig maar het is niet aantrekkelijk.’

Aan welke 365 eisen de christelijke single mannen volgens de schrijfster wel moeten voldoen, dat lijstje kon ik zo snel niet terugvinden bij het schrijven van deze recensie. Gelukkig heet ze HopefulGirl, dat scheelt.

Comments Off

admin op 20 July 2013 in Boek & Meer

Shirdi Sai Baba, het best bewaarde geheim van India

Begin jaren negentig, India. Ver voor de mobiele telefoon gemeengoed is en het land economisch aan een globale opmars begint. Ik wacht op een trein die voorlopig niet komt en raak in gesprek met een Engelsman. Hij geeft me brood, ik geef hem een banaan. Hij is een leraar Engels uit Groot-Brittannië die speldjes van Sai Baba verkoopt om rond te komen. Niet de in 2011 overleden goeroe die in het westen bekend is, maar de eerste Sai Baba, die uit Shirdi.

De leraar vertelt en ik val van de ene verbazing in de andere. Er is wel eens geschreven dat mensen over honderd jaar niet zouden geloven dat Gandhi werkelijk heeft geleefd. Wel, dat zou je misschien wel met nog meer recht kunnen zeggen van Sai Baba van Shirdi, bedenk ik me, terwijl de leraar het ene na het andere verhaal oplepelt.

Sai Baba van Shirdi ging voorbij aan gebruiken en kasten, voelde zich als een vis in het water binnen zowel islam als hindoeïsme, en verrichtte vele tientallen wonderen om er leringen uit te (laten) trekken. Voor de toegewijden was hij een god, een wezen dat de mens overstijgt in kennis en kunde door het bereikte niveau van eenwording en inzicht (hij noemde zichzelf overigens nooit een god, wel “een nederige dienaar van God”).

Onder de indruk van de kleurrijke verhalen - en erg verbaasd dat ik nooit eerder van hem heb gehoord hoewel hij nog niet zo lang geleden heeft geleefd - koop ik van de leraar een munt met een afbeelding van Sai Baba van Shirdi. In de dagen die volgen, ga ik op zoek naar een Engelse biografie over deze uitzonderlijke man. Deze grote onbekende.

Een paar jaar later kom ik per toeval terecht bij de kleine man met de grote ronde bos kroeshaar die claimde zijn incarnatie te zijn; Satya Sai Baba in Puttaparthi. Mijn ervaring daar is onvergetelijk, ook al kende ik toen reeds de kritische artikelen en filmopnames, maar op de achtergrond bleef ‘de echte Sai Baba’ in mijn bewustzijn aanwezig.

Onlangs kwam Sai Baba uit Shirdi weer in mijn aandachtsveld door de Bollywood-film ‘Shirdi Sai‘ die vorig jaar is uitgekomen. Het is een prachtig en kleurrijk spektakel, compleet met de voor het genre typische dans, zang en aandoenlijke slechteriken (die nog niet tot het juiste inzicht zijn gekomen).

Tijdens het zoeken naar informatie over de film ontdekte ik dat er vorig jaar ook een boek over Sai Baba van Shirdi is uitgekomen, in het Nederlands nog wel. ‘Zeven Dagen Shirdi Sai‘ verscheen in 2012 bij Uitgeverij Tattwa in Olderbekoop. Deze vuistdikke Sai Baba ‘bijbel’ telt 480 pagina’s en is gebaseerd op de biografie ‘Sri Sai Satcharitra’ van ‘Hemadpant’, aangevuld met een groot aantal verhalen uit andere bronnen.

Het boek schetst een veelzijdig beeld van deze ’sadgoeroe’ (ware goeroe / verlichte leraar die leerlingen binnen zijn traditie inwijdt) dat niet aansluit bij het verwachtingspatroon dat veel westerlingen hebben van Indiase goeroes. Misschien is Sai Baba van Shirdi daardoor zo fascinerend.

Zo kon deze ware heilige indrukwekkend boos worden (schijnbaar om de voor dat doel gepersonaliseerde negatieve energieën op te nemen en te verslaan). Ook ging hij vaak in tegen religieuze en maatschappelijke voorschriften van zowel hindoes als moslims, meestal met het doel om achterliggende patronen in leringen en levens inzichtelijk te maken. Dit wordt zijn ‘goddelijk spel’ genoemd.

