Jacqueline & Roos over BDSM

Als klein meisje had Jacqueline (41) al fantasieën waarin ze mensen martelde op een zelf ontworpen tafel. Later komt ze in aanraking met de wereld van BDSM, waar ze ook haar huidige man ontmoet. Die onderwerpt zich maar al te graag aan haar sadistische neigingen.

Ze zou de buurvrouw kunnen zijn van wie je een kopje suiker leent. Maar ze is ook de dominant die haar man vernedert wanneer ze samen spelen, bijvoorbeeld door de as van haar sigaret in zijn mond af te tippen terwijl ze met een vriendin belt. Of door naar bed te gaan met een andere man, terwijl hij beneden op haar wacht.

Jacqueline heeft al sinds haar jeugd sadistische en dominante neigingen. “Ik ben opgegroeid bij mijn vader in Frankrijk. Ik had een vrij normale jeugd met vriendjes en hechte vriendschappen. Op de middelbare school was ik een van de populaire meiden.”

Maar ze leest ook Markies de Sade (achttiende-eeuwse Franse schrijver van pornografische literatuur, van wiens naam de term ‘sadomasochisme’ is afgeleid, red.) en heeft stiekem haar eigen sadistische fantasieën. Al op haar elfde.

“Ik fantaseerde meestal dat ik iemand ontvoerde, die ik vervolgens martelde. Daarvoor had ik een marteltuig bedacht, een soort tafel. Vrij middeleeuws. Ik vond het wel erg verontrustend. In die periode waren de Tweede Wereldoorlog en de concentratiekampen nog veel meer aanwezig in de gedachten van mensen dan nu. De enige sadisten die ik kende, waren beulen uit Auschwitz-achtige situaties en dat vond ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk dat mensen anderen zoiets konden aandoen.

Maar toch heb je fantasieën die die kant op gaan. Dan krijg je een soort tweestrijd. Ben ik nou eigenlijk een soort SS-beul of een seriemoordenaar? Tijdens mijn pubertijd vroeg ik me vaak af wat nou het verschil was tussen mij en dat soort mensen. Dat was erg verwarrend. Tegelijk heb ik me gelukkig nooit een slecht mens gevoeld. Zelfs toen niet.”

Als jongvolwassene doet Jacqueline niets met haar sadistische fantasieën. Ze blijft wel zoeken naar antwoorden. “Ik ontdekte eindelijk het grote verschil: zij hebben geen geweten en ik wel. Het gaat er niet om wat iemand een kick geeft, maar op welke manier je doet wat je doet. Dat gaf mij rust en ruimte.”

Op haar twintigste komt Jacqueline, intussen bevallen van haar eerste kind, naar Nederland. Ze heeft een relatie in Zeeuws-Vlaanderen en krijgt nog twee kinderen. Dan verhuist ze naar Brabant, waar ze een andere man leert kennen. In die tijd komt internet op en besluit ze iets te gaan doen met haar sadistische fantasieën. Via internetfora en bijeenkomsten voor BDSM’ers ontmoet ze gelijkgestemden.

Het was heel erg thuiskomen. Voor mij was het een opluchting om te ontdekken dat het niet allemaal freaks waren, maar leuke, aimabele mensen met gevoel voor humor. Ik ben weggegaan bij mijn ex en op mijn eerste BDSM-feest kwam ik mijn huidige man tegen. In 2001 zijn we getrouwd.

Eigenlijk is het best wel opmerkelijk dat we een relatie met elkaar aangingen. Mijn man begon als dominant. Toen ik hem tegenkwam, was hij op zoek naar alles wat ik níét was: een onderdanige, kinderloze vrouw. Hij was een anglofiel en viel op blond. Ik ben een halve Française met donker haar. Toch was het liefde op het eerste gezicht. Heel romantisch.”

Hun relatie begon zonder BDSM, vertelt Jacqueline. “Maar al snel gaf hij aan dat hij het wel leuk zou vinden ‘als er af en toe dingetjes met hem zouden gebeuren’. Na een tijdje was het: ‘Misschien ben ik wel een switch.’

In de BDSM-wereld is een switch iemand die kan wisselen tussen de dominante en de onderdanige rol. Zelf zou ik dat niet kunnen, maar ik vond het prima. Weer later was het: ‘Misschien ben ik wel een sub.’ Dat is een afkorting van submissive, de Engelse term voor ‘onderdanig’. En uiteindelijk was het: ‘Ik ben gewoon Jacquelines slaaf.’

