Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: een fuck up.

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Comments Off

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Katharen dichter bij Jezus dan de kerk van Constantijn

Over de katharen, in hun eigen woorden de bon hommes, doen veel romantische verhalen de ronde. Na lezing van het onlangs herdrukte boek ‘Katharen en de val van Montségur’ van de filosoof Bram Moerland (Synthese, 2011) blijf je als lezer achter met diep respect voor deze goede mensen. En met een pijnlijk scherp inzicht in de systematische vernietiging van andersdenkenden en hun werken door de rooms-katholieke kerk, al vanaf de beginjaren.

De katharen hadden een visie, die verrassend genoeg veel lijkt op die in de hedendaagse buitenkerkelijke spiritualiteit. Die visie kwam ongeveer hierop neer: Vanuit inzicht in de goddelijke kern van de ander, en door individuele vrijmaking van morele dwang, kan een mens komen tot ‘zelfverlossing’ – al gebruikten ze dat woord zelf niet.

Vóór die bevrijding zijn mensen het contact met hun ware zelf of innerlijk weten kwijt. Die toestand wordt slaap, blindheid of dood genoemd. Het is een toestand van angst, gebaseerd op begeerte en het streven naar macht. Het opheffen is als een opwekking uit de dood; weten wie je bent en wat je bestemming is. Dan treed je het hemelse koninkrijk binnen.

Jahweh, de boze god van het Oude Testament, werd door gnostici gezien als een leugen. Hij is arrogant, onbetrouwbaar en wraakzuchtig en in staat tegenspraak met alles waar Jezus voor stond, dus kan hij ook niet diens vader zijn. Zonde, straffen en lijden passen voor hen ook niet in dat liefdevolle plaatje.

Lijden kent ook geen hoger doel of diepere oorzaak, zoals het Oude Testament suggereert, stellen de katharen, net als veel andere gnostici. In confrontatie met lijden zijn een diepere oorzaak of een hoger doel niet belangrijk, er is maar één antwoord en dat is compassie of naastenliefde.

Jahweh was voor de katharen de god van het kwaad, met als kenmerken geweld, onderdrukking en angst. Daar tegenover stond hun god van het goede, met liefde, vrede en gerechtigheid als eigenschappen. De katharen zagen de rooms-katholieke kerk als werktuig van de god van het kwaad.

Het goede nieuws: gelukkig bestaat dat rijk van het kwaad slechts in onze verbeelding, in de schaduwwereld, net als Jahweh. Daarbij geldt: aan de vruchten herkent men de boom. Wat je doet, bepaalt tot welke wereld je hoort; die van de angst (de katholieke kerk) of die van de naastenliefde (die van de bon hommes).

Volgens gnostici als de katharen heeft in het vroege christendom een stroming de macht gegrepen die Jezus in verband bracht met de oudtestamentische messiasverwachting en met het bijbehorende godsbeeld. De mede door bisschop Irenaeus hiertoe in elkaar getimmerde verzoeningsleer was een theologisch lapmiddel.

De verzoeningsleer komt hierop neer: Jezus is gestorven voor onze zonden, die ontstonden doordat Adam van de boom van goed en kwaad had gegeten. Nee, zeggen de katharen, Jezus is iemand die mensen herinnert aan hun ware aard, van bewust zijn, hen inspireert tot het ware leven.

Het bekeringsverhaal van Paulus in de bijbel spreekt boekdelen; het ging om het ervaren van Christus in de geest. En Jezus is een leraar die mensen op de juiste weg wijst. Kerkvader Origenes zei eerder: ‘Zeggen dat de Christus is gekruisigd, is onderricht voor kleuters’.

Toch werd dat, met de Synode van Nicea in 325, mede onder invloed van de Romeinse keizer Constantijn, het centrale verhaal van het intussen geïnstitutionaliseerde christendom. Een andere kerkvader, Augustinus, rechtvaardigde theologisch het geweld dat vervolgens structureel tegen andersdenkenden werd ingezet.

Om te beginnen werden diverse vroege aanhangers van de Jezus-beweging, inclusief vermoedelijk familieleden van Jezus, de dupe. Daarna waren de Ierse christenen, de eerste christenen van Europa, aan de beurt. Ze hadden een bloeiend geloof dat goed geïntegreerd was met de oudere Keltische overtuigingen en spiritualiteit.

Volgens Bram Moerland hadden ze - nog veel belangrijker - een enorm positieve invloed op de culturele ontwikkeling van heel Europa, al wordt dat vaak onderbelicht door historische vertekeningen. Zo is Ierland niet gekerstend door (de latere Sint) Patrick, die even kort voet aan wal zette; dat was al lang voordien gebeurd, stelt de schrijver.

Ook het verhaal van (de latere Sint) Bonifatius verdient een kanttekening. Deze Roomse afgezant, die leefde in de achtste eeuw, had in West-Europa de opdracht om de reeds door de Ieren gekerstende gebieden onder Romeins kerkelijk bestuur te brengen. Hij deed dat op doortrapte wijze en is uiteindelijk als tempelschenner door Friezen vermoord (volgens Bram Moerland bij Utrecht en niet bij Dokkum – het was in elk geval in Frisia).

Voor Europa was de ‘herkerstening’ van de Ierse christenen een enorme stap terug. Het zou nog tot ongeveer het jaar duizend duren voordat de volgende verlichtingsbeweging opkwam, ditmaal in Zuid-Frankrijk; de bon hommes oftewel de katharen (ketters), zoals wij ze aanvankelijk uit de kerkelijke procesverslagen hebben leren kennen.

Met de theologische tandem Irenaeus-Augustinus als tweesnijdend zwaard, gewed door nieuwe heiligen uit hun eigen tijd, werd de kathaarse beweging zo’n tweehonderd jaar na haar opkomst met wortel en tak uitgeroeid. Het was een etnische genocide op een beweging die nu door veel onderzoekers wordt beschouwd als historisch én qua inhoud voortvloeiend uit het vroege christendom.

Recent onderzoek toont aan dat deze stroming, die onder meer de zegen door handoplegging kende, ooit wijd verbreid was in geheel Europa en het Nabije-Oosten. Het was de ondergrondse stroom die, volgens getuigenissen uit processen, ‘vanaf de tijd der martelaren’ onder meer in Griekenland was blijven voorbestaan.

Maar bijvoorbeeld ook bij de Bogomielen in Bulgarije, die hun afkomst terug voerden op de nu vaak negatief afgeschilderde apostel Paulus (mea culpa), en bij de Paulicianen in Turkije. ‘Van de Paulicianen is bekend dat ze Jezus niet als een God beschouwden.’

In de bloeiperiode van de katharen vond op de grens met Spanje een belangrijke en vredevolle culturele uitwisseling plaats met de Moren. Zo werden Joodse, Islamitische en Latijnse denkbeelden opnieuw geïntroduceerd in Europa, bewaard gebleven door islamitische geleerden (het was de gouden eeuw van de islam) toen de kerk deze uit alle macht probeerde te vernietigen.

De hoofse cultuur deed opgang, met de ridderlijke idealen, romantische liefde en de liefde voor minnezangen, poëzie en filosofie. Kortom: het was een verfijnde, open, internationale atmosfeer die in weinig te vergelijken was met de bekrompen kerkelijke doctrines die Europa in de honderden jaren daarvoor de duisternis hadden ingeleid. (Hierdoor beïnvloed ontstond binnen de kerk ook een meer verlichte stroming).

Deze lichtende beweging, die later werd opgevolgd door de Renaissance, kon door de kerk niet worden getolereerd. Bekende christenpredikers luidden het bloedige einde in. Bernardus van Clairvaux ging polshoogte nemen. Hij werd met de rug aangekeken en schreef daarna het gemeentebestuur van Toulouse: ‘Daarom, dierbaren, vervolgt hen, neemt hun goederen in beslag’.

Ook de latere ‘heilige’ Dominicus ging op onderzoek. Deze concludeerde: ‘Waar de zegen faalt, zal een stevig eind hout slagen. (…) Zo zal de macht van het geweld slagen, waar de milde dwang der overreding niet heeft mogen baten.’

Uiteraard in een complex samenspel van religieuze en wereldlijke verhoudingen, werden zo de kiemen gelegd voor de corrigerende en koloniale veldtochten van het roomse ‘Rijk van het Kwaad’. Een belangrijke drijfveer om mee te doen, was de pauselijke volmacht om de landgoederen van de verdreven ‘ketters’ in bezit te nemen; kerk, kapitaal en wereldlijke kracht gingen zoals altijd uitstekend samen.

Het vlot geschreven boek van Bram Moerland biedt een overzicht van actueel onderzoek en ontrafelt oude fabels, vaak gebaseerd op door marteling verkregen procesverslagen van de inquisitie. Zo krijgen de bon hommes een stralend en aansprekend gezicht. Deze mensen waren naar leer en leven ook geen ketters, maar mensen die vermoedelijk dichterbij Jezus stonden dan de kerk van Constantijn ooit is geweest.

(Foto: Rubin Vicinte)

Comments Off

admin op 26 June 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus I gaf zijn geest aan Jezus II

De verstandelijke interpretaties van Jezus, zijn leven en leringen, blijven zich opstapelen zolang mensen vragen stellen. De antwoorden zijn behulpzaam, maar leiden niet tot een compleet inzicht in deze verlichte man, die mens was, genezer en een soort goeroe.