Sai Baba van Shirdi (1835-1918) had naar wereldlijke begrippen vrijwel niets; onder meer wat kleren, sandalen, een verzameling stenen pijpjes, een kleine maalsteen, een kookpot, een paar blikken om mee te bedelen en een heilige staf. Als kussen gebruikte hij een baksteen. Het geld dat hij de laatste jaren van zijn leven vroeg aan volgelingen, gaf hij vrijwel allemaal weg. Hij maakte geen onderscheid tussen mensen en was één met wat leeft, inclusief planten en dieren.

Over vijf jaar is het honderd jaar geleden dat deze heilige overleed (15 oktober 1918) en nog steeds is in India de herinnering aan hem springlevend. Hij heeft vele volgelingen (Shirdi is nu een bedevaartplaats met een sterk groeiende ‘relibusiness’ die dagelijks honderdduizend bezoekers zou trekken), maar buiten India is Shirdi Sai Baba nog steeds zo goed als onbekend. Daarmee is hij misschien wel het best bewaarde geheim van India.

De liefde voor Shirdi Sai Baba, die van zijn volgelingen volledige toewijding vroeg, wordt gevoed doordat hij grenzen oversteeg en misschien nog wel meer door de inspirerende levenslessen die hij mensen leerde. De hoogste tijd dus, om enkele van die verhalen aan te halen, zoals beschreven in ‘Zeven Dagen Shirdi Sai’.

Er zijn diverse verhalen waarin Sai Baba van Shirdi lijden en ziekte van gelovigen op zich neemt. Een voorbeeld: mevrouw Khaparde komt met haar zoontje Balwanth naar Shirdi. De tweede dag na aankomst krijgt de jongen koorts. Hij heeft overal builen op z’n lichaam. De moeder gaat wanhopig naar Sai Baba. Die toont haar vier rijpe gezwellen op zijn lijf, ze zo groot als eieren. Hij zegt: “Kijk hoe ik lijd voor mijn toegewijden.”

Een volgeling raakt de goeroe aan en wat blijkt: Sai Baba heeft hoge koorts. De moeder is ontzet. “Heeft de ziekte [de builenpest, die toen heerste] niet alleen mijn zoon te pakken, maar ook u? Wie zal u beschermen?” Sai Baba berispt haar voor haar kleine geloof en zij biedt haar excuses aan. Daarna zakt zijn koorts en bij terugkomst ontdekt mevrouw Khaparde dat de koorts en de builen bij Balwanth zijn verdwenen.

Ook staan er verhalen in het boek over mensen en dieren die ogenschijnlijk dood zijn en weer tot leven worden gewekt. Een mooie geschiedenis met een even grote epische kracht is die over Sai Baba’s strijd met behulp van zijn stok om een enorm zwaar onweer uit het dorp te verdrijven.

Een citaat: ‘Weer kwam er een hevige blikseminslag en weer sloeg Baba op de grond en vroeg de regengod om weg te gaan uit Shirdi. Dit gebeurde drie keer. Het was duidelijk een gevecht tussen twee reuzen, maar binnen enkele minuten legde de storm zich neer bij Baba’s verzoek om zijn terugtocht.’

De volgeling Jyotindra Tarkhad vraagt Sai Baba later wat er eigenlijk gebeurd is. Deze zegt: “Als mijn toegewijden in nood zijn, bid ik tot de Heer van het universum om zijn genade op hen te laten neerdalen, en de Heer schiet mij dan te hulp.”

Er staan te veel prachtige verhalen in om hier aan te halen. Een uitzondering maak ik graag voor de beschrijvingen van de ‘goddelijke clown’ Nanavalli. Deze maakte deel uit van de entourage van de heilige, had zichzelf de titel ‘Generaal van Sai Baba’s leger’ gegeven, liep soms naakt of in oude zakken rond, had slangen in zijn zakken en schorpioenen in zijn mond. Nanavalli had overduidelijk in zichzelf al veel grenzen geslecht.

Er zijn tijdgenoten die hem herinneren als moslim, maar ook veel die hem zagen als een brahmaan (een parallel met Sai Baba, die hij ‘mijn oom’ noemde). De meeste mensen beschouwden hem echter vooral als een gevaarlijke gek. (Jyotindra Tarkhad was één van de weinigen die Nanavalli zag als iemand die een intelligent spel vol apenstreken speelt om mensen tot inzicht te brengen.)

In de legendarisch geworden verhalen reageerde Nanavalli met explosieve acties om bepaalde structurele misstanden aan de kaak te stellen. Zo kwamen er vaak mensen naar Sai Baba die hem om materiële zaken vroegen. Een groep handelaren maakt het op een dag erg bont. Nanavalli loopt geërgerd naar voren en roept: “Fakir! Ik wil een grote boom die onmiddellijk geld voortbrengt. (…) Hij moet al geld geven op het moment dat hij ontkiemt.” Baba kalmeert hem en verzekert hem dat hij zijn verzoek zeker zal inwilligen. Nanavalli gaat daarop lachend weg.

