Over ’s Hertogenbosch, Maria en de draak

’s Hertogenbosch is gebouwd rondom een Keltisch cultuscentrum, rekening houdend met de energielijnen in de stad. Dat stelt architect Jan van der Eerden in zijn boek “Een middeleeuwse stad vol gulden energie – Spirituele opgravingen in ’s Hertogenbosch en andere daarmee verbonden plaatsen” (Stichting Cultuurfonds ’s Hertogenbosch, 2012).

Het cultuscentrum bevond zich op de plaats op de Markt waar eerder het Puthuis en een marktkruis stonden. Deze krachtplek, een axis mundi, is gesitueerd op een krachtige van west naar oost lopende energielijn, een zogenoemd drakenpad, waar ook de drakenfontein naar verwijst, die de stad doorkruist.

De stichters van de stad hebben hiermee rekening gehouden, veronderstelt Jan van der Eerden. Net als met de twee andere energielijnen in de stad die samen een driehoek vormen waarvan de punten liggen op de drie belangrijkste pleinen. Verder zou een later aangepaste versie van een Romeins grondpatroon zijn gebruikt, een campus initialis, en de levensbloem, bekend uit de sacrale geometrie.

Daarnaast heeft de schrijver een door mensen gemaakte energiering rond de oude stad herontdekt die overeenkomt met de grens van de uitstraling van de axis mundi op de Markt. Deze “gouden ring” was bedoeld ter bescherming en werd waarschijnlijk jaarlijks bekrachtigd met een ommegang langs verschillende staties, vergelijkbaar met de Maria-ommegang in de binnenstad, die overigens voert langs de genoemde driehoek.

Niet alleen de positie van pleinen en straten, ook die van diverse Bossche gebouwen is te begrijpen vanuit de door hem gereconstrueerde energetische blauwdruk van de stad, betoogt Jan van der Eerden. Met name gebouwen uit de gotiek en de neogotiek; binnen die stromingen was veel aandacht voor sacrale geometrie en geomantie.

Hij verduidelijkt zijn verhaal met voorbeelden uit binnen- en buitenland, tekeningen en berekeningen, mythologieën, fragmenten uit alternatieve wereldopvattingen en observaties van paragnosten. Ook vertelt hij over zijn strijd voor het behoud van het architectonisch erfgoed in ’s Hertogenbosch. Dit alles maakt zijn betoog niet eenvoudig om te volgen, wel buitengewoon boeiend.

Wat opvalt in dit verband, als we de argumentatie van Jan van der Eerden goed begrijpen, is de grote rol die de in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, bekend van de gezworen leden de Zwanenbroeders, schijnbaar achter de schermen heeft gespeeld bij de ontwikkeling van ’s Hertogenbosch. Met gebruikmaking van de blauwdruk.

Door de bouw van de kathedraal in 1380, de “herontdekking” van een “wonderbeeld” van Maria een jaar later (sic) en een jaarlijkse Maria-ommegang (met een theatraal moment over Sint Joris en de draak bij de axis mundi) heeft de broederschap de stad via inkomsten uit pelgrimages en het stimuleren van bedrijvigheid een enorme economische, culturele en spirituele impuls gegeven. Honderden jaren lang.

De kathedraal, een ontwerp van een lid van de broederschap waarvan ook het Zwanenbroedershuis sinds 1483 op het drakenpad staat, was namelijk niet gelijk af. Er is nog tot 1529 aan gebouwd, een periode die grofweg samenvalt met de bloeiperiode van deze voor de verering van Maria opgerichte broederschap; tussen 1460 en 1530.

De realisatie van de gotische kathedraal was wat we nu een miljoenenproject zouden noemen. In die tijd telde de broederschap duizenden leden, onder wie heel machtige uit binnen- en buitenland. Dat zal niet geweest zijn vanwege de aflaten of het stimuleren van de lokale muziekcultuur. Het lijkt het erop dat de broederschap de club was om zaken te doen, met name in de (gotische) bouwwereld. De gotiek was toen erg populair.