Hans Stolp kiest in zijn recente boek ‘Het geheim van de twee Jezuskinderen’ (Ankh-Hermes, 2010, 17.90 euro) dan ook niet voor de weg van het hoofd, maar die van het hart. Hij vraagt de lezer vooraf om de behoefte aan bewijslast voor de twee Jezuskinderen op te schorten en zijn vertellingen in het hart te ontvangen; Jezus ontmoeten is een belevenis, geen berekening of beeldspraak.

Hoewel ik dat geprobeerd heb, en de schrijver daar soms ook in is geslaagd; om me zonder vragen te laten meegaan in de beleving, viel dat niet mee. Dat is ook niet zo vreemd, want het verhaal waar hij zich op baseert is vrijwel onbekend en dat dwingt tot opletten bij de lezer en tot een verhoogde uitleggerigheid bij de schrijver.

Het boek begint nu met verhalen over de twee Jezuskinderen. Dit op basis van een reconstructie, verderop in het boek, die grotendeels gebaseerd is leringen uit de theosofie, gnostische teksten en theologisch-historische interpretaties van oude kunstwerken (bron: ‘Die Zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst’ van Hella Krause-Zimmer). Misschien was het beter geweest de volgorde om te gooien.

Omdat het verhaal onbekend is, zal ik daar voornamelijk op ingaan. De Esseense gemeenschap waarin Jezus vermoedelijk is gevormd, verwachtte – zoals bekend – een koning-messias en een priester-messias. Zij spelen een rol in een bijzondere machtswisseling die zich op een bepaald moment in de geschiedenis van deze Esseense gemeenschap lijkt te hebben afgespeeld.

Hier lopen de theorieën uiteen. Jezus zou, volgens een extreme uitleg, als radicale vernieuwer de ‘gemene priester’ zijn die deze conservatieve gemeenschap heeft verscheurd (en zo aan de basis heeft gestaan van wat later door de Romeinse invloed het christendom is geworden).

Stolp ziet het anders. Hij veronderstelt dat de Essenen contacten hadden soortgelijke groeperingen buiten de eigen religieuze context, met name met zonne-aanbidders in Egypte en met aanhangers van Zarathoestra. Ook zou het verhaal over Siddharta Gautama (de ons bekende boeddha) rond de Jezus-tijd in Nazareth bekend zijn geweest.

In zijn vertelling gebruikt Stolp veel van dit soort elementen om een web te weven dat het volgende aannemelijk moet maken: twee jongens werden bezield door grote geesten uit verschillende tradities en op jonge leeftijd besloot één van beide kinderen de geest te geven aan de ander (de eerste stierf snel daarna). De overblijver werd de Jezus die wij uit de bijbelboeken kennen, een man die door diverse tradities werd verwacht als de levende zonnenkracht of -geest. Van conflicten is in dit verhaal geen sprake, het is een warme, blijde gebeurtenis met verstrekkende gevolgen.

De argumenten voor deze theorie bestaan uit de verschillende versies van bijbelverhalen over Jezus en zijn jeugd, gnostische teksten, diverse recente boeken over ‘het esoterisch christendom’ (vooral antroposofische) en interpretaties van oude schilderijen. Stolp combineert de argumenten hieruit die passen in zijn visie, maar doet geen moeite om andere visies op zaken te weerleggen of zelfs maar te noemen. Dat is naar mijn mening de legitieme keuze van een gelovige die vooral wil bezielen in plaats van beargumenteren.

Geraakt worden in het hart was zijn insteek, maar als je naast een geloofsargument een historisch verhaal wilt overbrengen, en dat wil Stolp, zul je mijns inziens ook het verstandelijke erbij moeten betrekken. En dus ook in de tekst een afweging moeten maken. Geloofsbeleving en historische werkelijkheidsweergave hoeven elkaar overigens niet uit te sluiten. Maar als het laatste het eerste vooronderstelt, dan haal je het fundament onder de huidige geschiedwetenschap vandaan. En dat is wat Hans Stolp doet.

Hij vraagt ons om te geloven. Zo noemt hij het Evangelie van de Egyptenaren waarin staat: ‘Het heil zal in de wereld komen als de twee één worden.’ Volgens Stolp gaat dat over vereniging van de wezens van de twee Jezus-kinderen. (Overigens staat hierover een soortgelijke opmerking in het Evangelie van Thomas, maar die wordt aan Jezus toegeschreven en zou net zo goed een aanwijzing kunnen zijn voor de esoterische praxis van non-dualiteit in plaats van een historisch verslag van wat eens een profetie was).

Het verhaal van Stolp over de schilderijen, in het boek te controleren via kleurenreproducties, vind ik het meest boeiend. De al eerder in enkele werken over alternatieve (christelijke) geschiedschrijving genoemde suggestie Johannes = Maria in ‘Het Laatste Avondmaal’ van Da Vinci duikt op, maar er is meer. Zo verwijst Stolp naar het schilderij ‘Madonna op de rotsen’ van Da Vinci uit 1492, dat zich nu in Parijs bevindt. We zien een centraal geplaatste vrouw, twee kinderen en een lager en kleiner weergegeven vrouw, die bij nadere bestudering een engelenvleugel heeft.

Stolp ziet hierin het geheim van de twee Jezuskinderen en hun verhaal, nog steeds gebaseerd op onderzoek van Krause-Zimmer. Volgens de schrijver zegent de centraal geplaatste vrouw het kind rechts (van ons uit bezien), maar het zou heel goed anders kunnen zijn: ze ontvangt (met haar linkerhand) de energie van het kind rechts (links van haar) en geeft die energie met haar (rechter)hand op de achterkant van het hart door aan het kind dat met de handen gevouwen rechts van haar zit (links van ons).

Mij lijkt het dat alle energie naar het knielende kind links van ons gaat. Het kind links is de versie van het schilderij dat in Londen hangt voorzien van een symbool van Johannes de Doper, de kruisstaf. Dat lag ook voor de hand, want het jongetje rechts maakt op beide versies van het schilderij een gebaar dat we vaker zien bij sommige orthodoxe Jezus-iconen.

Hoewel de versie die in Parijs hangt vragen oproept in de lijn van de theorie over de twee Jezus-kinderen (met volgens Stolp twee moeders die allebei Maria heten), zou je dus net zo goed kunnen zeggen dat hier simpelweg het verhaal van Johannes en Jezus wordt verteld zoals het volgens een verborgen traditie is gegaan; Johannes was de grootste door zijn nederigheid en Jezus, in het schilderij ook lager geplaatst, ging er daarna met het verhaal vandoor (al hebben de bijbelboeken van het Nieuwe Testament dat volgens deze denkwijze ‘gecorrigeerd’).

Een ander schilderij, voor de argumentatie van Stolp groot van belang, is dat met twee vrouwen en twee kinderen, omstreeks 1400 gemaakt door de (onbekende) Meister van Nurnberg. De symboliek hierin is goed uit te leggen in de lijn van het verhaal van de twee Jezuskinderen. Maar ook volgens de traditie van de machtsgreep.

Zo zitten beide kinderen op kussentjes, het linker (voor ons links) op een rood kussentje, het rechter op een blauw. Als kleur bij kleur hoort, dat lijkt logisch, zou het kind links op het rode kussentje (volgens Stolp het jong te sterven Jezus-kind) de zoon zijn van Elisabeth zijn, die voor ons rechts zit. (’Elisabeth’ wijst ook met haar linker wijsvinger naar het centrum van het kruis midden in het hoofd van het kind. Dat jongetje zou dan Johannes zijn.)

Volgens Stolp gaat het hier om het verhaal van de twee Jezuskinderen, en hun beide moeders die Maria zouden heten, waarvan de boodschap door de symboliek van het aanwezige spinnewiel en de verwijzingen naar de bekende Maria, Elisabeth, Jezus en Johannes is verhuld voor niet-ingewijden.
Wat aan dit schilderij opvalt en waar Stolp niet op ingaat, is dat het kind voor ons links, mijn ‘Johannes’, met rechts een lepel vasthoudt met een beetje goud erin en met links een soort pan, geheel gevuld met goud (misschien was het lastig om diepte te verbeelden met goudverf?).

Mogelijk is dat goud hetzelfde materiaal als de draad die ‘Elisabeth’ weeft. ‘Maria’ heeft iets vast dat lijkt op een soort spoel om verschillende draden in elkaar te weven, maar ze komt nog niet aan bod. Verder houdt zij een soort rieten parasolletje vast, een symbool dat vagelijk lijkt op dat wat in sommige basilieken staat (maar dan van doek).

Mijn Johanneskind links lijkt met rechts een beetje goud uit de pan te scheppen. Hij houdt de pan met links vast, waar zijn tegenhanger deze met rechts vast heeft. Misschien is dat wel een symbolische weergave van het verhaal dat beide Jezuskinderen samen opgroeiden en dezelfde spirituele goudpot deelden waaruit het latere weefsel van de kerk is geweven? Jezus I die Jezus II zijn geest geeft, zoals Stolp meent.

