Jacqueline & Roos over BDSM

Als klein meisje had Jacqueline (41) al fantasieën waarin ze mensen martelde op een zelf ontworpen tafel. Later komt ze in aanraking met de wereld van BDSM, waar ze ook haar huidige man ontmoet. Die onderwerpt zich maar al te graag aan haar sadistische neigingen.

Ze zou de buurvrouw kunnen zijn van wie je een kopje suiker leent. Maar ze is ook de dominant die haar man vernedert wanneer ze samen spelen, bijvoorbeeld door de as van haar sigaret in zijn mond af te tippen terwijl ze met een vriendin belt. Of door naar bed te gaan met een andere man, terwijl hij beneden op haar wacht.

Jacqueline heeft al sinds haar jeugd sadistische en dominante neigingen. “Ik ben opgegroeid bij mijn vader in Frankrijk. Ik had een vrij normale jeugd met vriendjes en hechte vriendschappen. Op de middelbare school was ik een van de populaire meiden.”

Maar ze leest ook Markies de Sade (achttiende-eeuwse Franse schrijver van pornografische literatuur, van wiens naam de term ‘sadomasochisme’ is afgeleid, red.) en heeft stiekem haar eigen sadistische fantasieën. Al op haar elfde.

“Ik fantaseerde meestal dat ik iemand ontvoerde, die ik vervolgens martelde. Daarvoor had ik een marteltuig bedacht, een soort tafel. Vrij middeleeuws. Ik vond het wel erg verontrustend. In die periode waren de Tweede Wereldoorlog en de concentratiekampen nog veel meer aanwezig in de gedachten van mensen dan nu. De enige sadisten die ik kende, waren beulen uit Auschwitz-achtige situaties en dat vond ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk dat mensen anderen zoiets konden aandoen.

Maar toch heb je fantasieën die die kant op gaan. Dan krijg je een soort tweestrijd. Ben ik nou eigenlijk een soort SS-beul of een seriemoordenaar? Tijdens mijn pubertijd vroeg ik me vaak af wat nou het verschil was tussen mij en dat soort mensen. Dat was erg verwarrend. Tegelijk heb ik me gelukkig nooit een slecht mens gevoeld. Zelfs toen niet.”

Als jongvolwassene doet Jacqueline niets met haar sadistische fantasieën. Ze blijft wel zoeken naar antwoorden. “Ik ontdekte eindelijk het grote verschil: zij hebben geen geweten en ik wel. Het gaat er niet om wat iemand een kick geeft, maar op welke manier je doet wat je doet. Dat gaf mij rust en ruimte.”

Op haar twintigste komt Jacqueline, intussen bevallen van haar eerste kind, naar Nederland. Ze heeft een relatie in Zeeuws-Vlaanderen en krijgt nog twee kinderen. Dan verhuist ze naar Brabant, waar ze een andere man leert kennen. In die tijd komt internet op en besluit ze iets te gaan doen met haar sadistische fantasieën. Via internetfora en bijeenkomsten voor BDSM’ers ontmoet ze gelijkgestemden.

Het was heel erg thuiskomen. Voor mij was het een opluchting om te ontdekken dat het niet allemaal freaks waren, maar leuke, aimabele mensen met gevoel voor humor. Ik ben weggegaan bij mijn ex en op mijn eerste BDSM-feest kwam ik mijn huidige man tegen. In 2001 zijn we getrouwd.

Eigenlijk is het best wel opmerkelijk dat we een relatie met elkaar aangingen. Mijn man begon als dominant. Toen ik hem tegenkwam, was hij op zoek naar alles wat ik níét was: een onderdanige, kinderloze vrouw. Hij was een anglofiel en viel op blond. Ik ben een halve Française met donker haar. Toch was het liefde op het eerste gezicht. Heel romantisch.”

Hun relatie begon zonder BDSM, vertelt Jacqueline. “Maar al snel gaf hij aan dat hij het wel leuk zou vinden ‘als er af en toe dingetjes met hem zouden gebeuren’. Na een tijdje was het: ‘Misschien ben ik wel een switch.’