Voor de gelovigen draaide alles om het “wonderbeeld” van Maria. Dat stond op de welddadige locatie waar het drakenpad de kathedraal doorkruist en eerder een beeld van Johannes de Doper een plek had gevonden. Maar, zoals in de kathedraal van Chartres, is er volgens Jan van der Eerden al gauw voor gekozen om een (zwarte) Maria de plaats te laten markeren waar de krachtige “hemelse” energie aan de aarde ontspringt als bron voor heling.

In 1629 werd het beeld weggehaald om politieke en wellicht ook spirituele en economische redenen; ’s Hertogenbosch was ingenomen door Frederik Hendrik. De ommegang werd afgeschaft en daarmee kwam de “motor” van de stad helemaal tot stilstand. Wat er gebeurde na de terugkomst in 1853 onderstreept de vermeende relatie tussen Maria-verering, pelgrimages, bedrijvigheid, bouwprojecten en de blauwdruk.

Al snel werd kathedraal weer een erg belangrijk pelgrimsoord. Maar wat pas echt een “mirakel” was: enkele tientallen jaren later raakte een nieuwe stroming in de architectuur in zwang, de neogotiek. Daarbij was ’s Hertogenbosch opnieuw één van de voorlopers, zoals eerder bij de (Brabantse) gotiek. En diverse toen gerealiseerde neogotische gebouwen passen binnen de blauwdruk, bijvoorbeeld de (verdwenen) Leonarduskerk.

Het zeer interessante en boeiende boek van Jan van der Eerden biedt een schat aan informatie en nodigt uit tot dit soort gevolgtrekkingen. Maar kloppen zijn conclusies ook? Of zijn ze het werk van een briljante “morosoof”, een geleerde dwaas, zoals Matthijs van Boxsel suggereert door de schrijver op te nemen in zijn in 2001 verschenen encyclopedie over dit onderwerp? Dat zou kunnen.

Veel waarschijnlijker is het, dat wij tegenwoordig niet meer het door en door religieuze, symbolische en magische wereldbeeld van de late middeleeuwers verstaan; de tekens niet meer kunnen lezen. En wat betreft het bestaan van energielijnen en krachtplaatsen: iemand die deze energie niet ervaart, zal daar nooit van kunnen worden overtuigd. Dat heeft niet te maken met ideologie of wetenschapsopvatting, maar met gevoeligheid.

Comments Off

admin op 17 January 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Zoeken tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt


Vroeger verdiende hij zijn geld met het verkopen van zekerheid. Nu is zijn passie de onzekerheid. De spanning van het zoeken drijft hem van akker tot akker en van opgraving tot opgraving. Hele werelden gaan voor hem open als hij kleine sporen vindt, aan de hand waarvan hij dan de grotere verhalen reconstrueert. Met grote bevlogenheid speurt hij stad en land af, op zoek naar het verleden. Een ontmoeting met lokaal archeoloog Jan Mulders (60) uit Sittard.

We spreken af in Kasteel Limbricht, in de buurt van het Franse kerkhof zou moeten zijn, waar hij nog veel over zal vertellen, en dichtbij een akker waar hij zijn hart aan verpand heeft. Een akker, voor de leek een barre woestenij, maar voor een archeologisch gepassioneerde als Jan Mulders een plaats waar onder elke kluit, of op een paar scheppen diepte, een bodemschat zou kunnen liggen die erop wacht om het licht van 2010 te zien.

De aanleiding van het gesprek is een in 2007 aangekondigd boek over de historie van het stuk grond waar de wijk Hoogveld op gebouwd is. Zoals bekend, hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam er van 1997 tot en met 1999 onderzoek gedaan en daarbij zijn diverse heel interessante sporen gevonden. In de eerste fase werden onder meer een urnenveld uit de Vroeger IJzertijd, een graf uit de Midden-IJzertijd en een grafveldje uit de Late IJzertijd ontdekt. In de tweede fase was de oogst nog veel groter.

De studie hierover van Tol en Schabbink uit 2004 heeft het onder meer over ‘twee huisplattegronden uit de Midden-Bronstijd, zes grafmonumenten uit dezelfde periode, erven uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd, twee grafmonumenten uit de latere prehistorie, een nederzetting en een weg uit de Romeinse tijd en twee nederzettingen uit de Volle Middeleeuwen (waaronder een omgreppeld exemplaar)’.