Een andere keer maakt hij het nog bonter volgens veel mensen. Sai Baba heeft intussen een fraaie stoel gekregen als gevolg van de toenemende hulde door zijn groeiende bekendheid. Hij zit daarop als Nanavalli op een dag naar binnen stiert en tot afgrijzen van de aanwezigen van Sai Baba eist dat die opstaat zodat hij op de stoel van de goeroe kan zitten. Zo’n stoel is als een troon van en voor de allerhoogste, en z’n eis is dan ook ronduit schokkend.

Sommige toegewijden willen hem wegsleuren maar Sai Baba, die het innerlijk van Nanavalli kent, brengt hen tot bedaren. Nanavalli blijft even op de stoel van Sai Baba zitten en na een tijdje zegt hij: “Uitstekend, goed gedaan!” Daarna staat hij op en Sai Baba gaat weer zitten. Nanavalli knielt aan diens voeten en gaat daarna extatisch dansend weg; in de vorm van goddelijke gekte heeft hij weer een zeer geslaagde les gegeven.

In ‘Zeven dagen Shirdi Sai’ worden de markante gebeurtenissen in het leven van de goeroe verteld, aangevuld met thematische hoofdstukken, bijvoorbeeld toegespitst op geld, leringen, bescherming en alwetendheid. Hierdoor schetst het boek een goed beeld van wat Sai Baba van Shirdi leerde door één te zijn met elk leven, ongeacht plaats en tijd, en vanuit een diepe compassie in te grijpen en/of te verduidelijken. Het zijn verhalen die je bijblijven. Soms zelfs meer dan twintig jaar.

Comments Off

admin op 8 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: een fuck up.

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Comments Off

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Niemand is wie hij lijkt in ‘Honor knows no borders’

Er zijn verhalen die je in grote lijnen bijblijven, zelfs na jaren. Vaak raken ze op kleine schaal aan universele thema’s als liefde, dood, waarheid en vertrouwen en maken daardoor meer indruk dan de grote verhalen die er het decor voor vormen. Het verhaal van Tom, een joodse jongen in het door bombardementen geteisterde Londen van de Tweede Wereldoorlog, is zo’n vertelling. Het is de rode draad in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer (iUniverse, 2010).

Net als de andere verhalen in dit boek gaat dat van Tom over eer, een term die vaak misbruikt wordt omwille van politieke ideeën en persoonlijk gewin. In het kort: Tom vindt in een vernietigd woonhuis een Duitse piloot, een vijand dus, maar deze vijand lijkt heel vriendelijk. Van het spaarzame eten dat er is, legt Tom telkens wat opzij om zijn nieuwe vriend te helpen vluchten zodat deze bij zijn zieke vrouw kan zijn.

Maar niet alles is wat het lijkt en dat geldt ook voor de thematisch gespiegelde verhalen die John Sharer rondom het verhaal van Tom heeft geweven. Zo komen we het boek binnen via een krijgsgevangenenkamp van de geallieerden in Noord-Afrika. Daar horen we het verhaal van een Duitser die claimt een joodse familie te hebben gered. De naspeuringen leiden onder meer naar Groot-Brittannië waar de kleine Tom zich bevindt, maar pas aan het eind komen alle draden samen.

Het aantrekkelijke van dit boek is dat er voortdurend gespeeld wordt met begrippen als goed en slecht, vriend en vijand, dader en slachtoffer. En dat geldt ook buiten het kader van deze debuutroman. Zo schrijft John Sharer dat antisemitisme (en daaraan gerelateerd geweld door fascistische groepen) in het Londen van de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid was. Dat wist ik niet, wel dat bijvoorbeeld de nazi eugenetica in de VS werd toegejuicht. Naast eer, kennen blijkbaar ook veel andere ideeën geen grenzen.

Verder krijg je een goed beeld van het leven van een jongen in het Londen in die tijd. De schrijver was zelf jong in de Tweede Wereldoorlog en put soms duidelijk uit zijn ervaringen. Bijvoorbeeld als hij vol passie vertelt over ‘conkers’, een populair kinderspel in Groot-Brittannië waarbij kinderen elkaars kastanje stuk slaan, of over het zoeken naar bomscherven in half ingestorte huizen. Of over ’s nachts in een verduisterde stad thuis blijven en niet, zoals vrijwel iedereen, naar een schuilkelder vluchten als er een bommendeken boven de stad wordt afgeworpen.

