Maria Felling, van bezetene tot reinigend medium

Bij Petiet, die andere uitgeverij van spirituele boeken, verscheen dit jaar ‘Opdracht van een Engel’ van Maria Felling. Het autobiografische boek gaat over een vrouw wiens leven een hel was tot ze succesvol werd in haar gevecht tegen entiteiten en negatieve energieën. Roy Martina, een bekende holistisch werkende arts met uitstekende reguliere getuigschriften, schreef het voorwoord.

De verschrikkelijke geschiedenis van Maria Felling begint met een seance bij haar ouders thuis. Het is 1944, we zijn in Nederland. Maria Felling kijkt stiekem toe en voelt dat een ‘man’ bezit van haar neemt, een schimmige gestalte wel te verstaan. Hij stapt als het ware haar lichaam binnen. Meteen daarna hoort ze een stem in haar hoofd: ‘Zo, nu heb ik je’.

‘Vanaf dat moment nam mijn leven het scenario van een horrorfilm aan.’ Haar stiefbroer begint haar stelselmatig te misbruiken en te martelen. De schrijfster wordt hierdoor woest op de hele wereld en wil niet meer aangeraakt worden. Haar moeder, onkundig van het misbruik, noemt haar wild en onhandelbaar. Ze wordt gezien als een zwakzinnige.

De ellende gaat door; ze wordt verkracht door een buurjongen, regelmatig onzedelijk betast door de vriend van haar zus en op school getreiterd door drie meisjes die zelfs sigaretten op haar lichaam uitdrukken. Tijdens een stage wordt ze door een vriend van de familie onzedelijk betast.

Psychisch zit de schrijfster vervolgens jarenlang op de bodem van de put. Overdag is ze volledig geblokkeerd, willoos, ze wordt gek van de negatieve stemmen in haar hoofd en het lijkt of elk sprankeltje zonlicht in haar leven is gedoofd. ’s avonds voelt het voor haar alsof entiteiten regelmatig seksueel bezit van haar nemen; ze is nooit vrij, heeft nooit rust, geen privacy en kan niet genieten.

Ogenschijnlijk doordat ze veel in het grensgebied tussen bewustzijnstoestanden verblijft, de gesteldheid waarin dit soort fenomenen veel voorkomen, ervaart ze in Venetië en Rome, tijdens een reisje met christenjongeren, flarden van eerdere levens.

Thuis gaat het gewone leven door. Ze wordt gemolesteerd door twee jongens, die haar het plezier in het paardrijden bijna vergallen. Door een incident, waarbij ze mogelijk onbewust haar eigen situatie gespiegeld ziet; een duivels ogende jongen mishandelt een prachtig paard als niemand kijkt, stopt ze tijdelijk met paardrijden.

Positieve en negatieve ervaringen wisselen elkaar af. Zo wordt Maria Felling hulp in de huishouding in een normaal gezin, ze krijgt zelfs pianoles en de goede tijden lijken aangebroken. Tot de man en vrouw een ongeluk krijgen; einde verhaal.

Op haar vijfentwintigste geeft ze paardrijles in een manege. Daar ziet ze weer de verschijning van de seance in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het wandelen met haar paard Bonnie ontmoet ze illustrator Anton Pieck en Lex Goudsmit. Ze waardeert dit korte moment, waarin ze met normaal respect wordt bejegend.

Haar paranormale vermogens ontwikkelen zich geleidelijk. Zo heeft ze op haar zesentwintigste een paard dat ze met haar gedachten kan sturen. Maar voor man-vrouw relaties heeft ze nog steeds een antenne waarmee het op z’n zachtst gezegd behelpen is.

Ze ontmoet een man, de eerste die ze in seksueel opzicht vertrouwt, een man zonder vaste verblijfplaats en met wisselende inkomsten. Het wordt niets en later blijkt hij haar te hebben bedrogen met een vrouw die intussen zwanger is. Vrienden zetten een contactadvertentie en een half jaar later is ze getrouwd en zwanger, maar de demonische stemmen in haar hoofd blijven.

Zo is ze ervan overtuigd dat haar pasgeboren kind dood is door het triomfantelijke gelach in haar hoofd. Ze gelooft pas het tegendeel als ze het perfect gezonde kind in haar armen neemt. Deze dochter wordt jaren later ’s nachts gillend wakker en vertelt over schimmen en deuren die zonder oorzaak opengaan. Bij logerende vriendinnen van haar dochter wordt aan de haren getrokken en het voelt alsof er muizen over hun lichaam lopen.