In de BDSM-wereld is een switch iemand die kan wisselen tussen de dominante en de onderdanige rol. Zelf zou ik dat niet kunnen, maar ik vond het prima. Weer later was het: ‘Misschien ben ik wel een sub.’ Dat is een afkorting van submissive, de Engelse term voor ‘onderdanig’. En uiteindelijk was het: ‘Ik ben gewoon Jacquelines slaaf.’

Mijn man en ik hebben wat wij een DS-relatie noemen. Dat betekent dat ik in het dagelijkse leven de baas ben. Je zou het kunnen omschrijven als een soort huwelijk uit de jaren vijftig, maar dan met een omgekeerd rolpatroon.

Het heeft niet alleen te maken met seks, het is een integraal onderdeel van ons leven. Sommige zaken in onze relatie zijn ook vrij traditioneel. Zo ben ik degene die altijd kookt. Hij werkt, ik ben braaf thuis. Al doet hij meer in het huishouden dan ik. Dat is zijn dienstbare kant. Ik ben in onze relatie weer degene die de besluiten neemt. Belangrijke besluiten, zoals bijvoorbeeld over geld en vakanties. Maar ook kleinere besluiten. Bijvoorbeeld of hij een biertje mag drinken. Dat vinden we allebei fijn.

Soms doe ik hem pijn. Ik ben tenslotte een sadiste. Sadisme heeft voor mij te maken met seksualiteit. Het is een voorkeur op seksueel en relationeel gebied die bij me past. Het staat los van rolpatronen en mijn opvoeding.

Dat ik mezelf een sadiste noem, betekent niet dat ik altijd en overal iedereen pijn wil doen. Ik vind het afschuwelijk als ik bijvoorbeeld iemand per ongeluk aanstoot bij de bushalte. Alleen onder de juiste omstandigheden vind ik het heel leuk om mensen pijn te doen. Belangrijk is dat de ander er ook een bepaald plezier aan beleeft. Dat het iemand is die ik graag mag en dat er wederzijdse instemming is. Als mijn man, al is hij mijn sub, hier niet mee zou instemmen, is er sprake van mishandeling. En dat is gewoon verkeerd.

Dat ik iemand graag mag, is heel belangrijk. Pijn op zich is niet het belangrijkst, het is een vorm om liefde te tonen. Als ik iemand pijn doe, binnen de BDSM-context, is dat een heel intiem, waardevol en liefdevol iets. Je doet het voor elkaars plezier, om intimiteit te beleven en om samen wat op te bouwen. Het is iets moois. Samen iets delen met een partner, samen iets beleven.

Buiten onze relatie gedraag ik me op een ‘normale’ manier. Ik heb niet het gevoel dat ik moet proberen om iedereen te overheersen. Dat ik de dominant van mijn man ben, betekent nog niet dat ik de dominant van iederéén ben. Op mijn werk, als commercieel medewerker binnendienst, kon ik heel meegaand zijn. Daar moest ik klanten zo goed mogelijk van dienst zijn. En als ik op een feestje een andere sub tegenkom, ben ik ook niet meteen de dominant van die sub.

Mijn man en ik zijn allebei blij met de relatievorm die we hebben gekozen, maar het is soms ook moeilijk. Een relatie is sowieso al ingewikkeld en zeker een relatie zoals de onze, in een maatschappij waarin partners over alle belangrijke besluiten zouden moeten onderhandelen. Bij ons is het anders, maar toch wil je de ander steunen en laten groeien zodat die zichzelf kan zijn. Dus je bent de hele tijd een weg aan het zoeken.

Het ene moment denk je: hoe creëer je een relatie waarin één persoon veel macht heeft? Op een ander moment denk je: dat is te ver doorgevoerd. Dan ga je weer een beetje terug. Je geeft samen vorm en inhoud aan een relatie waarin je je allebei gelukkig voelt. Ik denk eigenlijk dat wij een vrij normale relatie hebben, als je alles bij elkaar optelt.”

