Tadao Yamaguchi: ‘Geen slechte reiki, wel incomplete vormen’

Onlangs bezocht de wereldberoemde reikileraar Tadao Yamaguchi Nederland. Hij is de oprichter van de twaalfduizend studenten tellende internationale Jikiden-school voor traditionele reiki.

Tadao Yamaguchi (1955, Kyoto) interesseerde het aanvankelijk helemaal niet zoveel hoe reiki is ontstaan. Hij had reiki van zijn moeder geleerd en heeft er veel baat bij. Net als veel anderen. Maar omdat hij één van de weinige nog levende leraren is die in de lijn van overdracht dicht staat bij grondlegger Mikao Usui, krijgt hij vaak vragen over het verleden. Ironisch gezien, draait reiki juist om het hier en nu.

Onlangs was hij in Nederland voor een lezing over zijn school, Jikiden Reiki Kenkyukai. Wij spraken met hem over zijn methode en uiteraard over de reiki-geschiedenis. Het interview begon gelijk goed. Wat blijkt: er liggen nog enkele onbekende documenten uit de jaren twintig te wachten op publicatie!

Tadao Yamaguchi: ‘Het gaat om stukken die zijn gebruikt door bij Mikao Usui opgeleide leraren en die door de Gakkai aan mij ter beschikking zijn gesteld.’ De Gakkai is het oorspronkelijke reikigenootschap van Mikao Usui.

De datum van publicatie is nog onbekend en, ernaar gevraagd, lijkt Tadao Yamaguchi er ook geen haast mee te hebben. Frank Arjava Petter, een bekende reikimaster die bij het gesprek aanwezig is, verzucht: ‘Ik heb negen boeken over de reiki-historie geschreven, ik vind het nu ook wel goed zo.’

Of deze documenten veel nieuws bevatten, is de vraag. Toch zijn ze belangrijk om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de oorsprong van reiki. Al was het maar om het verstrekken van onjuiste & onvolledige informatie en sektarisch denken, als eerder bij de Reiki Alliantie, te voorkomen.

Op zoek naar de bron

Binnen de Gakkai (voluit Shin Shin Kaizen Usui Reiki Ryōhō Gakkai) is de levende traditie nog in min of meer originele vorm beschikbaar. Het is echter een besloten vereniging, volgens Frank Arjava Petter enigszins vergelijkbaar met een vrijmetselaarsloge, waarvan de ongeveer driehonderd leden uitsluitend elkaar behandelen. Veel informatie komt er niet naar buiten.

Dit komt ook doordat het publiekelijk adverteren met of het praktiseren van reiki sinds WOII (mogelijk aanvankelijk vanwege banden met de vredesbeweging) strafbaar is in Japan. ‘Zelfs nu nog ga je in Japan de gevangenis in als ze je pakken’, lacht Frank Arjava Petter, ooit student nummer tien van Tadao Yamaguchi en nu Jikiden Reiki Dai Shihan.

Om deze reden, zijn we voor informatie over de authentieke methoden, behalve op enkele spaarzame documenten, aangewezen op mensen als Tadao Yamaguchi, die teruggrijpen op de pre-Gakkai periode. Naast Jikiden Reiki Kenkyukai, de school die hij met moeder Chiyoko Yamaguchi oprichtte, zijn er overigens nog de Reidō Reiki Gakkai (deze leringen zijn volgens Wikipedia bijna identiek aan die in de Gakkai) en de Kōmyō Reiki Kai (opgericht door een leerling van de moeder van Tadao Yamaguchi).

Tadao Yamaguchi leerde reiki via zijn moeder, die in opleiding was bij Chujiro Hayashi, een leerling van Mikao Usui die diens methode met toestemming vereenvoudigde. Tadao Yamaguchi stelt op zijn site dat Chujiro Hayashi als arts ‘bepaalde accenten legde’, bijvoorbeeld door het massage-onderdeel uit te werken.

De variant van Chujiro Hayashi, maar dan sterk versimpeld, aangepast aan de Amerikaanse situatie na WOII en aanvankelijk aangevuld met diverse fraaie verzinsels, is de westerse reiki zoals die nu wereldwijd door miljoenen wordt gepraktiseerd (Usui Reiki Shiki Ryh).

