Henk Stultiens over het eeuwige gevecht tegen de verlaging

Fel het debat aangaan met Geert Wilders heeft geen enkele zin, zegt organisatiedeskundige Henk Stultiens uit Sittard. We praten met hem over statusbewegingen in het bedrijfsleven en in de politiek.

De verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. Henk Stultiens noemt dit interactiestatus en heeft hiervoor samen met zijn broer Luuk een wetenschappelijk model ontwikkeld. Daarmee wordt expliciet en bespreekbaar gemaakt wat impliciet en voelbaar is.

Volgens dit model, dat is uitgewerkt in ‘Het fenomeen status’ uit 2004, hebben mensen onderling altijd vier keuzen – of ze zich hiervan bewust zijn of niet; zichzelf verhogen, de ander verhogen, zichzelf verlagen of de ander verlagen.

Zijn basisvoorbeeld om deze abstracte termen toe te lichten, kunnen we allemaal navoelen uit onze schooltijd. Stultiens onderscheidt de strenge leraar (altijd hoog), het watje (altijd laag) en de ideale leraar (die kan ’schakelen’ afhankelijk van wat het beste resultaat oplevert).

Fusie KLM en Air France

Welk gedrag je kiest is afhankelijk van het moment en wordt beïnvloed door vorming, de aanleg, de cultuur en de socaal-economische en / of de functiegebonden status. Evolutionair bezien is de drijfveer van mensen volgens dit model om statusverlaging te voorkomen (eerder dachten de broers aan het bereiken van statusverhoging).

Op basis van hun model voorspelden Luuk en Henk Stultiens in 2004 dat de zogenoemde bootcamps voor jongeren averechts werken. De geschiedenis gaf hen gelijk.

In 1999 ging het eerste Nederlandse Glen Mills kamp open in Wezep. Onderzoek toonde in 2007 aan het niet succesvoller was dan andere, ‘zachtere’ vormen van jeugdhulpverlening. Glenn Mills sloot medio 2009, geplaagd door schandalen. De methode wordt in Nederland niet meer gebruikt.

Ook voor bedrijven heeft het model een toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld op het niveau van bedrijven en naties. Zo voorzagen de broers in hun boek dat de fusie tussen Air France en KLM, beklonken in september 2003, een moeilijk en langdurig proces zou worden; de nationale culturen en de bedrijfsculturen zijn te verschillend.

Ratten zijn niet echt

Een paar treden lager kan het concept interactiestatus ook veel verduidelijken. Bijvoorbeeld rattengedrag, zoals Joep Schrijvers dat in kaart heeft gebracht. ‘Ratten zijn bijzonder. Bijzonder doortrapt of misschien wel bijzonder goed aangepast. Het zijn mensen die verhogingen en verlagingen heel strategisch inzetten, maar doen voorkomen alsof dat niet zo is. Typisch voor een rat is dat de meeste statusverhogingen niet echt zijn en gebeuren op een andere plek dan waar ze thuishoren.’

Een medewerker die een rat is, verhoogt bijvoorbeeld mevrouw Janssen omdat hij zijn collega mevrouw Pietersen, die het compliment verdient, niet wil verhogen. Bijvoorbeeld om iets van mevrouw Janssen gedaan te krijgen.

Maar ook leiders kunnen ratten zijn: ‘In een bedrijf kreeg een medewerker in de jaarlijkse functioneringsgesprekken telkens complimenten. Wat bleek later: de leidinggevende had daarnaast een dossier aangelegd met kritiek en daar wist dat personeelslid niets van. Die leidinggevende was een rat.’

De reden voor dit achterbakse gedrag zou kunnen zijn dat de leidinggevende zich bedreigd voelde, vermoedt de Sittardse organisatiedokter, en statusverlaging in de toekomst wilde voorkomen. Andere varianten van rattengedrag zijn bijvoorbeeld het zich proberen toe te eigenen van successen van anderen en proberen mensen preventief eruit te werken.

‘Doe eens normaal man!’

In de politiek is het statusmodel eveneens toepasbaar, bijvoorbeeld op de beruchte doe-eens-normaal-confrontatie tussen VVD-premier Mark Rutte en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders.

‘Wat in die situatie gebeurde, is heel gecompliceerd’, zegt Henk Stultiens. ‘Wilders verlaagde Rutte, in lijn met de basisdynamiek van de PVV; anderverlaging. Daarna verlaagde Rutte terug met woorden, maar zijn houding en toon waren daarmee niet in overeenstemming. Het zijn overigens allebei “anderverlagers”, Rutte wat minder en Wilders wat meer.’

Uiteindelijk zei Geert Wilders dat hij het weer over de inhoud wilde hebben. Hij nam de regie terug of heeft hem nooit uit handen gegeven. Heeft Mark Rutte daarmee het onderspit gedolven?