Mijn man en ik hebben wat wij een DS-relatie noemen. Dat betekent dat ik in het dagelijkse leven de baas ben. Je zou het kunnen omschrijven als een soort huwelijk uit de jaren vijftig, maar dan met een omgekeerd rolpatroon.

Het heeft niet alleen te maken met seks, het is een integraal onderdeel van ons leven. Sommige zaken in onze relatie zijn ook vrij traditioneel. Zo ben ik degene die altijd kookt. Hij werkt, ik ben braaf thuis. Al doet hij meer in het huishouden dan ik. Dat is zijn dienstbare kant. Ik ben in onze relatie weer degene die de besluiten neemt. Belangrijke besluiten, zoals bijvoorbeeld over geld en vakanties. Maar ook kleinere besluiten. Bijvoorbeeld of hij een biertje mag drinken. Dat vinden we allebei fijn.

Soms doe ik hem pijn. Ik ben tenslotte een sadiste. Sadisme heeft voor mij te maken met seksualiteit. Het is een voorkeur op seksueel en relationeel gebied die bij me past. Het staat los van rolpatronen en mijn opvoeding.

Dat ik mezelf een sadiste noem, betekent niet dat ik altijd en overal iedereen pijn wil doen. Ik vind het afschuwelijk als ik bijvoorbeeld iemand per ongeluk aanstoot bij de bushalte. Alleen onder de juiste omstandigheden vind ik het heel leuk om mensen pijn te doen. Belangrijk is dat de ander er ook een bepaald plezier aan beleeft. Dat het iemand is die ik graag mag en dat er wederzijdse instemming is. Als mijn man, al is hij mijn sub, hier niet mee zou instemmen, is er sprake van mishandeling. En dat is gewoon verkeerd.

Dat ik iemand graag mag, is heel belangrijk. Pijn op zich is niet het belangrijkst, het is een vorm om liefde te tonen. Als ik iemand pijn doe, binnen de BDSM-context, is dat een heel intiem, waardevol en liefdevol iets. Je doet het voor elkaars plezier, om intimiteit te beleven en om samen wat op te bouwen. Het is iets moois. Samen iets delen met een partner, samen iets beleven.

Buiten onze relatie gedraag ik me op een ‘normale’ manier. Ik heb niet het gevoel dat ik moet proberen om iedereen te overheersen. Dat ik de dominant van mijn man ben, betekent nog niet dat ik de dominant van iederéén ben. Op mijn werk, als commercieel medewerker binnendienst, kon ik heel meegaand zijn. Daar moest ik klanten zo goed mogelijk van dienst zijn. En als ik op een feestje een andere sub tegenkom, ben ik ook niet meteen de dominant van die sub.

Mijn man en ik zijn allebei blij met de relatievorm die we hebben gekozen, maar het is soms ook moeilijk. Een relatie is sowieso al ingewikkeld en zeker een relatie zoals de onze, in een maatschappij waarin partners over alle belangrijke besluiten zouden moeten onderhandelen. Bij ons is het anders, maar toch wil je de ander steunen en laten groeien zodat die zichzelf kan zijn. Dus je bent de hele tijd een weg aan het zoeken.

Het ene moment denk je: hoe creëer je een relatie waarin één persoon veel macht heeft? Op een ander moment denk je: dat is te ver doorgevoerd. Dan ga je weer een beetje terug. Je geeft samen vorm en inhoud aan een relatie waarin je je allebei gelukkig voelt. Ik denk eigenlijk dat wij een vrij normale relatie hebben, als je alles bij elkaar optelt.”

Roos (29) is lerares op een basisschool. Iemand die de touwtjes stevig in handen heeft. Thuis heeft ze echter een meester die haar de les voorschrijft. En soms gebeurt dat met harde hand. Roos vindt het heerlijk!

Ze voelt de ogen in haar rug prikken. Gesprekken vallen stil als ze binnenkomt of er wordt stiekem wat lacherig gedaan. Roos en haar vriend Tim hebben een zogenoemde DS-relatie, waarbij DS een afkorting is van het Engelse dominance-submission. Zij is onderdanig, hij dominant. Dat maakt haar ‘raar’ in het dorp waar ze woont: een gehucht waar iedereen elkaar kent en nieuwkomers vorsend worden aangestaard vanachter glanzende ruiten.

“Het is hier heel conservatief, ouderwets en bekrompen”, vertelt Roos. “Je moet hier vooral niet opvallen. Gewoon netjes elke week je gras maaien, je tuintje schoffelen en de ramen netjes zemen.”