Sensei hield van sake

In een buurthuis in Hoensbroek, Limburg, zijn vandaag zo’n vijftig mensen uit het hele land bijeen gekomen om Tadao Yamaguchi te ontmoeten, een levende link met het verleden. Eerst zal Frank Arjava Petter vertellen over zijn jarenlange reiki-onderzoek. Via foto’s laat hij de exotische namen en plaatsen, die we kennen uit zijn boeken, tot leven komen.

We zien ondergelopen rijstvelden, halfhoge bergen en de tempel waar Mikao Usui zijn basisopleiding kreeg – er was geen school in het dorp waar hij opgroeide. ‘En in dit huis heeft Mikao Usui een groot deel van zijn jeugd doorgebracht.’ We kijken samen naar een lage houten winkel met achterliggend woonhuis.

Frank Arjava Petter, die al jaren reiki-reizen naar Japan organiseert, plaatst alles met humor in perspectief. We zien een foto van een groot bedrijf. ‘Mikao Usui komt uit een familie die eeuwenlang een sake-brouwerij heeft gehad, zoals deze. Dus nu weten we ook wat er onder de bult zit, die zich op de foto’s onder zijn gewaad aftekent’; de sensei hield wel van een glaasje.

Byosen belangrijkst

Daarna is het de beurt aan Tadao Yamaguchi. De man op wie we allemaal gewacht hebben, blijkt opvallend onopvallend. Door tientallen jaren beoefening heeft hij een buitengewone gevoeligheid, ook op afstand. Byosen, het snel en verfijnd waarnemen van energetische knelpunten van verschillende intensiteit, blijkt het onderwerp van zijn voordracht.

‘Iemand met meer ervaring heeft ook geen sterkere energie dan een beginneling, het verschil zit hem in het waarnemen van byosen. Hoe meer ervaring, hoe sneller en nauwkeurig verschillende knelpunten kunnen worden vastgesteld. Zonder het ervaren van byosen, is het geven van reiki als vissen in het donker’. Wat behandelaars en cliënten verder ervaren, bijvoorbeeld temperatuurwisselingen, is persoonlijk en niet van belang, aldus Tadao Yamaguchi.

Hij vindt het belangrijk om dit soort informatie te delen, ook om misverstanden te voorkomen. Nadat hij medio jaren negentig via westerse reikileraren voor het eerst hoorde over het bestaan en de sterke groei van reiki in het westen (via de Reiki Alliantie), richtte Tadao Yamaguchi in 1999 het Jikiden Reiki Kenkyukai op.

Het doel is om reiki vanuit ‘directe overlevering’ (Jikiden) te onderwijzen. Ter aanvulling zal op termijn ook een dvd met privé-opnames verschijnen waarop zijn moeder haar verhaal vertelt. Intussen telt de Jikiden-school van moeder en zoon Yamaguchi wereldwijd al zo’n twaalfduizend studenten, onder wie diverse leraren die mogen lesgeven in de ‘pure reiki methode’.

Alle reiki is goed

Tadao Yamaguchi: ‘Er is zijn geen slechte vormen van reiki. Wel zijn er vormen die niet compleet zijn. Daardoor zeggen sommige mensen dat reiki niet werkt. Dat is onterecht.’ Zo is bijvoorbeeld de behandeltijd bij sommige scholen te kort om veel effect te sorteren. Zelf behandelt hij mensen sinds 1965, voornamelijk op het hoofd en minimaal zestig tot negentig minuten per sessie.

Belangrijk bij reiki is je het veel doet en dat de behandelingen lang duren en regelmatig plaatsvinden, geeft hij aan. Tijdens zijn lezing geeft hij het voorbeeld van een vrouw die al genoteerd stond voor een operatie vanwege ernstig nierfalen.

Door deze cliënt bijna een half jaar dagelijks en langdurig te behandelen, bleek een operatie uiteindelijk niet meer nodig. ‘Haar (serum creatinine) waarde daalde van 5.9 tot 2.9.’ (Rond waarde 6 treedt uitval van de nieren op.) Tadao Yamaguchi: ‘Dat is toch een wonder!’

Wereldwijd hebben intussen ruim achthonderd soorten reiki het licht gezien, voortgekomen uit individuele inzichten, pragmatische behoeften en/of marketing-overwegingen. Binnen de ‘traditionele Japanse reiki’ zijn, zoals hierboven aangehaald, ook diverse scholen actief.