Roos (29) is lerares op een basisschool. Iemand die de touwtjes stevig in handen heeft. Thuis heeft ze echter een meester die haar de les voorschrijft. En soms gebeurt dat met harde hand. Roos vindt het heerlijk!

Ze voelt de ogen in haar rug prikken. Gesprekken vallen stil als ze binnenkomt of er wordt stiekem wat lacherig gedaan. Roos en haar vriend Tim hebben een zogenoemde DS-relatie, waarbij DS een afkorting is van het Engelse dominance-submission. Zij is onderdanig, hij dominant. Dat maakt haar ‘raar’ in het dorp waar ze woont: een gehucht waar iedereen elkaar kent en nieuwkomers vorsend worden aangestaard vanachter glanzende ruiten.

“Het is hier heel conservatief, ouderwets en bekrompen”, vertelt Roos. “Je moet hier vooral niet opvallen. Gewoon netjes elke week je gras maaien, je tuintje schoffelen en de ramen netjes zemen.”

Veel mensen in het dorp hebben volgens Roos een ‘Jambers’-beeld van BDSM: “Donkere kelders, veel leer en veel slaan, het liefst tot bloedens toe. En het is vooral niet leuk. SM is veel pijn, angst en narigheid.” De werkelijkheid is veel genuanceerder, maar die eerste indruk blijft bij veel mensen hangen. Ook bij haar vader.

“Op een dag belde hij me woedend op. Hij zei dat hij wel wist wat ik in het weekend allemaal uitspookte. Dat hij zich doodschaamde voor mij. Dat mijn moeder zich zou omdraaien in haar graf en dat het maar eens afgelopen moest zijn met die achterlijkheid. Dat ik een nette vrouw moest worden.

Als hij nu bezorgd was geweest om mij, of boos op Tim, dan had ik het nog begrepen. Wel lief gevonden misschien. Maar hij was bang dat wij er last van zouden krijgen en dat onze dochter er later mee gepest zou worden. Hij was boos omdat we hem dit aandeden.”

Het stel wilde eerst vertrekken naar de Randstad, waar Tim een appartement had, maar uiteindelijk werd het uitgepraat met Roos’ vader en is Tim bij haar ingetrokken.

“Tim heeft hem de waarheid gezegd: ‘Als je je kleinkind wilt leren kennen, dan ben je van harte welkom, maar dit zijn wij. Accepteer het of niet. Het is heel simpel.’ Mijn vader heeft later z’n excuses aangeboden, maar het contact blijft moeizaam.”

Roos had haar eerste ervaringen met BDSM in haar jeugd. “Van mijn zeventiende tot mijn negentiende had ik een relatie met een jongen. We probeerden heel veel uit in bed. Ik merkte dat ik opgewonden raakte wanneer hij me overheerste, als ik hem de touwtjes in handen gaf. Ik genoot ervan om niet te weten wat er ging gebeuren. Jaren later, in 2006, kwam ik op internet op een BDSM-site terecht en dat voelde meteen als thuiskomen.

Het ter beschikking stellen van mijn lichaam geeft me een enorme kick. Ik ben zeker geen slavin of onderdanig persoon in het dagelijkse leven en ook gelijkwaardige seks vind ik leuk. Maar in de handen van de juiste man, die op dezelfde manier omgaat met BDSM als ik, kan ik een onderdanig sletje zijn. Maar als je denkt dat ik me moet gedragen als een soort lager wezen dat elk bevel klakkeloos opvolgt, dan heb je het mis. Dan tref je de überbitch in mij.”

Op de basisschool was Roos een dominant type. “Ik was een kattenkop, wilde graag m’n zin krijgen. Ik kon goed leren en had veel speelkameraadjes. Echte vrienden kreeg ik pas later, toen ik lid werd van een jeugdvereniging, een soort scouting. Stoer en gezellig, maar ook heel gedisciplineerd.”

Na de middelbare school ging ze naar de pabo. “In een dorpje in de buurt heb ik zes jaar groep zeven gedaan. Heel veel geleerd. Ontzettend op m’n bek gegaan in het begin. Ik heb zware jaren gehad. Heel moeilijk publiek. Ouders die het moeilijk vonden om de fouten van hun kinderen te zien. En het was geen veilig team. Je werd niet gedragen door de leiding.

