Erwin Dorst, van de schaduwen in de spotlights

Erwin Dorst, de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid, woont in Sittard. Ik sprak met hem over zijn nieuwe baan, zijn leven bij de special forces en over z’n werk op Schiphol. “Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder.”

Een heel correcte man die zijn kinderen van school haalt, die je vriendelijk gedag zegt en die soms in de supermarkt voor je in de rij staat met een mandje boodschappen. Elk jaar gaat hij een aantal weken met vakantie naar het buitenland, verder niets bijzonders. Dat is hoe de mensen in de buurt hem zouden beschrijven op alle plaatsen waar hij de afgelopen jaren heeft gewoond.

Voor z’n werk zit Erwin Dorst (37) ondertussen als peletonscommandant van de mariniers in conflictgebieden als Bosnië (2002) en Irak (2003), zorgt bij de marechaussee (KMar) voor de beveiliging van de ambassadeur in Libanon (2006) en schaduwt en arresteert in Nederland zware criminelen (2006-2010). Vervolgens is hij medeverantwoordelijk voor de beveiliging van Schiphol (2010-2012).

De afgelopen jaren leefde hij ‘in de schaduwen’. Een interview afgeven en op de foto gaan is dan ook even wennen. Maar goed, het hoort bij zijn nieuwe baan; vanaf november 2012 is hij de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid.

Zijn nieuwe functie biedt diverse uitdagingen, mede gezien de recente discussies over het verdelen van taken tussen politie, leger en marechaussee om efficiënt werken te bevorderen. En dan is er nog de Limburgse politiek met een eigen agenda, bijvoorbeeld in verband met de drugsoverlast in Maastricht. Maar eerst spreken we over zijn verleden – voor zover hij daarover mag praten.

Na tien maanden als peletonscommandant van de mariniers in Doorn, vertrekt Erwin Dorst in 2001 voor een jaar naar Curaçao. Terug in Doorn, intussen opgeklommen tot eerste luitenant, volgt uitzending naar Bosnië en Irak. Vervolgens wordt hij plaatsvervangend hoofd inlichtingen van het eerste mariniersbataljon in Doorn.

Tussen de opdrachten door, volgt hij de ene na de andere cursus en opleiding. Bijzonder was zijn jungle-training in 2004. “Dat was de tijd waarin Nederland bijna geen jungle-trainingen in Suriname deed, omdat dat tot spanningen zou kunnen leiden. Het verhaal ging dat bij het Surinaamse bewind de vrees bestond dat wij de heer Bouterse zouden komen ophalen.” (Desi Bouterse is in 2000 in Nederland bij verstek veroordeeld tot elf jaar wegens cocaïnesmokkel.)

Met een andere marinier komt Erwin Dorst daarom terecht in kamp Szuts in Frans-Guyana, bij het Vreemdelingenlegioen. “Legionairs stellen weinig vragen, doen wat opgedragen wordt. Het was een officiersopleiding, toch deden de militairen van het Legioen exact wat de commandant zei. Dat irriteerde me een beetje. Nederlandse officieren worden ook betaald om na te denken. Toch heb ik heel prettig met ze gewerkt. Het zijn heel professionele militairen.

De legionairs die ik ontmoette, kwamen veelal uit oorlogsgebieden, bijvoorbeeld uit voormalig Joegoslavië. In eigen land hebben ze gevochten, daar is de strijd over. Misschien hebben ze er iets opgebouwd of er een tic gekregen, en dan kiezen ze voor het Legioen, schijnbaar om hun leven als strijder voort te zetten.

De jungle-training was mooi, maar vreselijk zwaar. Niet zoals in de films. Anders gezegd: in de jungle, daar horen wij niet thuis. Het is een beetje als klimmen boven de zevenduizend meter; je gaat dood, maar als je goed voor jezelf zorgt, kun je dat proces enigszins vertragen.”

Hij leefde twee maanden ‘in het bos’, werd ’s nachts door een naburige kolonie brulapen uit z’n slaap gehouden en stond oog-in-oog met gifkikkers, gifslangen en spinnen. Tijdens een week survival lag hij ’s nachts uren stil op de grond. “Dan weet je dat er van alles over je heen kruipt. Dat doet wel iets met je.” Toch kijkt hij met plezier terug op deze bijzondere ervaring.

Vier jaar zit Erwin Dorst vervolgens bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Bij deze elite van de Nederlandse special forces was hij commandant van een arrestatieteam en vervolgens van een observatieteam.

“Arrestatieteams zijn gespecialiseerd in geweldsuitoefening. Ze richten zich op de aanhouding van zware criminelen en op technisch moeilijke aanhoudingen, zoals wanneer een verdachte in een auto voor de grens moet worden gestopt of zich ophoudt in een gebarricadeerd pand.

Het belangrijkste wapen van arrestatieteams is de verrassing. De aanhoudingen verlopen daarom heel snel en gaan soms ook met het nodige geweld gepaard. Voor het publiek is niet altijd goed te begrijpen wat er gebeurt, maar het kan niet anders.”

Observatieteams hebben dezelfde doelgroepen en verzamelen ter ondersteuning van de recherche bewijslast voor aanhoudingen. “Wij hielden ons niet bezig met ‘tappen’, maar met ‘fysieke observatie’; wat doet iemand tijdens zijn dag? Als hij van A naar B gaat, hoe doet hij dat en wat doet hij daar en hoe lang blijf hij daar? – dat soort zaken.”

Ook werden inkijkoperaties uitgevoerd. “Stel we vermoeden dat er een partij verdovende middelen in een loods ligt. Dan ga je naar binnen om te kijken, maar zonder dat het opvalt.

Als die drugs wordt aangetroffen, kun je niet meer de andere kant opkijken en moet je dus handelen. We hebben in Nederland een namelijk ‘doorlaatverbod’, mede door de IRT-affaire.

Vanuit de opsporing zou je wel eens een kleinere vis willen laten gaan ten behoeve van het grotere belang, want de grote vissen hebben de financiële middelen om steeds weer nieuwe kleine visjes in te schakelen, maar dat mag dus niet.”

Tijdens zijn BSB-tijd, in juli 2006, wordt hij vanwege zijn achtergrond bij de mariniers detachementscommandant van een bijzondere spoedoperatie in Libanon; de beveiliging van de ambassadeur in Beiroet.