Veel mensen in het dorp hebben volgens Roos een ‘Jambers’-beeld van BDSM: “Donkere kelders, veel leer en veel slaan, het liefst tot bloedens toe. En het is vooral niet leuk. SM is veel pijn, angst en narigheid.” De werkelijkheid is veel genuanceerder, maar die eerste indruk blijft bij veel mensen hangen. Ook bij haar vader.

“Op een dag belde hij me woedend op. Hij zei dat hij wel wist wat ik in het weekend allemaal uitspookte. Dat hij zich doodschaamde voor mij. Dat mijn moeder zich zou omdraaien in haar graf en dat het maar eens afgelopen moest zijn met die achterlijkheid. Dat ik een nette vrouw moest worden.

Als hij nu bezorgd was geweest om mij, of boos op Tim, dan had ik het nog begrepen. Wel lief gevonden misschien. Maar hij was bang dat wij er last van zouden krijgen en dat onze dochter er later mee gepest zou worden. Hij was boos omdat we hem dit aandeden.”

Het stel wilde eerst vertrekken naar de Randstad, waar Tim een appartement had, maar uiteindelijk werd het uitgepraat met Roos’ vader en is Tim bij haar ingetrokken.

“Tim heeft hem de waarheid gezegd: ‘Als je je kleinkind wilt leren kennen, dan ben je van harte welkom, maar dit zijn wij. Accepteer het of niet. Het is heel simpel.’ Mijn vader heeft later z’n excuses aangeboden, maar het contact blijft moeizaam.”

Roos had haar eerste ervaringen met BDSM in haar jeugd. “Van mijn zeventiende tot mijn negentiende had ik een relatie met een jongen. We probeerden heel veel uit in bed. Ik merkte dat ik opgewonden raakte wanneer hij me overheerste, als ik hem de touwtjes in handen gaf. Ik genoot ervan om niet te weten wat er ging gebeuren. Jaren later, in 2006, kwam ik op internet op een BDSM-site terecht en dat voelde meteen als thuiskomen.

Het ter beschikking stellen van mijn lichaam geeft me een enorme kick. Ik ben zeker geen slavin of onderdanig persoon in het dagelijkse leven en ook gelijkwaardige seks vind ik leuk. Maar in de handen van de juiste man, die op dezelfde manier omgaat met BDSM als ik, kan ik een onderdanig sletje zijn. Maar als je denkt dat ik me moet gedragen als een soort lager wezen dat elk bevel klakkeloos opvolgt, dan heb je het mis. Dan tref je de überbitch in mij.”

Op de basisschool was Roos een dominant type. “Ik was een kattenkop, wilde graag m’n zin krijgen. Ik kon goed leren en had veel speelkameraadjes. Echte vrienden kreeg ik pas later, toen ik lid werd van een jeugdvereniging, een soort scouting. Stoer en gezellig, maar ook heel gedisciplineerd.”

Na de middelbare school ging ze naar de pabo. “In een dorpje in de buurt heb ik zes jaar groep zeven gedaan. Heel veel geleerd. Ontzettend op m’n bek gegaan in het begin. Ik heb zware jaren gehad. Heel moeilijk publiek. Ouders die het moeilijk vonden om de fouten van hun kinderen te zien. En het was geen veilig team. Je werd niet gedragen door de leiding.

Op een gegeven moment heb ik hulp gevraagd. Ik kreeg die groep gewoon niet onder de duim. Daar is niets mee gebeurd en twee jaar later zat ik thuis met een burn-out. Tim en ik hadden toen net een relatie, ik was onverwacht zwanger en het groeide me allemaal boven het hoofd. Toen heeft Tim me ziek gemeld. Ik ben tot de bevalling thuisgebleven. Sinds begin vorig jaar sta ik weer voor de klas op een andere school. Ik werk met plezier vier dagen in de week en heb nu veel meer mogelijkheden om door te groeien.”

In hun vrije tijd gaan Roos en Tim veel uit in het BDSM-wereldje. “Dat vormt een groot deel van ons sociale leven. Met mijn oude ‘vanille’-vrienden (seks waarbij BDSM geen rol speelt en mensen die niet actief zijn in BDSM worden vaak met de term ‘vanille’ aangeduid, red.) ga ik bijna niet meer om. Dat komt ook omdat ik een kind heb en zij niet. Dan heb je een ander leven.”