In haar hoofd is het nog steeds een duivels strafkamp, al helpt meezingen met de muziek uit de film ‘Jesus Christ Superstar’ om de stemmen te onderdrukken. Na de scheiding van haar man ligt ze zes weken plat, naar eigen zeggen doordat de entiteiten willen laten zien wie de baas is.

Volgens haar worden de entiteiten aangevoerd door de Strijders van de Duisternis die het opnemen tegen de Strijders van het Licht. Dit aan de hand van een inzicht over de strijd in een Kathaars dorp in de twaalfde eeuw. De aanvoerder van de zwart geklede bad guys is de man die ze voor het eerst zag tijdens de seance. Hij heeft haar destijds vervloekt, daarvan is ze overtuigd.

Zelf hoort ze uiteraard bij de witten. In die tijd is ze onder behandeling van Lady of the Light Jomanda, het omstreden medium dat healing vanuit de achterkamertjes naar de wereld van de showbizz heeft gebracht. Haar behandelingen helpen uiteindelijk onvoldoende om de welgeteld achtentwintig entiteiten te verbannen.

Na Jomanda wordt een hele reeks ‘mindere goden’ ingeschakeld. Vaak ontsteekt Maria Felling in een oer-boosheid als iemand haar wil helpen, waarbij de grens tussen haar woede en bezetenheid niet altijd duidelijk is. Een ingeschakelde healer, tijdens een sessie die door enkele entiteiten bezeten, wordt er zelfs bang van.

Een trance-medium en een pastoor concluderen dat Maria Felling de fenomenen zelf produceert (een conclusie die veel psychiaters trekken bij internationaal onderzoek naar katholieke gevallen van vermeende bezetenheid); het zijn onverwerkte emoties. Ze blijven samen een nacht in het huis van de schrijfster, vallen in slaap en worden wakker als de schrijfster midden in de kamer staat. De kamer is een ravage.

Een aantal nachten later ziet Maria Felling in een spiegel in plaats van zichzelf een prachtige man van bovenaardse schoonheid. Ze hoort de naam ‘Raphaël’ en concludeert dit is de aartsengel Raphaël. De hoge engel neemt haar in zeven nachtelijke uitstapjes mee naar de bron van goddelijke energie, maar de strijd is nog niet gestreden. Zo wordt een therapeute, die goed werk doet, nog door de patiënt aangevallen als deze is overgenomen door haar tegenstrever, de leider van de Strijders van de Duisternis.

Later wordt deze man onder leiding van de aartsengel, die een steeds belangrijker rol gaat spelen in het leven en de heelwording van Maria Felling, meegenomen naar het licht. Maar daarmee is de ellende van alle andere zwarte entiteiten, naar haar overtuiging afkomstig van mensen uit vorige levens die een reden zouden hebben om haar te haten, nog niet voorbij.

De aartsengel leert haar een techniek om de negativiteit te verwijderen. Maria Felling roept eerst alle negativiteit in haar wezen, zodat haar aura helemaal zwart wordt. Daarna wordt er een zuil van licht in haar geplaatst, van de kruinchakra naar beneden, waarin het kwaad gevangen raakt.

Als al die negativiteit niet kan vluchten, een proces waarbij het medium fysiek en psychisch wordt geradbraakt, volgt overgave. Tot slot begeleidt ze de entiteiten onder begeleiding van de aartsengel met de meest liefdevolle gedachten naar het licht. Dit soort reinigingen voert Maria Felling nu regelmatig uit en behalve bij personen ook bij woningen.

‘Opdracht van een Engel’ maakt grote indruk door het levensverhaal (later wordt de schrijfster ook nog blind), maar bovenal zet het aan tot nadenken over bezetenheid en entiteiten. Vanuit psychiatrische en theologische hoek is hier de laatste jaren al wat meer over gepubliceerd (met name in het Engelse taalgebied). Het boek is een waardevolle aanvulling hierop, doordat het vanuit de patiënt is geschreven, aantoont dat er altijd een uitweg is en bevestigt dat persoonlijke belevingen en overtuigingen fundamentele bouwstenen zijn van onze werkelijkheid. Een aanrader voor psychiaters, psychologen, pastoors en paranormaal genezers.