Israël is op dat moment in oorlog met de in Zuid-Libanon actieve Hezbollah en heeft de Libische infrastructuur bestookt, waardoor de wegen naar Syrië en (vanaf 13 juli) ook de nationale luchthaven onbruikbaar zijn geworden. De internationale spanning loopt hoog op, er wordt gevreesd voor oorlog in het Midden-Oosten, en evacuatie van de ongeveer zevenhonderd Nederlandse burgers wordt noodzakelijk geacht.

Die operatie wordt, behalve door de vernielde infrastructuur en de Israelische bombardementen, bemoeilijkt doordat de toenmalige ambassadeur Gerard Jan van Epen vakantie viert in Nederland.

Zaterdag 15 juli krijgen de Nederlanders in Libanon, die via sms op de hoogte worden gehouden, van de ambassade bericht dat de evacuatie 17 juli plaatsvindt. Er zijn die maandag drie evacuaties van in totaal driehonderdvijftig Nederlanders, die met tien bussen vanuit Noord-Libanon naar Aleppo (Syrië) reizen, om van daaruit koers te zetten naar Nederland.

Die dag ook, vertrekt de ambassadeur vanuit Nederland richting Damascus. Hij probeert over land Beiroet te bereiken. Nadat Van Epen daar is aangekomen, arriveert het beveiligingsteam van Erwin Dorst – hoewel het misschien handiger was geweest om de ambassadeur met dat team mee te sturen.

“Wij zijn in burger Libanon binnengekomen. Een helicopter van de Engelsen heeft ons vanaf Cyprus naar Beiroet gevlogen en ons daar op de kade afgezet. De uitrusting en bewapening hadden we onopvallend bij ons. Na aankomst hebben we auto’s gehuurd en zijn we langzaam onze beveiligingsmissie gaan draaien.

Dit alles vergde goede voorbereiding en afstemming, met de helicopterpiloot, maar ook ter plaatse, want we moesten dwars door de stad. Het was een relatief hachelijke situatie, want we hadden niet één-twee-drie het land uitgekund.”

Vanaf mei 2010 is majoor Erwin Dorst plaatsvervangend brigadecommandant van de politie en beveiliging op Schiphol. Hij arriveert in een periode, waarin de beveiliging van de luchthaven onderwerp is van felle discussies.

Journalist Alberto Stegeman stopte in februari 2008 een nepbom in een passagiersvliegtuig. In januari 2009 bleek vervolgens uit een rapport van het KMar Expertisecentrum Luchtvaart (uit september 2008) dat de beveiliging op Schiphol kwetsbaar is doordat medewerkers, met name bij de douane, zijn vervangen door elektronische systemen. Ook zou er te weinig capaciteit zijn om criminaliteit en terrorisme aan te pakken.

Erwin Dorst: “Schiphol behoort tot de veiligste luchthavens van de wereld. Schiphol is een economische lifeline voor Nederland, dus als er wat gebeurt, is het gelijk voorpaginanieuws. Dat maakte ons werk heel lastig, want alles dat je deed, werd uitvergroot.

De incidenten die in de media komen, zoals rond Stegeman, vertekenen het beeld. Stegeman heeft als een soort klokkenluider een aantal zwaktes blootgelegd, maar het is niet zo dat Schiphol één grote gatenkaas is.

De beveiliging van Schiphol is een ketenverantwoordelijkheid. Daarbij gaat het om het spanningsveld tussen gebruiksvriendelijkheid (het economisch belang) en veiligheid. Honderd procent veilig, dat kan niet. Het is een complex geheel, een stad op een postzegel

Er was destijds ook kritiek op het particuliere beveiligingsbedrijf, maar over het algemeen doen de particuliere beveiligers op Schiphol het hartstikke goed, enkele rotte appels daargelaten.”

Is de luchthaven in de periode dat hij er werkte veiliger geworden? “Er werken achttienhonderd marechaussees op Schiphol, van wie vijfhonderd bij ‘mijn’ brigade. Binnen die club, met de rest heb ik me niet bemoeid, zijn processen verbeterd en dingen veranderd, maar om nu te zeggen: het is opeens veiliger geworden - nee, dat kan ik niet zeggen.”

In november 2012 krijgt hij het commando van KMar Limburg Zuid. Een uitdagende functie in een internationeel speelveld, waarin ook de politiek een rol speelt. Zo is de brigade sinds kort zijdelings betrokken bij het bestrijden van drugscriminaliteit in Maastricht - al is dat niet één van haar taken.

“Recent was er overleg tussen onder anderen de burgemeester van Maastricht en de minister van Veiligheid en Justitie. Toen heeft de marechausse gezegd: ‘Binnen de kaders van onze taakstelling willen wij ondersteuning bieden, met name in Maastricht.’ Het gaat dan om georganiseerde wietteelt.

Ik zal dat kort toelichten. Het lokale drugsbeleid in Maastricht drukt de handel in softdrugs de straten in. Softdrugsthematiek is vaak gekoppeld aan harddrugsthematiek. Hard- en softdrugs vallen onder de de nationale politie, maar harddrugscriminaliteit is al snel grensoverschrijdend. En grensoverschrijdende criminaliteit is onderdeel van onze portefeuille.

Wij hebben aan de grens echter niet de bevoegdheden van de politie (waar we uiteraard wel mee samenwerken). Wij staan als Mobiel Toezicht Veiligheid bij de grens om de Vreemdelingenwet te handhaven en ter voorkoming en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit. Het gaat dan om drugscriminaliteit, mensensmokkel en -handel, illegaal verblijf, identiteitsfraude en het witwassen van crimineel geld. We letten ook op gezochte personen en op signalen van mogelijk terrorisme. Daarbij zijn we alleen bevoegd tot toezicht op de inreis, niet op de uitreis.

Ook is onze capaciteit beperkt. Als brigade hebben wij diverse taken, zoals de grensbewaking op Maastricht Aachen Airport. We leveren ook de militaire politie voor het Joint Force Command in Brunssum. Mobiel Toezicht Veiligheid doe ik feitelijk met restcapaciteit.

Dus waar volgens sommigen voor de regio het grootste belang ligt – dat is afhankelijk van wie je het vraagt - en waar voor ons de grootste boeven te pakken zijn, ben ik continu aan het schuiven met mijn relatief beperkte capaciteit. Ik zou het liefst meer mensen inzetten op de grens, zowel op hoofd- als op B-wegen.

