Henk Stultiens over het eeuwige gevecht tegen de verlaging

Fel het debat aangaan met Geert Wilders heeft geen enkele zin, zegt organisatiedeskundige Henk Stultiens uit Sittard. We praten met hem over statusbewegingen in het bedrijfsleven en in de politiek.

De verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. Henk Stultiens noemt dit interactiestatus en heeft hiervoor samen met zijn broer Luuk een wetenschappelijk model ontwikkeld. Daarmee wordt expliciet en bespreekbaar gemaakt wat impliciet en voelbaar is.

Volgens dit model, dat is uitgewerkt in ‘Het fenomeen status’ uit 2004, hebben mensen onderling altijd vier keuzen – of ze zich hiervan bewust zijn of niet; zichzelf verhogen, de ander verhogen, zichzelf verlagen of de ander verlagen.

Zijn basisvoorbeeld om deze abstracte termen toe te lichten, kunnen we allemaal navoelen uit onze schooltijd. Stultiens onderscheidt de strenge leraar (altijd hoog), het watje (altijd laag) en de ideale leraar (die kan ’schakelen’ afhankelijk van wat het beste resultaat oplevert).

Fusie KLM en Air France

Welk gedrag je kiest is afhankelijk van het moment en wordt beïnvloed door vorming, de aanleg, de cultuur en de socaal-economische en / of de functiegebonden status. Evolutionair bezien is de drijfveer van mensen volgens dit model om statusverlaging te voorkomen (eerder dachten de broers aan het bereiken van statusverhoging).

Op basis van hun model voorspelden Luuk en Henk Stultiens in 2004 dat de zogenoemde bootcamps voor jongeren averechts werken. De geschiedenis gaf hen gelijk.

In 1999 ging het eerste Nederlandse Glen Mills kamp open in Wezep. Onderzoek toonde in 2007 aan het niet succesvoller was dan andere, ‘zachtere’ vormen van jeugdhulpverlening. Glenn Mills sloot medio 2009, geplaagd door schandalen. De methode wordt in Nederland niet meer gebruikt.

Ook voor bedrijven heeft het model een toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld op het niveau van bedrijven en naties. Zo voorzagen de broers in hun boek dat de fusie tussen Air France en KLM, beklonken in september 2003, een moeilijk en langdurig proces zou worden; de nationale culturen en de bedrijfsculturen zijn te verschillend.

Ratten zijn niet echt

Een paar treden lager kan het concept interactiestatus ook veel verduidelijken. Bijvoorbeeld rattengedrag, zoals Joep Schrijvers dat in kaart heeft gebracht. ‘Ratten zijn bijzonder. Bijzonder doortrapt of misschien wel bijzonder goed aangepast. Het zijn mensen die verhogingen en verlagingen heel strategisch inzetten, maar doen voorkomen alsof dat niet zo is. Typisch voor een rat is dat de meeste statusverhogingen niet echt zijn en gebeuren op een andere plek dan waar ze thuishoren.’

Een medewerker die een rat is, verhoogt bijvoorbeeld mevrouw Janssen omdat hij zijn collega mevrouw Pietersen, die het compliment verdient, niet wil verhogen. Bijvoorbeeld om iets van mevrouw Janssen gedaan te krijgen.

Maar ook leiders kunnen ratten zijn: ‘In een bedrijf kreeg een medewerker in de jaarlijkse functioneringsgesprekken telkens complimenten. Wat bleek later: de leidinggevende had daarnaast een dossier aangelegd met kritiek en daar wist dat personeelslid niets van. Die leidinggevende was een rat.’

De reden voor dit achterbakse gedrag zou kunnen zijn dat de leidinggevende zich bedreigd voelde, vermoedt de Sittardse organisatiedokter, en statusverlaging in de toekomst wilde voorkomen. Andere varianten van rattengedrag zijn bijvoorbeeld het zich proberen toe te eigenen van successen van anderen en proberen mensen preventief eruit te werken.

‘Doe eens normaal man!’

In de politiek is het statusmodel eveneens toepasbaar, bijvoorbeeld op de beruchte doe-eens-normaal-confrontatie tussen VVD-premier Mark Rutte en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders.