Verandering lijkt een constante, ondanks de behoudzucht. Is de stichter van het Jikiden Reiki Kenkyukai niet bang dat één van zijn leraren straks met eigen aanpassingen of met een eigen school komt? Eerder deed een student van zijn moeder dat al. Tadao Yamaguchi glimlacht: ‘Ik vertrouw erop dat het niet gebeurt’.

Comments Off

admin op 7 July 2011 in Religie & Spiritueel

Over cultuur en kerstbomeritus

Religie, het gestructureerde uitvloeisel van de intrinsiek menselijke behoefte aan geïnspireerde zingeving, is een vast onderdeel van elke cultuur. Bij complexe en eenvoudige culturen. Telkens zijn er religieus specialisten die binnen de cultuur de verhouding van mensen tot elkaar (de ander) en tot het hogere / de ander met een hoofdletter via regels vormgeven en daarbij de rol van makelaar vervullen. In het westen is die rol, die eerder eeuwenlang exclusief aan de christelijke kerk toebehoorde, geleidelijk overgenomen door de media/internet, kunst, wetenschap en de neo-paganisten.

Cultuur is dynamisch. Daarom zijn ook de uitvloeisels daarvan (religie, taal, mode, muziek, kunst, wetenschap et cetera) dynamisch. Religie houdt niet ergens op, maar verandert waar mensen samenkomen. Hoeveel regeltjes, wetten en grenzen ook worden of zijn bedacht. Een religie wordt niet in een laboratorium ontwikkeld zonder invloed van buitenaf en vervolgens onder een glazen stolp door de eeuwen heen gedragen.

De Nederlandse cultuur op dit moment, is een dynamisch geheel gebaseerd op het voor-christelijke (Kelten, Germanen), het christelijke, het humanistische, het socialistische en de recente ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar. Het is een organisme dat leeft en zich ontwikkelt, maar niet meer met de overwegend christelijke identiteit, in die zin dat het christendom veel facetten van het leven doordrenkt, als pak hem beet zestig jaar geleden. De Nederlandse cultuur is vlees noch vis.

Binnen onze cultuur is door de open informatievoorziening een grote mate van helderheid over wat we als onderdeel van de christelijke religie zien en wat als niet-christelijke cultuur-elementen. Sinterklaas bijvoorbeeld, is een niet-christelijk feest, dat overigens wel een christelijke oorsprong heeft in verhalen over een christelijke bisschop die goudstukken uitdeelde in het huidige Turkije. Voor veel nieuwe Nederlanders, met name moslims, die pas sinds kort meedoen in ons culturele ontwikkelingsproces, zijn dit soort zaken niet helder.

Nu is er bijvoorbeeld veel te doen over de ‘christelijke’ kerstboom. Het gebruik van een met kaarsjes, later lampjes, en ballen en slingers versierde kerstboom is een onderdeel van de Nederlandse cultuur dat teruggaat tot voor-christelijke tijden. Er is geen oud-christelijke wet of regel voor die het voorschrijft. De boom, vroeger een eik, is een Oudgermaans vruchtbaarheidssymbool. De rooms-katholieke kerk heeft kerstbomen lange tijd geweerd, juist vanwege deze ‘heidense’ oorsprong (bron: Wikipedia).

Waarom wordt nu onder Nederlandse moslims discussie gevoerd over kruizen op mijters en kerstbomen? Er ontbreekt blijkbaar kennis over onze culturele gebruiken, religieus en niet-religieus. Verder lijkt er in de moslimgemeenschap onzekerheid en angst te zijn met betrekking tot de zich ontwikkelende eigen identiteit binnen de Nederlandse cultuur. In een moslimland was je als moslim vrij zeker van je wie je was, cultureel en meer specifiek religieus bezien. In Nederland niet.

Dat komt ook doordat Nederlandse cultuur verandert. Onder oude Nederlanders is hier ook onzekerheid over. Slachtoffers bijvoorbeeld, zijn nu helden en uitzonderingen zijn belangrijker dan afspraken. Oude helden hebben afgedaan en regels zijn er om te ontduiken. Maar ook om je eraan te houden - als het over anderen gaat. Kortom: niet te volgen.