Of gaat het toch over Jezus en Johannes; dat Johannes degene was die het goud in overvloed ontving, hij deelt uit, lijkt de eigenaar van de pan (je kunt niet geven wat je niet hebt) en dat Jezus, zonder lepel en met alleen zijn knuistje om de steel van de ‘pan’ geklemd, zich deze pan toe wil eigenen? ‘Jezus’ kijkt een beetje huilerig naar ‘Elisabeth’ alsof hij zegt: ‘Nou wil ikke!’ Het kind links observeert, heeft een meer neutrale gezichtsuitdrukking.

Het leeuwendeel van het boek, laten we dat vooral niet vergeten, is gevuld met de romaneske vertelling van het Jezuskinderenverhaal. En dat verhaal van Stolp is mooi om te lezen. Het voorgaande is overigens allerminst bedoeld om hieraan afbreuk te doen. Al met al biedt het boek van Stolp voldoende om mee aan de slag te gaan. Op wat voor manier dan ook. Voornamelijk vanuit het hart, ontvangend en genietend, of vanuit het verstand of misschien wel vanuit beide? Het is in elk geval een grote verdienste dat hij deze verhalen voor onze deze tijd weer tot leven heeft gewekt.

Comments Off

admin op 18 January 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Samen God ontdekken in Sittard

Ze zijn geen evangelisatie-familie; zo willen Jan en Carolien Poukens uit Sittard met hun drie meiden niet worden neergezet. Het christelijk geloof is een aspect van hun leven dat ze graag willen uitdragen. Ze runnen een bijbelclub voor kinderen en geven cursussen over de fundamenten van het christelijk geloof. Hun wereldbeeld willen ze zeker niet opdringen, maar als mensen het vragen ‘wijzen we ze graag de weg naar Jezus’. Een ontmoeting.

Hij ziet het als zijn rol om mensen uit hun ‘comfort zone’ te halen, uit hun behaaglijkheid. Met filosofisch getinte vragen over de zin en invulling van het leven. Op basis van eigen ervaringen en gewapend met kennis van zijn hbo-opleiding theologie.

Zij is niet van de geleerde theologische discussies, gelooft gewoon in God en Jezus, en gaat vooral met de kinderen aan de slag; mindmappen, tekeningen maken, verhalen vertellen, kastanjes poffen, zingen en gitaar spelen. Dat voelt goed.

Niet met een claim op exclusiviteit of de beste te zijn, zegt hij snel, maar wel met inhoud; kinderen van hun bijbelclub, en uiteraard ook de deelnemers aan de cursussen, moeten wel weten hoe de vork in de steel zit.

Jan heeft het over ‘anderen leren om existentieel te leven en ze geestelijk opvoeden’. Maar je moet kinderen ook weer niet ‘platpreken’, zegt zij dan weer over de bijbelclub. Wel moet de ‘blijde boodschap’ er altijd in. ,,Als ze vragen: wie is God? Ze dat laten ontdekken en de vraag stellen: wat wil je ermee?”

Te vaak hoort ze van jongeren dat ze ’sinds de communie niets meer met God hebben gedaan’. Jan: ,,Al zeg ik niet dat mensen in kerken niks van God kunnen ervaren. (…) Een idee dat bijvoorbeeld bij sommige kinderen leefde, die bij ons naar de club kwamen, was dat Jezus opgesloten zit in dat gebouw waar je af en toe naartoe kunt.”; de kerk.

Hij wil voorbij de stenen naar de directe godservaring, de ervaring van Jezus. (God en Jezus, dat is volgens hem uitwisselbaar.) ,,Vaak leven mensen langs God heen, verblind door materialisme bijvoorbeeld. Dat is de tragiek van de mens.” Voor hem is het een uitdaging om daar ‘een invloed op te zijn’.

Hoogspanning

Zelf heeft Jan het christelijk geloof aangenomen na een ingrijpende ervaring in zijn jongere jaren. ‘God op 220′, noemt hij dat. Jan was jong en iets diep in hem bleef boos en onverschillig. Op z’n negentiende besloot hij zijn geluk te zoeken in Nieuw-Zeeland. Vier jaar werkte hij er als melker op diverse boerderijen, later ging hij aan de slag op een kiwi-plantage met een pakhuis erbij.

,,Ik was een romanticus, wilde gaan pionieren, de grenzen van het alledaagse doorbreken. Ik was voorman en sliep daar in een arbeidershok. Op een dag werd ik wakker. Ik hoorde een stem: ‘Ga naar de kerk’. Het was een zachte aanwezigheid en het leek me toen een ontzettend goed idee om te doen.” Het diepe onbehagen, de zinloosheid vielen van hem af. Jan Poukens, intussen vierentwintig, had heelheid ervaren.

,,Die gebeurtenis heeft me diep aangegrepen, het was een absolute zijnservaring. De brede weg en de smalle. Ik ervoer het als een hand die naar me toekwam. Het was God die me in Jezus de hand reikte. God die de hemel was uitgestapt en me kwam redden van mijn goddeloze weg. Ik ervoer genade. Voor mij was het een reden om goed te willen leven.” Dat wil in zijn geval zeggen: als iemand die God voorop stelt en het christelijk geloof omarmt.

En dat geloof wil hij graag delen, net als zijn vrouw. Heel graag. ‘High on Jesus’, noemden ze dat in de jaren zeventig bij de Amerikaanse Jesus People. Nou, zo voelt Jan het soms ook; hij kan er waarschijnlijk dagen aan één stuk over praten.

,,Het besef dat iemand van je houdt”, doet hij nog eens een poging om het in woorden te vatten. ,,Het geeft ook lol in je leven; dat is de invloed van God in je bestaan als je tot de kern van het christelijk geloof weet door te dringen.” Daardoor staan ze ook anders in het leven. Jan en Carolien zijn echt, authentiek. Geen ‘plastic christenen’ die ondanks hun grote religiositeit niet tot de essentie zouden doordringen.

Ze stellen: ,,De vraag moet zijn: heb je je al laten aanspreken door God?” Dat kan bij het echtpaar sinds 2009 ook tijdens de zogenoemde alpha cursussen die bedoeld zijn om ’samen op zoek te gaan naar God’. Deze cursus is in Nederland al door 180.000 mensen gevolgd.

Cursussen

Carolien, al jong actief bij christelijke jeugdclubs als Youth for Christ, is zes jaar geleden minder gaan werken. Ze is leerkracht in het basisonderwijs. Daardoor kan ze nu, met Jan, die deeltijd werkt als Z-verpleegkundige, een deel van haar energie steken in de Hoogveldse bijbelclub en die alpha cursussen. De resterende tijd besteedt ze aan hun drie meiden; die vragen natuurlijk ook de nodige zorg en liefde.

Een ervaring als van Jan - die wat weg heeft van die van de bijbelse Saulus - heeft ze niet gehad. Carolien stelt ook wel haar vragen, maar de essentie van het verhaal blijft altijd overeind. Daar stopt het vragen. Ook voor de filosofisch ingestelde Jan overigens.

De kern is ongeveer dit: ‘God heeft Zijn eniggeboren Zoon Jezus naar de wereld gezonden om de mensheid te bevrijden van de zonde. Jezus is zowel God als mens. Ook is hij de Tweede Persoon in de goddelijke Drie-eenheid.’ (Wikipedia).

Nee, Carolien is meer van doen en misschien nog wel meer van gevoel, zoals Jan meer van praten en denken. Veiligheid en acceptatie zijn heel belangrijk voor kinderen, weet Carolien, en dat geldt ook voor de bijbelclub. ,,Ik wil dat onze club een plek is waar je gewoon je zelf mag zijn. Een plek waar je geaccepteerd wordt.” Geaccepteerd door het echtpaar en hun kinderen. En door God natuurlijk, want die is in huize Poukens niet meer weg te denken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje in Sittard.)

Comments Off

admin op 6 January 2011 in Religie & Spiritueel

Jezus, gijzelaar van het christendom

Als er iemand is die ik graag eens zou willen interviewen, is het Jezus, de man die in de loop der eeuwen een enorme gedaanteverwisseling lijkt te zijn ondergaan. Wie was hij en vooral wie was hij niet? Zijn invloed, of in elk geval de invloed die in zijn naam is uitgeoefend, is enorm. Maar waar is deze op gebaseerd?

Historische onderzoekers anno 2010 moeten zich vaak als archeologen door diverse lagen ‘geloofsfeiten’ heen werken die religie heeft achtergelaten (fysieke opstanding na de dood et cetera). Verhalen die mensen van de eigen gemeenschap(pen) inzicht bieden en op de juiste weg houden. En verhalen die aansluiten bij een werkelijke of gewenste politieke situatie vanwege het maatschappelijke belang van de eigen groep.

In oktober 2009 verscheen in Nederland bij Tirion Uitgevers het boek ‘De vele gezichten van Jezus Christus – Beeldvorming, tegenstellingen, (on)waarheden’ van Lynn Picknett en Clive Prince (29,95 euro). In deze goed gedocumenteerde baksteen bieden ze een modern perspectief op Jezus, gebaseerd op recente (vaak onorthodoxe leken-) studies van de afgelopen jaren en van ander, in theologische kringen meer geaccepteerd, onderzoek.