Bij technisch bodemonderzoek was eerder al een meer recente inbreng van de mens in het Hoogveldse landschap geconstateerd; bodemvervuiling veroorzaakt door een ooit vlakbij gelegen fabriek. (Door de richting van de ondergrondse waterstromen, die het vuil verspreiden, hebben de huizen in Hoogveld deels geen kelders en mag er niet diep in de tuin gegraven worden.)

In duizenden jaren heeft het stuk grond, waar Hoogveld op is gebouwd, diverse bewoners en gebruikers gekend. Met alle historische en culturele dwarsverbanden die dat mogelijk maakt, werd het bestek van Mulders’ boek veel te uitvoerig. Verder is er al veel bekend, alleen niet buiten de wetenschappelijke cirkel van ingewijden. Dus besloot Jan Mulders om zijn aandacht te beperken tot het agrarisch gebruik vanaf de zeventiende eeuw. Zo zou hij nog nieuwe inzichten kunnen toevoegen aan het bestaande corpus.

Agrarisch Hoogveld

Hij praatte sinds 2003 met achttal oudere boeren, nakomelingen van boeren uit Overhoven, die het noordelijk deel van de taartpunt Hoogveld generaties in eigendom hadden. In één geval al sinds 1657. In de zeventiende eeuw was het allemaal nog niet zo strak geregeld, zo bleek. Kaarten, zoals nu bij het Kadaster, bestonden niet. De stukken hadden namen als ‘Aan ‘t Groen Wegske’, ‘De Kattebaard’ en ‘In’t Pals’. Een gebied werd afgebakend met omschrijvingen als ‘ten noorden van De Kattebaard en aan het zuiden begrensd door…’.

De kennis van de geïnterviewde boeren ging via via terug tot 1900. Rond die tijd was Hoogveld verdeeld in 245 kavels. Via een oude pachtakte kwam Jan Mulders erachter dat de pacht in één geval nog in natura werd betaald, al was dat destijds allang niet meer gebruikelijk. Bijvoorbeeld jaarlijks 35 liter rogge. Het ging dan om eeuwenoude pachtrelaties.

Ook werd hem duidelijk waarom veel boerenkinderen in die tijd niet trouwden; dan zou de rijkdom van de familie, waar generaties keihard voor was gewerkt, verdeeld moeten worden. Een andere voorlopige conclusie is dat er destijds boeren waren die, behalve uit hun gemengd bedrijf, inkomsten verwierven door veldbrandstenen te bakken, zo ontdekte Jan Mulders.

Zijn boek over Hoogveld is nog niet af, want de lokale archeoloog komt intussen bijna om in de enorme hoeveelheid interessante informatie. (,,Hoe moet ik daar nu een goed leesbaar boek van maken?”) Bovendien is hij druk met tal van andere archeologische projecten.

Eenmaal gegrepen door de archeologie en de geschiedenis, na de toevallige vondst van een helemaal gaaf spinsteentje in de Hoogveldse Biddlestraat in 1999, is het archeologische detective-virus namelijk niet meer uit zijn bloedbanen verdwenen. (,,Een spinsteentje werd op een stokje gestoken om rond 1200 wol te spinnen.”)

Jan Mulders werd lid van de lokale werkgroep archeologie Sittard en verdiept zich sindsdien in diverse officiële opgravingen. ,,Wij mogen op zulke locaties zelf geen schop in de grond steken”, zegt hij spijtig. Meestal gaat hij daarom zelf op zoek op plaatsen waar nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hiervoor leest hij bouwvergunningen en struint bouwplaatsen af, waar hij dan, met toestemming van de opzichter, mag rondneuzen.

Intuïtief speurwerk

Hij doet dat intuïtief, ongestructureerd. En dat maakt het voor een ex-verzekeringsman juist zo spannend. (,,Wat zou ik hier nu weer kunnen vinden? Niets staat vast, er kan van alles liggen!”) Zo las hij in 2004 een vergunningaanvraag voor de verbouwing van een kelder van een oud pand in het centrum van Sittard. Hij stond voor de deur, kwam er niet in en moest – spreekwoordelijk – hemel en aarde bewegen om toch te kunnen kijken, onderzoek te kunnen doen op die prachtige, historisch geladen locatie.