Tijdens die BDSM-bijeenkomsten wordt er normale kleding gedragen. “Het is echt niet zo dat iedereen naakt is en in elkaar gemept wordt. Het is gewoon gezellig. Spelletjes doen en wat drinken en praten. Je kunt er jezelf zijn. Als we samen met andere stellen met een DS-relatie zijn, vinden wij het niet raar als een vrouw aan haar partner vraagt of ze buiten een sigaret mag gaan roken of naar de wc mag. Dat kunnen afspraken zijn tussen mensen.

Wanneer iemand het lekker vindt om even bij z’n dominant op de grond of op schoot te zitten, wordt dat als normaal gezien. Dat doe je niet zo snel bij vanillevrienden. In de BDSM-wereld is het één grote knuffel-hippiezooi, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Vorige week hadden we een van de meest epische bijeenkomsten in tijden. We hebben stoofpotten gegeten. Het was een wedstrijdje ‘wie maakt de lekkerste stoofpot’ en dat met allemaal kinksters.

Daarnaast zijn er de speelfeestjes. Op zulke feestjes neem je je eigen spullen mee, zoals zwepen, dildo’s, riemen, vibrators en touwen. Meestal is er een cafégedeelte en daarnaast zijn er speelkamers met attributen die je kunt gebruiken.

Op die feesten wordt niet veel gesekst. Je ziet wat orale en manuele seks, weinig echte seks. Zelf vind ik het leuk om op feesten eens met een andreaskruis of een bondagebok te spelen, omdat we die thuis niet hebben. Dat zijn houten installaties waaraan een sub wordt vastgemaakt om seksueel te worden misbruikt en anderszins te worden vernederd.

Er zijn twee soorten feesten. Op een ‘level één’-feest speelt een dominant alleen met z’n eigen sub. Niemand zal dan ongevraagd aan je zitten of zich met je spel bemoeien. Dat gaat in tegen de etiquette. Op een ‘level twee’-feest kan het zo zijn dat je als sub met alle dominanten moet spelen, ook met mensen met wie je dat eigenlijk liever niet zou doen.

De avond voor zo’n ‘level twee’-feest zegt Tim bijvoorbeeld tegen me: ‘Ik wil dat je me trots maakt.’ Dat probeer ik dan te doen. Als op zo’n feest een dominant wil dat ik voor hem op de knieën ga, doe ik dat voor Tim. Omdat hij dat wil. Hij is mijn meester.

Mijn kick is afhankelijk van de mate waarin ik de macht over mijn lichaam overdraag. Tim kan ook de macht over mijn geest krijgen, maar daar moet hij meer moeite voor doen. Hij moet dan proberen om in mijn hoofd te gaan zitten. Dat kan met pijn, maar ook door wekenlang hints te geven over wat hij met me gaat doen. Ik denk dan: ik wil het niet, het mag niet, het kan niet, het is niet netjes. Maar het is ook heel opwindend. Ik wil het stiekem tóch.”

Roos, die sinds kort haar dominante gevoelens verkent, voelt zich helemaal thuis in de beslotenheid van de BDSM-wereld. Mede doordat vrouwen elkaar niet als concurrenten behandelen, zoals in de vanillewereld.

En het is heel veilig. Op een gemiddeld BDSM-feest voel ik me veel meer op m’n gemak dan op een vanillefeest. Het is openbaar en er lopen spelleiders rond. Verder is het een ongeschreven regel dat je niet drinkt als er nog gespeeld moet worden.

Bovenal is het een warme, hechte gemeenschap. De vriendschappen zijn er vaak intiemer en dieper. Je praat over hoe je je seksualiteit beleeft en hoe je je voelt. Soms bespreek je zelfs je fantasieën. Dat schept een band. En we helpen elkaar, bijvoorbeeld met verhuizen.

Zeker, op internet wordt heel wat gediscussieerd. Een aantal mensen vindt zichzelf geweldig en blaast hoog van de toren. Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat. Een dominant mag dit niet en een sub moet dat, enzovoorts. Ach, wat dat betreft is het net een dorp!”

Deze artikelen verschenen begin 2013 als BDSM-special in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 17 June 2013 in Ongewoon & Anders

De wonderbaarlijke geschiedenis van Vrijdag

Ik heb yoga nooit goed begrepen. In mijn studententijd oefende ik asana’s uit een herdrukt boekje uit de jaren zestig. Hetzelfde heldere boekje waarvan mijn vader ooit het origineel gebruikte. Het ging niet slecht, maar ik miste het overzicht. En het inzicht misschien. En begeleiding. Las was ik kon vinden, ook over de diverse vormen van yoga, zoals jnana yoga (dat mij toen erg aansprak), en bestudeerde zelfs Patanjali. Het mocht niet veel baten.