‘Wat in die situatie gebeurde, is heel gecompliceerd’, zegt Henk Stultiens. ‘Wilders verlaagde Rutte, in lijn met de basisdynamiek van de PVV; anderverlaging. Daarna verlaagde Rutte terug met woorden, maar zijn houding en toon waren daarmee niet in overeenstemming. Het zijn overigens allebei “anderverlagers”, Rutte wat minder en Wilders wat meer.’

Uiteindelijk zei Geert Wilders dat hij het weer over de inhoud wilde hebben. Hij nam de regie terug of heeft hem nooit uit handen gegeven. Heeft Mark Rutte daarmee het onderspit gedolven?

‘Dat kun je zo niet zeggen. Er zijn heel veel zaken die een rol spelen. Het heeft onder meer te maken met de partijculturen, de interne partijpolitiek en natuurlijk de verhouding van de PVV als gedoogpartij tot het kabinet van VVD en CDA, waarvan Rutte vanuit zijn functie de baas is, en het feit dat Rutte over Wilders eigenlijk niets te zeggen heeft. Ook de persoonlijke relatie tussen Rutte en Wilders is van invloed.’

‘Ga niet vechten’

Wat had Mark Rutte moeten of kunnen doen?

‘We hebben vaak de neiging om de ander te vertellen wat hij moet doen. De ander pikt dat niet en voor je het weet ben je aan het vechten. Mijn advies: ga niet vechten. Anders gezegd: als je kiest voor (alleen) terugverlaging, kun je in een welles-nietes gevecht komen. Dat zag je nu gebeuren.

Wilders ging bij Rutte over een grens en dat had Rutte duidelijk aan kunnen geven. Het klinkt misschien raar, maar dat is een kleine zelfverlaging en die doet wonderen. Vervolgens had hij een keuze voor kunnen leggen: op deze manier wil ik het debat voeren, op die manier niet. De ander heeft een keuze en kan zich zonder gezichtsverlies terugtrekken. En dan consequent die grens handhaven – ziedaar: een leider.’

De ideale leraar als leider

Een ideale leider werkt situationeel en is “authentiek”, aldus Henk Stultiens. Hij of zij lijkt daarmee op leraar nummer drie. Of Mark Rutte zo’n leider is, valt moeilijk te beoordelen. Wel heeft de VVD’er schijnbaar bijgeleerd na het doe-eens-normaal-debat. Zo weigerde de premier later om het naar racisme neigende Polenmeldpunt van de PVV te veroordelen.

‘Ach, het is maar een website van één partij, laten we het niet groter maken dan het is’, was de boodschap. Mark Rutte nam daarmee een hogere positie in en verlaagde heel tactisch de PVV-website, niet de PVV of Geert Wilders – die hij hard nodig heeft.

De PVV gaat ondertussen gewoon door met anderverlagen, voorspelt Henk Stultiens. ‘Je kunt wachten op het volgende relletje. De vraag is alleen wie nu weer verlaagd gaat worden na de islamieten en de Oost-Europeanen.’

Gedrag moet congruent

PvdA-fractievoorzitter Job Cohen, in 2005 door Binnenlands Bestuur gekozen tot beste burgemeester van de laatste vijfentwintig jaar, heeft regelmatig met het PVV-schoolpleingedrag te maken gehad.

Cohen bleef in de Kamer tot op het laatst rustig en beleefd, ondanks herhaalde PVV-schofferingen. Hij liet zich niet meer verlagen zoals in het begin, maar slaagde er ook niet in of koos er niet voor om zichzelf te verhogen. Dat leverde hem veel kritiek op. ‘Bijt toch eens van je af’, zeiden veel PvdA’ers.

‘Maar’, zegt Henk Stultiens: ‘De vraag is of dat gedrag bij Job Cohen past. Niet iedereen kan alle communicatiestijlen (even goed) leren of in elke situatie toepassen. Als het niet jouw stijl is, val je uiteindelijk door de mand, ben je niet congruent en daardoor niet geloofwaardig.’

Op 20 februari 2012, vlak na dit interview, is Job Cohen opgestapt als fractievoorzitter van de PvdA. Hij komt niet meer terug in de Tweede Kamer.