Een mogelijke oorzaak voor de krampachtige moslimdans rond de kerstboom zou kunnen zijn dat werkelijke vrijheid tot een inhoudelijke discussie over theologische zaken in de islam voor gewone gelovigen nog niet bestaat, omdat daar tot nu toe in de eigen cultuur nog geen dringende behoefte aan was. Er bestond min of meer een culturele en religieuze consensus.

In het christendom bestaat de bedoelde vrijheid pas pas enkele tientallen jaren en met name door anti-institutionele en emanciperende ‘jaren zestig’ van de vorige eeuw, waarin, door een kleine dwarse elite, alles ter discussie werd gesteld. Dat heeft gevolgen voor de huidige samenleving, die grotendeels ontkerkelijkt is, omdat die generatie nu aan het roer staat.

De vrijheid om onafhankelijk religieus onderzoek te doen, en bijvoorbeeld religieuze beleving in een cultuur-sociologische kader te beschouwen, bestaat in het christendom dus pas kort. De kerk heeft eeuwenlang het monopolie gehouden op de uitleg van de bijbel en alles dat daarmee samenhangt. Machtshandhaving door de toegang tot afwijkende of aanvullende informatie te ontzeggen. Informatie die het machtsmonopolie ondergraaft.

Een andere reden voor de kerstbomeritus onder sommige Nederlandse moslims kan zijn dat de sociale controle in de diverse moslim-gemeenschappen in Nederland groter is, omdat de gemeenten kleiner zijn, waardoor afwijkend gedrag sneller resulteert in uitsluiting.

Ik zag die vage angst ook op een vmbo-school waar ik een krap jaar Nederlands heb gegeven. Leerlingen die niet meededen met carnaval en heel zuur langs de kant stonden te kijken alsof ze straf hadden. Ze zeiden dat meedoen van de ouders of de imam niet mocht, omdat carnaval een christelijk feest zou zijn.

Ook in dit geval is het waarschijnlijk dat de Germanen, naast veel andere volkeren, al voor christelijke tijden een dergelijk feest vierden. Van de Romeinen en de Grieken staat dat vast. Voor zover ik weet, is er ook geen oud-christelijke regel die carnaval voorschrijft. Wel heeft de westerse kerk carnaval ooit heel slim ingepast in haar verhaal.

De bevrijding van het individu in de jaren zestig, had onder meer als resultaat dat de rol van de christelijke religie in Nederland veranderde. Een religie heeft de functie om de verhoudingen tussen mensen onderling en de relatie tussen de mens en het hogere te regelen, te bepalen en vorm te geven. Wat het eerste betreft, was het soms zo dat wereldlijke en geestelijke macht samenvielen. Later kwam daar de variant van de koning met een god gegeven mandaat voor in de plaats.

Beide functies van religie zijn voor de meeste christenen in het westen niet of nauwelijks nog van belang. Met name het wettische karakter voor het bepalen van de sociale verhoudingen, is bijna van geen enkele waarde meer. Gelukkig maar, want daarvoor hebben we de staat. De scheiding van staat en kerk, deze bestaat in Nederland pas in basale vorm sinds eind achttiende eeuw, biedt ruimte voor diversiteit.

In theocratische staten, hier vaak dictaturen genoemd, met een moslim meerderheid, valt de wereldlijke macht en de religieuze macht vrijwel samen en is de verdraagzaamheid voor andere geloven, de meetbare mate toegestane culturele diversiteit, minimaal. Zelfs voor varianten van het eigen geloof. Deze culturele invloeden doen zich gelden in de moslimgemeenschappen in Nederland.

Voor oude Nederlanders is dat verbazingwekkend, juist doordat onze cultuur en vlees noch vis is. Ze kijken met verwondering en ook een beetje angst naar religies en religieuze autoriteiten die nog wel macht kunnen doen gelden over hun gelovigen, kunnen voorschrijven wat ze moeten doen en denken. Zelfs als het gaat om een kerstboom of carnaval. Uiteraard zijn de gelovigen in kwestie van mening dat ze vrij zijn in hun zelfverkozen gebondenheid.