Op een gegeven moment heb ik hulp gevraagd. Ik kreeg die groep gewoon niet onder de duim. Daar is niets mee gebeurd en twee jaar later zat ik thuis met een burn-out. Tim en ik hadden toen net een relatie, ik was onverwacht zwanger en het groeide me allemaal boven het hoofd. Toen heeft Tim me ziek gemeld. Ik ben tot de bevalling thuisgebleven. Sinds begin vorig jaar sta ik weer voor de klas op een andere school. Ik werk met plezier vier dagen in de week en heb nu veel meer mogelijkheden om door te groeien.”

In hun vrije tijd gaan Roos en Tim veel uit in het BDSM-wereldje. “Dat vormt een groot deel van ons sociale leven. Met mijn oude ‘vanille’-vrienden (seks waarbij BDSM geen rol speelt en mensen die niet actief zijn in BDSM worden vaak met de term ‘vanille’ aangeduid, red.) ga ik bijna niet meer om. Dat komt ook omdat ik een kind heb en zij niet. Dan heb je een ander leven.”

Tijdens die BDSM-bijeenkomsten wordt er normale kleding gedragen. “Het is echt niet zo dat iedereen naakt is en in elkaar gemept wordt. Het is gewoon gezellig. Spelletjes doen en wat drinken en praten. Je kunt er jezelf zijn. Als we samen met andere stellen met een DS-relatie zijn, vinden wij het niet raar als een vrouw aan haar partner vraagt of ze buiten een sigaret mag gaan roken of naar de wc mag. Dat kunnen afspraken zijn tussen mensen.

Wanneer iemand het lekker vindt om even bij z’n dominant op de grond of op schoot te zitten, wordt dat als normaal gezien. Dat doe je niet zo snel bij vanillevrienden. In de BDSM-wereld is het één grote knuffel-hippiezooi, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Vorige week hadden we een van de meest epische bijeenkomsten in tijden. We hebben stoofpotten gegeten. Het was een wedstrijdje ‘wie maakt de lekkerste stoofpot’ en dat met allemaal kinksters.

Daarnaast zijn er de speelfeestjes. Op zulke feestjes neem je je eigen spullen mee, zoals zwepen, dildo’s, riemen, vibrators en touwen. Meestal is er een cafégedeelte en daarnaast zijn er speelkamers met attributen die je kunt gebruiken.

Op die feesten wordt niet veel gesekst. Je ziet wat orale en manuele seks, weinig echte seks. Zelf vind ik het leuk om op feesten eens met een andreaskruis of een bondagebok te spelen, omdat we die thuis niet hebben. Dat zijn houten installaties waaraan een sub wordt vastgemaakt om seksueel te worden misbruikt en anderszins te worden vernederd.

Er zijn twee soorten feesten. Op een ‘level één’-feest speelt een dominant alleen met z’n eigen sub. Niemand zal dan ongevraagd aan je zitten of zich met je spel bemoeien. Dat gaat in tegen de etiquette. Op een ‘level twee’-feest kan het zo zijn dat je als sub met alle dominanten moet spelen, ook met mensen met wie je dat eigenlijk liever niet zou doen.

De avond voor zo’n ‘level twee’-feest zegt Tim bijvoorbeeld tegen me: ‘Ik wil dat je me trots maakt.’ Dat probeer ik dan te doen. Als op zo’n feest een dominant wil dat ik voor hem op de knieën ga, doe ik dat voor Tim. Omdat hij dat wil. Hij is mijn meester.

Mijn kick is afhankelijk van de mate waarin ik de macht over mijn lichaam overdraag. Tim kan ook de macht over mijn geest krijgen, maar daar moet hij meer moeite voor doen. Hij moet dan proberen om in mijn hoofd te gaan zitten. Dat kan met pijn, maar ook door wekenlang hints te geven over wat hij met me gaat doen. Ik denk dan: ik wil het niet, het mag niet, het kan niet, het is niet netjes. Maar het is ook heel opwindend. Ik wil het stiekem tóch.”