Uitsluiting extremisten vrouwelijk

Communicatiestijlen kunnen meer vrouwelijk of mannelijk zijn. Henk Stultiens: ‘In de mannelijke stijl is jezelf verhogen en de ander verlagen wat dominanter aanwezig, in de vrouwelijk stijl jezelf verlagen en de ander verhogen.’

De communicatiestijl van Job Cohen is misschien meer vrouwelijk dan die van Geert Wilders en Mark Rutte, maar hierdoor eigenlijk typisch Nederlands; Nederland is volgens deskundigen een vrouwelijk land. Verklaart die zachtheid de neiging van de Tweede Kamer om, tot de tijd van Pim Fortuyn, het oude extreem-rechts met een cordon sanitaire aan te pakken, een uitsluitingsstrategie zoals vriendinnen die volgens u onderling toepassen?

‘Dat zou goed kunnen. In Duitsland is de cultuur weer anders. Daar zie je dus dat extreem-rechts altijd met geweld de kop wordt ingedrukt, waar dat in Nederland eerder wordt genegeerd.’

Het gelijk van Cohen

Als we het hebben over minderheden die als bedreigend worden ervaren: hoe zit het met de Marokkaanse jongens die in diverse steden op straat voor overlast zorgen; wat is de beste manier om met deze groepen om te gaan?

‘Deze jongeren, met name de Marokkaanse, zijn in een meer mannelijke cultuur opgevoed. Daarnaast hebben ze veel te maken met verlaging. Ze krijgen vaak verlaging op verlaging. Een repressieve aanpak werkt dan niet. Denk ook aan de bootcamps. Beter is om met deze jongeren het gesprek aan te gaan, ze een beetje te verhogen en jezelf een beetje te verlagen, maar wel duidelijke regels te stellen en daar altijd consequenties aan te verbinden.’

De combinatie van zacht en hard dus, die Job Cohen als burgemeester in Amsterdam voorstond, maar waarvan door de sneren van Geert Wilders vooral het ‘theedrinken’, de zachte aanpak, bij veel mensen is blijven hangen.

Een nationale ziekte

Sprekend over Amsterdam: uit onderzoek blijkt dat mensen, wereldwijd beschouwd, in Amsterdam het meest onvriendelijk zijn. Desondanks zien Nederlanders zichzelf vaak nog als vrij tolerant en wordt de Nederlandse cultuur gezien als vrouwelijk. Is de Nederlander schizofreen?

‘Wij doen in Nederland alsof er geen verschillen zijn. We zijn ons suf aan het tutoyeren; we zijn zo gelijk, eh gelijkwaardig. Er mogen ook geen verschillen zijn – denk aan het spreekwoordelijke maaiveld - maar ze zijn er wel. En dat levert spanningen op. Als de verschillen te groot worden, verzuren mensen, komen ze in verzet of doen ze niet meer mee.

In de Tour de France hebben ze daar overigens iets op bedacht. Als je dat zo ziet, zou je kunnen denken: er kan er maar één winnen, dus waarom doet de rest dan zoveel moeite? Nou, om de verlagingen kleiner te maken, hebben ze al die prijzen voor etappes, beklimmingen, afdalingen, de puntenklassementen en de beloningen voor dienstbaar gedrag. Zo heeft iedereen een grotere kans om wat te winnen.’

(Illustratie: Diablo)

Comments Off

admin op 16 March 2012 in Politiek & Media

Solidariteit als essentie van de joods-christelijke traditie

Huub Oosterhuis heeft in februari bij de lancering van het leerhuis De Nieuwe Liefde in Amsterdam een essay gepubliceerd, getiteld ‘Ik versta onder liefde’ (Ten Have, 2011). Het leerhuis wordt een plek voor studie, bezinning en debat waar ‘de behoefte aan een opvlucht van onze geest niet wordt weggelachen of bedolven onder een ideologie’. Waar de verbeelding wordt gescherpt, het hart en het verstand verruimd, al dan niet via poëzie, muziek en theater. Gemodelleerd naar de joodse leerhuizen, moeten er nog vele van zulke vrijplaatsen volgen.

De Nieuwe Liefde biedt ruimte voor een (hernieuwde) aansluiting met het erfgoed van jodendom, christendom, humanisme en socialisme, stelt Oosterhuis. Ook zal er studie van de islam worden gemaakt en wordt onbevooroordeelde informatie over de wereldgodsdiensten geven, maar de focus of in elk geval de motivatie tot de oprichting ervan, blijkt uit het boek van de oprichter, is op de christelijk-sociale lijn.