Naar mijn mening moet je als gelovige je van god gegeven verstand gebruiken om na te denken, onderzoek te doen en je een eigen mening te vormen over ervaringen en geloofsregels. Ook is het goed om in te zien dat religie een dynamisch geheel is, dat verandert als gevolg van de culture inbedding. Dat doet aan de kwaliteit en de intensiteit van de geloofsbeleving voor de ware gelovigen niets af, maar brengt een echte gelovige vaak zelfs een stap verder. Zo zou hij of zij kunnen ontdekken dat de regeltjes van een religie voor de mensen zijn.

Elk geloof begint met ervaren en openbaren, dan komen er een paar regels en later steeds meer regels over regels. En dan komen er mensen die de regeltjes over de regeltjes moeten uitleggen en die zitten weer in een speciale club met regeltjes. En zo groeit een succesvolle religie. Dit proces biedt de noodzakelijke ruimte die nodig is om het geloof in de tijd, onder verschillende culturele verhoudingen, te laten voortbestaan. Ontbreekt het historische inzicht in dit culturele proces, dan kan dat leiden tot verharding, een in zich zelf gekeerd raken, isolement, met als ontlading een confrontatie intern of extern.

Uitsluitingsregels en reinheidsregels, die hiervoor de voorwaarden scheppen als ze worden misbruikt, zijn vaak gebaseerd op angst in een groep. Angst voor de ander, en in essentie voor het zelf. Dat geldt overigens niet alleen voor religies, maar voor alle groepen mensen met een duidelijke identiteit. De beleving van god heeft echter niets met angst te maken, maar ontstaat pas als die angst door acceptatie van de schaduwzijde is verdwenen. Zo komen we, voorbij alle regels, leiders en gebouwen, bij de kern van elke religie, de spiritualiteit, waar religie als een huis omheen is gebouwd en die een weg biedt voor groei en positieve verbondenheid van mensen onderling, ongeacht hun overtuigingen.

Religies zijn schijnbaar de oorzaak van veel oorlogen en strijd - waarvan gewone mensen overigens altijd de dupe zijn. Gelovigen en niet-gelovigen. Wereldlijke macht is echter altijd het doel van de mensen erachter; zij misbruiken religie daarvoor. Binnenstaanders en buitenstaanders. Dat gaat makkelijk, want veel wettische religies willen of wilden de relatie met boven monopoliseren en kiezen er vaak voor om de informatievoorziening te beperken om de afhankelijkheid in stand te houden. Dus via een religie heb je gelijk een heleboel mensen aan jouw kant. Of je nu voor of tegen bent.

Het gaat om de macht van weinigen over de minds en de means van velen. En god staat altijd aan de kant. Hij ziet het eeuwige drama aan, dat vaak nog in zijn naam wordt opgevoerd, schudt zijn hoofd eens en krabt in z’n baard. Uit arren moede gaat hij rond deze tijd van het jaar dan maar bij iemand de kerstboom aansteken. Je ziet hem denken: ‘De kerstboom, dat is eigenlijk best een mooi universeel symbool voor de levensboom en de lichten die daarin kunnen branden.’

Comments Off

admin op 23 December 2009 in Politiek & Media

Paulus kende Jezus en is Jeruzalem uitgegooid

De Evangelie Code, een onlangs verschenen boek van Karl Junger (Tirion, 2008), biedt een alternatieve uitleg van de mysteriën in de boeken van het Nieuwe Testament. Een uitleg die leidt tot soms verrassende conclusies. De meest opvallende is wat mij betreft dat Paulus en Jezus elkaar gekend zouden hebben, al is dit idee niet nieuw. En dat Paulus als agent provocateur van de hogepriester van de tempel bewust niet-joodse elementen in de leer van de Jezus-beweging heeft geïntroduceerd en uiteindelijk degene was die als ras-opportunist het laatst lachte. En wel zo’n tweeduizend jaar.

Volgens Junger wilde Paulus belangrijk zijn, daar deed hij alles voor. Verschillende meesters dienen en ook de leer van Jezus verdraaien zodat de Romeinen en Grieken deze zouden accepteren, inclusief de toevoeging van elementen uit hun respectievelijke mythologieën. Dit zorgde er na de dood van Jezus voor dat de vroeg-christelijke gemeente, onder leiding van Jezus’ broer Jakobus, Paulus op een gegeven moment Jeruzalem uit heeft gegooid.  Paulus werd door mensen van de Jezus/Jakobus-beweging naar Caesarea begeleid om er zeker van te zijn dat hij weg was en bleef. Opgeruimd staat netjes, die Paulus; op de boot naar Tarsus, waar die intrigant vandaan kwam.