Roos, die sinds kort haar dominante gevoelens verkent, voelt zich helemaal thuis in de beslotenheid van de BDSM-wereld. Mede doordat vrouwen elkaar niet als concurrenten behandelen, zoals in de vanillewereld.

En het is heel veilig. Op een gemiddeld BDSM-feest voel ik me veel meer op m’n gemak dan op een vanillefeest. Het is openbaar en er lopen spelleiders rond. Verder is het een ongeschreven regel dat je niet drinkt als er nog gespeeld moet worden.

Bovenal is het een warme, hechte gemeenschap. De vriendschappen zijn er vaak intiemer en dieper. Je praat over hoe je je seksualiteit beleeft en hoe je je voelt. Soms bespreek je zelfs je fantasieën. Dat schept een band. En we helpen elkaar, bijvoorbeeld met verhuizen.

Zeker, op internet wordt heel wat gediscussieerd. Een aantal mensen vindt zichzelf geweldig en blaast hoog van de toren. Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat. Een dominant mag dit niet en een sub moet dat, enzovoorts. Ach, wat dat betreft is het net een dorp!”

Deze artikelen verschenen begin 2013 als BDSM-special in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 17 June 2013 in Ongewoon & Anders

Solidariteit als essentie van de joods-christelijke traditie

Huub Oosterhuis heeft in februari bij de lancering van het leerhuis De Nieuwe Liefde in Amsterdam een essay gepubliceerd, getiteld ‘Ik versta onder liefde’ (Ten Have, 2011). Het leerhuis wordt een plek voor studie, bezinning en debat waar ‘de behoefte aan een opvlucht van onze geest niet wordt weggelachen of bedolven onder een ideologie’. Waar de verbeelding wordt gescherpt, het hart en het verstand verruimd, al dan niet via poëzie, muziek en theater. Gemodelleerd naar de joodse leerhuizen, moeten er nog vele van zulke vrijplaatsen volgen.

De Nieuwe Liefde biedt ruimte voor een (hernieuwde) aansluiting met het erfgoed van jodendom, christendom, humanisme en socialisme, stelt Oosterhuis. Ook zal er studie van de islam worden gemaakt en wordt onbevooroordeelde informatie over de wereldgodsdiensten geven, maar de focus of in elk geval de motivatie tot de oprichting ervan, blijkt uit het boek van de oprichter, is op de christelijk-sociale lijn.

De Amsterdammer heeft zijn essay ‘Ik versta onder liefde’ doorspekt met soms prachtige literaire fragmenten die hij gebruikt om zijn verhaal op te bouwen. Via ‘Advent’ van Wystan Hugh Auden (die ‘beschrijft deze eeuw van twee wereldoorlogen als een volstrekte leegte waarin ieder mens tot een fictie dreigt te worden onteigend’) introduceert Oosterhuis de levende liefde, de gedeelde bezieling – van soms maar een enkel moment – die inzichtelijk maakt en verbindt.

Vanaf zijn geboorte naar het heden, laat hij diverse voorbijgangers aan het woord. Hij beschrijft Adolf Hitler, die in 1933, het geboortejaar van Oosterhuis, 44 procent van de stemmen haalt, een nederlaag die als een overwinning werd gevierd. En citeert Sebastian Haffner als die vraagt naar de zwijgende meerderheid en spreek over ‘het laffe verraad van alle leiders van partijen en organisaties op wie 56 procent van de Duitsers, die tegen de nazi’s stemden, hadden vertrouwd (…). Wat is er van die meerderheid geworden?’