Verder is ons grenstoezicht beperkt in tijd en aantal. De uitdaging is om er te staan op de momenten dat er iets te halen valt. Dat is mogelijk doordat we heel gericht te werk gaan. Daar is onze de organisatie ook op ingericht. Vroeger hadden we veel indianen en weinig chiefs, nu hebben we veel chiefs (onder anderen mensen die informatie verzamelen) en heel weinig indianen (militairen die de uitvoering verzorgen).

Voor een goede informatiepositie werken we verder met relevante partijen samen in het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), dat in Limburg is opgehangen aan de gemeente Maastricht. Wij hebben daarbij als speerpunten mensenhandel en -smokkel en georganiseerde wietteelt. Die samenwerking functioneert heel goed.”

Intussen staat Erwin Dorst alweer bijna een jaar aan het roer van KMar Limburg Zuid, een functie die hij wat betreft verantwoordelijkheid en de bevoegdheid om te straffen vergelijkt met die van kapitein op een schip. Hoe ziet hij zijn organisatie en zijn eigen plek daarin, ook met het oog op de toekomst?

“Ik wil een goed team en geen eenheidsworst. Liefst een rariteitenkabinet, waarbij iedereen wordt gewaardeerd om zijn vaardigheden en capaciteiten. Die capaciteiten wil ik op basis van de juiste informatie op de juiste tijd op de juiste plek brengen.

Tot nu toe bevalt het me uitstekend. Ik ben een leider en ik ben ondernemend; ik ben geen manager. En hoewel ik natuurlijk mijn bevelen moet opvolgen, ben ik niet bij uitstek een volgzaam type. Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder. En dan past zo’n functie heel goed.”

Relativerend: “Je krijgt natuurlijk ook een hoop gezeik. Het gezeik van honderdvijftig mensen is voor mij. Je hebt een trechter, daar wordt allerlei ellende in gegooid, en onderaan die trechter, daar zit ik. Dat is niet altijd leuk, maar het hoort erbij. En dat vind je mooi of dat vind je niet mooi.”

Hij glimlacht. De tekst op zijn polsbandje, een souvenir van twee keer de Alp d’HuZes, spreekt boekdelen: ‘Opgeven is geen optie’. Voor Erwin Dorst is elk probleem een uitdaging.

Dit artikel is in augustus 2013 geschreven voor Hét Wijkkrantje.

Comments Off

admin op 14 September 2013 in Politiek & Media

Oost-Europese gaatjesboorders al jaren actief in Hoogveld

In de Sittardse wijk Hoogveld zijn al ruim twee jaar gaatjesboorders actief. Volgens de politie zeker vanaf september 2011. Vermoedelijk gaat het om een Oost-Europese bende.

Het zijn inbrekers die zich binnen een paar vooraf uitgekozen straten richten op contanten en snel verkoopbare spullen zoals laptops. Ze komen vaak binnen over de schutting en breken in via deuren in de achterpui.

Met een handboor of accuboor boren ze gaatjes in kozijnen of deuren om vervolgens met een ijzerdraadje en een magneetje de sleutel aan de binnenkant om te draaien. Dit is de handelswijze van zogenoemde gaatjesboorders.

Op 8 maart dit jaar waren in Hoogveld op deze manier drie woningen het doelwit; aan de Romeinseweg en aan de Liviusstraat. In één geval mislukte de inbraak. Bij de twee overige twee woningen zijn de inbrekers er vandoor gegaan met geld en waardevolle spullen.

Knuffelbeer in de tuin

Een gedupeerde van de Liviusstraat: ‘Ik zag ineens een gaatje in de tuindeur. Toen zei ik tegen mijn vrouw: “Schrik niet, maar het zou wel eens kunnen dat er vannacht bij ons ingebroken is.” Behalve het gaatje, met een doorsnee van een centimeter, was er niet veel te zien. Ze hadden alles keurig opgeruimd en pas later merkten we wat er allemaal weg was.

De laptop is verdwenen, mijn zonnebril, en al het geld is uit onze portefeuilles gehaald, maar de pasjes hebben ze laten zitten. Zelfs het buitenlandse geld, dat ik in een apart vakje bewaar als herinnering aan onze reizen, hebben ze meegenomen, ook al is het niet veel waard.

Toen de politie weg, was kwamen vonden we achter in de tuin onze spaarpot, stukgeslagen. Die hadden we nog niet gemist. Ernaast lag de beer van één van onze dochters; waarschijnlijk gebruikt om het geluid te dempen.’

Het stel is niet van slag door de inbraak, die ze ongeveer 650 euro armer heeft gemaakt. ‘Het wordt allemaal gedekt door de verzekering, toch blijft het heel vervelend. Vreemd ook, dat we niets hebben gehoord, terwijl ze waarschijnlijk ’s nachts bij ons over de schutting zijn geklommen.’

De inbraak 11 maart bij de WonenPlus-woongemeenschap voor verstandelijk gehandicapten aan de Brauningerstraat leidde tot meer commotie. Hier werden twee daders gezien rond kwart voor vier ’s nachts. Op het moment dat de politie verscheen, vluchten ze te voet en lieten een laptop en een geldkistje achter. Net als hun vluchtauto, een grijze, in het Duitse Bunde gestolen Audi A4.

Er waren drie laptops weg

In november en december waren er soortgelijke inbraken. In december braken gaatjesboorders in bij woningen aan de Deversstraat, de Tunnelweg, de Smithlaan en de Andersonstraat. Deze straten vormen een aaneengesloten gebied dat de tuinen van buiten afsluit. Via een leegstaand huis werd dit groene hart binnengedrongen en konden de inbrekers vervolgens rustig hun doelwitten kiezen.

‘’s Ochtends ging ik brood snijden om mee te nemen naar mijn werk en toen in de kamer keek, zag ik een schilderij, dat stond tegen de bank’, vertelt een gedupeerde, wonend aan de Deverstraat. ‘En een dressoir, dat normaal tegen de muur staat, was ook verplaatst. Er waren drie laptops weg die we de avond ervoor niet hadden opgeborgen. Met de schade aan de deur hadden we zo’n drieduizend euro aan kosten.’

Twee dagen later was het raak bij twee woningen in Biddlestraat: ‘Ik sprak in die tijd een buurtbewoner waar twee jaar geleden ook al was ingebroken door gaatjesboorders. De politieagent die bij hem op bezoek is geweest, zei dat het gaat om een Oost-Europese bende met Hongaarse en Bulgaarse leden.’