Als ik later iets van yoga zag, bleek het bijna altijd veredelde gymnastiek voor senioren, zwangeren en kinderen. Met een beetje meditatie en, recentelijk, wat beweging om het aantrekkelijker te maken. Ik haakte geleidelijk af. Wilde meer dan een gezond lichaam. De diepte in. Een boek als ‘Over de werking van Yoga – Een verhaal van wijsheid’ van Geshe Michael Roach en Christie McNally bestond toen helaas nog niet (Uitgeverij Petiet, 2010, 22,5 euro).

Het verhaal van deze educatieve vertelling begint wat houterig; ‘Derde week van februari, Jaar van de Ijzeren Slang (1101 na Christus). Plaats van handeling: een van die vele stoffige Indiase stadjes’. Maar na een paar pagina’s komt er vaart in, vergeet je de anachronismen en val je voor de avonturen van Vrijdag, haar hondje Leef-Lang, de Kapitein en de andere hoofdpersonen.

Vrijdag is een Tibetaans meisje dat met haar hondje vanuit haar thuisland op weg is naar Varanasi. Bij een grenspost wordt ze aangehouden op verdenking van diefstal. Ze heeft een handgeschreven versie bij zich van ‘Het korte boek’ van de meester, gekregen van haar leraar, Katrin. Zo jong en zonder man op pad en dan ook nog zo gestudeerd zijn? Dat kan niet. Ze moet het boek wel hebben gestolen. En dus gaat ze de cel in bij de Kapitein en zijn mannen.

Vrijdag gaat de Kapitein yoga leren. Dit duo volgen we in hun dagelijkse lessen, waarbij vooral de diepere betekenis van yoga aan bod komt. Maar zonder dat het vervelend en belerend wordt. Sterker nog, je wordt als het ware verleid tot de denk- en belevingswereld die schuilgaat achter de ‘gymnastiek’ (hatha yoga) die velen vaak met yoga in verband brengen. Een wereld met meerdere dimensies en waar in de hemelse toestand ook engelen voorkomen.

Zonder onuitspreekbare (Sanskriet) begrippen krijgen we in dit speelse verhaal uitleg over het zon- en het maankanaal, respectievelijk rechts en links van het middenkanaal dat langs de ruggengraat loopt. Door het zonnekanaal gaan gedachten over ervaringen en door het maankanaal gedachten over het denken (over ervaringen). Door het middenkanaal gaan begripvolle gedachten over bijvoorbeeld zuiverheid, goedheid, vrede en wijsheid.

Onder meer door lichaamsoefeningen kan worden gezorgd dat het middenkanaal meer wordt geactiveerd ten kosten van het zon- en maan-kanaal. Zo bevorderen oefeningen goede gedachten of winden (en lichamelijk herstel). Een andere methode is van binnenuit, door visualisatie gericht op het helpen van de ander (nemen en geven). Dat werkt bijvoorbeeld door de pijn van een ander op te nemen en zo het eigen egoïsme te laten verdwijnen als het tenminste gebeurt vanuit onbaatzuchtig mededogen. Op de bamboe slaan of hem van binnenuit schoonmaken, heet dat heel simpel.

De problemen beginnen met de slechte zaadjes (gedachtekrachten) die steeds worden geplant en vervolgens geactiveerd door gebeurtenissen (in ons), als we niet oplettend zijn. Maar let op: dingen zijn niet zichzelf, hun aard en functie wordt door ons bepaald. Het activeren van negativiteit gebeurt via negatieve zaadjes die eerder in onszelf zijn geplant. Gebeurtenissen die zorgen voor negatieve zaadjes zijn begeerte, haat of ‘duistere onwetendheid’. Vaak gebaseerd op domme voorkeuren, domme afkeuren en onbegrip van de werking daarvan.

Het is daarom zaak, zo leert Vrijdag in navolging van Patanjali, om de goede zaadjes bij te houden door te tuinieren, anderen geen schade te berokkenen en anderen ervan te weerhouden om negatieve dingen te doen. Dat laatste moet met liefdevolle vriendelijkheid om te voorkomen dat een ander zijn negatieve gedachtenzaadjes weer laat groeien. Bij jezelf plant je zo goede zaadjes. De oogst van de goede zaadjes, bijvoorbeeld een gezond lichaam door hatha yoga, moet je benutten zodat anderen een vergelijkbare oogst kunnen ervaren. Daardoor worden de oogsten steeds beter en verander je langzaam in een lichtwezen.