De Amsterdammer heeft zijn essay ‘Ik versta onder liefde’ doorspekt met soms prachtige literaire fragmenten die hij gebruikt om zijn verhaal op te bouwen. Via ‘Advent’ van Wystan Hugh Auden (die ‘beschrijft deze eeuw van twee wereldoorlogen als een volstrekte leegte waarin ieder mens tot een fictie dreigt te worden onteigend’) introduceert Oosterhuis de levende liefde, de gedeelde bezieling – van soms maar een enkel moment – die inzichtelijk maakt en verbindt.

Vanaf zijn geboorte naar het heden, laat hij diverse voorbijgangers aan het woord. Hij beschrijft Adolf Hitler, die in 1933, het geboortejaar van Oosterhuis, 44 procent van de stemmen haalt, een nederlaag die als een overwinning werd gevierd. En citeert Sebastian Haffner als die vraagt naar de zwijgende meerderheid en spreek over ‘het laffe verraad van alle leiders van partijen en organisaties op wie 56 procent van de Duitsers, die tegen de nazi’s stemden, hadden vertrouwd (…). Wat is er van die meerderheid geworden?’

De inrichting van Dachau, de boycot tegen de joden, boekverbrandingen, de instelling van de eenpartijstaat, de censuur van kunst en cultuur – ‘In negen maanden werd Duitsland tot Hitler-Duitsland’. Oosterhuis slaat er, net als Hitler, Friedrich Nietzsche op na, de man die zijn tijd een eeuw vooruit was en die al in 1882 in de ‘Vrolijke Wetenschap’ de dood van god aankondigde:

‘”Waar God heen is?”riep hij. “Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik. Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gekund? Hoe konden wij de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? Waarheen beweegt zij zich nu? (…) Dwalen wij niet door een oneindig niets? Ademt ons niet de leegte tegemoet? Is het niet kouder geworden? Wordt het niet steeds meer nacht? (…)”’

Het bezield verband viel toen al uit elkaar. In Nederland was dat al eerder onderkend door Eduard Douwes Dekker. Door het burgerkapitalisme, massafabricage, het monetair-industrieel complex en de opkomst van de moderne stad werden volgens George Steiner ‘de gordijnen tegen het morgenlicht dichtgetrokken’, met een op christelijke hellebeelden en verdoemingsverhalen gebaseerd ‘uitleven van een duizendjarige pornografie van de angst tot gevolg’: de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Dat regime had zich mede gebaseerd op het streven naar werkelijke individuatie, in de lijn van ‘blijde boodschapper’ Nietzsche.

Aansluitend bij ‘god en theologie na Auschwitz’ stelt Oosterhuis: ‘Ik heb geleerd te onderscheiden tussen de christelijke cultuurgod en de God van de bijbel’. Hij vervolgt zijn reis naar hernieuwde bezieling door de god van het jodendom op te zoeken, volgens hem een god van bevrijding en hoop. En van verbinding. Hier komen we bij de rode draad: het joods-christelijke verhaal is een sociaal verhaal, in essentie een bevrijdingstheologie die oproept tot bezielde actie voor de kwetsbaren op basis van recht, solidariteit en ontferming. En dat steeds weer opnieuw, ondanks tegenslagen; geloven tegen de klippen op.

De dichter neemt de kracht van ‘het volk’ Israël als voorbeeld. In 1230 voor het begin van onze jaartelling schrijft farao Mernepta dat Israël niet meer bestaat; hij heeft alle nomadenvolkjes in Kanaän, het huidige Libanon, Palestina en Jordanië, in de pan gehakt. Een eigen god had Israël toen nog niet, al geven de joodse geschiedschrijvers daar vervolgens met terugwerkende kracht een andere draai aan, stelt Oosterhuis. In 586 is het weer raak en wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Maar de Israëlieten geven niet op en in 515 wordt een nieuwe tempel opgericht.