Oost-Europese bende

De politie Limburg Zuid constateert dat er in Zuid-Limburg zeker vanaf september 2011 serie-inbraken plaatsvinden door gaatjesboorders. ‘Dit is ook in Hoogveld het geval’, aldus een woordvoerder. Vermoedelijk gaat het hier, net als in Noord- en Midden-Limburg, om Oost-Europese bendes.

Zorgt dit voor een toename van het aantal inbraken? In 2011 werd in Sittard-Geleen 480 keer ingebroken, in 2010 gebeurde dat 372 keer; een toename van 22,5 procent. Over een langere periode bezien, blijken 2010 en 2011 voor Sittard-Geleen echter jaren van in verhouding weinig inbraken.

Van 2006 tot en met 2009 is in de gemeente respectievelijk 504, 619, 643 en 612 keer ingebroken in woningen, aldus de Kadernota Integrale Veiligheid Sittard-Geleen 2011-2014. De afgelopen vijf jaar vonden in Sittard-Geleen dus gemiddeld 545 inbraken per jaar plaats. Daarbij lijkt het aantal inbraken vanaf oktober 2011 weer toe te nemen.

Inbraakcijfers sinds januari 2010 voor de wijk Limbrichterveld, waar Hoogveld deel van uitmaakt, laten inderdaad een sterke stijging zien. In 2010 waren er 5 inbraken en 8 pogingen daartoe (samen 13), in 2011 waren die aantallen respectievelijk 12 en 15 (samen 27). In de eerste vier maanden van dit jaar waren er 3 inbraken en 5 pogingen, samen 8 incidenten; zestig procent van het aantal inbraken en pogingen in heel 2010.

Topmaanden waren maart (5 inbraken en pogingen), oktober (4 inbraken en pogingen) en december 2011 (6 inbraken en pogingen) en maart 2012 (6 inbraken en pogingen).

Particuliere beveiliging

Wat kunnen de inwoners van Hoogveld doen om de kans op inbraken door gaatjesboorders te verkleinen? ‘Sleutels verwijderen en deur- en raamhefboompjes met een slot te gebruiken. Een buitenlamp plaatsen helpt ook’, meldt de politie in het kader van algemene voorlichting, ‘want inbrekers houden van het donker. Ook is het verstandig om waardevolle spullen niet in het zicht te leggen.’

Preventie en toezicht kunnen ook collectief worden opgepakt. Bij de gemeente wordt hierover al nagedacht, zo bleek begin dit jaar. ‘We zouden mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt of vrijwilligers kunnen inzetten voor stad- en wijktoezicht’, opperde wethouder Pieter Meekels tijdens het Werkatelier Limbrichterveld-Hoogveld in januari.

Een andere, wat onorthodoxe mogelijkheid is om collectief een beveiligings- of bewakingsbedrijf in te huren. Dat is overigens alleen effectief als er een geïntegreerd plan van aanpak komt, aldus de directeuren van twee Limburgse bedrijven in de veiligheidsbranche die liever niet met naam genoemd willen worden.

Eens per week een jaar lang laten surveilleren in Hoogveld kost naar schatting van één bedrijf ongeveer 32.500 euro. Bij zo’n 1100 woningen komt dat neer op 29 euro per woning per jaar / 8 cent per woning per dag. Via afspraken met stadstoezicht en de politie en cameratoezicht zouden die kosten kunnen worden verlaagd.

Als de verwachte ontwikkelingen doorzetten, is het een oplossing die zeker het overwegen waard is. Vooral ook omdat politie en justitie nog maar weinig zicht hebben op deze bendes, die overigens los staan van de reguliere arbeidsmigranten uit Oost-Europa die in ons land werken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje en 15 april aangepast op basis van extra informatie van de Politie Limburg Zuid.)

Comments Off

admin op 30 March 2012 in Politiek & Media

Ria Kleijkers: ‘Ik was vergeten dat ik een mens was of vrouw’

Ria Kleijkers uit Sittard is manager én kunstenaar. We spraken met haar over mannencultuur, vrouwelijkheid, werk en kunst.

‘Het kwam toevallig goed uit; het interview vandaag. Ik ben geen huisvrouw die de tijd aan zichzelf heeft. Ik ga deze week naar India voor mijn werk.’ Ria Kleijkers (60) werkt als manager bij DSM. Ze stuurt (in)direct zo’n dertig mensen aan. En dat zal ik weten ook. Nog voordat ik goed en wel zit.

‘Wil je wat eten, een boterham?’ Het wordt een dubbele bruine boterham met kaas, in vier stukjes voorgesneden, en, op mijn verzoek, een glas water.

Bij DSM houdt ze zich bezig met ‘het managen van Business Processen voor DSM Corporate & Service Units’.

Ze praat in korte zinnen, wil krachtig overkomen.

In India, waar ze over een paar dagen naartoe gaat, komt er een Service Unit bij voor DSM. In Limburg verdwijnen er banen. ‘Er komt hier weer een fikse reorganisatie aan. Maar dat is de policy en als het bedrijf het wil, moeten we dat uitvoeren, zo zijn we opgevoed.’

Zelf heeft ze ook wel eens geadviseerd over te reorganiseren afdelingen. ‘Na twee weken een rapport neerleggen.’ Daar stond dan vaak ook in welke mensen eruit moesten. ‘Dat heb ik wel erg gevonden.’

Iedereen heeft talenten, maar ja, als die niet meer passen in de huidige situatie bij het bedrijf houdt het op, geeft ze aan. Dan moet er afscheid worden genomen.

Dat geldt ook voor haar twee huwelijken. ‘Mijn beide ex-mannen vonden dat het enige recht van de vrouw het aanrecht is.’ En zo is ze niet, dus dat ging op een gegeven moment niet meer. Op het werk wordt duidelijk een andere rol van haar verwacht.

Met management technobabble laat ze zien dat ze één van hen is, one of the guys, deze vrijgevochten vrouw, die ironisch genoeg ooit begon in een ‘vrouwenbaan’.

‘Eigenlijk kunnen we u niet aannemen als vrouw’, kreeg ze van de afdeling P&O te horen bij haar sollicitatie in 1981. ‘“U heeft te veel papieren voor een vrouwenbaan” – DSM had toen mannen- en vrouwenbanen.’