Eerder, als gevolg van het dienen van meerdere heren, is Paulus ook vermoedelijk betrokken geweest bij de arrestatie van Jezus, aldus Junger. Hij zou degene zijn wiens oor werd afgeslagen. Na Jezus’ dood zou de schijnbaar bekeerde Saulus er als Paulus alles aan gedaan hebben om deze sporen uit de verhalen te wissen, samen met de sporen die wijzen naar de grote invloed van de familie van Jezus in de vroege beweging en dan vooral naar de werkelijke rol van Jakobus. Jakobus was volgens de schrijver op een gegeven moment meer gerespecteerd en bekender dan zijn broer Jezus.

Maar laten we bij het begin beginnen. Volgens Junger, van beroep informatie-analist, zit in de verhalen in het Nieuwe Testament een aantal codes verborgen die de afgelopen twee millennia niet eerder zijn gevonden. De belangrijkste is dat in het Evangelie van Johannes en Marcus gedetailleerde beschrijvingen van personen verwijzingen zijn waarmee, met behulp van de juiste contextuele informatie uit die tijd, de historische waarheid aan het licht kan worden gebracht die in de symbolische verhalen is verwerkt. Junger is niet de eerste die wijst op dit soort codes, maar zijn analyse werpt wel nieuw licht op de bijbelverhalen.

Junger zoomt eerst in op de grafscene na de kruisiging van Jezus. Hij identificeert de daarbij aanwezige onbekende geliefde discipel als Jakobus, een broer van Jezus. Deze was heel belangrijk, voor en na de dood van Jezus. Hij werd de opvolger van Jezus. De rouwende vrouwen kwamen ook niet naar het graf om Jezus’ lichaam met welriekende stoffen in te wrijven, maar om Jakobus, nog in het graf van Jezus, vanuit hun priesterlijke afstamming te zalven als de volgende koning in de lijn van David, na Jezus.

Jakobus’ leiderschap is overigens niet onomstreden. Er is na de dood van Jezus  een machtsstrijd gaande tussen de door Jezus aangewezen opvolger Jakobus, Petrus en Johannes, aldus Junger. Eerder waren er al anderen die de macht naar zich toe wilden trekken.

In deze periode zijn geen vier maar slechts twee Maria’s actief, concludeert hij. Maria de moeder van Jezus en een aantal apostelen, en Maria van Magdala die door Jezus tot apostel werd gemaakt en die mogelijk Jezus’ vrouw was. De laatste Maria werd volgens Junger door Jezus nota bene veel hoger ingeschat dan Petrus; deze was vermoedelijk een opvliegende ongeletterde visser met onvoldoende (intellectuele) capaciteiten om leiding te geven.

In dit tijdvak liep er ook een zekere Saulus van Tarsus rond. Hij wilde zich afficheren met de macht en at daarom van meerdere walletjes door hogepriester Kajafas te steunen, in de bijbel wordt Paulus dan verhullend Malchus genoemd aldus Junger, en diens concurrent de bekende leraar Gamaliël te volgen. Volgens Junger, en eerder A.N. Wilson, heeft Paulus Jezus dus gekend. En niet alleen enkele van diens discipelen/apostelen.

Paulus  zorgde, al dan niet in opdracht van Kajafas als agent provocateur, overal voor irritatie bij de gemeenten van de Jezus-beweging, zoals ook in het Nieuwe Testament beschreven. Dat kwam wellicht door zijn dubbelhartige persoonlijkheid, maar waarschijnlijk vooral door zijn opportunistische aanpassingen aan de leer om zijn doelgroepen, de machthebbers in Jeruzalem en Rome, voor zich te winnen, denkt Junger. Het resultaat is een verhaal dat nog steeds als waarheid wordt verkondigd vanaf de kansels in honderdduizenden kerken wereldwijd.