(Afbeelding van Asterion’s Occult Art)

Comments Off

admin op 20 December 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Overzichtswerk: Mohammed in traditie woestijnvaders

De laatste twintig jaar wordt informatie over de diverse religieuze en spirituele stromingen wereldwijd in rap tempo voor de leek ontsloten. Het boek ‘Westerse esoterie en oosterse wijsheid – De esoterische traditie door de eeuwen heen’ (Ankh Hermes, 2010) is daarbij een bruikbare wegwijzer. Er valt veel in te ontdekken, bijvoorbeeld over Mohammed.

Bij de aankondiging van de publicatie werd inzicht in de samenhang tussen de belangrijkste religieuze stromingen, personen en onderwerpen beloofd. Ik verwachtte dan ook een doorwrochte en goed leesbare analyse waarin diverse lijnen op ingenieuze wijze verbonden zijn. Een boek dat de verschillende losse draadjes weeft tot een fraai wandkleed met op elkaar ingrijpende patronen van menselijke ervaringen met elkaar en met het hogere.

Die hooggespannen verwachting kwam niet helemaal uit. Het is meer een lappendeken geworden, een soort encyclopedie met overigens heel interessante bijdragen. Bij nader inzien ook niet zo vreemd. Als je erover nadenkt, hadden de schrijvers twee opties: een subjectief, geïntegreerd en heel uitdagend boek schrijven voor een geschoold publiek of een boek maken voor een doelgroep van leken met meer objectiviteit, minder diepgang en een veel hogere verkoopbaarheid. Dit boek neigt naar de tweede variant.

Afbakening in tijd, ruimte of thema is cruciaal bij het schrijven van een overzichtswerk als dit. Nu is gekozen voor alles dat invloed heeft gehad op westerse esoterie via rede, geloof en gnosis. De selectiecriteria zijn echter niet duidelijk omschreven.

Zo is er (vrijwel) geen aandacht voor het Germaanse geloof dat boven de rivieren lange tijd van grote invloed is geweest, net zo min als voor het Romeinse volksgeloof dat met name in Zuid-Nederland werd gepraktiseerd (wel wordt aandacht besteed aan de invloed van de Kelten). Dat is jammer, mede gezien de diverse archeologische bewijzen die het schijnbare belang ervan aantonen.

De gekozen indeling, op basis van de drie-eenheid rede, geloof en gnosis, is lineair historisch uitgewerkt. Beginnend met de oudste bronnen van onze beschaving, Egypte en Mesopotamië, wordt per hoofdstuk toegewerkt naar de huidige tijd. Tijdens die reis worden vooral in de eerste helft van het boek veel verbanden gelegd met het verleden. Sommige bijdragen lijken echter grotendeels op zichzelf te staan, al komt een deel van de informatie in de hoofdstukken over onze tijd weer terug.

De meeste bijdragen geven blijk van grote geleerdheid. Ze bieden soms interessante aanvullende stukjes informatie, als verborgen juweeltjes in een voor het overige redelijk bekend verhaal. Zoals van de schrijvers Jacob Slavenburg en John van Schaik verwacht kon worden, durven ze, met name als het gaat om christelijke onderwerpen, af te wijken van de recht-op-en-neer theologie zodat een meer evenwichtig beeld van tal van onderwerpen en personen wordt geschetst.

Een blik op het boek

Eén onderwerp wil ik er uitlichten en dat is het hoofdstuk over Mohammed en de islam. Mohammed wordt door de schrijvers als een mysticus beschouwd, in elk geval tot hij oorlog gaat voeren in 622. Met hun bijdrage over hem willen de schrijvers het heersende beeld van Mohammed bijstellen, wat dat ook moge zijn. Dit levert diverse interessante gegevens op, die nieuw zullen zijn voor veel niet-moslims. Met name zijn relatie met (vertegenwoordigers van) het christendom.

Zo blijkt dat de leraar van de islam ooit als profeet is aangewezen en is ingewijd door een christelijke monnik, Bahira, en dat hij in zijn jonge jaren regelmatig in een grot (Hira) mediteerde net als de christelijke kluizenaars van die tijd (de woestijnvaders). Mohammed erkende ook pas de authenticiteit van zijn openbaringen toen hij hiervan de bevestiging kreeg van de christelijke oom Waraqah van zijn eerste vrouw Khadhija dat deze passen in de traditie over Mozes.