Ze glimlacht, weet intussen hoe ze haar mannetje moet staan.

Heerst er een mannencultuur bij DSM? ‘Mij maakt dat niks uit. Als het met DSM goed gaat, gaat het met mij ook goed. Maar het zit er nog steeds in, ja. De afgelopen jaren hebben ze bij communicatie en in het hoger management diverse vrouwen aangenomen. Binnen korte tijd waren ze weer weg….

Pfff, ik zoek m’n weg. En hoe ver wil en kun je gaan? Het leven heeft meer te bieden dan werken.’

Kunst bijvoorbeeld. Als ze met prepensioen gaat, effectief in augustus volgend jaar, wil ze zich bijna helemaal op de kunst gaan richten en aan huis een galerie beginnen. Die moet in oktober opengaan.

‘Alleen maar werken, dat is niet goed. Zo word je nog gek Ria’, zei ze tegen zichzelf toen ze negenendertig was. En dat was natuurlijk niet de bedoeling.

De kunst heeft haar nooit meer losgelaten of zij de kunst.

In het aquarelleren, de zachte, vloeiende schilderkunst, vond ze een aangenaam contrast met de harde en georganiseerde werkwerelden van het bankwezen en later de chemie. Vervolgens legde ze zich toe op acryl schilderen, textiel, raku (Japanse keramiek) en beelden maken van klei en staal.

In de hoek van de woonkamer staat een sculptuur van gelaste stukken staal, ongeveer een meter hoog. Ook de sokkel is van aan elkaar gelaste plakken staal.

Ze ziet me kijken: ‘Heb je dat wel eens gedaan? Lassen?’ Haar ogen glinsteren; dit vindt ze mooi: lassen, slijpen, hameren.

Het beeld geeft een indruk van sierlijkheid en transparantie, maar ook van hardheid en gevaarlijke scherpte.

‘Ik ga naar de schroothoop om grove stukken te zoeken. Je ziet een basisproduct en dan kijk ik: wat kan ik ermee? Ik blijf altijd vragen en kijken naar vormen. En als ik wat vind om te doen, dan wordt dat gemaakt. Dat groeit dan tot iets. Soms kom je zo boven je zelf te staan en dan ontdek je ook iets van jezelf.’

Wat ontdekte u bij dit kunstwerk? ‘Vertrouwen in de mensen, passie en mijn wilde kant. Ik ben best wel wild, een avontuurlijk mens. Nieuwsgierig ook, wil alles weten. Die kronkel; een mens gaat nooit rechtstreeks, daar zijn heel veel wegen voor.’

Hoe bent u opgevoed? ‘Mijn vader wilde een jongen en hij heeft me opgevoed alsof ik een jongen was. Het bos in, hutten bouwen. Dat is toch ook leuk voor meisjes? Het maakt niks uit of je een jongen of een meisje bent. Hij leerde me vissen en voetballen…

Ik zie het nog voor me: kwam ik op een dag met een vis aan de haak naar huis; moest hij het haakje losmaken hahaha. Vissen lukte wel, maar dat kreeg ik niet voor elkaar.’

Het thema van uw werk is vaak de vrouw of vrouwelijkheid. ‘Ja, ik gebruik het thema vrouw-zijn herhaaldelijk.’

Is het te psychologiserend om te denken dat u via de kunst uw vrouw-zijn aan het herontdekken bent?
‘Nee, dat zou best wel eens zo kunnen zijn. Ook ik mag er zijn als vrouw. Een tijd geleden was ik vergeten dat ik mens was of vrouw…’

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 16 February 2012 in Ongewoon & Anders

Dromend van dierenwelzijn zie ik…

Dierenbescherming Limburg realiseert samen met zakelijke en sociale partners een in Nederland uniek centrum voor dierenwelzijn (DWC). Dat centrum van ongeveer 7 miljoen euro is gepland vlakbij Kasteel Limbricht, op een spreekwoordelijke steenworp afstand van de Sittardse wijk Hoogveld.

Het concept is doordacht en vernieuwend, maar niet iedereen is even enthousiast over de voorgenomen locatie. De gemeenteraad beslist binnenkort over wijziging van het bestemmingplan. De coalitie is voor, de oppositie tegen. Diverse maatschappelijke organisaties hebben al een ‘njet’ laten horen. Het actiecomité DWC NEE kondigde onlangs aan om tot bij de Raad van State te strijden tegen de komst van het centrum. Er zou sprake zijn van onbehoorlijk bestuur.

De bouw van het centrum, een one stop shop-project op een terrein ter grootte van enkele voetbalvelden, start in 2011. Althans, dat is de bedoeling. Er zijn al diverse grote marktpartijen die zich als partner aan het innovatieve centrum hebben verbonden, zoals diervoerdergigant Royal Canin en supermarktketen Albert Heijn. Ook onderwijsinstellingen als het Citaverde College, de Hogere Agrarische School en de Universiteit van Wageningen hebben zich al gecommitteerd. Met DSM worden op dit moment serieuze gesprekken gevoerd en ook iemand als gedeputeerde Noël Lebens is enthousiast over het concept van het DWC, al is hij niet gelukkig met de voorgenomen locatie. Hij voorziet een spin off die een positieve weerslag heeft op de regio Sittard-Geleen en Limburg als geheel.

Cradle-to-cradle

In het centrum, te bouwen volgens het cradle-to-cradle principe, wordt synergie bereikt door diverse partijen samen te brengen rond het thema dierenwelzijn. Zo komen er opvangfaciliteiten, wordt er hoogwaardige medische zorg geboden en is voorzien in onderzoeks- en voorlichtingsprogramma’s voor verbetering van het dierenwelzijn. De organisatie erachter wordt gerund als een middelgrote onderneming. Is dat niet vreemd voor de dierenbescherming? Nee, vindt projectleider Reineke Hameleers, tevens directeur van Dierenbescherming Limburg: ,,We zijn als dierenbescherming een ideële instelling. Maar als je zo’n groot en ambitieus centrum wilt opzetten, moet je het professioneel doen of je moet het niet doen. En de eventuele meeropbrengst van het centrum gaat naar activiteiten waarvoor we anders als vrijwilligersorganisatie niet genoeg geld zouden hebben.”