Dit boek is slechts één weg door de materie. Als leek, niet geheel doorwrocht in theologische en andere relevante kennis, is het lastig om op punten te zien in hoeverre weerleggingen mogelijk zijn met mogelijk meer ‘wetenschappelijke’ autoriteit. Bijvoorbeeld als het gaat om contextuele interpretatie van begrippen en gebruiken, met name uit het Joodse en het Griekse geloof, maar ook uit vanuit smeltkroes Alexandrië ingepast gedachtegoed.

Toch is dit boek heel waardevol, omdat het laat zien hoe functionele illusies ontstaan en voortdurend in verandering zijn. Een boek als dit zal door de orthodoxie worden doodgezwegen of verworpen, terwijl deze het als een geschenk zou moeten aanvaarden. Een geschenk, dat het mogelijk maakt dat het christendom zich verjongt en opnieuw een betekenisvol geloof wordt voor mensen van nu. Terug naar de spirituele kern, die er ongetwijfeld is en waarvoor een geheime brief van Clemens van Alexandrië duidelijke aanwijzingen geeft.

Het boek is te veelomvattend om hier recht te doen. Toch wil ik een aantal punten aanstippen. Volgens de auteurs, die hier onder anderen Burton Mack volgen, wordt het ontstaan van de evangeliën gekenmerkt door twee cruciale en traumatische incidenten in de jaren zestig van onze jaartelling. Het verdwijnen van Paulus uit het verhaal doordat hij naar verluidt stierf tijdens de eerste christenvervolgingen in 64 door Nero en de Joodse Opstand tussen 66 en 70. Beide zaken zorgden voor zelfreflectie op het imago en een gedwongen herpositionering. Christenen konden alleen overleven als ze afstand namen van de rebellerende joden.

Deze twee gebeurtenissen kunnen ook invloed hebben gehad op het ontstaan of versterking van de scheiding tussen een exoterische en een esoterische leer. Voor dat laatste is de vondst van Morton Smith in 1941, een kopie van brief van Clemens van Alexandrië waarin wordt gerept over een spiritueel evangelie en een inwijdingsleer verborgen achter zeven sluiers (chakra’s?) die tegenwoordig als authentiek wordt beschouwd, een sterk argument. Verder zijn ook in de evangelieverhalen en natuurlijk in het evangelie van Thomas diverse aanwijzingen te vinden dat niet alle leringen in de openheid plaatsvonden.

Daarnaast, zo blijkt steeds meer, speelde een klaarblijkelijke rivaliteitskwestie tussen discipel Jezus en zijn goeroe, de destijds veel bekendere en voor Herodes vanwege zijn enorme aanhang als bedreiger van de sociale orde beschouwde Johannes de Doper. Die leidde ertoe dat Jezus schijnbaar (een groot deel van) de beweging van De Doper overnam en delen van diens rituele teksten en gebruiken overnam of omwerkte.

De missie van Jezus begint ook grotere vormen aan te nemen tijdens de gevangenname van De Doper. Als je het cynisch wilt zien, een uitgekiende periode voor een geleidelijke religieuze paleisrevolutie. Dat vermoeden wordt gesterkt, doordat de schrijvers via diverse theologen argumenten aanvoeren waaruit de sterke indruk ontstaat dat Johannes de Doper Jezus nooit als zijn opvolger heeft gezien.

De beweging van de De Doper en later van Jezus (die de oude wijn (leringen) niet meer in de vorm van Johannes en zijn beweging wilde gieten en daarom als ‘de gemene priester’ een nieuwe zak maakte) is volgens de schrijvers mogelijk voortgekomen uit Alexandrië (denk aan de uittocht-hypotheses van Feather, Osman en Sabbah) en landde in Samaria, waar deze, de schrijvers baseren zich hier onder meer op het onorthodoxe onderzoek van Shimon Gibbon naar de vermeende grot van Johannes de Doper in Suba, al zeker zo’n zevenhonderd jaar voor onze jaartelling actief zou zijn geweest.

Interessant genoeg, had deze Samaritaanse beweging (Jezus wordt in het Nieuwe testament voor Samaritaan uitgescholden en weerlegt dat niet, ook zijn concurrent de tovenaar Simon Magus was een Samaritaan) een cultus waarbij voetwassing minstens zo belangrijk lijkt te zijn geweest als de doop (vergelijk ook de rituele voetwassing van de paus tijdens Pasen; in dat geval zou Johannes de Doper zijn leerlingen de voeten hebben gewassen als teken van nederigheid). Invloed van ‘heidense’ dooprituelen is verder niet zo vreemd, want Jezus’ werkveld was een vrij kosmopolitische omgeving - anders dan jaren geleden werd aangenomen.

In het boek worden de klassieke elementen uit het christelijke stripverhaal, een vereenvoudigde voorstelling van zaken voor de buitenste ring van (licht)gelovigen, punt voor punt besproken. Het is bekend dat Jezus na zijn dood groter gemaakt werd om zijn beweging sterker te maken en meer legitimiteit te geven. Bijvoorbeeld door hem tussen de regels door, maar uiteraard niet openlijk vanwege de rebelse implicaties daarvan, te vergelijken met de keizer (Carotta geeft hiervan enkele overtuigende voorbeelden, maar schiet vervolgens geheel door in zijn behoefte om zijn vooronderstelling, dat Jezus een Romein was, harder te maken).

Een voorbeeld dat niet zo bekend is, is de aankondiging van de geboorte van Jezus door de magi. Picknett & Prince veronderstellen dat dit verhaal vermoedelijk is geleend van een goed gedocumenteerde historische gebeurtenis, namelijk het bezoek van de Parthische koning Tiridates van Armenië en zijn drie zonen aan Nero in 66 om hem te vereren als hun God (in hun geval Mithras, de God die interessant genoeg ook met opstanding wordt geassocieerd). Dit als verzoeningsgebaar vanwege het einde van de lange strijd tussen Rome en de Parthen.

Een ander voorbeeld, is het wonder waarbij water in wijn wordt veranderd. (Dit wonder betreft mijns inziens, gebaseerd op de uitleg van de schrijvers hierboven van de gelijkenis over de wijnzakken, een bekerings- of inwijdingsverhaal; de transformatie van ongelovige in gelovige staat centraal). Ze wijzen erop dat de Griekse God Dionysus (Bacchus bij de Romeinen) om dit soort wonderen bekend stond.

Zo werden door zijn invloed lege en verzegelde vaten ineens vol wijn aangetroffen en werd jaarlijks in Sidon tijdens zijn jaarlijkse feest het verhaal verteld dat hij water in wijn veranderde. Volgens Witherington III, stellen de schrijvers, werd het wonderverhaal in Kana vroeger in de kerk werd voorgelezen op 6 januari, de oude datum van het feest van Dionysus.

Onvermijdelijk in een boek als dit, komt ook het fascinerende verhaal van Jezus de magiër aan bod. En inderdaad, hiervoor zijn diverse aanwijzingen, onder meer bij (alweer) Morton Smith (parallellen met Egyptische tovenarij en John Hull (parallellen met Griekse tovenarij). Misschien moest hij Jezus ook wel dat soort technieken gebruiken (misschien wel inclusief enkele goocheltrucs voor de eenvoudigen van geest) om niet uit de toon te vallen en meer aanhang te verwerven. (Zo zie je dat veel mediums tegenwoordig hetzelfde praten en doen in navolging van bekende tv-mediums en -healers. Bepaald gedrag gaat bij de professionele verschijning horen).

Duidelijk is dat Jezus door externen soms als bezetene of als iemand met een geknechte werkgeest (demon), werd gezien en dat hij gebruik maakte van ‘magische’ formules (het Griekse ‘Phimotheti’ bijvoorbeeld) en dito handelswijzen (energie doorgeven door te blazen en op afstand genezen; beide handelswijzen zijn overigens gebruikelijk binnen reiki). Vooral het gebruik van buitenlandse technieken, die het vereren van andere goden impliceren, zou hem kwalijk zijn genomen door de Joden van zijn tijd.

De vraag bij al dit soort zaken, is in hoeverre Jezus zelf door exotische zaken is beïnvloedt en in hoeverre dit achteraf er (in omgewerkte vorm) aan de haren is bijgesleept. Al dan niet door reli-spindoctor Paulus en anderen. Verder is de sterke buitenlands religieuze/spirituele invloed schijnbaar strijdig met het Joodse messiasbeeld (daarvan waren indertijd diverse varianten en er zijn tekstuele sporen dat Johannes door velen als de messias werd gezien en Jezus aanvankelijk helemaal niet) en de verwachte eindtijd (die schijnbaar voor de deur stond, maar later uiteraard moest worden bijgesteld om het uiteenvallen van de beweging te voorkomen).

Of er is een middenweg; de beweging was exotisch en relatief geïsoleerd, maar toch verspreid en beïnvloedt door de mensen, geloven en omstandigheden in het gebied waar De Doper en Jezus actief waren of via via contacten hadden. De schrijvers pleiten hiervoor, door te wijzen op nog niet veel genoemde linken met Samaria, die ze verspreid in hun boek met argumenten onderbouwen.