Wat gebeurt er? Mohammed krijgt na drie jaar mediteren, hij is rond de veertig, een inzicht. Een visioen. Hij ziet - in mijn beleving - een fraai gekalligrafeerde tekst op een stuk perkament. De tekst in zwarte letters is in een hem onbekende taal. Hij herkent zelfs de sierlijke tekens niet. Misschien hoort hij ook een zware mannenstem die de tekst opleest. Het verwart hem als hij weer bij zijn positieven komt. Wat moet hij ermee?

De stem is van een engel, aldus de islamitische geschriften, en die engel zegt dat hij moet lezen. Mohammed reageert wanhopig dat hij het niet kan lezen. In zijn eerste biografie, een eeuw na zijn dood geschreven en bekend van een versie van rond 800, wordt gezegd dat de engel hem drie keer vastpakt en zegt:

‘Lees! In de naam van jouw Heer, Die jou heeft geschapen. Hij heeft de mens geschapen van een bloedklomp. Lees! En jou Heer is de meest Edele. Degene die onderwezen heeft met de pen. Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist.’

Deze openbaring heeft overigens ook een keerzijde, weet Waraqah: ‘Dit is precies wat Mozes ook is overkomen. (…) Elke man die dit krijgt wordt vijandig behandeld’ (en eventueel zelfs het land uitgezet).  Dat gebeurt later inderdaad, ook met zijn aanhangers, en een en ander leidt tot zijn eerste (bekerings)oorlog.

Onder christenen wordt Mohammed na zijn veroveringen enerzijds toegejuicht, (vanwege de herkenning van de christelijke elementen in zijn leer?), anderzijds - en dat verwijst naar die vijandigheid - als een valse profeet gezien (als Jezus, op wie (later?), net als bij Mohammed, oud-testamentische (joodse) teksten worden betrokken om hem te legitimeren).

Mogelijk heeft de opmerking van de christelijke Waraqah Mohammed uiteindelijk doen besluiten om zijn nieuwe geloof dan maar met geweld aan anderen op te leggen. Wie is hij om tegen de heilige geschriften en tradities in te gaan, zeker als het is voorzien? Een joodse legitimatie van de eerste gewelddadige islamitische expansie waarbij de pen werd ingeruild voor het zwaard?

Mohammed een christen

De paragraaf over christelijke stromingen in de Arabische wereld uit de tijd van Mohammed en daarvoor, de parallellen met de woestijnvaders en de magische bijbelse leeftijd van veertig waarop hij zijn grote visioen had; dit alles maakt het mijns inziens mogelijk om nog een stap verder te gaan. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat Mohammed is voortgekomen uit een christelijke beweging als de Monofysieten / Nestorianen.

Naspeuringen op internet wijzen erop dat dit idee, Mohammed als ex-christen, niet nieuw en ook niet zo vreemd is; het één volgt altijd uit het ander en profeten komen doorgaans niet uit de lucht vallen (behalve dan in mythologische vertellingen). In het boek van Slavenburg en Van Schaik wordt deze conclusie niet getrokken, het gaat hier en in het vervolg van deze tekst om speculaties van mijn kant.

Mohammed voorspelde de ‘antichrist’ (Dajjal, door latere islamitische commentatoren omgetoverd in een kleine, dikke, krombenige, dichtbehaarde, eenogige misleider en wonderdoener met vooral aanhangers onder joden en vrouwen). Iemand die is opgegroeid is met inheemse ‘heidense’ overtuigingen - dit wordt meestal over de achtergrond van Mohammed geschreven -  zou zich vermoedelijk over Jezus de Christus niet zo druk maken.

Mohammed doet dat wel. De antichrist is volgens Mohammed iemand die Jezus boven god plaatst en verkondigt dat de kruisdood van Jezus de wereld heeft verlost. Misschien reageerde Mohammed hiermee wel op de paus of een andere (kerkelijke of wereldlijke) heerser uit zijn tijd (mede om zo acceptatie van zijn geloof makkelijker te maken?)? Vaak komen tegenbewegingen op in reactie op bijvoorbeeld verstarring, corruptie en machtsmisbruik binnen de dominante groep.

Verder is opvallend dat de jood Jezus volgens Mohammed bij zijn wederkomst van team is gewisseld en dan uitkomt voor de islam. Jezus zal de islamitische wetgeving overnemen, de Sharia, en de antichrist doden. En niet te vergeten alle andere christenen, behalve die in Jezus geloven (maar god bovenaan de Jakobsladder plaatsen) - een nogal ingewikkeld verhaal dat de complexiteit van zijn verhouding met het christendom lijkt te bevestigen.