Berlijn als voorbeeld

Aan de basis ligt een businessplan, gebaseerd op uitgebreid marktonderzoek. ,,Een belangrijke inspiratiebron is een dierencentrum in Berlijn, dat in 1999 voor omgerekend voor 60 miljoen euro is gerealiseerd. Het is gebaseerd op het one stop shop-idee en er is heel vernieuwende architectuur toegepast, dat willen wij ook.” Aanvullend is onderzoek gedaan naar centra in Engeland en Amerika, vertelt de projectleider. Het multifunctionele concept blijkt daar ook goed te werken.
De voorbereiding is illustratief voor de zakelijke werkwijze van Reineke Hameleers: ,,We gaan ons project ook heel professioneel aanvliegen. De realisatie wordt op dit moment voorbereid via vier deelprojecten, geleid door een stuurgroep waarin diverse disciplines vertegenwoordig zijn.”

‘Dit is mijn droom’

Zelf zorgt ze voor de coördinatie. De organisatiedeskundige is bevlogen en ondernemend. Reineke Hameleers: ,,Het is mijn droom, mijn ambitie om dit centrum waar te maken. Toen we hiermee begonnen, waren er binnen de dierenbescherming genoeg mensen die zeiden: ‘Het klinkt geweldig, maar is dit allemaal niet wat te hoog gegrepen voor ons?’ Als je ziet hoe ver we nu zijn, durf ik rustig te zeggen: We kunnen het en gaan het dierenwelzijnscentrum samen met onze partners tot een succes maken!”

Tegenstand groeit

Niet iedereen is zo positief. Tijdens een informatiebijeenkomst in het gemeenschapshuis van Limbricht op 6 september, georganiseerd door het dorpsplatform, bleek dat er behoorlijke weerstand is. De vertegenwoordigers van Dierenbescherming Limburg en Grontmij kregen het toen en ook op latere bijeenkomsten zwaar te verduren. Zo is daar bijvoorbeeld het Actiecomité DWC NEE!, dat vreest voor overlast van geluid (opvang van honden en katten op tweehonderd meter van de bebouwde kom) en verkeersoverlast (met name van verkeer uit het zuiden door de kern Limbricht en veel verkeersbewegingen in het weekend). Voor dat laatste is de voorgestelde verbreding van de Allee met grastegels geen echte oplossing, zegt woordvoerder Reinier Voogd. Ook zou met de komst van dit centrum de eeuwenoude en cultuurhistorisch waardevolle omgeving met Kasteel Limbricht en het Salviuskerkje worden aangetast, vindt het actiecomité.
Andere bezwaarmakers zijn de Stichting Graetheide, Cavia-opvang Limbricht, Vereniging Probus, de Heemkundevereniging, Dierenopvang Westelijke Mijnstreek, Stichting Milieufederatie Limburg, IVN Born en Land van Swentibold. Verder hebben nog krap zeshonderd huishoudens uit Limbricht via een enquête aangegeven tegen te zijn.

‘Wat Limbricht wil’

De politiek is verdeeld. De oppositie in Sittard-Geleen is niet enthousiast. D66, de SP, de SGB, de VVD, Trots en TON hebben zich tegen het plan uitgesproken, overigens met ongeveer dezelfde argumenten als het twaalfkoppige comité. De coalitie is voor, maar wethouder Pieter Meekels, die namens het GOB in het college zit, houdt een slag om de arm. Hij zou 12 oktober hebben gezegd tijdens een bijeenkomst van het dorpsplatform dat als de bevolking van Limbricht tegen is, het DWC niet aan de Allee komt.

Reinier Voogd gaat met zijn comité sowieso actie ondernemen: ,,De gemeentelijke procedure is in strijd met de wet gevoerd. Volgens ons is sprake van onbehoorlijk bestuur en wij zijn als comité bereid om elk besluit tot bij de Raad van State aan te vechten.” Het comité vindt onder meer dat de gemeente niet zorgvuldig is geweest door de bevolking pas heel laat te informeren en doordat een aantal alternatieve locaties onvoldoende zou zijn onderzocht. Ook zou er geen brede en eerlijke belangenafweging zijn gemaakt bij de besluitvorming.

Veelgestelde vragen

,,De vraag is: waarom willen ze het centrum nu juist hier bouwen? Ze hadden op veel plekken in Limburg terecht gekund! Bovendien hadden ze beter vooraf overleg met de bevolking kunnen voeren. We hebben de woordvoerster van Dierenbescherming Limburg ook meerdere malen uitgenodigd, ook voor de tv, maar ze komt gewoon nooit”, aldus Reinier Voogd van het comité. ,,Ook op onze vragen wordt geen antwoord gegeven.” Volgens Saskia Thijssen, woordvoerster van Dierenbescherming Limburg, wordt overleg gevoerd met de gemeente. Daarnaast is er overleg met Dorpsplatform Lömmerich en met de voor dit project op advies van het Dorpsplatform door Dierenbescherming Limburg geformeerde klankbordgroep. ,,Dat is voldoende omdat deze organisaties een goede vertegenwoordiging van de bevolking vormen.”

Met het Actiecomité DWC NEE! is geen contact. Volgens Saskia Thijssen zijn veel van de bezwaren van het comité gebaseerd op ‘onvoldoende kennis van zaken’. In dat kader verwijst ze naar de projectwebsite en het kopje ‘veelgestelde vragen’ op die site. Maar of het comité hierdoor overtuigd raakt? Het comité is strijdvaardig en geeft in een recente nieuwsbrief, naast tal van inhoudelijke argumenten, zelfs een persoonlijke steek onder water richting Reineke Hameleers: ‘Laat de droom van een enkeling niet de nachtmerrie van velen worden!’ Het is duidelijk: de handschoenen zijn uit. De strijd om het DWC bij Limbricht, met als inzet cultuurlandschap en dierenwelzijn, is nu echt begonnen.