De structuur zit goed in elkaar, waardoor het boek tot het eind toe boeit. De ontknoping in het krijgsgevangenenkamp is mooi bedacht, maar onwaarschijnlijk. Dat is jammer, omdat de rest van het boek de indruk wekt dat het wel echt gebeurd zou kunnen zijn. ‘Honor knows no borders’ is een fijn boek om een paar avonden mee op de bank te kruipen. Geen hoogstaande literatuur, gewoon lekker even eruit. Met af en toe prachtige zinnen, zoals deze: ‘While Hitler was blamed for most things, it did not appear to be his fault that nobody cleaned the rubbish dump behind the flats frequently enough (…).’

Comments Off

admin op 22 November 2011 in Boek & Meer

Gesprekken met Gabriël, een spirituele bildungsroman

Spiritualiteit en het protestantse geloof, dat is een onderwerp waarover niet veel wordt geschreven. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de boeken van Hans Stolp. Een roman die ik onlangs in handen kreeg, gaat op een heel fraaie en inspirerende wijze in op dit thema.

De roman ‘Gesprekken met Gabriël’ van Arjen Miedema stamt uit 1947, werd in 2001 opnieuw uitgegeven, en is van een verrassende helderheid en openheid. Het boek is geschreven in een prozaïsche taal om je dichtersvingers bij af likken. Het streelt de zinnen van de taalliefhebber en boeit de geïnteresseerde in christelijk gekleurde spiritualiteit.

Hoofdpersoon van deze spirituele bildungsroman is Jacobus van den Domme, een man met het hart op de juiste plaats als het gaat om rechtvaardigheid en schijnheiligheid. Hij lijdt aan zijn kleinburgerlijk bestaan in een protestants naoorlogs milieu en droomt, mede op grond van een hang naar natuurmystiek, van een ‘paradisisch’ leven. De hypocrisie om hem heen ergert hem en laat hem vloeken en schelden. De schoonheid van de waarheid en rechtvaardheid doen hem poëtische hoogliederen zingen.

Heen en weer geslingerd tussen de realiteit en zijn spirituele reizen, en gesterkt door zijn onwrikbare geloof in god, ontwikkelt Van den Domme zich tot de vechter voor het ware die hij wil zijn. Een bevlogen wereldverbeteraar, die eerst zelf eens goed in de spiegel leert kijken, hierbij geholpen door de aartsengel Gabriël. Deze engel stelt hem telkens op de proef, steeds in een andere gedaante.

De getalenteerde schrijver van het werk, ooit docent Frans aan een HBS en in 1947 woonachtig in Bedum, mengt onmiskenbaar eigen ervaringen en inzichten met religieuze fantasieën. Het resultaat is een bont taalspektakel waarin de hoofdpersoon worstelt met Gabriël, de duivel een paar keer fysiek te lijf gaat en zich tussentijds druk maakt over de vraag of god geeft wat de gelovigen vragen, zoals de bijbelboeken vertellen. Meer concreet in zijn geval: nieuwe sokken en een nieuwe mat in de gang.

Het is een roman waarin binnen een protestantse context belangrijke geloofsvragen worden gesteld zonder dat het belerend of kwelend is. Spirituele ervaringen worden afgewisseld met dagelijkse dilemma’s, gerelateerd aan goed en kwaad en de invloed van het goddelijke op en in de mens(heid). Het is een boek voor echte mensen, geen zweverige dweperslectuur. Zo vloekt Van den Domme wat af, en soms is dat niet eens verkeerd volgens de aartsengel, omdat het in die gevallen voortkomt uit zijn heilige verontwaardiging.

Normaal moet je loftuitingen op de achterflap wantrouwen, maar in dit geval ben ik het eens met de tekst die Uitgeverij De Groot Goudriaan erop heeft laten zetten; het is inderdaad een ‘uitzonderlijk’ boek. Geen boek voor domme dwepers die zelfbevestiging zoeken voor hun benepen dogmatische overtuigingen, maar een boek voor zoekers - ook hedendaagse. Beter gezegd: het is een boek voor vinders. ‘Gesprekken met Gabriël’ is in de ramsj verkrijgbaar.

Comments Off

admin op 12 July 2009 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Het geheim van Antarctica, de katharen en Rudolf Hess

Heerlijk. Een nieuwe thriller om in één ruk uit te lezen; ‘De Antarctica Theorie’ van Benny Baudewyns. Het verhaal, de vergelijking met de Da Vinci Code is onvermijdelijk, begint met een raamvertelling. Een man in een psychiatrische inrichting schrijft zijn verhaal van zich af en vraagt een notaris om deze stukken veilig te bewaren. Vervolgens worden we meegevoerd in een hallucinerende trip door de geschiedenis. De grote geschiedenis en de kleine geschiedenis van hoofdpersoon Werner Libotte. Beiden gekenmerkt door leugens en machtsmisbruik.