Uiteindelijk lukte dat en kreeg hij van de eigenaar, een cafébaas, een grote pot aangewezen die ooit onder de vloer was gevonden. Hij had in de Molenbeek gelegen en dateerde uit de Middeleeuwen (1190 – 1225). ,,Er zat nog aarde in van de bedding!” Daarna werden twee dingen duidelijk. De pot bleek Brunssums/Schinvelds aardwerk en de vindplaats was niet de in de vergunningaanvraag bedoelde. Hij had op het verkeerde adres gezocht! Op de plaats waarvoor de vergunning werkelijk was aangevraagd, bleek achteraf niets te vinden.

De pot is ook te zien geweest in een expositie in het Domein in 2005, georganiseerd door museumconservator Kitty Janssen-Rompen. ,,Als ik die pot dan zie, zo mooi verlicht in die vitrine, dan gaan me de haren rechtop staan. Dat is emotie. Dat is zó mooi!’”

Jan Mulders verdiepte zich naar aanleiding van deze vondst in historisch aardewerk, met name in het Brunssums/Schinvelds aardewerk. Hij vertelt met passie over de verschillende bakwijzen, locaties, patronen en kleuren. ,,Er vijf mensen in Nederland zie zich met Brunssums/Schinvelds aardewerk bezighouden, en ik dan. Maar ik ben een beetje een vreemde eend in de bijt.”

De Hoogveldse onderzoeker speurt op mogelijk interessante locaties naar scherven om aan de hand van de patronen en het gebruikte fabricageproces de herkomst vast te stellen. Hoe gaat dat in z’n werk? Aangekomen op een akker, legt hij eerst zijn plastic boodschappentas ergens op de grond neer. Dat is het vertrekpunt. Daarna gaat hij struinen, zoeken, banjeren. Tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt.

Naar eigen zeggen vindt Jan Mulders vaak op bijna miraculeuze wijze tal van zaken. ,,Ik zie het, het komt op mijn pad. Het lijkt bovennatuurlijk. Zo kwam ik eens op een akker bij Limbricht en ik kreeg door: ‘Dadelijk vind ik iets, dat ik nog nooit gevonden heb’. Zo vond ik in 2007 een leeuwenkopje uit de Romeinse tijd. Ik weet dan: op de hele akker is er iets en dat moet ik vinden.”

Het kopje, een van de pronkstukken van de lokale archeoloog, is gemaakt van Terras Sigillata en is gedetermineerd als onderdeel van een zogenoemde wrijfschaal. ,,Echt heel bijzonder!” In die schaal werden granen en zaden fijngewreven tot olie, die dan kon worden uitgegoten. Het gaatje in het gevonden leeuwenkopje, is het schenkgaatje voor de olie. ,,Ik voel me op zo’n moment echt een uitverkorene; dat ik dit mag meemaken, dat dit mij mag gebeuren!”

Het overkomt hem regelmatig. Zo vond hij tijdens de recente werkzaamheden voor de Hof van Onthaasting in Hoogveld in de vijver stukken van een neolithische schaaf uit 2400 voor onze jaartelling. Ook bracht hij een scherf van een Duitse bierpul uit 1575 aan het licht. Van de pul kon de lokale archeoloog, door onderzoek te doen naar de makers en de verschillende varianten die omloop waren, de complete geschiedenis die ermee samenhangt reconstrueren.

Franse kerkhof

Een langer lopend archeologisch hobby-project, waarmee Jan Mulders bezig is, heeft betrekking op het zogenoemde Franse kerkhof, waarvan de locatie tot op heden niet vast staat. ,,Ik hoorde een boer vertellen over de juiste plaats, gebaseerd op overleveringen.” Die boer had Mulders gesproken in verband met het onderzoek in Hoogveld.

Later vond de Hoogveldenaar een oude kaart waar de locatie op staat aangegeven. Dat hielp hem maar ten dele, omdat de ruilverkaveling in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw alle oude herkenningspunten in het landschap grotendeels had uitgewist.