Jezus, de hoofdpersoon van het christelijke verhaal, was volgens Karl Junger een man die zichzelf herkende in de messiaanse beschrijvingen in het oude testament en geloofde dat hij het was. Alleen om uiteindelijk, nadat hij met zijn familie ervoor had gezorgd dat de oude schriften vervuld waren, erachter te komen dat hij gewoon zou sterven.

Een dramatisch en wat sneu verhaal dus, over een inspirerende wijze man wiens verhaal misbruikt is door Paulus, maar ook een verhaal over zijn broer Jakobus die historisch bijna werd uitgewist ondanks zijn grote invloed op het vroege joodse christendom. Na Jezus’ teleurstellende dood werd zijn lichaam weggehaald om elders in een familiegraf te worden bijgezet, aldus Junger. Vervolgens kreeg Jezus’ verhaal, mede onder invloed van Paulus aangepast met opstanding en vergeving van alle zonden, wereldwijd bekendheid.

Het boek is goed geschreven. De code van de uitvoerige detailbeschrijvingen lijkt plausibel en niet vergezocht. Het verhaal over de nu ontdekte en altijd doodgezwegen concurrentiestrijd om de macht en de invloed van Jakobus komt hierdoor geloofwaardig over. Maar soms gaat Junger te ver, in zijn begrijpelijke bevlogenheid om gelijk alle eindjes aan elkaar te knopen. Aan de andere kant zorgt dit creatieve knoopwerk, denk aan Paulus/Malchus, voor een verhaal waar je je iets bij kunt voorstellen als het gaat om een jonge religieuze beweging.

Je hoeft maar te kijken naar de reiki-beweging om te zien hoeveel er al gedraaid en bedacht is dat aantoonbaar niet klopt. Deze beweging is nog niet eens honderd jaar oud en dan hebben we in deze eeuw ook nog eens zeer goede communicatiemiddelen tot onze beschikking. Er zijn altijd mensen die, rekening houdend met machtsverhoudingen, de historische werkelijkheid naar eigen goeddunken aanpassen om het succes ervan te vergroten en/of uit opportunistische beweegredenen. De praktijken van Paulus, zoals uiteengezet in het boek van Junger, zijn blijkbaar van alle tijden. Dat maakt de uitleg in dit boek behoorlijk plausibel.

Comments Off

admin op 7 August 2008 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Als de dingen een verhaal krijgen of omgekeerd

Voor mij is alles dat oud is boeiend. Het begon met het zoeken naar pijpenkoppen uit de zeventiende eeuw op de Friese velden waar nu het nieuwe voetbalstadion van Heerenveen staat. De fascinatie is gebleven, mede door de Indiana Jones-films uit mijn jeugd, die ik nog steeds graag terugkijk.

Dr. Jones was jarenlang de meest bekende archeoloog die ik ken. Hij maakt het vakgebied spannend, je ziet hem ook nooit urenlang met kwastjes en krabbertjes prutsen, en hij komt op voor de goede zaak.

Maar ook Indy komt ook regelmatig in de verleiding, is het niet vanwege een prachtige vondst die hij koestert en voor zichzelf wil houden, dan wel door een verleidelijke en intelligente vrouw die zijn pad kruist (idem). Uiteindelijk doet hij altijd het juiste; kiest voor de wetenschap en niet voor de poen en voor de democratie en niet voor het fascisme. En voor de juiste vrouw.

Toen ik begin twintig was, heb ik ooit op een Grieks eilandje een bijzondere vondst gedaan. Nou ja, zo ongeveer. Ik voelde me een beetje Indiana Jones, balancerend op het onzichtbare pad boven de afgrond. Een ethische afgrond, dat voelde ik wel.

Op dat eiland was een monument voor Johannes de Evangelist. Op de weg er naartoe lagen stenen kisten van heiligen van een paar honderd na het begin van de jaartelling. Sommige lang geleden opengebroken door vandalen. Dat maakte me nieuwsgierig; het zou toch niet zo zijn dat er nog wat in lag?

Zonnebril af en turen. Niets te zien. Zaklampje erbij. Wat is dat? Even snel mijn arm erin als niemand kijkt. En ineens had ik twee botfragmenten in mijn hand, helemaal onder de oude spinnenwebben, waarvan het eerste stuk al snel verkruimelde.