‘Dat kun je zo niet zeggen. Er zijn heel veel zaken die een rol spelen. Het heeft onder meer te maken met de partijculturen, de interne partijpolitiek en natuurlijk de verhouding van de PVV als gedoogpartij tot het kabinet van VVD en CDA, waarvan Rutte vanuit zijn functie de baas is, en het feit dat Rutte over Wilders eigenlijk niets te zeggen heeft. Ook de persoonlijke relatie tussen Rutte en Wilders is van invloed.’

‘Ga niet vechten’

Wat had Mark Rutte moeten of kunnen doen?

‘We hebben vaak de neiging om de ander te vertellen wat hij moet doen. De ander pikt dat niet en voor je het weet ben je aan het vechten. Mijn advies: ga niet vechten. Anders gezegd: als je kiest voor (alleen) terugverlaging, kun je in een welles-nietes gevecht komen. Dat zag je nu gebeuren.

Wilders ging bij Rutte over een grens en dat had Rutte duidelijk aan kunnen geven. Het klinkt misschien raar, maar dat is een kleine zelfverlaging en die doet wonderen. Vervolgens had hij een keuze voor kunnen leggen: op deze manier wil ik het debat voeren, op die manier niet. De ander heeft een keuze en kan zich zonder gezichtsverlies terugtrekken. En dan consequent die grens handhaven – ziedaar: een leider.’

De ideale leraar als leider

Een ideale leider werkt situationeel en is “authentiek”, aldus Henk Stultiens. Hij of zij lijkt daarmee op leraar nummer drie. Of Mark Rutte zo’n leider is, valt moeilijk te beoordelen. Wel heeft de VVD’er schijnbaar bijgeleerd na het doe-eens-normaal-debat. Zo weigerde de premier later om het naar racisme neigende Polenmeldpunt van de PVV te veroordelen.

‘Ach, het is maar een website van één partij, laten we het niet groter maken dan het is’, was de boodschap. Mark Rutte nam daarmee een hogere positie in en verlaagde heel tactisch de PVV-website, niet de PVV of Geert Wilders – die hij hard nodig heeft.

De PVV gaat ondertussen gewoon door met anderverlagen, voorspelt Henk Stultiens. ‘Je kunt wachten op het volgende relletje. De vraag is alleen wie nu weer verlaagd gaat worden na de islamieten en de Oost-Europeanen.’

Gedrag moet congruent

PvdA-fractievoorzitter Job Cohen, in 2005 door Binnenlands Bestuur gekozen tot beste burgemeester van de laatste vijfentwintig jaar, heeft regelmatig met het PVV-schoolpleingedrag te maken gehad.

Cohen bleef in de Kamer tot op het laatst rustig en beleefd, ondanks herhaalde PVV-schofferingen. Hij liet zich niet meer verlagen zoals in het begin, maar slaagde er ook niet in of koos er niet voor om zichzelf te verhogen. Dat leverde hem veel kritiek op. ‘Bijt toch eens van je af’, zeiden veel PvdA’ers.

‘Maar’, zegt Henk Stultiens: ‘De vraag is of dat gedrag bij Job Cohen past. Niet iedereen kan alle communicatiestijlen (even goed) leren of in elke situatie toepassen. Als het niet jouw stijl is, val je uiteindelijk door de mand, ben je niet congruent en daardoor niet geloofwaardig.’

Op 20 februari 2012, vlak na dit interview, is Job Cohen opgestapt als fractievoorzitter van de PvdA. Hij komt niet meer terug in de Tweede Kamer.

Uitsluiting extremisten vrouwelijk

Communicatiestijlen kunnen meer vrouwelijk of mannelijk zijn. Henk Stultiens: ‘In de mannelijke stijl is jezelf verhogen en de ander verlagen wat dominanter aanwezig, in de vrouwelijk stijl jezelf verlagen en de ander verhogen.’

De communicatiestijl van Job Cohen is misschien meer vrouwelijk dan die van Geert Wilders en Mark Rutte, maar hierdoor eigenlijk typisch Nederlands; Nederland is volgens deskundigen een vrouwelijk land. Verklaart die zachtheid de neiging van de Tweede Kamer om, tot de tijd van Pim Fortuyn, het oude extreem-rechts met een cordon sanitaire aan te pakken, een uitsluitingsstrategie zoals vriendinnen die volgens u onderling toepassen?

‘Dat zou goed kunnen. In Duitsland is de cultuur weer anders. Daar zie je dus dat extreem-rechts altijd met geweld de kop wordt ingedrukt, waar dat in Nederland eerder wordt genegeerd.’