NAWOORD

Onder druk van het brede maatschappelijk protest heeft het college medio november eieren voor haar geld gekozen. De procedure voor de vestiging van het DWC aan de Allee werd beëindigd. ‘Het Dierenwelzijnscentrum Limburg komt in het gebied tussen Kasteel Limbricht en Kasteel Wolfrath’, aldus het college in een persbericht. ‘Een aantal beschikbare locaties wordt op dit moment onder de loep genomen. Uiterlijk begin volgend jaar wordt de nieuwe locatie bekendgemaakt.’
Het actiecomité reageerde verheugd. Voorzitter Rob den Rooijen, per mail: ‘Wij zijn zeer blij met dit besluit. De argumentatie voor het besluit is heel helder, namelijk het ontbrekende draagvlak bij de inwoners van Limbricht. Hieruit blijkt des te meer dat eendracht macht maakt. De enige reden dat we geslaagd zijn in onze missie is dat we als inwoners van Limbricht ons verenigd hebben en een duidelijke vuist hebben gemaakt richting de gemeente en Dierenbescherming.’

Niet om de argumenten

Het protest was effectief omdat het krachtig was, niet vanwege de inhoudelijke argumenten, stelt het college. ‘De ruim tweehonderd inspraakreacties die de afgelopen tijd zijn binnengekomen hebben inhoudelijk niet of nauwelijks argumenten opgeleverd om de locatie aan de Allee af te wijzen. Het college meent dat via een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing het dierenwelzijnscentrum ook in de cultuurhistorische omgeving van kasteel Limbricht tot zijn recht had kunnen komen. Ook de toename van het verkeer zou aanvaardbaar zijn en geluid en stankoverlast viel er niet te verwachten. Maar de impact van het gebrek aan draagvlak is voor het college en de Dierenbescherming de belangrijkste reden geweest om gezamenlijk te besluiten de procedure te beëindigen.’

Krokodillentranen

Rob den Rooijen van het actiecomité: ‘We willen nogmaals benadrukken dat wij niets tegen het DWC of de Dierenbescherming als zodanig hebben, maar puur hebben geageerd tegen de vestiging op deze locatie. We betreuren het wel dat vroege signalen over mogelijke negatieve gevolgen voor de inwoners door de gemeente in de wind zijn geslagen. Eveneens betreuren wij het dat de Dierenbescherming geen lering heeft getrokken uit het traject in de Gemeente Stein waar precies hetzelfde gebeurd is en zij nu dus krokodillentranen huilt. Het hele verhaal heeft zowel de gemeente als de Dierenbescherming als ons zelf heel veel tijd en ook geld gekost dat beter op een andere manier besteed had kunnen worden. Met name in het geval van de Dierenbescherming. Maar ja, het zij zo en wij hopen dat een ezel zich niet drie keer aan dezelfde steen stoot. Wij zullen de verdere ontwikkelingen op de voet blijven volgen.’

Comments Off

admin op 29 October 2010 in Politiek & Media

Sjra in het Wilde Westen

Als de kloof tussen arm en rijk groot genoeg is, zijn er altijd avonturiers die over de grenzen op zoek gaan naar het Beloofde Land. Tussen 1850 en 1900 heerste armoede in wat nu de Westelijke Mijnstreek heet. Een aantal gelukzoekers trok daarom via Antwerpen naar het ‘Wilde Westen’ van Amerika. Over hun wederwaardigheden verschijnt binnenkort een studie van Irma Lommen-Salden in de reeks ‘Monografieën uit het Land van Sittard’.

Vanuit een passie voor genealogie dook Irma Lommen-Salden sinds 1992 ontelbare malen in archieven om diverse lijsten met namen en andere data te vergelijken. Een tijdrovende bezigheid, want in de beginperiode van haar onderzoek was er nog geen internet. Verder waren sommige archieven in de VS nog niet goed georganiseerd.

Aanvankelijk resulteerde dit in een aantal artikelen over de ongeveer honderd mensen die tussen 1862 en 1867 uit Limbricht vertrokken met bestemming Amerika. Hier heeft ze ook een website over gemaakt. In de loop van de jaren heeft Lommen-Salden aandachtsgebied vergroot, met als resultaat het boek dat medio december verscheen over Limburgse landverhuizers uit het gebied tussen grofweg Sittard en Stein.

Het begon, zoals vaak, met armoede. En de hoop dat het elders beter zou zijn. De armlastigen werden geprikkeld met campagnes in de lokale krant Mercurius. Op voorlichtingsavonden, bijvoorbeeld in De Limbourg aan de Markt in Sittard, werden ze vervolgens overgehaald met mooie verhalen en aanbevelingen van mensen die er al waren. Ze verkochten wat ze nog hadden en staken hun laatste centen in een ticket naar Amerika.

Door de zogenoemde Homestead Act uit 1862 werd iedereen bij aankomst in Amerika een groot stuk land beloofd om te bewerken. De praktijk was, dat het even duurde voordat dit nieuws Limburg had bereikt, en toen de eerste Limburgers voet aan wal zetten, bleken veel stukken grond al ingepikt. Door Amerikanen uit eerder ingenomen delen van het continent of door spoorwegbedrijven.

De landverhuizers uit de omgeving van Sittard kwamen vooral terecht in Minnesota en kochten daar voor een paar dollar lappen grond naast spoorlijnen of aan de rand van de uitgestrekte bossen. Velen van hen kwamen goed terecht.

,,Tevreden emigranten als Peter Dircks uit Limbricht waren blij over de vrijheid die ze hadden. In Limburg waren ze afhankelijk van een leenheer, die grond aan ze verpachte in ruil voor een deel van de opbrengst. In Amerika waren ze misschien net zo arm, en in de meeste gevallen werden ze weer boer, maar ze waren eigen baas. Ze zaten niet meer onder het juk van een heer, konden zelf bouwen aan hun toekomst.”

Dit waren de mensen die de positieve brieven naar huis schreven, waarmee de reisagenten hun klanten lokten. Niet iedereen was zo fortuinlijk. Een zekere Willem Paulussen uit Echt bijvoorbeeld, schrijft dat hij zich ergert over de positieve verhalen van de Limburgse reisagenten. ‘Want hier is zelfs een rechter, die heeft geen broek aan het lijf, want hij moet nog harder werken als bij u een dagloner.’ En het hooi is ook al niks, klaagt hij.

Eén van de reisagenten viel op. Deze meneer Strauss maakte het wel erg bont. ,,Hij is zelfs geroyeerd als reisagent omdat hij het niet zo nauw nam met de regels.” Op de Antwerpse kade, waar de grote oversteek begon, werd op een gegeven moment een medische keuring ingevoerd. Dit om ziektes aan boord en in Amerika te vermijden. ,,Strauss liet zijn passagiers vervolgens, om die keuring te ontlopen, aanmonsteren op het uiterste puntje van Zeeland.”