(De Esseense beweging, met contacten in Egypte, zou ook in zo’n profiel passen, maar ik neig nu, vanwege de sterkere aanwijzingen in de bijbelboeken, naar de Samaritaanse insteek. Misschien sluit het één het ander niet uit, zoals er nu ook veel onderlinge contacten bestaan tussen uiteenlopende groepen).

De vermeende spirituele erfenis van de beweging waar Johannes de Doper en (oorspronkelijk, vermoeden de schrijvers, ook) Jezus deel van uitmaakten, bij de Mandeeërs, wordt ook aangehaald. Jezus komt in één van hun geschriften voor als de spreekwoordelijke Judas in het Johannes de Doper-verhaal. Er lijkt zelfs sprake van wat nu in de VS ‘identity theft’ wordt genoemd. Jezus meet zich de kenmerken van Johannes de Doper toe, de eerstgenoemde wordt de messias die voorspeld was en niet Johannes de Doper.

Een citaat uit het Mandese Boek van Johannes (geciteerd in Maccoby, 1992): ‘Jezus Christus komt, in alle nederigheid, wordt gedoopt met de doop van Johannes en wordt wijs door de wijsheid van Johannes. Vervolgens verdraait hij het woord van Johannes en verandert de doop van de Jordaan, waarbij hij de woorden van de kusta (belangrijke rituele groet en handdruk) aanpast en slechtheid en valsheid in de wereld roept.’

Als dat laatste al gebeurd is - ook het Boek van Johannes is door de mensen erachter natuurlijk een boek met een missie - blijft de vraag hoe ’slecht’ dat nou is. Slecht voor de gelovigen van de club die het heeft opschreven, maar de mens met zijn neigingen en God / het goddelijke met zijn eigenschappen, veranderen vermoedelijk niet zoveel. Dus de essentie zal altijd blijven bestaan en biedt de mens altijd aanknopingspunten.

Verhalen wordt steeds opnieuw verteld, afhankelijk van hun context. Om ze begrijpelijk te maken en om in te spelen op actuele en/of gewenste ontwikkelingen.  Er lijken zich daarbij overigens herhalende patronen af te tekenen, vergelijkbaar met de filosofie achter filmtrilogie The Matrix. Alles en iedereen wordt voortdurend herbenoemd en opnieuw verbonden. Met de huidige inzichten, ook uit het hier besproken boek, kan Jezus in dat verband worden gezien als een gijzelaar van het christendom.

Een interview met de historische Jezus anno 2010 zou heel interessant kunnen zijn om helderheid te verschaffen over de beeldvorming van zijn tijdgenoten, maar misschien zou ik er wel helemaal niet veel van begrijpen, gewend als ik ben aan de verhalen die eeuwenlang verteld zijn. En dan nog, zou het wat veranderen aan de kerk als instituut? Dat zou wel mooi wezen. Dan wordt het weer ‘de stralende religie’ of ‘de lichtreligie’ zoals de Jezus-beweging genoemd werd in het China van de eerste eeuw van onze jaartelling.

Comments Off

admin op 29 April 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Ramadan: hoe ga jij met de dingen om?

Ramadan is een moslimfeest voor mentale en fysieke reiniging, en bezinning op je sociale verantwoordelijkheid. Tijdens de vastenmaand schoof ik namens het Wijkkrantje aan bij de familie Vlemmings in Sittard. Ik had een openhartig gesprek met Sabah (43), Jop (48), Nora (18) en Omar (7) over ramadan, de islam en de Nederlandse samenleving.

,,De islam is het verlengde van het christendom”, zegt Jop Vlemmings, een autochtone katholiek die in 2000 moslim werd vanwege zijn huwelijk met de Marokkaanse Sabah. ,,Het was een logische keuze; het christendom komt voor uit het jodendom en de islam is weer het vervolg op het christendom. En innerlijk voelt het beter, ik zit nu beter in mijn vel.”

Hij vult aan: ,,De islam is een vooruitgang ten op zichte van het christendom; Mohammed is de laatste profeet. Maar verder hebben alle drie de geloven dezelfde god, dus dat verandert niet.

Ik zie dat het christendom steeds minder wordt en dat er vooral nog oudere mensen naar de kerk komen. Vergelijk dat met het moslimgeloof: als wij naar de moskee gaan, mag je blij zijn als je plaats hebt. Zeker in Marokko. Mijn indruk is ook dat de mensen daar, een stuk geloviger zijn dan hier.

Wie van de katholieken zie je hier nog vasten? Het christendom is ook de nodige keren slecht in het nieuws gekomen; dominees die zich vergrijpen aan kinderen, pastoors die trouwen. Ik weet niet of dat bij ons niet voorkomt. Misschien komt het ook niet naar buiten.”

Jop was jarenlang directeur van een bedrijf met tien CNC-frezers. Hij runde het samen met Sabah. Over geloof, laat staan over zijn nieuwe geloof, werd op de werkvloer niet gesproken. En als er eens vervelende opmerkingen werden gemaakt, gaf hij geen krimp. ,,Ik heb een olifantenhuid gekregen met de jaren.”

Beeldvorming

Het ergste zijn de media, als het gaat om het negatief neerzetten van moslims, vindt Jop. ,,Vaak wordt gemeld als het een moslim is, terwijl dat niet bij andere mensen gebeurt. In mijn religie doen ze dat niet.”

Grapjes over de profeet van de islam, denk aan de Deense cartoon-affaire; dat hoort al helemaal niet. Net zo min als grapjes maken over Jezus. Jop heeft het idee dat het bespotten van de islam hier zomaar kan, terwijl dat bij het christendom niet gebeurt.

Dat is opvallend. Christenen die ik spreek, denken vaak exact het omgekeerde. Jop reageert verbaast. Hij heeft geen weet van afbeeldingen waarmee Jezus belachelijk wordt gemaakt. ,,Gebeurt dat dan?”

Ook wat Geert Wilders over moslims zegt, hoort niet, zegt Nora. ,,Zeker niet voor iemand in zijn positie.” Al mag hij natuurlijk zeggen wat hij wil dankzij de Nederlandse vrijheid van meningsuiting.

Haar stiefvader is uit vrije wil moslim geworden. Sabah: ,,Als je met iemand wilt trouwen, is het belangrijk dat allebei hetzelfde geloof hebben. Daar heb ik met hem over gesproken. Hij vond het wel moeilijk, in die zin dat Jezus bij ons niet de zoon van god is, maar een profeet.”

Jop knikt. ,,Je bent jarenlang zo opgevoed. Dan ga je je afvragen: wat is de waarheid? De bijbel is zo vaak herschreven, de koran is nog steeds dezelfde.”

Sabah bidt bij de tafel richting Mekka voor het eten dat is opgediend. De avond breekt aan; er mag zo weer gegeten worden. Omar racet ondertussen met een spelcomputer op de televisie. Het gaat hard. Hij knalt steeds met z’n autootje op hetzelfde punt uit de bocht, legt hij uit.

Geloofsregels

Het eten ziet er lekker uit. Een ketel soep met ingrediënten die het lichaam herstellen van het vasten. Verder allerlei zoete en hartige hapjes, pannenkoeken en gedroogde vruchten. Sabah bidt vooraf een speciaal ramadan-gebed.

Ze vertelt onder het eten dat ze in Marokko vrij liberaal is opgevoed. ,,Mijn vader, hij is nu vijfennegentig, heeft ook nooit kinderen uitgehuwelijkt – mijn oudste zus is nu zestig. Hij heeft ook nooit gezegd dat we als vrouw een hoofddoekje moesten dragen, daar heb ik op mijn veertigste bewust voor gekozen.”

Het ergert haar soms dat sommige mensen denken dat vrouwen die een hoofddoek dragen dom zijn en onderdrukt worden. Alleen door het zien van de hoofddoek.

Sabah: ,,Het heeft ermee te maken dat een vrouw geen lustobject moet worden, daarom draag ik die hoofddoek. Het is een bewuste keuze.”

Nora: ,,Voor de islam werd de vrouw als vuil behandeld, in de islam is ze als een mooie edelsteen.”

Het dragen van een hoofddoek is een geloofsregel die het gezin hoog houdt, net als bijvoorbeeld het verbod op alcohol. Sabah: ,,Door alcohol ontstaat heel veel ellende, daarom drinken wij helemaal geen alcohol.”

Onveranderd

Beperkt het geloof op deze manier niet de individuele vrijheid en verantwoordelijkheid? Er zijn veel mensen die af en toe alcohol drinken en geen problemen veroorzaken. Bovendien zou een wijntje per dag goed zijn voor de gezondheid.

Sabah: ,,Het geloof bepaalt niet, de gelovige komt er zelf achter dat god dat wil. In de koran staat bijvoorbeeld dat een man vier vrouwen mag hebben. In de alinea daarop - die vaak niet wordt gelezen - staat dat hij ze dan wel alle vier evenveel lief moet hebben. Dat is onmogelijk, je houdt altijd meer van één vrouw, dus is het beter om dat niet te doen.”

Haar devies: ,,Je moet niet blind geloven, maar zelf over dit soort zaken nadenken. God heeft ons hersenen gegeven om te gebruiken.”