Stadsarchivaris van Sittard-Geleen, Peer Boselie, was, zo bleek ondertussen, ook al met het onderwerp bezig. Ze zouden hiervoor samen een comité oprichten, maar dat is er niet gekomen. Vorig jaar september is dankzij beide heren, en onder het dwingende oog van L1, een aantal proefsleuven gegraven. Mede op basis van verkleuringen in luchtfoto’s die in 2008 zijn gemaakt en ‘geroerde grond’ lieten zien. Zonder resultaat.

Waarom is dat kerkhof zo interessant? Napoleon Bonaparte’s leger werd in 1813 verslagen bij Leipzig, vertelt Jan Mulders. ,,Tijdens de aftocht naar Frankrijk werd Kasteel Limbricht - waar wij nu zitten - ingericht als lazaret. Het kasteel lag vol doden en gewonden, zo’n zevenduizend in totaal. Door wonden en ziektes als dysenterie bezweken 687 soldaten en zo’n tachtig omwonenden overleden door besmetting. Ze werden allemaal begraven in een akker vlakbij het kasteel. Een lokale pastoor heeft de zieken bijstand verleend en ook hij overleefde het niet.” Deze man heeft zijn bijzondere aandacht.

,,Deze pastoor, broeder Page, verdient een eerbetoon”, vindt de lokale archeoloog, die zich hiermee ontpopt tot een halve actievoerder. ,,En er zou een herdenkingsmonument moeten komen - dat vindt overigens ook Peer Boselie - mede omdat er in Limbricht door de goede zorgen van de pastoor minder mensen zijn gestorven dan elders in vergelijkbare omstandigheden.”

Om het ‘eerherstel’ van de pastoor voor elkaar te krijgen, heeft Jan Mulders al brieven geschreven naar de Franse Ambassade, de Franse instelling die de lintjes uitdeelt, Camiel Oostwegel en aan de bisschop van Roermond. Tot nu toe zonder veel resultaat.

Bisschop Frans Wiertz heeft volgens Mulders toegezegd voor de slachtoffers wel een mis te willen opdragen. Maar het begeerde eerherstel van de pastoor uit Franse hoek is niet te verwachten, zoveel is de teleurgestelde Hoogveldenaar intussen wel duidelijk uit de reacties die hij ontving.

Hij sluit niet uit dat er niets meer over is in de grond doordat de lichamen ontkleed in ongebluste kalk zijn gegooid, misschien wel in een massagraf. ,,Dat zou kunnen.” Maar als er wel wat over is, zou het onderzoek hiernaar nieuwe feiten kunnen opleveren over dit roerige tijdvak, waarin het kleine Limbricht even een rol speelde in de Europese geschiedenis.

Jan Mulders geeft het zoeken naar het Franse kerkhof daarom niet op. Hij heeft een eigen kaart geschetst, op grond van de historische kaart, overleveringen en eigen observaties en metingen ter plaatse. Volgens hem is de locatie voor het bodemonderzoek in 2009 bepaald door de grondeigenaar, dat zou hebben gezorgd voor beperkingen, en er zou niet uitvoerig genoeg zijn gezocht. ,,Maar in het stuk grond gaan binnenkort allerlei buizen de grond in, dat heb ik al gezien. Voor gas en elektriciteit. En dan ben ik er uiteraard bij!”

Comments Off

admin op 24 March 2010 in Ongewoon & Anders

‘Concentreer je op het onbelangrijke’

“Ik denk dat ik vele malen gelukkiger ben dan de mensen om mij heen en ik hoop dat zij dat ook van zichzelf denken. Dat ze misschien door mijn voorbeeld een beetje van die lol ontdekken.” Een interview met Jan Kusters uit Sittard, schilder, pessimist én levensgenieter.

Jan Kusters is een avonturier, al heeft hij nog nooit verre landen bereisd. Zijn traditioneel ingerichte, groen geschilderde woonkamer onthult veel van zijn persoonlijkheid.