U merkt, dit boek vind ik geweldig. Het liefst zou ik pagina’s lang aanhalen, vooral omdat het bovenstaande geen recht doet aan de heldere en eenvoudige schrijfstijl en de concrete en voor iedereen begrijpelijke voorbeelden. Het boek van Roach en McNally is een beetje vergelijkbaar met ‘De Celestijnse Belofte’ en nog meer met het qua inhoud meer verdiepende en ook beter geschreven boek ‘De wereld van Sofie‘. Het is gebaseerd op de yogasoetra’s van Patanjali en maakt deze begrijpelijk voor iedereen aan de hand van een heerlijke vertelling.

Waar de twee genoemde boeken een doorslaand succes waren, vrees ik voor het succes van ‘Over de werking van Yoga’. Het boek heeft namelijk helemaal de verkeerde titel. En dat is ongelooflijk jammer. Want dit boek zou gelezen kunnen worden door iedereen, zeg vanaf twaalf jaar, met interesse in yoga. Maar ook door middelbare scholieren die zich bezighouden met levensbeschouwing of niet-westerse filosofie.

Het boek zou kunnen heten: ‘De wonderbaarlijke geschiedenis van Vrijdag – Een inspirerende yogavertelling gebaseerd op de leringen van Patanjali’. Of ‘ Waarom de koe de pen niet opat – Een verrukkelijk verhaal over de essentie van yoga’. Het maakt niet zoveel uit, als het maar prikkelt.

Als Jostein Gaardner zijn boek ‘Over de achtergronden van de westerse filosofie’ had genoemd, had waarschijnlijk niemand het gelezen. Nu kent iedereen ‘De wereld van Sofie’. Hetzelfde geldt voor het boek van James Redfield. ‘Over de energetische uitwisseling tussen mensen’ had ook niet gezorgd voor rijen bij de kassa. En waren er ook niet zoveel mensen een beetje door geholpen, zoals met ‘Over de werking van Yoga’ nog veel meer het geval zou kunnen zijn. Want dat is waar het uiteindelijk om draait bij yoga, aldus Vrijdag: ‘Het grootste wonder van dit alles is dat ieder van ons de enige redder moet worden van iedere wereld die er maar bestaat’.

Comments Off

admin op 19 August 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Het nieuwe leren en de PVC-methode

Sinds een aantal maanden ben ik parttime leraar en dat is even wennen. Sterker nog, het is een wereld apart. Mijn school is er eentje waar met een inspirerende visie op het bevorderen van de groei van leerlingen vraaggestuurd onderwijs wordt gegeven en het gebruik van computers belangrijk is.

Als onbevoegde bijwerker valt me na een tijdje wel al een aantal zaken op. Zo leidt puur vraaggestuurd onderwijs, bij onvoldoende sturing, tot oneindig gamen, klieren en kleuren. Er werd onlangs zelfs een keuzevak PS3 gegeven. Ik kan me wel voorstellen dat zoiets zinnig is, maar het is gewoon even wennen.

Als beginnend leraar viel mijn oog in dit verband onlangs op een heel aardig boek, dat eind vorig jaar is uitgekomen bij Aspekt: ‘Het nieuwe leren van de keizer’. Volgens professor Bob Smalhout, die het voorwoord verzorgde, heeft J. Jeronimoon (een pseudoniem) hiermee de Duivelsverzen van het onderwijs geschreven. Die heb ik nooit gelezen, maar dat zal voor een moslim wel net zo zijn als het lezen van Jan Wolkers in de pubertijd, als je protestants bent opgevoed.

Jeronimoon, dat doet me denken aan ‘meester’ Jeroen of Jheronimus Bosch, de schilder die in zijn werken via een carnavaleske optocht van gestoorde mensdieren eigenschappen in beeld bracht waar de gegoede burgerij in zijn vijftiende eeuw op neerkeek. Zoals kwaadaardigheid, dwaasheid, losbandigheid, goedgelovigheid, luiheid en bedelarij. Ook haalde hij uit naar de heersende klasse van die tijd, de adel, een constante bedreiging voor de burgerij (Bron: Wikipedia).

En zo gek is die vergelijking niet. Als je het boek leest, een verzameling van het web getrokken columns waar de spel- en typefouten soms nog inzitten, krijg je inderdaad een beeld van een dierentuin, geleid door graaierige en volgzame directies en managers (de nieuwe adel van het onderwijs) die ‘het vernielende leren’ hartstochtelijk belijden en ondertussen het onderwijs naar de afgrond voeren. Vooral door compententiegericht te leren (’compententiegericht punniken, competentiegericht wijnproeven, compententiegericht gras drogen’), alles af te stemmen op ‘leuk’ (anders is het ’saai’) en langdurige en onvergoede stages van leerlingen te ontwikkelen waar alleen het bedrijfsleven garen bij spint.