Jezus lijkt dus dus bij zijn wederkomst niet op zijn eerste incarnatie, zoals wij die kennen, maar veel meer op de gewelddadige Mohammed uit de tweede helft van diens leven, na het cruciale (bijbelse) breekpunt van rond de veertig jaar. Mohammed schrijft zo schijnbaar via zijn eigen persoon de geschiedenis en de toekomst naar zich toe; de islam is in zijn lineaire visie beter dan het christendom.

Het lijkt of de profeet daarbij wilde teruggrijpen op het jodendom, met name op de verhalen over Mozes. (Even verder speculerend). Er zijn diverse overeenkomsten tussen beide mannen. Ook Mozes schroomde bijvoorbeeld niet om oorlog te voeren tegen andersgelovige tegenstanders. Zo werden de Midianieten onder aanvoering van deze joodse profeet praktisch uitgeroeid.

Jezus’ wederkomst vindt volgens Mohammed plaats op de berg Sinaï. Ook hier vinden we een verband met Mozes (en het joods-christelijke gedachtegoed). Mozes had op die plek (ook al rond z’n veertigste) zijn beroemde brandende braambos-visioen (de struik brandde maar verteerde niet; het innerlijk vuur in zijn levensboom werd ontstoken).

Vlakbij de (vermoedelijke) locatie waar dat gebeurde is een krachtplaats waar sinds zestienhonderd jaar in een klooster waardevolle (vroeg-christelijke) teksten worden bewaard. Ook in de tijd van Mohammed.

De berg Sinaï lijkt dus een logische plek voor Mohammed, de profeet van de god van het schrift, om Jezus te laten terugkeren. Midden in zijn (Egyptisch-joods-christelijke) traditie van profeten, pennen en zwaarden én in verbondenheid met Mohammed zijn grote voorbeeld Mozes.

Comments Off

admin op 7 March 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus I gaf zijn geest aan Jezus II

De verstandelijke interpretaties van Jezus, zijn leven en leringen, blijven zich opstapelen zolang mensen vragen stellen. De antwoorden zijn behulpzaam, maar leiden niet tot een compleet inzicht in deze verlichte man, die mens was, genezer en een soort goeroe.

Hans Stolp kiest in zijn recente boek ‘Het geheim van de twee Jezuskinderen’ (Ankh-Hermes, 2010, 17.90 euro) dan ook niet voor de weg van het hoofd, maar die van het hart. Hij vraagt de lezer vooraf om de behoefte aan bewijslast voor de twee Jezuskinderen op te schorten en zijn vertellingen in het hart te ontvangen; Jezus ontmoeten is een belevenis, geen berekening of beeldspraak.

Hoewel ik dat geprobeerd heb, en de schrijver daar soms ook in is geslaagd; om me zonder vragen te laten meegaan in de beleving, viel dat niet mee. Dat is ook niet zo vreemd, want het verhaal waar hij zich op baseert is vrijwel onbekend en dat dwingt tot opletten bij de lezer en tot een verhoogde uitleggerigheid bij de schrijver.

Het boek begint nu met verhalen over de twee Jezuskinderen. Dit op basis van een reconstructie, verderop in het boek, die grotendeels gebaseerd is leringen uit de theosofie, gnostische teksten en theologisch-historische interpretaties van oude kunstwerken (bron: ‘Die Zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst’ van Hella Krause-Zimmer). Misschien was het beter geweest de volgorde om te gooien.

Omdat het verhaal onbekend is, zal ik daar voornamelijk op ingaan. De Esseense gemeenschap waarin Jezus vermoedelijk is gevormd, verwachtte – zoals bekend – een koning-messias en een priester-messias. Zij spelen een rol in een bijzondere machtswisseling die zich op een bepaald moment in de geschiedenis van deze Esseense gemeenschap lijkt te hebben afgespeeld.

Hier lopen de theorieën uiteen. Jezus zou, volgens een extreme uitleg, als radicale vernieuwer de ‘gemene priester’ zijn die deze conservatieve gemeenschap heeft verscheurd (en zo aan de basis heeft gestaan van wat later door de Romeinse invloed het christendom is geworden).