De inrichting van Dachau, de boycot tegen de joden, boekverbrandingen, de instelling van de eenpartijstaat, de censuur van kunst en cultuur – ‘In negen maanden werd Duitsland tot Hitler-Duitsland’. Oosterhuis slaat er, net als Hitler, Friedrich Nietzsche op na, de man die zijn tijd een eeuw vooruit was en die al in 1882 in de ‘Vrolijke Wetenschap’ de dood van god aankondigde:

‘”Waar God heen is?”riep hij. “Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik. Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gekund? Hoe konden wij de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? Waarheen beweegt zij zich nu? (…) Dwalen wij niet door een oneindig niets? Ademt ons niet de leegte tegemoet? Is het niet kouder geworden? Wordt het niet steeds meer nacht? (…)”’

Het bezield verband viel toen al uit elkaar. In Nederland was dat al eerder onderkend door Eduard Douwes Dekker. Door het burgerkapitalisme, massafabricage, het monetair-industrieel complex en de opkomst van de moderne stad werden volgens George Steiner ‘de gordijnen tegen het morgenlicht dichtgetrokken’, met een op christelijke hellebeelden en verdoemingsverhalen gebaseerd ‘uitleven van een duizendjarige pornografie van de angst tot gevolg’: de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Dat regime had zich mede gebaseerd op het streven naar werkelijke individuatie, in de lijn van ‘blijde boodschapper’ Nietzsche.

Aansluitend bij ‘god en theologie na Auschwitz’ stelt Oosterhuis: ‘Ik heb geleerd te onderscheiden tussen de christelijke cultuurgod en de God van de bijbel’. Hij vervolgt zijn reis naar hernieuwde bezieling door de god van het jodendom op te zoeken, volgens hem een god van bevrijding en hoop. En van verbinding. Hier komen we bij de rode draad: het joods-christelijke verhaal is een sociaal verhaal, in essentie een bevrijdingstheologie die oproept tot bezielde actie voor de kwetsbaren op basis van recht, solidariteit en ontferming. En dat steeds weer opnieuw, ondanks tegenslagen; geloven tegen de klippen op.

De dichter neemt de kracht van ‘het volk’ Israël als voorbeeld. In 1230 voor het begin van onze jaartelling schrijft farao Mernepta dat Israël niet meer bestaat; hij heeft alle nomadenvolkjes in Kanaän, het huidige Libanon, Palestina en Jordanië, in de pan gehakt. Een eigen god had Israël toen nog niet, al geven de joodse geschiedschrijvers daar vervolgens met terugwerkende kracht een andere draai aan, stelt Oosterhuis. In 586 is het weer raak en wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Maar de Israëlieten geven niet op en in 515 wordt een nieuwe tempel opgericht.

Onder druk van voortdurende vervolging, wordt deze traditie op schrift gezet. De essentie van de Thora-bibliotheek is volgens Oosterhuis: ‘Jij, mens, wie je ook bent, heb liefde tot je naaste die is zoals jij, een nietig ontzagwekkend levende ziel, een ander mens die bestaansrecht heeft zoals jij; geef elkaar dat recht, gelijkwaardig als je bent, zo verschillend als je bent; weest solidair met elkaar’. ‘(…) uniek is: dat dit beroep op het geweten van ieder mens in de mond wordt gelegd van een God met de naam “Ik zal er zijn, ik stuur jou naar mensen in nood”. Hij zal zijn in mensen die elkaar bevrijden.’

Niet zo verwonderlijk, ziet Oosterhuis van Jezus dan ook vooral diens sociale functie. Het verhaal over een Jezus die gestorven is om de zondige mensen met god te verzoenen, en ons te redden van verdoemenis, is voor hem van weinig tot geen waarde. ‘Heb liefde tot je naaste, wees volstrekt solidair met je naaste, die is als jij, een mens’ – deze rabbijnse samenvatting, daterend van tweehonderd voor onze jaartelling, en weerklinkend in de verhalen over Jezus, is voor Oosterhuis richtinggevend.

Hij zet daar de Übermensch van Nietzsche tegenover. Oosterhuis geeft eerst aan dat je met de Übermensch veel kanten op kunt, maar verklaart deze vervolgens voornamelijk als de onderliggende basis voor het dominante vrijemarktdenken, waarbij asociaal en gewetenloos gedrag de boventoon voert. ‘De markt bevindt zich aan gene zijde van goed en kwaad’, schrijft hij.