Eén wand van de kamer wordt gevormd door een grote houten boekenkast. De belangrijkste exemplaren staan onderin, de onbelangrijkere werken verhuizen langzaam maar zeker naar de bovenste plank, glimlacht Jan Kusters. ,,Als je daar bent als boek, ziet het er slecht voor je uit” - dan is het afscheid nabij.

De complete serie jongensboeken over Bob Evers staat voor het grijpen. Die zijn dus belangrijk. Op zijn site schrijft Kusters hierover: ‘Toen was Nederland nog eenvoudig, met kansen voor wie dat wilde, en er heerste een eindeloos optimisme. Niet alles was tot in vijf decimalen achter de komma geregeld en Europa had nog echte grenzen.’ De wereld was anders.

Voor het overige zijn de planken gevuld met een allegaartje aan boeken, van werken over ridders tot boeken over kunst en fotografie.

Verder telt de kamer een oude eettafel met dito stoelen. De tafel is afgedekt met een oud tafelkleed uit zijn ouderlijk huis. Hier heeft de jonge Jan dus ooit aardappelen op gegeten en dat doet hij nu nog steeds… Een aantal ooit statige kringloopstoelen, met van die grote stalen veren in het zitvlak, siert de hoeken.

Aanvankelijk noodzaak; z’n zelf ontworpen Rietveld-achtige stoelen waren kapot en in de jaren tachtig had hij weinig geld. Intussen is het ook een keuze. ,,Ik werk drie dagen in de week. Het is geen vetpot, maar daardoor heb ik wel tijd om de dingen te doen die ik wil doen. Dan maar wat minder spullen.”

In de hoek staat een grote pijpenkast waarin het Sherlock Holmes-type een ereplaatsje heeft gekregen. Sommige pijpen zijn kostbaar. ,,Ja, als ik dan kijk naar mijn knotsvolle pijpenrek, dan denk ik: hoor wie ‘t zegt. Dat materialisme, ik kan me daar ook niet helemaal aan onttrekken.”

De wand tegenover de boekenkast hangt vol met schilderijen; het gevoel tegenover het verstand. Zelf gemaakt uiteraard, die schilderijen, want hoewel Jan Kusters nu een andere baan heeft, als tutor aan de Hogeschool Zuyd, is hij eigenlijk docent handvaardigheid. Schilderijen van de viaducten over de rondweg die Sittard in tweeën snijdt. Hij verkoopt deze en andere schilderijen via Galerie Achter de Beek in Beek.

Op een kastje in de hoek liggen de spulletjes voor zijn eigen Limburgs-Japanse theeceremonie, een andere bezigheid waar hij veel plezier aan beleeft. ,,Het uitvoeren van een Japanse theeceremonie is een bepaalde manier van denken”, legt Kusters uit. ,,Toen ik kennismaakte met de theeceremonie, ontdekte ik dat ik deze manier van denken zelf al had ontdekt.”

,,Ik heb jaren voor een hbo-instelling lesroosters gemaakt. Eén grote stressbaan. Ik had al hoofdpijn als ik moest beginnen. Als ik thuiskwam had ik weer hoofdpijn. In die tijd ontdekte ik het motorrijden. Ik nam rijles en na een uurtje lessen was de hoofdpijn weg. Je bent dan heel geconcentreerd, net als tijdens de theeceremonie.”

Hij had zelfs al zijn eigen theeceremonie, toen hij in militaire dienst was, kwam hij achter. ,,Op zaterdagochtend moesten we de kamers poetsen. Ik begon dan eerst met theedrinken. Elke week deed ik dat. Dan was elk gebaar op z’n plek. Voor mij was het een scheiding tussen twee dingen die niet zo goed samengaan.”

Het is niet alleen de aandachtige uitvoering van het thee-ritueel, die hem boeit. Het is ook de schoonheid van de attributen. Neem bijvoorbeeld het geheel uit één stuk gemaakte bamboe thee-kloppertje; een stukje bamboe dat met de hand is ingesneden en dat nog het meest lijkt op een ouderwetse scheerkwast.

Ook het bamboe gereedschap om het theewater op te gieten, een hishaku, een bamboe kopje met een lange ranke bamboesteel, zo’n stukje eerlijk vakwerk op microschaal, daar kan Jan Kusters echt van genieten. Hij pakt het gereedschapje in zijn hand, bekijkt het van alle kanten. ,,Dit vind ik echt verschrikkelijk mooi.”