Maar sommige dingen staan vast: ,,Aan de islam verandert niks. Het is een puur, lief geloof met alles dat je nodig hebt in het leven, voor elkaar klaar te staan en rekening met elkaar te houden. Dat is prachtig. De koran is, net als de bijbel, een soort wetboek. En de koran heeft het voordeel dat er niets aan veranderd is.”

Wat als er toch wel verschillende versies van de koran in omloop zijn, en de koran zelfs niet compleet is, zoals de schrijver Ibn Warraq beweert?

Sabah haar geloof zou niet veranderen: ,,Mijn geloof is niet gebaseerd op een boek, het draait om het geloof in god. Ik die in contact sta met god. En vanuit mijn geloof heb ik veel wonderen meegemaakt.”

Als voorbeeld noemt ze een zeer ingrijpende situatie, waarin Sabah en Nora hebben gebeden en god zich naar hun mening rechtvaardig heeft betoond. En wel op oudtestamentische wijze. Het sterkte hen in hun geloof.

Het probleemgedrag van Marokkaanse jongeren die al jaren op veel plaatsen voor overlast zorgen, heeft juist weer niets met de islam van doen, zegt Sabah. ,,Zij maken misbruik van de situatie. Het is maar een kleine groep, maar veel anderen worden er de dupe van. Ze zeggen: ‘Ik ben moslim’, maar verkopen drugs, lachen hun buurman uit of slaan iemand in elkaar. Wat heeft dat in godsnaam met islam te maken?”

Probleemjongeren

De sympathieke moslima wil graag zelf meewerken aan het oplossen van de problemen met deze en andere moslims, bijvoorbeeld via de lokale politiek. Ze zoekt de oplossing voor de Marokkaanse probleemjongeren in de gezinssituatie.

Deze jongeren hebben vaak vaders die aan de lopende band werken en moeders die noodgedwongen poetsen, legt ze uit. Verder hebben ze een ander uiterlijk. Dat zorgt voor een minderwaardigheidscomplex en een terugtrekken binnen de veiligheid van de eigen groep. ,,Moeders in zo’n situatie kunnen hun kinderen ook niet goed opvoeden, dus missen de jongeren een goede start.”

Deze jongeren kiezen als groep voor dit gedrag. Zo’n jongen zou zijn sociale omstandigheden ook kunnen zien als een persoonlijke uitdaging om zichzelf te verbeteren in de samenleving.

,,Dat gebeurt ook, maar het gaat nog heel langzaam. Het gaat erom dat andere mensen de jongens het gevoel geven dat ze erbij horen.”

Misschien, over twintig jaar, zijn de Marokkaanse probleemjongeren van nu ingeburgerd en hoort een deel van hen bij de middenklasse. Dan heb je kans dat zij weer met verwilderde ogen kijken naar een nieuwe groep in de samenleving.

,,Ja”, grapt Jop. ,,De Polen. Daar word nu ook van alles over gezegd en geschreven.” Precies. Ook zij zijn laaggeschoold, komen alleen om te werken en worden met de nek aangekeken.

Lichaam

Nora weet het zeker: ,,Het is zijn de media, dat zijn de boosdoeners. Die maken meer reclame voor het negatieve. Elke week is er op de Nederlandse tv wel iets negatiefs over de islam. Als allochtone mensen zich moeten verdiepen in de cultuur, geschiedenis en taal van het land waar ze in wonen, waarom zouden autochtone mensen zich dan niet verdiepen in het geloof en de cultuur van de buurman of buurvrouw? Weet waar je het over hebt, voor je over iets begint te praten.”

Geïrriteerd: ,,De islam is mijn geloof, het is net als mijn lichaam. Als je daaraan komt, kom je aan mij.’’

Je geeft de media de schuld. Dat is niet helemaal onterecht, maar ik denk dat veel mensen hun mening over moslims voornamelijk baseren op persoonlijke ervaringen. Bijvoorbeeld in achterstandswijken, waar mensen als in een snelkookpan bij elkaar leven. Daarnaast is er angst bij een groep blanke autochtonen die juist weinig contact heeft met moslims.

Nora: ,,Mensen in een achterstandswijk kun je allemaal beschouwen als mensen die het moeilijk hebben. En dus niet vrolijk door de straten zullen paraderen, zowel autochtone als allochtone mensen.

Mensen zouden gewoon niet moeten discrimineren, dat staat ook in de grondwet.” En toch gebeurt het, ook onder moslims van verschillende nationaliteiten. ,,Dat weet ik ook wel. Ik weet hoe het in sommige steden gaat, maar het zou niet zo mogen zijn.”

We eten nog wat. De tafel is feestelijk gedekt, de hapjes zijn heerlijk. Ik heb het gevoel dat het gesprek wat te zwaar is geworden en veel te weinig over de ramadan is gegaan. Sabah vindt dat geen bezwaar. Een gerecht zonder zout en kruiden is ook niet lekker; kritisch zijn mag best.

En nadenken over je verhouding tot je omgeving, hoort ook bij ramadan, legt ze uit. ,,Hoe ga jij met de dingen om. Hoe kun je de goede dingen doen. En dat jij normaal overdag brood eet en anderen niet genoeg hebben; daarbij stilstaan. De rest van het jaar, als je veel op routine doet, kun je dan nog eens nadenken over de inzichten die je deze maand hebt gekregen.

De maand van ramadan is een maand van gebeden, bezinning, geduld, genade, vergeving, en barmhartigheid. En het is een maand van gezelligheid, waarin families bij elkaar komen.”

Comments Off

admin op 24 September 2009 in Religie & Spiritueel

Paulus kende Jezus en is Jeruzalem uitgegooid

De Evangelie Code, een onlangs verschenen boek van Karl Junger (Tirion, 2008), biedt een alternatieve uitleg van de mysteriën in de boeken van het Nieuwe Testament. Een uitleg die leidt tot soms verrassende conclusies. De meest opvallende is wat mij betreft dat Paulus en Jezus elkaar gekend zouden hebben, al is dit idee niet nieuw. En dat Paulus als agent provocateur van de hogepriester van de tempel bewust niet-joodse elementen in de leer van de Jezus-beweging heeft geïntroduceerd en uiteindelijk degene was die als ras-opportunist het laatst lachte. En wel zo’n tweeduizend jaar.

Volgens Junger wilde Paulus belangrijk zijn, daar deed hij alles voor. Verschillende meesters dienen en ook de leer van Jezus verdraaien zodat de Romeinen en Grieken deze zouden accepteren, inclusief de toevoeging van elementen uit hun respectievelijke mythologieën. Dit zorgde er na de dood van Jezus voor dat de vroeg-christelijke gemeente, onder leiding van Jezus’ broer Jakobus, Paulus op een gegeven moment Jeruzalem uit heeft gegooid.  Paulus werd door mensen van de Jezus/Jakobus-beweging naar Caesarea begeleid om er zeker van te zijn dat hij weg was en bleef. Opgeruimd staat netjes, die Paulus; op de boot naar Tarsus, waar die intrigant vandaan kwam.

Eerder, als gevolg van het dienen van meerdere heren, is Paulus ook vermoedelijk betrokken geweest bij de arrestatie van Jezus, aldus Junger. Hij zou degene zijn wiens oor werd afgeslagen. Na Jezus’ dood zou de schijnbaar bekeerde Saulus er als Paulus alles aan gedaan hebben om deze sporen uit de verhalen te wissen, samen met de sporen die wijzen naar de grote invloed van de familie van Jezus in de vroege beweging en dan vooral naar de werkelijke rol van Jakobus. Jakobus was volgens de schrijver op een gegeven moment meer gerespecteerd en bekender dan zijn broer Jezus.

Maar laten we bij het begin beginnen. Volgens Junger, van beroep informatie-analist, zit in de verhalen in het Nieuwe Testament een aantal codes verborgen die de afgelopen twee millennia niet eerder zijn gevonden. De belangrijkste is dat in het Evangelie van Johannes en Marcus gedetailleerde beschrijvingen van personen verwijzingen zijn waarmee, met behulp van de juiste contextuele informatie uit die tijd, de historische waarheid aan het licht kan worden gebracht die in de symbolische verhalen is verwerkt. Junger is niet de eerste die wijst op dit soort codes, maar zijn analyse werpt wel nieuw licht op de bijbelverhalen.

Junger zoomt eerst in op de grafscene na de kruisiging van Jezus. Hij identificeert de daarbij aanwezige onbekende geliefde discipel als Jakobus, een broer van Jezus. Deze was heel belangrijk, voor en na de dood van Jezus. Hij werd de opvolger van Jezus. De rouwende vrouwen kwamen ook niet naar het graf om Jezus’ lichaam met welriekende stoffen in te wrijven, maar om Jakobus, nog in het graf van Jezus, vanuit hun priesterlijke afstamming te zalven als de volgende koning in de lijn van David, na Jezus.

Jakobus’ leiderschap is overigens niet onomstreden. Er is na de dood van Jezus  een machtsstrijd gaande tussen de door Jezus aangewezen opvolger Jakobus, Petrus en Johannes, aldus Junger. Eerder waren er al anderen die de macht naar zich toe wilden trekken.

