Solidariteit als essentie van de joods-christelijke traditie

Huub Oosterhuis heeft in februari bij de lancering van het leerhuis De Nieuwe Liefde in Amsterdam een essay gepubliceerd, getiteld ‘Ik versta onder liefde’ (Ten Have, 2011). Het leerhuis wordt een plek voor studie, bezinning en debat waar ‘de behoefte aan een opvlucht van onze geest niet wordt weggelachen of bedolven onder een ideologie’. Waar de verbeelding wordt gescherpt, het hart en het verstand verruimd, al dan niet via poëzie, muziek en theater. Gemodelleerd naar de joodse leerhuizen, moeten er nog vele van zulke vrijplaatsen volgen.
De Nieuwe Liefde biedt ruimte voor een (hernieuwde) aansluiting met het erfgoed van jodendom, christendom, humanisme en socialisme, stelt Oosterhuis. Ook zal er studie van de islam worden gemaakt en wordt onbevooroordeelde informatie over de wereldgodsdiensten geven, maar de focus of in elk geval de motivatie tot de oprichting ervan, blijkt uit het boek van de oprichter, is op de christelijk-sociale lijn.
De Amsterdammer heeft zijn essay ‘Ik versta onder liefde’ doorspekt met soms prachtige literaire fragmenten die hij gebruikt om zijn verhaal op te bouwen. Via ‘Advent’ van Wystan Hugh Auden (die ‘beschrijft deze eeuw van twee wereldoorlogen als een volstrekte leegte waarin ieder mens tot een fictie dreigt te worden onteigend’) introduceert Oosterhuis de levende liefde, de gedeelde bezieling – van soms maar een enkel moment – die inzichtelijk maakt en verbindt.
Vanaf zijn geboorte naar het heden, laat hij diverse voorbijgangers aan het woord. Hij beschrijft Adolf Hitler, die in 1933, het geboortejaar van Oosterhuis, 44 procent van de stemmen haalt, een nederlaag die als een overwinning werd gevierd. En citeert Sebastian Haffner als die vraagt naar de zwijgende meerderheid en spreek over ‘het laffe verraad van alle leiders van partijen en organisaties op wie 56 procent van de Duitsers, die tegen de nazi’s stemden, hadden vertrouwd (…). Wat is er van die meerderheid geworden?’
De inrichting van Dachau, de boycot tegen de joden, boekverbrandingen, de instelling van de eenpartijstaat, de censuur van kunst en cultuur – ‘In negen maanden werd Duitsland tot Hitler-Duitsland’. Oosterhuis slaat er, net als Hitler, Friedrich Nietzsche op na, de man die zijn tijd een eeuw vooruit was en die al in 1882 in de ‘Vrolijke Wetenschap’ de dood van god aankondigde:
‘”Waar God heen is?”riep hij. “Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik. Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gekund? Hoe konden wij de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? Waarheen beweegt zij zich nu? (…) Dwalen wij niet door een oneindig niets? Ademt ons niet de leegte tegemoet? Is het niet kouder geworden? Wordt het niet steeds meer nacht? (…)”’
Het bezield verband viel toen al uit elkaar. In Nederland was dat al eerder onderkend door Eduard Douwes Dekker. Door het burgerkapitalisme, massafabricage, het monetair-industrieel complex en de opkomst van de moderne stad werden volgens George Steiner ‘de gordijnen tegen het morgenlicht dichtgetrokken’, met een op christelijke hellebeelden en verdoemingsverhalen gebaseerd ‘uitleven van een duizendjarige pornografie van de angst tot gevolg’: de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Dat regime had zich mede gebaseerd op het streven naar werkelijke individuatie, in de lijn van ‘blijde boodschapper’ Nietzsche.