De man of vrouw op de werkvloer, nu coach, vroeger leraar geheten, zou er niet meer toe doen. Net als het opdoen van kennis; die is immers heel veranderlijk en altijd online te vinden. Leerlingen hoeven alleen maar te weten waar ze iets kunnen vinden en klaar is Kees. Of Khalid. Natuurlijk is dat onzinnig, want zonder een basis van kennis kunnen mensen nieuwe informatie niet goed wegen en selecteren omdat een betekenisvolle context ontbreekt. (Je kunt iemand leren autorijden, maar als hij de verkeersregels niet kent, is dat vragen om problemen). Bovendien moet je natuurlijk niet alles geloven wat je bij de slager hoort of op het web leest.

Het resultaat van deze visie op onderwijs, volgens de schrijver, is dat leerlingen tijdens de traditionele examens door de mand vallen: ‘De tafels stonden netjes gerangschikt volgens de voorschriften. (…) De examinandi waren al verbaasd over het moeten inleveren van telefoon, I-pod, mp3-speler en alle andere gadgets. De verbazing steeg ten top toen er werd medegedeeld dat iedereen voor de duur van het examen netjes aan zijn eigen tafel moest blijven zitten. Het was deze keer de bedoeling dat er niet werd samengewerkt. Ook mocht men niet aan de buurman vragen wat de oplossingen waren en op straffe van een nul, werd zelfs het overschrijven van een ander verboden. Het maken van “eilandjes” om met elkaar te overleggen was uit den boze en ten strengste verboden. Dat waren ze niet gewend, de multi-taskende Einsteins’ – een fijne sneer naar het boek ‘Generatie Einstein‘.

Naarmate de columns actueler worden, scherpt de schrijver zijn pen en laat hij in steeds vileinere bewoordingen zijn mening weten; elke dag gehaktdag. En met de nodige humor. Regelmatig heb ik hard moeten lachen, zoals eerder om Youp van het Hek, als hij in de jaren negentig de knutselende en frutselende managers op de hei op de korrel nam. Humor relativeert en verzacht de pijn, dat is bekend.

De schrijver veegt de vloer aan met alle sprituele inbreng in het onderwijs, net als met alle vormen van professionele (zelf)reflectie. Jammer, want - een deel - van de genoemde zaken zou een waardevolle aanvulling kunnen zijn - als de rest van het onderwijs maar zou werken. Het onderwijs dat hij beschrijft, wel te verstaan. Ik heb het gelukkig niet over mijn school, maar de school waar hij lesgeeft en in de MR zit. Onze schrijver is een ouderwetse lesboer, voor hem een geuzentitel voor een leraar in hart en nieren, die van al dit soort nieuwlichterijen niets moet hebben. Met name omdat ze volgens hem vaak het gevolg zijn van bezuinigingen, besparingen en het streven om de bureaucratie te vergroten, en - belangrijker nog - de leerling uiteindelijk niet ten goede komen.

Hilarisch in elk geval, is zijn confrontatie in de meeluisterende lerarenkamer, herstel koffieruimte, met de mevrouw van de 360 graden feedback. Hij vult deze spiegeltest in en wat blijkt: hij heeft inzicht en is daarnaast ‘de intelligentste, de beste, de sympathiekste, de meest ondernemende, de meest spirituele en de energiekste, maar ook nog behept met uitzonderlijke eigenschappen zoals daar zijn tact, empathie, geduld, positief ingesteld, inspirerend, loyaal, extravert, eerlijk, gevoel voor humor, spontaan, origineel en kunstzinnig’.

De vrouw ontploft. Hij maakte alles belachelijk, dat kon zomaar niet! Hoe heeft ze de test dan samengesteld? ‘Ze beweerde iets in de zin van “binnen het concept van de zelfreflectie staat elke score op zichzelf en staat voor een overeenkomstig energetisch potentieel, als een grondpatroon dat werkzaam is op de verschillende niveaus van het bestaan.” Jheronimus, bekwaam met onderzoekstechnieken, veegt vervolgens de vloer met haar aan via kritische vragen over het wetenschappelijk gehalte van haar test. ‘Ze had me de rug toegedraaid en zag alle collega’s minzaam glimlachen. Woedend beende ze de koffiekamer uit en sloot zich op in de toiletten. De enige plaats waar deze vragenlijstjes horen.’