In deze periode zijn geen vier maar slechts twee Maria’s actief, concludeert hij. Maria de moeder van Jezus en een aantal apostelen, en Maria van Magdala die door Jezus tot apostel werd gemaakt en die mogelijk Jezus’ vrouw was. De laatste Maria werd volgens Junger door Jezus nota bene veel hoger ingeschat dan Petrus; deze was vermoedelijk een opvliegende ongeletterde visser met onvoldoende (intellectuele) capaciteiten om leiding te geven.

In dit tijdvak liep er ook een zekere Saulus van Tarsus rond. Hij wilde zich afficheren met de macht en at daarom van meerdere walletjes door hogepriester Kajafas te steunen, in de bijbel wordt Paulus dan verhullend Malchus genoemd aldus Junger, en diens concurrent de bekende leraar Gamaliël te volgen. Volgens Junger, en eerder A.N. Wilson, heeft Paulus Jezus dus gekend. En niet alleen enkele van diens discipelen/apostelen.

Paulus  zorgde, al dan niet in opdracht van Kajafas als agent provocateur, overal voor irritatie bij de gemeenten van de Jezus-beweging, zoals ook in het Nieuwe Testament beschreven. Dat kwam wellicht door zijn dubbelhartige persoonlijkheid, maar waarschijnlijk vooral door zijn opportunistische aanpassingen aan de leer om zijn doelgroepen, de machthebbers in Jeruzalem en Rome, voor zich te winnen, denkt Junger. Het resultaat is een verhaal dat nog steeds als waarheid wordt verkondigd vanaf de kansels in honderdduizenden kerken wereldwijd.

Jezus, de hoofdpersoon van het christelijke verhaal, was volgens Karl Junger een man die zichzelf herkende in de messiaanse beschrijvingen in het oude testament en geloofde dat hij het was. Alleen om uiteindelijk, nadat hij met zijn familie ervoor had gezorgd dat de oude schriften vervuld waren, erachter te komen dat hij gewoon zou sterven.

Een dramatisch en wat sneu verhaal dus, over een inspirerende wijze man wiens verhaal misbruikt is door Paulus, maar ook een verhaal over zijn broer Jakobus die historisch bijna werd uitgewist ondanks zijn grote invloed op het vroege joodse christendom. Na Jezus’ teleurstellende dood werd zijn lichaam weggehaald om elders in een familiegraf te worden bijgezet, aldus Junger. Vervolgens kreeg Jezus’ verhaal, mede onder invloed van Paulus aangepast met opstanding en vergeving van alle zonden, wereldwijd bekendheid.

Het boek is goed geschreven. De code van de uitvoerige detailbeschrijvingen lijkt plausibel en niet vergezocht. Het verhaal over de nu ontdekte en altijd doodgezwegen concurrentiestrijd om de macht en de invloed van Jakobus komt hierdoor geloofwaardig over. Maar soms gaat Junger te ver, in zijn begrijpelijke bevlogenheid om gelijk alle eindjes aan elkaar te knopen. Aan de andere kant zorgt dit creatieve knoopwerk, denk aan Paulus/Malchus, voor een verhaal waar je je iets bij kunt voorstellen als het gaat om een jonge religieuze beweging.

Je hoeft maar te kijken naar de reiki-beweging om te zien hoeveel er al gedraaid en bedacht is dat aantoonbaar niet klopt. Deze beweging is nog niet eens honderd jaar oud en dan hebben we in deze eeuw ook nog eens zeer goede communicatiemiddelen tot onze beschikking. Er zijn altijd mensen die, rekening houdend met machtsverhoudingen, de historische werkelijkheid naar eigen goeddunken aanpassen om het succes ervan te vergroten en/of uit opportunistische beweegredenen. De praktijken van Paulus, zoals uiteengezet in het boek van Junger, zijn blijkbaar van alle tijden. Dat maakt de uitleg in dit boek behoorlijk plausibel.

Comments Off

admin op 7 August 2008 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Karadic/Dabic en Jezus, een vergelijking

Een van de meest opvallende nieuwsfeiten de afgelopen weken was de arrestatie en uitlevering van oorlogscrimineel Radovan Karadic die als spiritueel genezer Dragan Dabic een tweede leven was begonnen. De man leefde en werkte ironisch genoeg vlakbij het gerechtshof waar zijn Servische kameraden werden berecht voor misdaden tegen de mensheid. Via een website verkocht hij energetische hangers (foto’s wijzen uit dat deze in weerwil van sommige berichten niet van kogelpunten zijn gemaakt) en verrichtte energetische behandelingen van allerlei aandoeningen.

Het frappante, is dat Karadic zo in zijn rol was gegroeid dat hij in zijn schaduwleven een zekere reputatie had opgebouwd. Dabic schreef voor een spiritueel magazine, gaf lezingen en was schijnbaar geaccepteerd door de gemeenschap van alternatieve genezers (al is er één genezer die onlangs naar buiten trad en stelt dat zijn identiteit - hij lijkt sprekend op Dabic - en energie door Karadic zijn gestolen). Zo staat Dabic op de foto met een daar landelijk bekende bio-energetisch genezer (de hier genoemde site is een hoax, de site is op de dag van zijn arrestatie, 22 juli, vastgelegd door de Amerikaan Mark Nagel). Dit zegt iets over het afstemmingsvermogen van deze mensen of over de energieën waarmee ze werken; de keuze die ze daarbij gemaakt hebben.

Na de arrestatie van Karadic, op grond van DNA-onderzoek naar stiekem verzamelde hoofdharen van Dabic, volgden protestmarsen van duizenden aanhangers en staken mensen kaarsen voor hem op. Vandaag is hij uitgeleverd aan het tribunaal in Den Haag. Voor de één is hij verzetsstrijder, voor de ander een crimineel en voor weer een ander een heler met speciale gaven.

Iemand anders heeft een vergelijkbaar profiel: Jezus. Jezus (zijn nog jonge beweging) werd door tijdgenoten op één lijn geplaatst met de Sicarri (messentrekkers). Dat waren verzetsstrijders in de ogen van de joden en crimineel en opstandig gespuis in de ogen van de overheersende Romeinen. Hij werd onder zijn aanhangers na zijn verdwijning uit het publieke leven opgehemeld, werd gezien als een genezer en veroordeeld door agenten van het Romeinse Rijk. Die hebben hem, met hulp van concurrerende joodse facties, ook geëxecuteerd – als een crimineel werd hij gekruisigd, deze wegbereider voor zijn eigen hemelse (?) koninkrijk.

Karadic wordt ook gezien als een verzetsstrijder door de nationalistische Serven. Nadat hij was ondergedoken, werd hij op bijna religieuze wijze opgehemeld en vereerd met foto’s in de huiskamers en in de gelegenheden waar zijn aanhangers samenkomen. (Denk ook aan het eettentje waar hij als Dabic telkens naar een ingelijste foto van Karadic kon kijken.) Sinds kort is duidelijk dat hij ook een genezer is, al deed hij dat werk onder een andere naam. Karadic wordt nu veroordeeld door het hof van het nieuwe Romeinse Rijk; de VN (aangestuurd door de VS). Executie is niet mogelijk, anders zou dat zeker zijn gebeurd met deze stichter van het beloofde land ‘Republiek Srpska’.

Hoe was het geweest, tweeduizend jaar geleden, als beide kanten van zijn verhaal niet via de massamedia razendsnel waren verspreid? Had deze crimineel dan kunnen uitgroeien tot een rolmodel voor toekomstige generaties zoals Jezus dat is geworden? Jezus is nu een spiritueel leider van wereldformaat voor meer dan een miljard mensen. Was er alleen nog een verplicht gesteld evangelie nodig waarin de losse eindjes aan elkaar werden geknoopt en een machtige organisatie die de beeldvorming voor 1700 jaar kon bepalen?

Naar verluidt heeft de geheime dienst van Slobodan Milosevic de dekmantel voor Karadic bedacht en ontwikkeld. Geheime diensten zijn organisaties die informatie verzamelen en achter de schermen gebeurtenissen naar de hand van hun politieke meesters proberen te zetten, goedschiks of kwaadschiks. Interessant genoeg is er een (omstreden) schrijver, Joseph Atwill, die ervan overtuigd is dat de Flaviaanse Romeinse keizers, met hulp van hun spindoctor Flavius Josephus, de bijbelse evangelieverhalen heeft gecomponeerd om de opstandige joden via monopolisering van hun religie te domineren en hun agressie jegens de bezetters te neutraliseren door het propageren van een pro-Romeinse messias. Dabic als de messias van Milosovic?

Ondanks de verschillende beelden die we van Karadic en Jezus hebben (respectievelijk crimineel/verzetsstrijder/goeroe en goeroe/verzetsstrijder/crimineel), zien we dat de mythologisering in grote lijnen vergelijkbaar is en het resultaat ook. Beiden worden door hun aanhangers na hun als ontlading werkende (maatschappelijke) dood opgehemeld, als voorspeld door René Girards zondeboktheorie. Alleen dankzij de invloed van de massamedia is het nu voor ons mogelijk om Karadic te zien zoals hij is: een crimineel van wereldformaat. Ook al roept hij de hulp van God aan tijdens zijn proces, een mogelijke link met Jezus’ verdediging voor Pontius Pilatus, hij blijft een crimineel. Over Jezus zijn de meningen nog steeds hartelijk verdeeld.