Stolp ziet het anders. Hij veronderstelt dat de Essenen contacten hadden soortgelijke groeperingen buiten de eigen religieuze context, met name met zonne-aanbidders in Egypte en met aanhangers van Zarathoestra. Ook zou het verhaal over Siddharta Gautama (de ons bekende boeddha) rond de Jezus-tijd in Nazareth bekend zijn geweest.

In zijn vertelling gebruikt Stolp veel van dit soort elementen om een web te weven dat het volgende aannemelijk moet maken: twee jongens werden bezield door grote geesten uit verschillende tradities en op jonge leeftijd besloot één van beide kinderen de geest te geven aan de ander (de eerste stierf snel daarna). De overblijver werd de Jezus die wij uit de bijbelboeken kennen, een man die door diverse tradities werd verwacht als de levende zonnenkracht of -geest. Van conflicten is in dit verhaal geen sprake, het is een warme, blijde gebeurtenis met verstrekkende gevolgen.

De argumenten voor deze theorie bestaan uit de verschillende versies van bijbelverhalen over Jezus en zijn jeugd, gnostische teksten, diverse recente boeken over ‘het esoterisch christendom’ (vooral antroposofische) en interpretaties van oude schilderijen. Stolp combineert de argumenten hieruit die passen in zijn visie, maar doet geen moeite om andere visies op zaken te weerleggen of zelfs maar te noemen. Dat is naar mijn mening de legitieme keuze van een gelovige die vooral wil bezielen in plaats van beargumenteren.

Geraakt worden in het hart was zijn insteek, maar als je naast een geloofsargument een historisch verhaal wilt overbrengen, en dat wil Stolp, zul je mijns inziens ook het verstandelijke erbij moeten betrekken. En dus ook in de tekst een afweging moeten maken. Geloofsbeleving en historische werkelijkheidsweergave hoeven elkaar overigens niet uit te sluiten. Maar als het laatste het eerste vooronderstelt, dan haal je het fundament onder de huidige geschiedwetenschap vandaan. En dat is wat Hans Stolp doet.

Hij vraagt ons om te geloven. Zo noemt hij het Evangelie van de Egyptenaren waarin staat: ‘Het heil zal in de wereld komen als de twee één worden.’ Volgens Stolp gaat dat over vereniging van de wezens van de twee Jezus-kinderen. (Overigens staat hierover een soortgelijke opmerking in het Evangelie van Thomas, maar die wordt aan Jezus toegeschreven en zou net zo goed een aanwijzing kunnen zijn voor de esoterische praxis van non-dualiteit in plaats van een historisch verslag van wat eens een profetie was).

Het verhaal van Stolp over de schilderijen, in het boek te controleren via kleurenreproducties, vind ik het meest boeiend. De al eerder in enkele werken over alternatieve (christelijke) geschiedschrijving genoemde suggestie Johannes = Maria in ‘Het Laatste Avondmaal’ van Da Vinci duikt op, maar er is meer. Zo verwijst Stolp naar het schilderij ‘Madonna op de rotsen’ van Da Vinci uit 1492, dat zich nu in Parijs bevindt. We zien een centraal geplaatste vrouw, twee kinderen en een lager en kleiner weergegeven vrouw, die bij nadere bestudering een engelenvleugel heeft.

Stolp ziet hierin het geheim van de twee Jezuskinderen en hun verhaal, nog steeds gebaseerd op onderzoek van Krause-Zimmer. Volgens de schrijver zegent de centraal geplaatste vrouw het kind rechts (van ons uit bezien), maar het zou heel goed anders kunnen zijn: ze ontvangt (met haar linkerhand) de energie van het kind rechts (links van haar) en geeft die energie met haar (rechter)hand op de achterkant van het hart door aan het kind dat met de handen gevouwen rechts van haar zit (links van ons).

Mij lijkt het dat alle energie naar het knielende kind links van ons gaat. Het kind links is de versie van het schilderij dat in Londen hangt voorzien van een symbool van Johannes de Doper, de kruisstaf. Dat lag ook voor de hand, want het jongetje rechts maakt op beide versies van het schilderij een gebaar dat we vaker zien bij sommige orthodoxe Jezus-iconen.