Libotte verwijdert zich van zijn ouders en trouwt tegen hun zin met een dochter van een rijke ondernemer. Dan overlijden zijn ouders onder verdachte omstandigheden. Vervolgens, van de één op de andere dag, keert zijn nieuwe vrouw zich tegen hem, diens machtige katholieke vader kotst zijn voormalige beschermeling uit en tot overmaat van ramp overlijdt zijn jonge zoontje bij een ongeluk onder verdachte omstandigheden.

Werkeloos, krijgt Werner via zijn schoonvader een baantje in een psychiatrisch verpleeghuis waar hij een oude professor leert kennen die hem vertelt over het Boek, waarvan de verblijfplaats al eeuwen geheim wordt gehouden. Het boek bevat de essentie van de oerbeschaving van de wereld zoals wij die kennen, via een dualistisch religieus wereldbeeld zoals dat onder anderen ook bij de Bogomielen hoog werd gehouden.

Wat volgt is een speurtocht door de tijd, opgewekt met pillen die het geheugen van eerdere bewaarders van het Boek bevatten, waarin niets is wat het lijkt en die ons voert langs een behoorlijke reeks historische anomalieën.

Van de stichters van de hoogstaande beschavingen van de piramides in Afrika en Zuid-Amerika, via de Turkse wetenschapper Piri Reis met z’n fascinerende kaart van Antarctica, naar Alexandrië (een gnostiek bolwerk), via de Zuid-Franse Tempeliers, de Katharen en uiteindelijk – middels het lidmaatschap van de Hitlerjugend van de huidige paus – tot aan Rudolf Hess, de mysterieuze rechterhand van Hitler die in de oorlog onder merkwaardige omstandigheden naar Engeland vloog en lid was van het occulte Thule Gesellschaft (in het boek niet genoemd).

Vervolgens wordt de raamvertelling afgerond, de lezer ademloos achterlatend. Peinzend over alle elementen die Benny Baudewyns op overtuigende en meeslepende wijze aaneen weet te rijgen tot een historisch-spiritueel detectiveverhaal dat draait om geheime kennis waar machtige instanties als het Vaticaan (de formele opvolger van het Romeinse Rijk, ook gezien de titulatuur van de paus) en Rex Deus om strijden.

Rex Deus is het vermeende nageslacht van Jezus en Maria Magdalena dat via Europese vorstenhuizen (onder meer de Oranjes) en regerende families in de Verenigde Staten op de achtergrond van het wereldtoneel een behoorlijke vinger in de pap zou hebben. Aldus speculaties.

Het mooie van het boek, is dat er ook nog losse eindjes zijn. Zo begint het verhaal met een (geleende) hypothese over hoe in het rurale Egypte plotseling een hoogstaande beschaving opkomt die de oudste piramides bouwde (die nu nog niet worden begrepen) en uit het niets de hiërogliefen introduceert, maar wordt er geen (voor de hand liggende) link gelegd met de piramide op het dollar-biljet met het alziend oog.

Dat zou in de lijn van deze roman goed passen; het Boek, aangevuld met commentaar van niemand minder dan Jezus, bevindt zich in een kleine piramide. Denk ook aan de vrijmetselaars, hun vermeende relatie met het veronderstelde Rex Deus en hun aangetoonde rol achter de schermen m.b.t. de opkomst van het Nieuwe Romeinse Rijk (de VS) waarvan de dollar het betaalmiddel is.

En dan hebben we het nog niet eens over het verband dat gelegd kan worden met Otto Rahn, de Nazi-speurder (wiens boek met de waarschijnlijk verzonnen ontdekkingen onlangs weer is gepubliceerd) en die namens Hitler het Kathaarse Zuid-Frankrijk heeft omgespit, op zoek naar?

Kortom: een boek om heerlijk in weg te duiken en ook nog eens over na te denken. Veel van de feiten die worden genoemd, heeft de schrijver namelijk ontleend aan een redelijke plank met boeken over alternatieve geschiedschrijving. Achterin de roman wordt een aantal genoemd, zodat er voor geïnteresseerden genoeg te smullen valt. Nu is het hopen op een nieuw boek in dit genre van Benny Baudewyns. Ik kan bijna niet wachten.

Comments Off

admin op 4 May 2008 in Boek & Meer