Eerst meende hij nog dat de ceremonie alleen met de juiste spullen kon worden uitgevoerd. Zo zocht hij, bij wijze van spreken, de hele wereld af op zoek naar de goede Japanse thee, macha. ,,Tot internet kwam, toen vond ik ergens dat de thee die ik hier had gekocht, in Japan wordt gebruikt om ijs te kleuren hahaha. Die is niet te vergelijken met de echte macha.”

Nu weet hij dat het niet uitmaakt, voor hem althans. Theefundamentalisten denken daar uiteraard anders over. ,,Je moet ook niet gaan voor het eindresultaat, dat werkt niet. Het gaat om het zomaar doen. Anders kan ik het niet zeggen.

De man die de huidige theeceremonie heeft vormgegeven, Sen no Rikyu, heeft het ook op die manier bedoeld. Het moest simpel en je moest je concentreren op de thee, niet op de spullen. Bamboe was het plastic uit zestienhonderd en raku was oorspronkelijk ook een wegwerpartikel. Het gaat erom dat je een simpel iets belangrijk maakt. De theeceremonie doe je niet voor die drie slokjes lauwe thee.”

Kusters maakt een vergelijking met het schilderen: ,,Eerst wilde ik een compleet schilderij maken. Daarna leerde ik om alle details met aandacht aan te brengen. Ik concentreer me nu alleen op dat ene vlekje verf dat ik nog moet zetten. En dan weer op de volgende verfvlek, tot het schilderij ineens klaar is.

Wow, het is gelukt! Zonder dat je het beredeneerd hebt gedaan. Je concentreert je op iets dat in feite niet belangrijk is. Dan lukken anderen dingen.”

Met het roken van pijpen en sigaren, door deze liefhebber met aandacht voor historie geschreven als cigaren, is het anders; daar staat het genieten meer voorop. Jan Kusters is hiertoe lid van het illustere sigarengenootschap Fidibus, een herengenootschap waarvan de leden op hun site te zien zijn terwijl ze in negentiende eeuwse stijl op de gevoelige plaat zijn vastgelegd.

,,In de grote werkloosheidstijd, de jaren tachtig, is het begonnen als een bierclub. We vonden allemaal Belgisch bier lekker, maar dat was te duur en hier heel slecht te krijgen. En om nou steeds naar Maaseik te fietsen… Dus legden we elke maand een tientje in om eens per maand iets meer luxe te kunnen ervaren. Vervolgens is het uitgegroeid tot het sigarengenootschap.”

Het genootschap werd een genootschap, omdat dit zijn voordelen had: ,,We dachten: misschien zijn er dan wel fabrikanten die wel eens een doosje deze kant op willen sturen. Daar hebben we drie keer gebruik van gemaakt. De gestuurde sigaren waren niet de moeite van het proberen waard. Het waren sigaren die naar rozen smaakten of suikerwatersigaren.” Hij glimlacht.

Intussen zijn de werkloze sigarenrokers van toen, de helft had in Sittard en de andere helft in Nijmegen gestudeerd, heel goed terecht gekomen. De groep telt nu onder anderen een aantal personeelsfunctionarissen, een paar werken in zorginstellingen, er zit een ambtenaar bij en een docent aan de Open Universiteit.

Het aantal bijeenkomsten is intussen afgenomen tot zo’n drie per jaar. ,,En dan nog is het moeilijk iedereen bij elkaar te krijgen.” Een andere verandering is wie voor de rookwaren zorgt; nu levert de gastheer alle sigaren. Daar is nu genoeg geld voor.

Het is een beetje jongensachtig, zo’n studentikoos genootschap. Net als gezamenlijk uitstapjes maken op de motor om ergens te kamperen, vliegers bouwen en vliegerfeesten bezoeken – andere hobby’s van Kusters.

,,Klopt. Het idee van: waar is de wereld nog niet helemaal geregeld en waar er is er nog wel een beetje avontuur.