Onder druk van voortdurende vervolging, wordt deze traditie op schrift gezet. De essentie van de Thora-bibliotheek is volgens Oosterhuis: ‘Jij, mens, wie je ook bent, heb liefde tot je naaste die is zoals jij, een nietig ontzagwekkend levende ziel, een ander mens die bestaansrecht heeft zoals jij; geef elkaar dat recht, gelijkwaardig als je bent, zo verschillend als je bent; weest solidair met elkaar’. ‘(…) uniek is: dat dit beroep op het geweten van ieder mens in de mond wordt gelegd van een God met de naam “Ik zal er zijn, ik stuur jou naar mensen in nood”. Hij zal zijn in mensen die elkaar bevrijden.’

Niet zo verwonderlijk, ziet Oosterhuis van Jezus dan ook vooral diens sociale functie. Het verhaal over een Jezus die gestorven is om de zondige mensen met god te verzoenen, en ons te redden van verdoemenis, is voor hem van weinig tot geen waarde. ‘Heb liefde tot je naaste, wees volstrekt solidair met je naaste, die is als jij, een mens’ – deze rabbijnse samenvatting, daterend van tweehonderd voor onze jaartelling, en weerklinkend in de verhalen over Jezus, is voor Oosterhuis richtinggevend.

Hij zet daar de Übermensch van Nietzsche tegenover. Oosterhuis geeft eerst aan dat je met de Übermensch veel kanten op kunt, maar verklaart deze vervolgens voornamelijk als de onderliggende basis voor het dominante vrijemarktdenken, waarbij asociaal en gewetenloos gedrag de boventoon voert. ‘De markt bevindt zich aan gene zijde van goed en kwaad’, schrijft hij.

(Ik heb Nietzsche al jaren niet meer gelezen, maar in mijn herinnering was deze idee vooral gericht op het ontwikkelen van een persoonlijke moraliteit door onafhankelijke zelfbevrijding. En gezien zijn tirades tegen het christendom met haar slavenmoraal, kan ik me niet voorstellen dat Nietzsche de nieuwe priesterkaste van het internationale bedrijfsleven, deze kerken van de nieuwe macht, met hun vele slaven (klanten en medewerkers), zou toejuichen. Dit terzijde.)

Oosterhuis kiest liever voor Marx, volgens hem onterecht afgeserveerd vanwege het vermeend onchristelijke karakter van zijn denken en uiteraard om de mislukte toepassing van zijn ideeën in Oost-Europa. Marx stelt dat de bevrijding komt als we: ‘Alle verhoudingen omver werpen (saneren) waar in de mens een vernederd, geknecht, verlaten en verachtelijk wezen is’. Dus wel bevrijding, maar niet ten koste van een ander (zoals in het traditionele kapitalisme) en in solidaire verbondenheid. ‘Het geloof in het noodlot en de heiligheid van het bestaande, maar ook het geloof en het inzicht in de vernieuwbaarheid van deze wereld doordesemt heel de marxistische traditie en is geestverwant aan het visioen van de bijbel.’

Vervolgens laat Oosterhuis parallellen zien tussen de opkomst van Nazi-Duitsland en die van een club als de PVV in onze tijd (en vergelijkbare populistische radicale stromingen in andere Europese landen). Hij haalt Johan Huizinga aan uit ‘In de schaduwen van morgen’ en laat hem zeggen dat de hoop te vinden is in de gemeenschap van mensen die ‘de leugen geen toegang geven, en die niet vervallen tot levensmoeheid en vertwijfeling’. Een gemeenschap van/in de (creatieve en bezielende) geest (die de mythen van het vrijemarktdenken kan en wil ontrafelen en in verbondenheid kan overstijgen); de mondiale ‘civil society‘ die nu wereldwijd zo’n 5 miljoen mensen zou omvatten.

Hendrik Marsman (in 1940 omgekomen toen zijn boot onderweg naar Engeland zonk, een groot bewonderaar van Nietzsche) was één van hen. Hij dichtte: ‘Alles is immers beter dan dit! / Zou ons hart niet moeten vergaan / van wroeging en schaamte, dat dit / ongestraft kan bestaan! / want geen onzer heeft iets gedaan / om met zijn bestaan te bezweren / dat er bloed aan de handen klit / en het tuig uit de onderwereld / de vulkanische tronen bezit.’

