Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Comments Off

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media

Zakendoen in Rusland wordt makkelijker en aantrekkelijker

Toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO) maakt het voor Nederlandse bedrijven veel aantrekkelijker om in Rusland zaken te doen. Dat zegt Annemarie Destrée, Marktadviseur Rusland van AgentschapNL.

‘De douaneprocedures worden versoepeld. Verder kunnen Russische bedrijven veel Europese consumentengoederen en voedingsmiddelen tegen lagere invoerrechten importeren’, aldus Annemarie Destrée.

Dat is goed nieuws voor Nederlandse ondernemers. Rusland wordt nu al gezien als het vijfde beste land ter wereld om te investeren en zal naar verwachting in 2040 met de andere BRIC-landen de G6 overvleugelen als mondiale economische factor.

Het biedt de voordelen van nabijheid, in drie uur zit je in Moskou, en veel meer hoger opgeleid technisch personeel ten opzichte van China. Verder is Rusland de grootste olie en graan producerende natie ter wereld en heeft het een sterk groeiende middenklasse van 21 miljoen mensen die de roebels wil laten rollen voor steeds meer luxe.

Terwijl de Europese markten sinds 2008 praktisch op hun gat liggen, bruist en borrelt het in het land van de matroesjka’s van de ondernemingslust. Rusland kent al tien jaar een gemiddelde groei van zeven procent. Dit jaar wordt met name een toename verwacht in de verwerkingsindustrie, de landbouw, de farmaceutische industrie en de medische branche.

De positieve cijfers ontstaan door de gestegen export van grondstoffen en meer buitenlandse joint ventures die hun vruchten afwerpen. Op dit moment exporteert het Nederlandse bedrijfsleven jaarlijks al voor zo’n zes miljard euro naar Rusland. Naar verwachting zal de handel tussen beide landen door de Russische toetreding tot de WHO verder toenemen.

Door de aangepaste regels over en weer, wordt het eenvoudiger om in Rusland succesvol te zijn. Voorwaarde is wel, dat je zorgt voor goede voorbereiding en rekening houdt met de Russische zakencultuur. Na gemiddeld twee jaar investeren in een persoonlijke zakenrelatie - altijd via een businesspartner ter plaatse - kan er concreet meer verdiend worden dan elders.

Het grootste gevaar voor Rusland is dan ook niet de veel genoemde criminaliteit of corruptie, die in de media vaak wordt overdreven en door de overheid sterk is ingedamd, maar dat het land haar eigen kapitalistische succes niet kan bijbenen.

Concreet is er in Rusland behoefte aan toeleveranciers en nog meer aan hoogwaardige partnerships, bijvoorbeeld met het Nederlandse bedrijfsleven, gericht op expertise en technologie om de sectoren energie, landbouw, IT, elektronica, infrastructuur en logistiek te optimaliseren.

Denk aan verlichting en verwarming van steden, de aanleg van (spoor)wegen en de productie van halffabricaten, bijvoorbeeld voor de automotive branche – Rusland is ’s werelds grootste afzetmarkt voor auto’s en heeft in het zuidelijke Oeral-gebied een reusachtige smidse die het Roergebied doet verbleken.

Voor Nederlandse bedrijven zijn er veel kansen, onder meer door aan te sluiten bij het Russische mkb. In 2010 waren er in Rusland, inclusief zelfstandigen, ruim 5,5 miljoen kleine tot middelgrote bedrijven actief. Veel ondernemers in Nederland hebben echter nog enige schroom om zich in het grote Rusland te wagen.

‘Dat is nergens voor nodig’, verzekert Robert Nahon, senior consultant van Venster naar Rusland. Deze in Uden gevestigde organisatie functioneert al jarenlang in het verlengde van semi-overheidsorganisaties als succesvolle matchmaker voor Nederlandse en Russische bedrijven, onderwijsinstellingen, overheden en NGO’s.

‘Met goede voorbereiding en begeleiding liggen er in Rusland gouden kansen voor actieve, innovatieve en creatieve ondernemers.’ Intussen heeft al menig Nederlandse bedrijf via zijn organisatie in Rusland waardevolle contacten gelegd en effectief business gerealiseerd. Vele honderden namen deel aan de symposia en seminars die Venster naar Rusland tien keer per jaar verzorgt.