Daarnaast moeten de nieuwe managers, de nieuwe adelen, het veelvuldig ontgelden. In de ogen van Jheronimus vaak mensen met minimale onderwijservaring, vaak niet gehinderd door management-ervaring en veelal verblind door hun streven naar een eigen parkeerplaats en een hoger inkomen. ‘De manier waarop zij het compententiegericht onderwijs adoreren, aanbidden, propageren en toepassen bezorgt mij rode bulten en varissen (spataderen, JdW), ik ben allergisch voor welke vorm van fundamentalisme ook. (…) Zij zijn het die onze leerlingen en studenten bewieroken, op het paard tillen, fantastisch vinden en heel competent als diezelfde leerling of student tijdens een presentatie of prestatie niet verder komt dan het uitstoten van lucht, wel of niet gebakken.’

Ook komisch is zijn beschrijving van het feedbacken, op de beschreven school blijkbaar een voornaam onderdeel van de liturgie van het nieuwe leren. Aan het eind van de dag vindt iedereen het wel goed, zijn de onderlinge oordelen mild, maar op maandagochtend gaan leerlingen elkaar al feedbackend afslachten, meer in reactie op persoonlijke verhoudingen dan op de te beoordelen inspanning. ‘De jonge dame die in het weekend een blauwtje heeft gelopen bij de stoere macho uit dezelfde klas neemt tijdens het feedbacken haar zoete wraak. Ze fikt de presentatie en de stoere macho verbaal tot op zijn veters af en de met gif gevulde woordenstroom stopt met de magische uitspraak “en dit was mijn feedback”. Haar vriendinnetjes, allen in de afgelopen weken afgewezen of bedrogen door de stoere macho, doen daar nog een schepje bovenop zodat het lijdend voorwerp zich de eerste weken geen illusie moet maken omtrent een nieuwe verovering.’

Hij spreekt verder over de ‘debilisering van het vmbo’ en het afzakken van het mbo; de vakkennis is zwaar onder de maat zodat het bedrijfsleven wanhopig steeds hoger (lager) opgeleide mensen inzet en de mensen op de onderste onderwijstrede de dupe zijn en ook nog moeten concurreren met vakmensen uit bijvoorbeeld Oost-Europa. ‘Als ze dan toch nog onverwacht werkeloos worden, doordat de economie inzakt of een Hongaarse, Bulgaarse, Letse, Poolse of Duitse werkkracht goedkoper is en meer vakkennis heeft dan een certificaat samenwerken, googlen, vergaderen, reflecteren, feedbacken en lullen-uit-de-nek, is de boot aan.’

Van Dale, die dikke, speelt in op het gekelderde onderwijsniveau (overigens ook te zien in het hoger onderwijs; er zijn genoeg collega universitaire masters die nog ‘pupils’ zijn in mijn ogen) met de introductie van een dun woordenboekje in stripvorm (zoals de Luchtmobiele Brigade jaren geleden al instructie is gaan geven met strips, omdat die rottige lange teksten te moeilijk waren). Jheronimus: ‘Had Einstein ook zo’n plaatjesboek? En Van het Reve, Gezelle, Elsschot, Bomans?’

De verontwaardiging van de schrijver komt voort uit z’n passie en betrokkenheid. Het onderwijs dondert in elkaar en iedereen staat erbij en kijkt er niet eens naar – dat idee. Zou het zo’n vaart lopen? Ik hoop het niet. Anders gaan we van een samenleving met merendeels burgers, weer naar een samenleving met minder lagen: adelen en boeren/buitenlui. Ook al wonen ze dan nu vrijwel allemaal in de steden.

Tot slot nog een relativerende anekdote: Een docent techniek, ook een zij-instromer, bij wie ik eens op bezoek was om me te verdiepen in het lesgeven, gaf me een goede tip. Hij ze: ‘Ik werk volgens de PVC-methode, dat werkt heel goed.’ Ik reageerde met een glazige blik – weet ik veel welke pedagogisch-didactische methode dat nu weer is? Hij glimlachte en haalde een korte plastic buis vanachter z’n rug te voorschijn. De boodschap: hij staat niet voor geweld - dat was een grapje - maar voor ouderwets, gedegen onderwijs zoals dat tien, vijftien jaar geleden nog bestond. Af en toe een plagend tikje, af en toe een aai over de bol of een grapje en de inhoud is waar het om draait. De leerlingen staan in de rij om bij hem techniek te mogen leren.

Comments Off

admin op 22 March 2009 in Boek & Meer, Politiek & Media