Oosterhuis ziet zich als een metgezel van Marsman, als één van de weinigen ‘die de leugen geen toegang geven en hun knieën niet buigen voor het onrecht’. Hij richt zijn pijlen met name op het beleid voor (of tegen) asielzoekers in Nederland en ziet overeenkomsten met de vervolging van de joden: ‘Het vergelijkbare is de manier waarop weerloze mensen worden behandeld. Dat lijkt wél op elkaar: zo voelt het, de nietsontziende hardheid, zelfs kinderen worden niet ontzien. En zo heb ik het gezien in 1943, in de Amsterdamse Rivierenbuurt.’ (In november 2010 presenteerde Amnesty International het rapport: ‘Vreemdelingendetentie: in strijd met de mensenrechten’.)

De beweging van ‘goede mensen’ anno nu zou vooral moeten insteken op de liefde voor de vreemdeling, aldus Oosterhuis; het moeilijkste dat er is. ‘Opdat de samenleving der mensen niet zal wegzakken in schijnliefde, apenliefde, bezittersliefde, bloedliefde, bloed-en-bodemliefde’. Hij haalt Emmanuel Levinas aan: ‘Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

De vreemdeling, dat is, in deze tijd, de ander, in het bijzonder de kwetsbare ander. Niet alleen de asielzoeker. Die vreemdeling moet onderdeel gaan uitmaken van het utopische streven naar beter, tegen de klippen op. Voorbij Nietzsche, de (onwillige) profeet van de moderne tijd. Voorbij de oude god, misschien wel zoals de bon hommes die zagen bij de katholieke kerk, naar een nieuwe, ware god, die ‘puur licht is en zonder schaduw’. Een god die niets vraagt dan solidariteit met de zwakkere, de vreemdeling.

Daartoe moeten we volgens Oosterhuis: ‘Niet afgestompt raken door de zorgen van iedere dag, en je niet laten intimideren door de harde stemmen der cynische realisten die het beter weten. En niemand hard vallen die de moed verliest. Tijd maken voor troost, bezinning, analyse, muziek. Gedichten lezen, nieuwe moed verzamelen: dat is wat ons te doen staat in onze bezield-verbandhuizen, leerhuizen voor een betere wereld.’

Geen Reacties »

admin op 26 April 2011 in Boek & Meer

Berry van Rijswijk: ‘Geen gelul over een slechte jeugd’

Berry van Rijswijk is sinds 1990 actief in de politiek, afwisselend als raadslid, wethouder of Statenlid. Op dit moment is hij wethouder in Sittard-Geleen met onder meer armoede, jeugdbeleid en cultuur in z’n portefeuille. De komende gemeenteraadsverkiezingen is hij lijsttrekker voor GroenLinks. Hij pleit voor elektrowagens, meer duurzame banen, onder meer in de zorg, en voor tolerantie.

Je hebt een indrukwekkende carrière in de politiek opgebouwd. Je bent zelfs één van de illustere personen met een eigen vermelding in de Wikipedia.

,,Klopt. Er is ook een Berry Fanclub, maar die heb ik er niet zelf opgezet.”

Wat is het geheim van je politieke succes?

,,Je moet nooit onvoorbereid naar een vergadering gaan. Voor ambtenaren is dat af en toe vervelend. Soms krijg ik belangrijke stukken pas op het allerlaatst. Dan zeggen ze: we kunnen er mogelijk politieke problemen mee krijgen. Goed zeg ik dan, geen probleem. Maar ga er maar vanuit dat ik het laatste stuk het beste heb gelezen, dat heb ik dan heel goed gelezen. Ja, in de loop van de jaren ben ik echt een politiek dier geworden.”

Wat typeert jou als politicus?

,,Alle burgers zijn voor mij gelijk, maar ik kom wel altijd op voor iedereen in de samenleving die wat meer hulp en bescherming kan gebruiken. Dat pas ook bij GroenLinks. Ik ben verder wars van vriendjespolitiek.”

Is dat laatste niet heel on-Limburgs?

,,Dat is een verkeerde kant van het Limburger zijn. Je moet zakelijk naar de dingen kijken.”

In de tijd van Dohmen en Langeberg werd de term Vriendenrepubliek gemunt. Onlangs viel die term weer, onder meer in relatie tot de CDA-perikelen in Susteren.

