
Religie, het gestructureerde uitvloeisel van de intrinsiek menselijke behoefte aan geïnspireerde zingeving, is een vast onderdeel van elke cultuur. Bij complexe en eenvoudige culturen. Telkens zijn er religieus specialisten die binnen de cultuur de verhouding van mensen tot elkaar (de ander) en tot het hogere / de ander met een hoofdletter via regels vormgeven en daarbij de rol van makelaar vervullen. In het westen is die rol, die eerder eeuwenlang exclusief aan de christelijke kerk toebehoorde, geleidelijk overgenomen door de media/internet, kunst, wetenschap en de neo-paganisten.
Cultuur is dynamisch. Daarom zijn ook de uitvloeisels daarvan (religie, taal, mode, muziek, kunst, wetenschap et cetera) dynamisch. Religie houdt niet ergens op, maar verandert waar mensen samenkomen. Hoeveel regeltjes, wetten en grenzen ook worden of zijn bedacht. Een religie wordt niet in een laboratorium ontwikkeld zonder invloed van buitenaf en vervolgens onder een glazen stolp door de eeuwen heen gedragen.
De Nederlandse cultuur op dit moment, is een dynamisch geheel gebaseerd op het voor-christelijke (Kelten, Germanen), het christelijke, het humanistische, het socialistische en de recente ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar. Het is een organisme dat leeft en zich ontwikkelt, maar niet meer met de overwegend christelijke identiteit, in die zin dat het christendom veel facetten van het leven doordrenkt, als pak hem beet zestig jaar geleden. De Nederlandse cultuur is vlees noch vis.
Binnen onze cultuur is door de open informatievoorziening een grote mate van helderheid over wat we als onderdeel van de christelijke religie zien en wat als niet-christelijke cultuur-elementen. Sinterklaas bijvoorbeeld, is een niet-christelijk feest, dat overigens wel een christelijke oorsprong heeft in verhalen over een christelijke bisschop die goudstukken uitdeelde in het huidige Turkije. Voor veel nieuwe Nederlanders, met name moslims, die pas sinds kort meedoen in ons culturele ontwikkelingsproces, zijn dit soort zaken niet helder.
Nu is er bijvoorbeeld veel te doen over de ‘christelijke’ kerstboom. Het gebruik van een met kaarsjes, later lampjes, en ballen en slingers versierde kerstboom is een onderdeel van de Nederlandse cultuur dat teruggaat tot voor-christelijke tijden. Er is geen oud-christelijke wet of regel voor die het voorschrijft. De boom, vroeger een eik, is een Oudgermaans vruchtbaarheidssymbool. De rooms-katholieke kerk heeft kerstbomen lange tijd geweerd, juist vanwege deze ‘heidense’ oorsprong (bron: Wikipedia).
Waarom wordt nu onder Nederlandse moslims discussie gevoerd over kruizen op mijters en kerstbomen? Er ontbreekt blijkbaar kennis over onze culturele gebruiken, religieus en niet-religieus. Verder lijkt er in de moslimgemeenschap onzekerheid en angst te zijn met betrekking tot de zich ontwikkelende eigen identiteit binnen de Nederlandse cultuur. In een moslimland was je als moslim vrij zeker van je wie je was, cultureel en meer specifiek religieus bezien. In Nederland niet.
Dat komt ook doordat Nederlandse cultuur verandert. Onder oude Nederlanders is hier ook onzekerheid over. Slachtoffers bijvoorbeeld, zijn nu helden en uitzonderingen zijn belangrijker dan afspraken. Oude helden hebben afgedaan en regels zijn er om te ontduiken. Maar ook om je eraan te houden - als het over anderen gaat. Kortom: niet te volgen.
Een mogelijke oorzaak voor de krampachtige moslimdans rond de kerstboom zou kunnen zijn dat werkelijke vrijheid tot een inhoudelijke discussie over theologische zaken in de islam voor gewone gelovigen nog niet bestaat, omdat daar tot nu toe in de eigen cultuur nog geen dringende behoefte aan was. Er bestond min of meer een culturele en religieuze consensus.
In het christendom bestaat de bedoelde vrijheid pas pas enkele tientallen jaren en met name door anti-institutionele en emanciperende ‘jaren zestig’ van de vorige eeuw, waarin, door een kleine dwarse elite, alles ter discussie werd gesteld. Dat heeft gevolgen voor de huidige samenleving, die grotendeels ontkerkelijkt is, omdat die generatie nu aan het roer staat.
De vrijheid om onafhankelijk religieus onderzoek te doen, en bijvoorbeeld religieuze beleving in een cultuur-sociologische kader te beschouwen, bestaat in het christendom dus pas kort. De kerk heeft eeuwenlang het monopolie gehouden op de uitleg van de bijbel en alles dat daarmee samenhangt. Machtshandhaving door de toegang tot afwijkende of aanvullende informatie te ontzeggen. Informatie die het machtsmonopolie ondergraaft.
Een andere reden voor de kerstbomeritus onder sommige Nederlandse moslims kan zijn dat de sociale controle in de diverse moslim-gemeenschappen in Nederland groter is, omdat de gemeenten kleiner zijn, waardoor afwijkend gedrag sneller resulteert in uitsluiting.
Ik zag die vage angst ook op een vmbo-school waar ik een krap jaar Nederlands heb gegeven. Leerlingen die niet meededen met carnaval en heel zuur langs de kant stonden te kijken alsof ze straf hadden. Ze zeiden dat meedoen van de ouders of de imam niet mocht, omdat carnaval een christelijk feest zou zijn.