De amateur-historica denkt dat deze Strauss financiële belangen had in Amerika. In de archieven in Minnesota vond ze ook vermoedelijke verwanten van hem. De mogelijkheid bestaat dat hij betaald kreeg om de Limburgers naar een bepaalde plaats in Amerika te sturen en daaraan verdiende, bovenop de commissie voor de tickets. Maar tot ze hiervoor harde bewijzen vindt, blijven het natuurlijk speculaties.

Op een handvol mensen na, kwamen meeste klanten van de Limburgse reisagenten terecht in Benton in Carver County, Minnesota. Daar was al een Duits-Nederlandse gemeenschap ontstaan rondom een schooltje en een kerk. De mensen daar, hadden hun wortels deels in de Selfkant en het Rijnland, en vertoonden dus veel overeenkomsten in taal en cultuur met de Limburgse landverhuizers.

Benton in Carver County was dus de locatie bij uitstek om onderzoek te doen. ,,In 1993 ben ik daar geweest, maar helaas had een al te enthousiaste pastoor niet lang daarvoor met een bulldozer de oude begraafplaats laten ruimen.” Dus haar plan om oude grafstenen te bestuderen, daar kwam niets terecht. Wel kreeg ze de kans om de archieven te bezoeken, al was alles na 1870 afgeplakt met tape. ,,Dat mocht ik niet bekijken.”

De meeste landverhuizers woonden in dezelfde plaggenhutten als in Limburg op meerdere plaatsen het geval was of ze leefden in zelfgemaakte huizen van boomstammen als ze vlakbij het bos woonden. Stapje voor stapje, afgaand op kaarten die Lommen-Salden heeft bestudeerd en waarop het gebruik van de grond werd bijgehouden, cultiveerden ze hun gebied. ,,De eerste jaren ploegden ze tussen de stronken en moesten heel hard werken.”

De Ojibwe en de Sioux, de oorspronkelijke indiaanse bewoners, waren soms agressief tegen de emigranten. Een dieptepunt in de betrekkingen vormde de Minnesota Opstand in 1862. ‘Deze was het resultaat van vele jaren van vernedering en honger onder de indianen’, aldus de Nederlandse Lakota Stichting. Op hun site staat: ‘De blanken kwamen hun beloftes om voedsel te leveren slecht of niet na. De in het gebied aanwezige blanke boeren oefenden een toenemende druk uit om de indianen steeds meer van hun land te laten opgeven.’ Deze en andere opstanden waren het gevolg.

Uit lijfsbehoud moesten de blanke indringers gezamenlijk vluchten naar het eilandje in Lake Waconia. Lommen-Salden: ,,Na terugkomst bleken de huizen van de volksverhuizers onaangeraakt! Alles stond er nog net zo als ze het hadden achtergelaten.” Dit frappeerde de boeren, want zij zagen indianen als onbeschaafde ‘wilden’.

De invallen van de Indianen waren echter sporadisch, de grootste strijd voerden de emigranten om het dagelijks bestaan. Daarbij werd regelmatig naar de alcohol gegrepen. ,,Verder was er veel eenzaamheid onder de mannen die alleen waren vertrokken. Om die reden werden op een gegeven moment vanuit Limburg ook postorder bruiden gestuurd; nichtjes of buurmeisjes die op afstand werden uitgehuwelijkt. Deze bruiden hadden veel heimwee, blijkt uit de briefwisselingen.”

‘Landverhuizers uit de Westelijke Mijnstreek 1850-1900’ kost 22,50 euro en is te koop bij onder meer boekhandel Deeder, Steenweg 53 in Sittard en bij het stadsarchief van de gemeente Sittard-Geleen, Kasteelhof 3 in Born.

Comments Off

admin op 14 December 2009 in Ongewoon & Anders

Goede doelen moeten zelf hun broek kunnen ophouden

Kledingbank Limburg krijgt, als het even meezit, incidenteel 240.500 euro van de provincie. Dat is natuurlijk prachtig voor deze organisatie - het is de bank van harte gegund - maar het roept ook een belangrijke vraag op: heeft een hulporganisatie bestaansrecht als deze niet grotendeels zelfvoorzienend is?

De Kledingbank, die de komende drie jaar nog drie filialen wil openen, heeft door de voorgenomen investeringen op papier een jaarlijks terugkerend begrotingstekort gecreëerd van ‘maximaal 300.000 euro’ en vraagt de provincie nu om dat virtuele gat te dichten.

Ik vind dat een vreemde zaak en meen dat alleen incidentele en relatief kleinschalige subsidies aan goede doelen moeten worden verstrekt. Dit om politieke afhankelijkheid van de organisatie te voorkomen en om tegen te gaan dat organisaties zonder voldoende maatschappelijk draagvlak structureel gaan teren op het geld van de overheid.

Maatschappelijk draagvlak betekent voor mij dat een hulporganisatie/goed doel grotendeels zelf de zaken kan regelen, ook financieel. Op wat voor manier dan ook. Via donateurs, sponsoren, begunstigers, fondsen - het maakt niet uit.

Neem Voedselbank Limburg Zuid. Deze organisatie kan, al dan niet met incidentele vormen van relatief kleinschalige overheidsondersteuning, zijn eigen broek ophouden. Dus heeft deze club bestaansrecht.

Dit neemt natuurlijk niet weg, dat incidentele overheidsbijdragen wenselijk zijn. Voedselbank Limburg Zuid is dan ook blij dat veel Zuid-Limburgse gemeenten onlangs een bijdrage hebben geleverd om via de voedselbank de lokale armoede te bestrijden.

Als een voedselbank of wat voor hulpverlenende organisatie dan ook volledig of grotendeels door overheden zou moeten worden bekostigd, kunnen we hiervoor beter een overheidsinstantie in het leven roepen. Op nationaal, provinciaal of lokaal niveau. Dat is waarschijnlijk niet wat overheden willen. Daarom is het zaak heldere richtlijnen op te stellen voor subsidieverstrekking aan goede doelen.

Belangrijk daarbij zou moeten zijn welke behoeften een organisatie vervult en hoe succesvol de organisatie daarin is, in die zin dat de doelen worden bereikt met eigen of verworven middelen. Dat is een eenvoudige maatstaf om het maatschappelijk draagvlak te meten.

Comments Off

admin op 16 January 2008 in Politiek & Media