,,Je doelt op Herman Vrehen en Peter Pustjens? Ik vind dat ze heel domme dingen hebben gedaan, dat was niet verstandig. Niet recht door zee – zonder de vergelijking met Rita Verdonk te willen maken. Als politicus moet je op je qui vive blijven. Wel overal naartoe blijven gaan, je biertjes blijven drinken, maar geen handjeklap.

Binnen de oude KVP, één van de voorlopers van het CDA, was dat wel zo. Ons kent ons en we regelen wel wat. Ik doe dat niet, dat past niet bij mij. Zakelijke etentjes, dat is een broodje kaas. En als zakelijk puntjes op de ‘i’ gezet moeten worden, doe ik dat bij een kopje thee. Na de zakelijkheid kunnen we eten of een glas drinken maar tijdens de zaak niet. Mensen weten dat ook: dat hoef je niet te doen bij wethouder Berry, die is daar weinig gevoelig voor.”

Kun je in dat verband iets zeggen over het politieke klimaat in Sittard-Geleen?

,,Nu is het relatief rustig. Tot drie jaar geleden hadden we allerlei affaires et cetera. Er zitten veel mensen met oude pijn. Die pijn moet slijten. We staan aan de vooravond van de nieuwe verkiezingen en ik hoop dat mensen goed kijken naar wat partijen en lijsttrekkers voor hen én voor Sittard-Geleen willen betekenen; dat ze niet alleen maar kijken naar het eigen belang.”

Jij bent heel sociaal. Je was tussen 1986 en 1997 directeur van het Henk Schram Centrum voor kwetsbare jongeren in Eckelrade. Nu ben je als wethouder onder meer verantwoordelijk voor het armoede- en het jongerenbeleid.

,,Ik geloof in mensen. Ik neem geen afscheid van ze. Maar rotzakjes moet je af en toe een draai om de oren geven – figuurlijk dan. Ik geloof in een participatiemaatschappij; iedereen kan iets waardevols bijdragen aan de samenleving. Daarom ben ik ook beschermheer geworden van Voedselbank Limburg Zuid; kan ik af en toe eens een deur voor ze openmaken. We hebben verder als één van de weinige gemeenten een heel goed project om mensen te re-integreren. Dat heet het Participatiehuis. Sinds december 2008 zitten er al driehonderd mensen in dat circuit, dat wordt ondersteund door maatschappelijk werk, schuldhulpverlening et cetera.”

Is re-integratie wel een taak voor de gemeente? Daar zijn toch bureaus voor?

,,Een aantal van die bureaus heeft de afgelopen jaren goed geld verdiend, maar we kunnen een deel van het werk ook zelf. De gespecialiseerde organisaties waar we nu mee werken, doen dat op basis van no cure no pay. Duurzame banen. Niet drie of zes maanden de mensen laten werken en daarna weer terug naar de uitkering.”

Je hebt je als wethouder voorgenomen om twee miljoen te bezuinigen op de bijstand. Gaat dat lukken?

,,Drie jaar geleden is dat beleid ingezet, de recessie was toen niet te voorzien. Ik denk dat het nu niet meer kan. Twee miljoen, dat gaat zeker niet lukken. Nu kost de bijstand alleen nog maar meer geld. We proberen nu de groep uitkeringsgerechtigden zo klein mogelijk te houden en ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen aan de slag blijven. We willen voorkomen dat ze thuis gaan zitten. Ze moeten participeren. Over twee jaar, als de crisis achter de rug is, zijn ze, zeker met de huidige krimp, heel hard nodig, ook op de arbeidsmarkt.”

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen ben je lijsttrekker voor GroenLinks. Wat ga je doen als we op jou stemmen?

,,Ik kies eerder voor mensen dan voor stenen. Liever meer geld naar armoedebestrijding dan een nieuwe weg aanleggen. Niet meer asfalt erbij. Ik ga vooral inzetten op een stevig sociaal beleid en duurzame werkgelegenheid.”

Welke meetbare doelstellingen heb je daarbij?