Ook in dit geval is het waarschijnlijk dat de Germanen, naast veel andere volkeren, al voor christelijke tijden een dergelijk feest vierden. Van de Romeinen en de Grieken staat dat vast. Voor zover ik weet, is er ook geen oud-christelijke regel die carnaval voorschrijft. Wel heeft de westerse kerk carnaval ooit heel slim ingepast in haar verhaal.
De bevrijding van het individu in de jaren zestig, had onder meer als resultaat dat de rol van de christelijke religie in Nederland veranderde. Een religie heeft de functie om de verhoudingen tussen mensen onderling en de relatie tussen de mens en het hogere te regelen, te bepalen en vorm te geven. Wat het eerste betreft, was het soms zo dat wereldlijke en geestelijke macht samenvielen. Later kwam daar de variant van de koning met een god gegeven mandaat voor in de plaats.
Beide functies van religie zijn voor de meeste christenen in het westen niet of nauwelijks nog van belang. Met name het wettische karakter voor het bepalen van de sociale verhoudingen, is bijna van geen enkele waarde meer. Gelukkig maar, want daarvoor hebben we de staat. De scheiding van staat en kerk, deze bestaat in Nederland pas in basale vorm sinds eind achttiende eeuw, biedt ruimte voor diversiteit.
In theocratische staten, hier vaak dictaturen genoemd, met een moslim meerderheid, valt de wereldlijke macht en de religieuze macht vrijwel samen en is de verdraagzaamheid voor andere geloven, de meetbare mate toegestane culturele diversiteit, minimaal. Zelfs voor varianten van het eigen geloof. Deze culturele invloeden doen zich gelden in de moslimgemeenschappen in Nederland.
Voor oude Nederlanders is dat verbazingwekkend, juist doordat onze cultuur en vlees noch vis is. Ze kijken met verwondering en ook een beetje angst naar religies en religieuze autoriteiten die nog wel macht kunnen doen gelden over hun gelovigen, kunnen voorschrijven wat ze moeten doen en denken. Zelfs als het gaat om een kerstboom of carnaval. Uiteraard zijn de gelovigen in kwestie van mening dat ze vrij zijn in hun zelfverkozen gebondenheid.
Naar mijn mening moet je als gelovige je van god gegeven verstand gebruiken om na te denken, onderzoek te doen en je een eigen mening te vormen over ervaringen en geloofsregels. Ook is het goed om in te zien dat religie een dynamisch geheel is, dat verandert als gevolg van de culture inbedding. Dat doet aan de kwaliteit en de intensiteit van de geloofsbeleving voor de ware gelovigen niets af, maar brengt een echte gelovige vaak zelfs een stap verder. Zo zou hij of zij kunnen ontdekken dat de regeltjes van een religie voor de mensen zijn.
Elk geloof begint met ervaren en openbaren, dan komen er een paar regels en later steeds meer regels over regels. En dan komen er mensen die de regeltjes over de regeltjes moeten uitleggen en die zitten weer in een speciale club met regeltjes. En zo groeit een succesvolle religie. Dit proces biedt de noodzakelijke ruimte die nodig is om het geloof in de tijd, onder verschillende culturele verhoudingen, te laten voortbestaan. Ontbreekt het historische inzicht in dit culturele proces, dan kan dat leiden tot verharding, een in zich zelf gekeerd raken, isolement, met als ontlading een confrontatie intern of extern.
Uitsluitingsregels en reinheidsregels, die hiervoor de voorwaarden scheppen als ze worden misbruikt, zijn vaak gebaseerd op angst in een groep. Angst voor de ander, en in essentie voor het zelf. Dat geldt overigens niet alleen voor religies, maar voor alle groepen mensen met een duidelijke identiteit. De beleving van god heeft echter niets met angst te maken, maar ontstaat pas als die angst door acceptatie van de schaduwzijde is verdwenen. Zo komen we, voorbij alle regels, leiders en gebouwen, bij de kern van elke religie, de spiritualiteit, waar religie als een huis omheen is gebouwd en die een weg biedt voor groei en positieve verbondenheid van mensen onderling, ongeacht hun overtuigingen.
Religies zijn schijnbaar de oorzaak van veel oorlogen en strijd - waarvan gewone mensen overigens altijd de dupe zijn. Gelovigen en niet-gelovigen. Wereldlijke macht is echter altijd het doel van de mensen erachter; zij misbruiken religie daarvoor. Binnenstaanders en buitenstaanders. Dat gaat makkelijk, want veel wettische religies willen of wilden de relatie met boven monopoliseren en kiezen er vaak voor om de informatievoorziening te beperken om de afhankelijkheid in stand te houden. Dus via een religie heb je gelijk een heleboel mensen aan jouw kant. Of je nu voor of tegen bent.
Het gaat om de macht van weinigen over de minds en de means van velen. En god staat altijd aan de kant. Hij ziet het eeuwige drama aan, dat vaak nog in zijn naam wordt opgevoerd, schudt zijn hoofd eens en krabt in z’n baard. Uit arren moede gaat hij rond deze tijd van het jaar dan maar bij iemand de kerstboom aansteken. Je ziet hem denken: ‘De kerstboom, dat is eigenlijk best een mooi universeel symbool voor de levensboom en de lichten die daarin kunnen branden.’