Aansluitend bij ‘god en theologie na Auschwitz’ stelt Oosterhuis: ‘Ik heb geleerd te onderscheiden tussen de christelijke cultuurgod en de God van de bijbel’. Hij vervolgt zijn reis naar hernieuwde bezieling door de god van het jodendom op te zoeken, volgens hem een god van bevrijding en hoop. En van verbinding. Hier komen we bij de rode draad: het joods-christelijke verhaal is een sociaal verhaal, in essentie een bevrijdingstheologie die oproept tot bezielde actie voor de kwetsbaren op basis van recht, solidariteit en ontferming. En dat steeds weer opnieuw, ondanks tegenslagen; geloven tegen de klippen op.
De dichter neemt de kracht van ‘het volk’ Israël als voorbeeld. In 1230 voor het begin van onze jaartelling schrijft farao Mernepta dat Israël niet meer bestaat; hij heeft alle nomadenvolkjes in Kanaän, het huidige Libanon, Palestina en Jordanië, in de pan gehakt. Een eigen god had Israël toen nog niet, al geven de joodse geschiedschrijvers daar vervolgens met terugwerkende kracht een andere draai aan, stelt Oosterhuis. In 586 is het weer raak en wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Maar de Israëlieten geven niet op en in 515 wordt een nieuwe tempel opgericht.
Onder druk van voortdurende vervolging, wordt deze traditie op schrift gezet. De essentie van de Thora-bibliotheek is volgens Oosterhuis: ‘Jij, mens, wie je ook bent, heb liefde tot je naaste die is zoals jij, een nietig ontzagwekkend levende ziel, een ander mens die bestaansrecht heeft zoals jij; geef elkaar dat recht, gelijkwaardig als je bent, zo verschillend als je bent; weest solidair met elkaar’. ‘(…) uniek is: dat dit beroep op het geweten van ieder mens in de mond wordt gelegd van een God met de naam “Ik zal er zijn, ik stuur jou naar mensen in nood”. Hij zal zijn in mensen die elkaar bevrijden.’
Niet zo verwonderlijk, ziet Oosterhuis van Jezus dan ook vooral diens sociale functie. Het verhaal over een Jezus die gestorven is om de zondige mensen met god te verzoenen, en ons te redden van verdoemenis, is voor hem van weinig tot geen waarde. ‘Heb liefde tot je naaste, wees volstrekt solidair met je naaste, die is als jij, een mens’ – deze rabbijnse samenvatting, daterend van tweehonderd voor onze jaartelling, en weerklinkend in de verhalen over Jezus, is voor Oosterhuis richtinggevend.
Hij zet daar de Übermensch van Nietzsche tegenover. Oosterhuis geeft eerst aan dat je met de Übermensch veel kanten op kunt, maar verklaart deze vervolgens voornamelijk als de onderliggende basis voor het dominante vrijemarktdenken, waarbij asociaal en gewetenloos gedrag de boventoon voert. ‘De markt bevindt zich aan gene zijde van goed en kwaad’, schrijft hij.
(Ik heb Nietzsche al jaren niet meer gelezen, maar in mijn herinnering was deze idee vooral gericht op het ontwikkelen van een persoonlijke moraliteit door onafhankelijke zelfbevrijding. En gezien zijn tirades tegen het christendom met haar slavenmoraal, kan ik me niet voorstellen dat Nietzsche de nieuwe priesterkaste van het internationale bedrijfsleven, deze kerken van de nieuwe macht, met hun vele slaven (klanten en medewerkers), zou toejuichen. Dit terzijde.)
Oosterhuis kiest liever voor Marx, volgens hem onterecht afgeserveerd vanwege het vermeend onchristelijke karakter van zijn denken en uiteraard om de mislukte toepassing van zijn ideeën in Oost-Europa. Marx stelt dat de bevrijding komt als we: ‘Alle verhoudingen omver werpen (saneren) waar in de mens een vernederd, geknecht, verlaten en verachtelijk wezen is’. Dus wel bevrijding, maar niet ten koste van een ander (zoals in het traditionele kapitalisme) en in solidaire verbondenheid. ‘Het geloof in het noodlot en de heiligheid van het bestaande, maar ook het geloof en het inzicht in de vernieuwbaarheid van deze wereld doordesemt heel de marxistische traditie en is geestverwant aan het visioen van de bijbel.’