Comments Off

admin op 30 July 2008 in Politiek & Media, Religie & Spiritueel

De Jezus-familie en hun afstammelingen

Van Laurence Gardner, een schrijver die bekend is om zijn alternatieve geschiedschrijvingen, is onlangs bij Tirion een nieuw boek verschenen: ‘Het mysterie van de Graal – zoektocht naar de afstammelingen van Jezus en Maria‘. In dit lijvige werk vat Gardner veel van zijn eerdere onderzoekingen en bevindingen samen.

Het boek is te veel omvattend om weer te geven, dus haal ik wat krenten uit de pap zodat de lezer een goede indruk krijgt. De centrale these luidt: Jezus en Maria Magdalena kregen kinderen, scheidden en het nageslacht daarvan is nog te herleiden tot in de koninklijke en adellijke geslachten van Europa.De bewijzen hiervoor haalt Gardner uit een hele bibliotheek aan reguliere en alternatieve geschiedkundige en theologische literatuur.

Om te beginnen geeft hij aan dat de kerk al in een heel vroeg stadium onderscheid maakte tussen esoterische en exoterische kennis. In dat verband haalt hij de legendarische vondst van Morton Smith aan. Smith ontdekte in 1958 in een klooster in Mount Saba, Israël, een overgeschreven brief van kerkvader Clemens van Alexandrië (tweede eeuw van onze jaartelling). Deze Clemens schrijft over een (tot nu toe nooit gevonden/geopenbaard) geheim evangelie van Marcus en spreekt over de waarheid volgens het geloof en een echte waarheid: ‘Want niet alle waarachtige dingen moeten aan alle mensen worden gezegd’.

Vervolgens duikt Gardner in het diepe door het gebruik van namen en gebeurtenissen onder de loep te nemen. Daar klopt vaak niet veel van, als ze logisch op een rij worden gezet. Veel zaken worden schijnbaar door elkaar gehaald en vanuit joodse tradities bezien, lezen we in de boeken van het Nieuwe Testament veel dingen die niet logisch zijn. De schrijver bestudeerde de joodse tradities en interpreteert om te beginnen de zalving van Jezus door Maria Magdalena met nardus-olie op grond daarvan als een joods huwelijksritueel; Jezus en Maria Magdalena, volgens niet-canonieke evangeliën de meeste geliefde discipel, zijn getrouwd.

Jezus en Maria Magdalena hebben zelfs nakomelingen. In dit verband wordt de Griekse term Desposyni opgevoerd. Hier blijken, verrassend genoeg, meerdere oude bronnen over te bestaan. Gardner citeert in dit verband kerkvader Eusebius. Deze heeft het in één van zijn geschriften over leiders van kerken die zijn vrijgelaten ‘omdat zij getuigenis hadden afgelegd en ook omdat zij familie waren van de Heer’. Hierbij wil ik aantekenen dat ‘familie’ niet noodzakelijkerwijs slaat op de nakomelingen van Jezus. Het kunnen ook kinderen van zijn oudste broer Jakobus zijn of van andere niet-directe verwanten.

Een sterker bewijs dat Jezus nakomelingen heeft gehad, komt van keizer Vespasianus’ schrijver Hegesippus. De laatste schrijft dat de Romeinse keizer rond 70 van onze jaartelling de rest van het geslacht van David wilde uitroeien. Dit is opmerkelijk, want volgens de eerder geschreven evangeliën van Matteüs en Lucas was Jezus de laatste in de lijn van de Davidische erfopvolging. En koning Jezus stierf aan het kruis, althans zo gaat het verhaal…

In 318 zouden een groep Desposyni-leiders naar paus Silvester in Rome zijn getrokken, meldt kerkvader Eusebius, en wel om te bepleiten dat niet Rome maar Jeruzalem het centrum van het christelijk geloof moest worden. Verder moest de bisschop van Jeruzalem een Desposyni zijn. Erfelijke afstamming had volgens hen meer gezag dan de titel apostel, zoals Petrus die voerde. Petrus was ook niet de door Jezus verkozen opvolger van de gemeenschap, dat was schijnbaar Jezus’ broer Jakobus.

Silvester toonde zich zeer pragmatisch als het gaat om machtsbehoud. Gardner parafraseert de paus: ‘De leer van Jezus, zei hij, was vervangen door een doctrine die beter aansloot bij wat het keizerrijk vereiste en hij stelde de mannen ervan op de hoogte dat het vermogen tot verlossing niet langer bij Jezus berustte, maar bij keizer Constantinus. Derhalve, verordende Silvester, was de moederkerk in Rome gevestigd en hij drong er bij hen op aan te aanvaarden dat de van rijkswege benoemde bisschoppen hem zouden leiden.’

Vervolgens maakt Gardner een sprong terug in de tijd om zijn verhaal verder te onderbouwen. Hij situeert Jezus in Qumran en laat hem daar vervolgens een rebelse leider worden die breekt met de Esseense traditie en staat voor een meer liberale vorm van geloven. Jezus propageerde schijnbaar dat verlossing was niet exclusief was voor de armen (de naam die de Essenen van Qumran voor zichzelf gebruikten), maar voor iedereen was weggelegd, ook voor de zedeloze en niet zuivere stadsbewoners.

Barbara Thiering, in dezen een belangrijke bron voor Gardner, stelt dat de bijbelboeken en de geschriften van Qumran het beste te begrijpen zijn vanuit hun eigen innerlijke logica, die er met opzet in verwerkt is. Deze vorm van begrijpend lezen noemt ze de pesher-techniek. Door vervolgens, soms wat erg creatief, tot nu toe losse eindjes aan elkaar te knopen, komt er in elk geval een veel meer samenhangend verhaal uit dat de anomalieën beter verklaart dan de gangbare uitleggingen die, uitgezonderd de interpretaties van de Amsterdamse School, schijnbaar vaak op te weinig kennis van de joodse gebruiken is gebaseerd.

Vanuit de pesher-techniek volgt Gardner Thiering grotendeels, en concludeert met haar dat Maria Magdalena en Jezus een ritueel huwelijk hadden, zoals dat bij Qumran-bewoners gebruikelijk was om de erfopvolging van de leidende leden te garanderen.  Daar kwamen twee kinderen uit voort. Daarna verlaat Maria Magdalena Jezus voorgoed en reist, zoals lokale legenden al eeuwen verhalen, naar Zuid-Frankrijk. Hier zou ze ook zijn gestorven. Jezus heeft volgens Thiering het kruis overleefd en sterft in Rome, maar niet nadat hij achter de schermen mee heeft geholpen met redactionele aanpassingen van Paulus zijn geschriften. Dat laatste lijkt me vreemd.

Jezus’ familie, volgens Gardner diens nageslacht, lijkt op grond van diverse literaire aanwijzingen (onder meer naar de graal en koning Arthur) in de marge van de geschiedenis voort te leven en steeds klaar te staan om haar oude machtspositie als Desposyni weer op te pakken. Ze ziet zich echter steeds meer geconfronteerd met een beweging, intussen via de keizerlijke invloed een geaccepteerde (Romeinse) staatsreligie, die – mede door spindoctor Paulus -  weinig meer van doen heeft met wat Jezus waarschijnlijk voor ogen had. Jezus, de rebelse Davidische koning die volgens Thiering priester-koning wilde zijn.

Wat moeten we nou met dit boek? Voor mensen die het werk van Gardner kennen en dat van andere auteurs van alternatieve geschiedschrijving, bevat het werk niet veel nieuwe insteken op hoofdlijnen, wel veel nieuwe en goede bronverwijzingen (met name naar de vroeg-christelijke literatuur) en interessante details die zijn betoog onderbouwen. De opbouw van het boek maakt het lezen niet gemakkelijk, maar de inhoud, de argumentatieve reis die je met Gardner aflegt, al gaat dat soms hink-stap-sprong, maakt de inspanning van het lezen de moeite waard.

Het is Gardner en nog een aantal schrijvers, of niets. Omdat de meeste theologen en godsdienstwetenschappers vast zitten in hun denk(sc)holen, moeten we het als leken doen met dit soort boeken als we serieuze vraagtekens durven te stellen bij de tegenstrijdigheden en omissies in de christelijke verhalen en op zoek willen naar andere, mogelijk meer plausibele antwoorden. Gardner en zijn collega’s zijn pioniers, die misschien niet alle kleine details ‘juist’ interpreteren, maar ze komen wel met andere inzichten die het totale begrip aanmerkelijk kunnen vergroten.

Persoonlijk heb ik dit soort pioniers liever dan de ‘wetenschappers’ die in eigen kring misschien meer erkend zijn, maar eigenlijk als een stel sullige koeien het werk van geaccepteerde collega’s herkauwen tot ze een ons wegen en ondertussen nalaten om te denken, te voelen en in te leven. Hun werk, dat van de pioniers, past ook meer in de lijn van de Jezus als revolutionaire leider - al is het de vraag in hoeverre zijn dissidente Esseense beweging na de overname ervan door de Romeinse keizerlijke familie nog de geest ademt die hij erin heeft geblazen…

Comments Off

admin op 16 July 2008 in Religie & Spiritueel