(Ik heb Nietzsche al jaren niet meer gelezen, maar in mijn herinnering was deze idee vooral gericht op het ontwikkelen van een persoonlijke moraliteit door onafhankelijke zelfbevrijding. En gezien zijn tirades tegen het christendom met haar slavenmoraal, kan ik me niet voorstellen dat Nietzsche de nieuwe priesterkaste van het internationale bedrijfsleven, deze kerken van de nieuwe macht, met hun vele slaven (klanten en medewerkers), zou toejuichen. Dit terzijde.)

Oosterhuis kiest liever voor Marx, volgens hem onterecht afgeserveerd vanwege het vermeend onchristelijke karakter van zijn denken en uiteraard om de mislukte toepassing van zijn ideeën in Oost-Europa. Marx stelt dat de bevrijding komt als we: ‘Alle verhoudingen omver werpen (saneren) waar in de mens een vernederd, geknecht, verlaten en verachtelijk wezen is’. Dus wel bevrijding, maar niet ten koste van een ander (zoals in het traditionele kapitalisme) en in solidaire verbondenheid. ‘Het geloof in het noodlot en de heiligheid van het bestaande, maar ook het geloof en het inzicht in de vernieuwbaarheid van deze wereld doordesemt heel de marxistische traditie en is geestverwant aan het visioen van de bijbel.’

Vervolgens laat Oosterhuis parallellen zien tussen de opkomst van Nazi-Duitsland en die van een club als de PVV in onze tijd (en vergelijkbare populistische radicale stromingen in andere Europese landen). Hij haalt Johan Huizinga aan uit ‘In de schaduwen van morgen’ en laat hem zeggen dat de hoop te vinden is in de gemeenschap van mensen die ‘de leugen geen toegang geven, en die niet vervallen tot levensmoeheid en vertwijfeling’. Een gemeenschap van/in de (creatieve en bezielende) geest (die de mythen van het vrijemarktdenken kan en wil ontrafelen en in verbondenheid kan overstijgen); de mondiale ‘civil society‘ die nu wereldwijd zo’n 5 miljoen mensen zou omvatten.

Hendrik Marsman (in 1940 omgekomen toen zijn boot onderweg naar Engeland zonk, een groot bewonderaar van Nietzsche) was één van hen. Hij dichtte: ‘Alles is immers beter dan dit! / Zou ons hart niet moeten vergaan / van wroeging en schaamte, dat dit / ongestraft kan bestaan! / want geen onzer heeft iets gedaan / om met zijn bestaan te bezweren / dat er bloed aan de handen klit / en het tuig uit de onderwereld / de vulkanische tronen bezit.’

Oosterhuis ziet zich als een metgezel van Marsman, als één van de weinigen ‘die de leugen geen toegang geven en hun knieën niet buigen voor het onrecht’. Hij richt zijn pijlen met name op het beleid voor (of tegen) asielzoekers in Nederland en ziet overeenkomsten met de vervolging van de joden: ‘Het vergelijkbare is de manier waarop weerloze mensen worden behandeld. Dat lijkt wél op elkaar: zo voelt het, de nietsontziende hardheid, zelfs kinderen worden niet ontzien. En zo heb ik het gezien in 1943, in de Amsterdamse Rivierenbuurt.’ (In november 2010 presenteerde Amnesty International het rapport: ‘Vreemdelingendetentie: in strijd met de mensenrechten’.)

De beweging van ‘goede mensen’ anno nu zou vooral moeten insteken op de liefde voor de vreemdeling, aldus Oosterhuis; het moeilijkste dat er is. ‘Opdat de samenleving der mensen niet zal wegzakken in schijnliefde, apenliefde, bezittersliefde, bloedliefde, bloed-en-bodemliefde’. Hij haalt Emmanuel Levinas aan: ‘Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

De vreemdeling, dat is, in deze tijd, de ander, in het bijzonder de kwetsbare ander. Niet alleen de asielzoeker. Die vreemdeling moet onderdeel gaan uitmaken van het utopische streven naar beter, tegen de klippen op. Voorbij Nietzsche, de (onwillige) profeet van de moderne tijd. Voorbij de oude god, misschien wel zoals de bon hommes die zagen bij de katholieke kerk, naar een nieuwe, ware god, die ‘puur licht is en zonder schaduw’. Een god die niets vraagt dan solidariteit met de zwakkere, de vreemdeling.