Het gelijk van Cohen

Als we het hebben over minderheden die als bedreigend worden ervaren: hoe zit het met de Marokkaanse jongens die in diverse steden op straat voor overlast zorgen; wat is de beste manier om met deze groepen om te gaan?

‘Deze jongeren, met name de Marokkaanse, zijn in een meer mannelijke cultuur opgevoed. Daarnaast hebben ze veel te maken met verlaging. Ze krijgen vaak verlaging op verlaging. Een repressieve aanpak werkt dan niet. Denk ook aan de bootcamps. Beter is om met deze jongeren het gesprek aan te gaan, ze een beetje te verhogen en jezelf een beetje te verlagen, maar wel duidelijke regels te stellen en daar altijd consequenties aan te verbinden.’

De combinatie van zacht en hard dus, die Job Cohen als burgemeester in Amsterdam voorstond, maar waarvan door de sneren van Geert Wilders vooral het ‘theedrinken’, de zachte aanpak, bij veel mensen is blijven hangen.

Een nationale ziekte

Sprekend over Amsterdam: uit onderzoek blijkt dat mensen, wereldwijd beschouwd, in Amsterdam het meest onvriendelijk zijn. Desondanks zien Nederlanders zichzelf vaak nog als vrij tolerant en wordt de Nederlandse cultuur gezien als vrouwelijk. Is de Nederlander schizofreen?

‘Wij doen in Nederland alsof er geen verschillen zijn. We zijn ons suf aan het tutoyeren; we zijn zo gelijk, eh gelijkwaardig. Er mogen ook geen verschillen zijn – denk aan het spreekwoordelijke maaiveld - maar ze zijn er wel. En dat levert spanningen op. Als de verschillen te groot worden, verzuren mensen, komen ze in verzet of doen ze niet meer mee.

In de Tour de France hebben ze daar overigens iets op bedacht. Als je dat zo ziet, zou je kunnen denken: er kan er maar één winnen, dus waarom doet de rest dan zoveel moeite? Nou, om de verlagingen kleiner te maken, hebben ze al die prijzen voor etappes, beklimmingen, afdalingen, de puntenklassementen en de beloningen voor dienstbaar gedrag. Zo heeft iedereen een grotere kans om wat te winnen.’

(Illustratie: Diablo)

Comments Off

admin op 16 March 2012 in Politiek & Media

AFM moet toezicht gaan houden op pandjeshuizen

Pandjeshuizen zijn in opkomst. In deze tijd waarin de scheiding tussen de have’s en de have nots gestaag toeneemt, in navolging van trendland de VS, zien veel mensen de pandjeshuizen als een uitkomst om ondanks formele obstakels toch snel aan geld te komen. Een ontwikkeling, die geleid zou moeten worden met heldere en actuele regelgeving. Daar ontbreekt het nu aan. De Autoriteit Financiële Markten zou hierin een actieve rol kunnen spelen.

Pandjeshuizen, pandhuizen en hieraan verwante Banken van Lening zijn al oud. In 1614 werd bijvoorbeeld in Amsterdam de Stadsbank van Lening opgericht, die nu nog steeds bestaat en opereert zonder winstoogmerk. Maar het fenomeen is van nog veel eerdere datum. Vaak wordt de oorsprong herleid tot de vroeg-middeleeuwse stadsbanken of tafels van lening van mensen uit Lombardije, lommerds, die vergunning kregen om tegen een onderpand leningen te verstrekken.

Deze praktijken, die begonnen in de dertiende eeuw, liepen op een gegeven moment helemaal uit de hand, zo lezen we op Wikipedia. Er is sprake van leningen met maar liefst 80 procent interest. De overheid grijpt dan in en beperkt de rente-ontwikkelingen. Ook komt het voor dat de lommerds verplicht worden de beleende goederen zonder tegenprestatie terug te geven. In die klaarblijkelijk roerige tijden konden de overheden zo extreme situaties (relletjes en volksopstanden) tegengaan én iets doen voor de armen.

In de vijftiende eeuw kwamen de overheden zelf in actie. Ze richten vanaf 1462 Stadsbanken van Lening op, mogelijk op grond van het idee dat gericht gedogen beter is dan een ongecontroleerde ontwikkeling die mogelijk veel ellende op langere termijn kan veroorzaken. Ook liefdadige instellingen deden mee - opnieuw werd het initiatief in Italië genomen - in hun geval met zogenoemde Bergen van Barmhartigheid. De paus gaf na enige aarzeling zijn fiat en dat leidde uiteindelijk tot het einde van de lommerds.