Vervolgens laat Oosterhuis parallellen zien tussen de opkomst van Nazi-Duitsland en die van een club als de PVV in onze tijd (en vergelijkbare populistische radicale stromingen in andere Europese landen). Hij haalt Johan Huizinga aan uit ‘In de schaduwen van morgen’ en laat hem zeggen dat de hoop te vinden is in de gemeenschap van mensen die ‘de leugen geen toegang geven, en die niet vervallen tot levensmoeheid en vertwijfeling’. Een gemeenschap van/in de (creatieve en bezielende) geest (die de mythen van het vrijemarktdenken kan en wil ontrafelen en in verbondenheid kan overstijgen); de mondiale ‘civil society‘ die nu wereldwijd zo’n 5 miljoen mensen zou omvatten.
Hendrik Marsman (in 1940 omgekomen toen zijn boot onderweg naar Engeland zonk, een groot bewonderaar van Nietzsche) was één van hen. Hij dichtte: ‘Alles is immers beter dan dit! / Zou ons hart niet moeten vergaan / van wroeging en schaamte, dat dit / ongestraft kan bestaan! / want geen onzer heeft iets gedaan / om met zijn bestaan te bezweren / dat er bloed aan de handen klit / en het tuig uit de onderwereld / de vulkanische tronen bezit.’
Oosterhuis ziet zich als een metgezel van Marsman, als één van de weinigen ‘die de leugen geen toegang geven en hun knieën niet buigen voor het onrecht’. Hij richt zijn pijlen met name op het beleid voor (of tegen) asielzoekers in Nederland en ziet overeenkomsten met de vervolging van de joden: ‘Het vergelijkbare is de manier waarop weerloze mensen worden behandeld. Dat lijkt wél op elkaar: zo voelt het, de nietsontziende hardheid, zelfs kinderen worden niet ontzien. En zo heb ik het gezien in 1943, in de Amsterdamse Rivierenbuurt.’ (In november 2010 presenteerde Amnesty International het rapport: ‘Vreemdelingendetentie: in strijd met de mensenrechten’.)
De beweging van ‘goede mensen’ anno nu zou vooral moeten insteken op de liefde voor de vreemdeling, aldus Oosterhuis; het moeilijkste dat er is. ‘Opdat de samenleving der mensen niet zal wegzakken in schijnliefde, apenliefde, bezittersliefde, bloedliefde, bloed-en-bodemliefde’. Hij haalt Emmanuel Levinas aan: ‘Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’
De vreemdeling, dat is, in deze tijd, de ander, in het bijzonder de kwetsbare ander. Niet alleen de asielzoeker. Die vreemdeling moet onderdeel gaan uitmaken van het utopische streven naar beter, tegen de klippen op. Voorbij Nietzsche, de (onwillige) profeet van de moderne tijd. Voorbij de oude god, misschien wel zoals de bon hommes die zagen bij de katholieke kerk, naar een nieuwe, ware god, die ‘puur licht is en zonder schaduw’. Een god die niets vraagt dan solidariteit met de zwakkere, de vreemdeling.
Daartoe moeten we volgens Oosterhuis: ‘Niet afgestompt raken door de zorgen van iedere dag, en je niet laten intimideren door de harde stemmen der cynische realisten die het beter weten. En niemand hard vallen die de moed verliest. Tijd maken voor troost, bezinning, analyse, muziek. Gedichten lezen, nieuwe moed verzamelen: dat is wat ons te doen staat in onze bezield-verbandhuizen, leerhuizen voor een betere wereld.’

admin op 26 April 2011 in Boek & Meer