Daartoe moeten we volgens Oosterhuis: ‘Niet afgestompt raken door de zorgen van iedere dag, en je niet laten intimideren door de harde stemmen der cynische realisten die het beter weten. En niemand hard vallen die de moed verliest. Tijd maken voor troost, bezinning, analyse, muziek. Gedichten lezen, nieuwe moed verzamelen: dat is wat ons te doen staat in onze bezield-verbandhuizen, leerhuizen voor een betere wereld.’

Comments Off

admin op 26 April 2011 in Boek & Meer

Boeken en de liefde voor de gelaagdheid van het leven

Ik houd van boeken die over boeken gaan, geschreven door mensen die houden van het spel met taal en verbeelding. Het bekendste boek is in dit genre is natuurlijk ‘De naam van de roos‘ van Umberto Eco, maar er zijn meerdere boeken die de liefde voor letters, klanken, vormen en betekenissen verweven in een onderhoudende roman.

Soms gaan ze over de jacht op een boek of een manuscript, zoals ‘Equinox‘ van Michael White, auteur van een interessante dissidente biografie over Isaac Newton, dat zeker niet de klasse heeft van het boek van Eco maar toch weet te boeien als een historische thriller over de magie van boeken. Een beetje ‘De Da Vinci code‘, maar dan minder diepgaand.

Soms zijn boeken en werkelijkheid onontwarbaar met elkaar verweven, zoals in ‘Baudolino‘, ook al van Eco, en in ‘Codex‘ van de getalenteerde schrijver Lev Grossman. In het eerste boek wordt het middeleeuwse wereldbeeld versneden met de werkelijkheidsbeleving en verwordt het verhaal tot een hallucinerende trip door diverse bewustzijnswerelden.

Het boek van Grossman is een uiterst knap spel waarbij de zoektocht naar een verloren gegaan middeleeuws boek met diverse lagen wordt gecombineerd met een fascinerend computerspel dat letterlijk, net als schrijven, andere werelden oproept. Het lijkt op Second Life, maar is nog veel realistischer. De suggestie dat heden en verleden door elkaar lopen, misschien worden herhaald in een eeuwige dramatische dans door de tijd, blijft onuitgesproken in de lucht hangen.

Een tweetal boeken dat helemaal draait om boeken, heilige in dit geval, zijn twee romans van de eveneens getalenteerde Eliette Abécassis. Deze Franse schrijfster laat in ‘De schat van de tempel‘ en in de voorganger ervan, ‘Het Qumran mysterie‘ de zogenoemde Dode Zee-rollen tot leven komen. Invoelend en inlevend en met grote aandacht voor de betovering van het woord.

Ze laat de heilige letters, in hun joodse symboliek en energetische waarde, letterlijk tot leven komen als ze worden gelezen door een joodse ingewijde in de mysteriën van Qumran. Als je haar woorden daarover gelezen hebt, spreek je nooit meer over dode letters. Zelfs al zijn het geen geïllustreerde werken, de taal gaat staan, rekt zich uit en begint te bewegen, licht te geven zelfs. Als zelfstandige entiteiten, vertegenwoordigers van machten en krachten die onze wereld bevolken en beheersen, gaan de letters hun lezers betoveren.

Waarom treffen dit soort boeken me zo? Omdat ik schrijf en lees of omdat ze me verder inwijden in de wondere werelden die zich uitstrekken met het lezen van elk goed boek, ongeacht het genre? Ik vermoed het laatste. Een ondernemer die ik onlangs interviewde voor een zakenblad gaf aan dat hij graag reizen maakte, in het echt en in zijn hoofd. Via boeken. Eenvoudiger kan ik het niet zeggen.

Comments Off

admin op 20 February 2008 in Boek & Meer