Robert Nahon: ‘Ons geheim? Wij kennen Rusland van binnenuit, zijn er al jaren actief, van Moskou tot Vladivostok, denken als ondernemers, werken bilateraal en beschikken over een uitgebreid netwerk van betrouwbare partners in heel Rusland. Dat laatste is van onschatbare waarde, want zonder capabele lokale mensen kom je er niet.’

Comments Off

admin op 27 April 2012 in Politiek & Media

Zuid-Limburg vermarkten met recreatie, innovatie en locatie

Zuid-Limburg wil zich beter positioneren en profileren. Met dat doel is een onder meer een pay off ontwikkeld. Hiervoor tekende een groot reclamebureau uit Amsterdam, aangestuurd door een comité van drie ‘wijze mannen’. Het resultaat, ‘Everything points to Maastricht, in the region South-Limburg’, is nietszeggend. En dat is niet verwonderlijk.

Als je een identiteit wilt communiceren – het werken aan een imago is onmogelijk, al zijn er nog steeds mensen die dat roepen, zelfs tegen betaling - moet er vooraf een afbakening hebben plaatsgevonden. En er moet een duidelijke visie zijn. Daar gaat het schijnbaar al mis.

Zuid-Limburg is, blijkens de reacties, geen geheel met een duidelijke eigen identiteit en visie. Zuid-Limburg bestaat (nog) niet. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de provincie, die wel een eenheid vormt (bestuurlijk en cultureel) en zich (letterlijk) positioneert en profileert als de Nederlandse poort van Europa.

Heerlen en Maastricht strijden nu om aandacht in relatie tot de pay off, terwijl het zou moeten gaan om het uitstralen van een gezamenlijke identiteit van en een visie op Zuid-Limburg. En over de doelstellingen en daaraan verbonden waarden die gecommuniceerd moeten worden.

Zuid-Limburg als geheel neerzetten, betekent de regio zien als groter dan Groot Maastricht - al is Maastricht internationaal natuurlijk veel bekender dan Heerlen of Sittard-Geleen. Het vraagt dat gemeenten zich dienstbaar opstellen richting Zuid-Limburg als geheel.

Het ingehuurde reclamebureau heeft de interne verdeeldheid binnen Zuid-Limburg overbrugd door een weinig specifieke pay off te ontwikkelen die alles zegt en daardoor heel weinig. Deze slogan is opgehangen aan de strategisch waardevolle locatie van Zuid-Limburg.

Dat is wel een erg klein kapstokje. Zeker voor een gebied dat zoveel te bieden heeft en waar zoveel interessante ontwikkelingen gaande zijn. Bovendien is het niet onderscheidend (Brabant kan zich met evenveel of zelfs nog meer (historische) rechten dezelfde positie toe-eigenen).

Het veelkleurige Zuid-Limburg verdient beter en meer. De identiteit van Zuid-Limburg zou bijvoorbeeld kunnen worden opgehangen aan de punten recreatie (watersport, verblijfsrecreatie, wellness), innovatie (bedrijvigheid, onderwijs), naast natuurlijk de locatie (de centrale plaats in de Euregio).

Om een gewenste identiteit uit te stralen, is het verder een voorwaarde dat de partijen in Zuid-Limburg werken aan de gezamenlijke inhoudelijke invulling daarvan. Je kunt een slecht bedrijf niet goedpraten; dat werkt eerder averechts. Maar een niet bestaand bedrijf vermarkten is helemaal lastig.

Eenvoudiger nog, is je te baseren op een bestaand geheel, zoals de provincie, en op grond daarvan een campagne te ontwikkelen. Deze eenheid is niet omstreden en, uitgaand van de poortwachtersrol van de provincie, is het gemakkelijker om de genoemde pluspunten op krachtige wijze over het voetlicht te brengen. Bijvoorbeeld met een pay off die wel voldoende draagvlak heeft.

Hermez Marketing & Communicatie

Radiocommercial Hermez Marketing & Communicatie

Comments Off

admin op 16 April 2008 in Politiek & Media