Een uitgestelde pubertijd? Zou kunnen. De kleur van de muur hier, is ook de kleur die mijn jongenskamer had. Ik heb destijds heel veel kleuren geprobeerd; oranje, blauw, groen, rood - ik werd er soms een beetje gestoord van - maar uiteindelijk was dit toch het prettigst.

Er zitten bij dat rokersclubje trouwens ook mensen met een normaal volwassen leven die een beetje avontuur erbij nemen. Mensen die getrouwd zijn en kinderen hebben, bedoel ik.

Ik ben geen voorbeeld van een normaal volwassen leven.

Mensen leven naar mijn mening teveel op de automatische piloot. Dat is niet het leukste maar wel het makkelijkste.” Jan Kusters gaat voor het avontuur en de uiteindelijke voldoening mag dan ook wel wat moeite kosten; de weg ertoe is belangrijker dan het doel.

,,Met schilderen bijvoorbeeld. Ik heb drie jaar moeten sparen voor de reis naar Noorwegen, om daar te gaan schilderen. Verder heb ik alles moeten uitzoeken: hoe krijg je alle schildersspullen mee op de motor. Toen ik er was, was het weer heel slecht. Het hoorde erbij, maar dat wil niet zeggen dat ik het leuk vond.

Het was een denkprestatie: onder moeilijke omstandigheden toch de dingen doen die je wilt doen. Je wordt je bewust van de vraag: wat is belangrijk en wat niet. Waar draait het eigenlijk om. Wat kan ik missen en wat kan ik niet missen? Het is een soort crisismentaliteit, zeiden mijn ouders altijd.

Ja, ik ben een gigantische pessimist, zie overal beren op de weg. Aan de andere kant: ik denk dat ik vele malen gelukkiger ben dan de mensen om mij heen, en ik hoop dat zij dat ook van zichzelf denken. Dat ze misschien door mijn voorbeeld een beetje van die lol ontdekken.”

In Noorwegen ervoer de Sittardse levenskunstenaar ‘een gevoel van eindeloosheid, de mens als vetvlekje op het aardoppervlak’. ,,Het was een wezenlijke ervaring; de mens als voetnoot.”

Los van deze metafysische beleving, wilde het schilderen de eerste twee reizen maar niet lukken. Jan Kusters schilderde en schilderde, maar het resultaat was niks. Het leverde in elk geval geen werken op die hij zelf zou ophangen.

Maar dat was niet erg, zegt hij nu: ,,Kunst is voor mij dingen doen die je nog niet kunt, anders is het kunstnijverheid. Ik ontdekte dat ik alleen de beelden van landschappen kan schilderen die ik in mijn hoofd heb gecreëerd. Die zocht ik later op in Noorwegen, toen ik er was. En je aandacht brengen naar elk vlekje dat je opbrengt, niet meer ineens het geheel willen neerzetten. Tijdens en na de derde reis ging het goed.

Van een foto schilderen gaat niet trouwens; een foto heeft meestal maar 256 kleuren. In werkelijkheid zijn er veel meer kleurnuances. Die moet je leren zien.”

Ook het avontuur moet je leren zien. Het is soms gewoon om de hoek. Jan Kusters woont bijvoorbeeld alweer jaren in wat eens een Franciscaner klooster was. ,,We hebben hier een tijdje een woeste periode gehad. Zo zat hier een tijdje een illegaal bordeel. Stonden er elke avond allemaal vreemde mannen op de gang.

Ook waren er mensen bezig met criminele zaken. Dus hebben we paar keer een overvalteam binnen gehad. Waren ze weer een paar maanden op vakantie. Maar ja, dan werden de kamers onderverhuurd en daar kwam weer veel ellende van. Ja, het was hier toen wel avontuurlijk, maar de buurt klaagde.

De woningbouwvereniging heeft een aantal jaren hard gewerkt om de zaak hier uiterlijk en qua bewoners op de knappen. En met succes. Daar ben ik de woningbouwvereniging ook heel dankbaar voor. Het was wel heel leerzaam; je krijgt een andere kant van de samenleving te zien. Je krijgt een completer beeld van de hedendaagse wereld.”

Comments Off

admin op 2 March 2009 in Ongewoon & Anders