,,Ik vind dat het wagenpark van de gemeente uit elektrowagens zou moeten bestaan. Dat moet er gewoon komen. Ook moeten er elektro-oplaadplaatsen in de stad komen. Ook moeten meer mensen worden opgeleid voor alle vormen van zorg; huishoudelijke zorg, verzorging en verpleegkundige zorg. Dat is goed voor de werkgelegenheid. En er moeten meer subsidiebanen komen. We zullen de komende jaren noodgedwongen ook moeten bezuinigen. Een deel van dat geld zou bijvoorbeeld in stadstoezicht kunnen worden gestoken. Kunnen er stadswachten van betaald worden. Zo investeer je ook in veiligheidsbeleving door te zorgen voor meer blauw op straat.”

Wat is voor jouw partij het hoofdthema van de verkiezingen?

,,Een belangrijk onderwerp is: met elkaar. We moeten toe naar een tolerante samenleving. Ik erger me dood aan die Wildersen. Geert Wilders probeert mensen tegen elkaar op te zetten. Als iemand iets fout heeft gedaan, een Nederlander, een Marokkaan of wie dan ook, dan geen gelul dat hij een slechte jeugd heeft gehad. Er zijn hier regels en daar houden we ons ook aan. We laten ons toch niet door vijftig ‘verveel-oren’ onze samenleving afnemen?

Een tolerante samenleving, daar staat Berry voor en alles dat fout is, als mensen zich niet aan de regeltjes houden, dat pakken we aan.

Laat dit duidelijk zijn: je moet van anderen afblijven. We praten in deze samenleving en als we het niet eens worden, gaan we naar de rechter. We spelen geen eigen rechter.

Maar tolerantie komt van twee kanten. Ouderen moeten ook leren dat jongeren bij de stad horen. En niet te snel bellen. Hebben we hier een evenement, Groove Garden, wordt gelijk geklaagd; overlast. Tjonge, jonge wat voor tolerantie hebben we hier?! Het moet niet elke week en te lang in de nacht, maar we moeten we de stad voor velen toegankelijk houden met leuke activiteiten.”

Hoe is het in Sittard-Geleen met overlast en hangjongeren?

,,Echte overlast en vernielingen, nou, daar heb ik een broertje dood aan. We hebben de hangjongeren hier nu redelijk goed in beeld. Er zijn wel groepjes her en der, maar echte uitwassen zoals in de Randstad hebben we niet. Wel zijn er wat ‘verveel-oren’ die af en toe dreigend overkomen, maar die slaan niet door. Excessen hebben we hier niet en dat wil ik graag zo houden. We hebben contact met de moskee, met jongerenwerk et cetera die de jongeren in de gaten houden. Als er iets zou broeien, zijn we er op tijd bij. Het helpt niet om voor politiek gewin mensen te beledigen en mensen tegen elkaar op te zetten.”

Is er een Wilders-achtige partij die in Sittard-Geleen aan de verkiezingen wil meedoen?

,,Voor zover ik weet niet, maar het baart me wel zorgen. Tijdens de Europese verkiezingen hebben procentueel veel mensen in Sittard-Geleen op Wilders gestemd.”

Voel je je hierdoor persoonlijk aangesproken?

,,Ja, ik vind wel dat ik daar iets mee moet. In Stadbroek, Lindenheuvel en Sanderbout hebben we goed beleid dat de mensen daar helpt. Ik laat mensen nooit in de kou staan. En hoe kan het dan potdomme dat ze daar dan toch massaal op Wilders stemmen? Als Wilders aan de macht komt, is het allemaal ellende. De mensen die nu op hem stemmen, moeten dan alles betalen. Verder gaat het in Nederland niet alleen om de islam. De PVV is een one issue party; een partij die vooral op één onderwerp inzet. Daar heb ik het niet zo niet op. De politiek moet zich met een heel breed terrein bezighouden.”

Misschien denken veel stemmers niet zoals de meeste politici? Extreme politici maken van een complexe zaak een eenvoudig probleem met een eenvoudige oplossing. Dat levert veel stemmen op.

,,Ik moet het schijnbaar toch nog beter uitleggen… Ik loop vier jaar keihard en dan vraag ik efkes één stem terug, dan ga ik weer vier jaar hard voor en met de burgers samen werken. En met plezier overigens; ik ben niet een man die de last van de hele wereld op zijn schouders draagt.”

(Dit artikel verscheen eerder in Hét WijkKrantje.)

Geen Reacties »

admin op 6 November 2009 in Politiek & Media