Het belenen van waardevolle goederen in ruil voor een lening is echter nooit gestopt. Het was een tijdlang een geaccepteerde handelswijze. Willem van Oranje bijvoorbeeld, heeft tijdens de 80-jarige oorlog eens in Antwerpen een zilveren servies beleend om snel aan geld te komen. Later kregen de stadsbanken en pandjeshuizen namen als de Stoep van Schaamte. Als je je zaakjes voor elkaar had, hoefde je alleen in noodgevallen naar ‘Ome Jan’.

In de economisch slechte tijden die volgden, floreerden de particuliere pandjeshuizen, die nog steeds naast de Stadsbanken van Lening bestonden, telkens weer. De rentes rezen in zulke periodes de pan uit. Eind negentiende eeuw werd er zelfs een speciaal comité en in 1906, als gevolg daarvan, zelfs een heuse Vereeniging tot Bestrijding van den Woeker opgericht. Het gevolg was de Pandhuiswet uit 1910, die nu nog steeds van kracht is.

In de periode van welvaartsgroei na de tweede wereldoorlog leken de pandjeshuizen opnieuw een stille dood te zijn gestorven, maar niets is minder waar. De golfbewegingen in de economie dicteren het komen en gaan van de pandjeshuizen en van andere, meer moderne kredietinstellingen. De laatste vijf tot tien jaar schieten Nederlandse pandjeshuizen als paddestoelen uit de grond. In Limburg zijn er diverse. Cijfers over het aantal Nederlandse pandjeshuizen ontbreken omdat veel pandjeshuizen geregistreerd staan als juweliers of zaken in tweedehandsspullen, aldus de NRC.

De klanten zijn vooral van allochtone afkomst, aldus de krant. Dan kan zijn doordat het taboe op belenen in sommige culturen minder groot is of niet bestaat. Een andere, wellicht meer plausibele reden, is dat onder ‘buitenlanders’ een relatief hogere armoede voorkomt. Andere bronnen stellen daarentegen dat veel van de klanten van pandjeshuizen uit middelhoge inkomensgroepen afkomstig zijn en dat de beleningen het gevolg zijn van te grote aankopen bij een uiteindelijk toch te klein budget. Een gevolg van de wijdverbreide kapitalistische koopziekte dus; het is nooit genoeg.

Soms krijgt de klant bij een pandjeshuis tegenwoordig 80 procent van de bepaalde waarde als lening mee, soms maar 50 procent. De te betalen rente kan oplopen van 10 tot soms 20 procent. Goederen die binnen een bepaalde termijn niet worden teruggehaald, worden verkocht. Het tonen van een identiteitsbewijs is vaak verplicht maar iedere verdere controle ontbreekt schijnbaar. Zowel wat betreft de waardebepalingen als de herkomst van de aangeboden spullen (denk aan het verzilveren van gestolen goederen).

De pandjeshuizen werken ook niet mee aan de BKR-regeling. ‘Ideaal’ dus, voor mensen die al bij diverse kredietverstrekkers bekend staan om hun schulden en ter zelfbescherming geen leningen meer mogen afsluiten. Het gevolg van de gebrekkige wetgeving is volgens de Kamerfracties van PvdA, SP en CDA dat er nu misbruik gemaakt wordt van een kwetsbare groep mensen. ,,Het is idioot dat mensen zich op deze manier financieel naar de vernieling kunnen helpen”, aldus PvdA-er Hans Spekman.

De enige vorm van controle is via de Pandhuiswet. Deze is van toepassing op zogenoemde ‘Banken van Leening’ die bij besluit van een gemeenteraad kan worden opgericht. Het toezicht [op pandjeshuizen] is dan ook aan B&W van een betreffende gemeente, aldus persvoorlichter van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Gezien de schijnbaar forse toename van het aantal pandjeshuizen en de grote onduidelijkheid omtrent de controle – het heeft er alle schijn van dat veel gemeentes hierin tekort schieten of zelfs niet bewust zijn van hun controlerende taak op grond van dit oude wetje - zou het goed zijn dat deze Pandjeswet wordt geactualiseerd, zoals PvdA, SP en CDA voorstellen.

Maar dat is niet genoeg. Er moet een een instantie zijn die centraal en dwingend toezicht uitoefent of hiervoor de richtlijnen (voor gemeentes) opstelt. Hiervoor is naar mijn mening een rol weggelegd voor de AFM. Die organisatie schrijft namelijk op de eigen website: ‘De AFM houdt toezicht op het gedrag van iedereen die actief is op de markt van sparen, lenen, beleggen en verzekeren.’ Maar niet op de pandjeshuizen en banken van lening, zo bevestigt de woordvoerder, hoewel de AFM hiervoor een zeer geschikte kandidaat zou zijn. Het is hoe dan ook goed om nu richtlijnen op te stellen en niet - zoals meerdere malen in een ver verleden - deze put te dempen als het kalf al verdronken is.

Geen Reacties »

admin op 12 October 2007 in Politiek & Media