Dat was mijn Indiana Jones-momentje. Het vervolg is minder fraai. Ik heb het botje, een stuk scheenbeen, weken later gewikkeld in handdoeken als een ordinaire grafrover twee keer door de douane gesmokkeld. Met het zweet op m’n rug en klamme handjes.

Een kwajongensstreek. Nu zou ik zoiets misschien niet meer doen.

Na het Griekse avontuur kreeg ik nog enkele malen te maken met archeologische opgravingen. Tijdens een liftvakantie door België en Frankrijk werd ik eens meegenomen door een jong stel universitaire docenten. Ze vertelden dat ze in een dorpje vlakbij met een groep studenten een stuk Romeinse weg met een begraafplaats aan het blootleggen waren.

Ik was enthousiast en in mijn steenkolen Frans vertelde ik dat ik culturele antropologie studeerde. Ze hadden aan een half woord genoeg. En hoewel ik er niet van overtuigd waren dat we elkaar helemaal begrepen, ging ik met ze mee. Reuze benieuwd uiteraard.

Ik werd uitgenodigd om mee te werken. Dat liet ik me geen twee keer vragen. Dus zat ik even later met kwastjes, een bakje met water en een schepje in de Franse grond te krabben. Eerst mocht ik een antieke pot met een diameter van zo’n 25 cm uitgraven die verticaal in de grond was geplaatst, vervolgens was het tijd voor het echte werk.

Toen was het de beurt aan een oude Romein. Hij lag hier al vele eeuwen te rusten en werd die dag met de nodige aandacht en respect door mij aan de oppervlakte gebracht. De schedel was ingeslagen of ingezakt, een lastig karweitje, waarbij ik in overleg de schedel niet heb uitgehold om verder verval te voorkomen.

De grote opgave was echter de ruggengraat, een verfijnd apparaat waarbij alle werveltjes voorzichtig moesten worden schoongemaakt. Een precies klusje, want te veel geweld zou de losse botten van hun plaats halen. Dat mocht natuurlijk niet gebeuren voordat alles goed in kaart was gebracht.

Op het moment dat ik bijna klaar was, na anderhalve dag, kwamen ze filmen namens de universiteit. Of ik voor de camera kon schatten hoe oud de persoon in kwestie was? Ik had geen idee, riep maar wat. Ze waren ontzet.

Ik een antropoloog en dan niet eens de leeftijd kunnen schatten? Vervolgens uitgelegd dat ik me als cultureel antropoloog bezig hield met hedendaagse exotische culturen. Met name de religie en mythologie, verwantschapssystemen en politieke en economische structuren van inheemse niet-westerse culturen. Niet met opgravingen, dat doen bij ons archeologen.

Er werd via via iemand bijgehaald die een beetje Engels sprak. Toen werd het ze duidelijk. Een misverstand, maar goed, het was wel mijn eerste zelfstandige opgraving en hij was eigenlijk best goed gegaan, zowel wat betreft de fraaie pot als de Romein. Dat kon niemand ontkennen.

Een aantal jaren geleden was ik tijdens een rugzakvakantie op reis door Egypte, Jordanië en Israël. Ook daar is genoeg ouds dat nog afgestoft en beschreven kan worden. In Jeruzalem, vlakbij de Russisch-orthodoxe kerk zag ik in een verlaten achterafsteegje een oude deur open staan. Ik zag een oude trap die stijl naar beneden voerde.

Ik stond net op het punt om te gaan kijken, toen er een man aankwam die vroeg wat ik wilde. Ik was razend benieuwd om te weten wat daaronder te zien was. Hij legde me het uit en ik mocht gaan kijken, bij wijze van hoge uitzondering.

De trap ging enkele tientallen meters naar beneden om uit te komen in een grot met daarin een strandje en een soort mini-meertje van een handvol vierkante meters, vermoedelijk verbonden met een oude stroom of bron onder de millennia oude stad. Heel bijzonder.

Later interviewde ik in Limburg voor diverse lokale media archeologen die met verschillende projecten bezig waren. Ook bezocht ik een uiteenlopende opgravingen in het buitenland. En elke keer weer voel ik het oude enthousiasme als de verhalen concrete onderbouwing krijgen of omgekeerd dingen de inspiratie vormen voor nieuwe verhalen.

Comments Off

admin op 13 November 2007 in Ongewoon & Anders