Hoewel de versie die in Parijs hangt vragen oproept in de lijn van de theorie over de twee Jezus-kinderen (met volgens Stolp twee moeders die allebei Maria heten), zou je dus net zo goed kunnen zeggen dat hier simpelweg het verhaal van Johannes en Jezus wordt verteld zoals het volgens een verborgen traditie is gegaan; Johannes was de grootste door zijn nederigheid en Jezus, in het schilderij ook lager geplaatst, ging er daarna met het verhaal vandoor (al hebben de bijbelboeken van het Nieuwe Testament dat volgens deze denkwijze ‘gecorrigeerd’).

Een ander schilderij, voor de argumentatie van Stolp groot van belang, is dat met twee vrouwen en twee kinderen, omstreeks 1400 gemaakt door de (onbekende) Meister van Nurnberg. De symboliek hierin is goed uit te leggen in de lijn van het verhaal van de twee Jezuskinderen. Maar ook volgens de traditie van de machtsgreep.

Zo zitten beide kinderen op kussentjes, het linker (voor ons links) op een rood kussentje, het rechter op een blauw. Als kleur bij kleur hoort, dat lijkt logisch, zou het kind links op het rode kussentje (volgens Stolp het jong te sterven Jezus-kind) de zoon zijn van Elisabeth zijn, die voor ons rechts zit. (’Elisabeth’ wijst ook met haar linker wijsvinger naar het centrum van het kruis midden in het hoofd van het kind. Dat jongetje zou dan Johannes zijn.)

Volgens Stolp gaat het hier om het verhaal van de twee Jezuskinderen, en hun beide moeders die Maria zouden heten, waarvan de boodschap door de symboliek van het aanwezige spinnewiel en de verwijzingen naar de bekende Maria, Elisabeth, Jezus en Johannes is verhuld voor niet-ingewijden.
Wat aan dit schilderij opvalt en waar Stolp niet op ingaat, is dat het kind voor ons links, mijn ‘Johannes’, met rechts een lepel vasthoudt met een beetje goud erin en met links een soort pan, geheel gevuld met goud (misschien was het lastig om diepte te verbeelden met goudverf?).

Mogelijk is dat goud hetzelfde materiaal als de draad die ‘Elisabeth’ weeft. ‘Maria’ heeft iets vast dat lijkt op een soort spoel om verschillende draden in elkaar te weven, maar ze komt nog niet aan bod. Verder houdt zij een soort rieten parasolletje vast, een symbool dat vagelijk lijkt op dat wat in sommige basilieken staat (maar dan van doek).

Mijn Johanneskind links lijkt met rechts een beetje goud uit de pan te scheppen. Hij houdt de pan met links vast, waar zijn tegenhanger deze met rechts vast heeft. Misschien is dat wel een symbolische weergave van het verhaal dat beide Jezuskinderen samen opgroeiden en dezelfde spirituele goudpot deelden waaruit het latere weefsel van de kerk is geweven? Jezus I die Jezus II zijn geest geeft, zoals Stolp meent.

Of gaat het toch over Jezus en Johannes; dat Johannes degene was die het goud in overvloed ontving, hij deelt uit, lijkt de eigenaar van de pan (je kunt niet geven wat je niet hebt) en dat Jezus, zonder lepel en met alleen zijn knuistje om de steel van de ‘pan’ geklemd, zich deze pan toe wil eigenen? ‘Jezus’ kijkt een beetje huilerig naar ‘Elisabeth’ alsof hij zegt: ‘Nou wil ikke!’ Het kind links observeert, heeft een meer neutrale gezichtsuitdrukking.

Het leeuwendeel van het boek, laten we dat vooral niet vergeten, is gevuld met de romaneske vertelling van het Jezuskinderenverhaal. En dat verhaal van Stolp is mooi om te lezen. Het voorgaande is overigens allerminst bedoeld om hieraan afbreuk te doen. Al met al biedt het boek van Stolp voldoende om mee aan de slag te gaan. Op wat voor manier dan ook. Voornamelijk vanuit het hart, ontvangend en genietend, of vanuit het verstand of misschien wel vanuit beide? Het is in elk geval een grote verdienste dat hij deze verhalen voor onze deze tijd weer tot leven heeft gewekt.

Comments Off

admin op 18 January 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Gesprekken met Gabriël, een spirituele bildungsroman

Spiritualiteit en het protestantse geloof, dat is een onderwerp waarover niet veel wordt geschreven. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de boeken van Hans Stolp. Een roman die ik onlangs in handen kreeg, gaat op een heel fraaie en inspirerende wijze in op dit thema.

De roman ‘Gesprekken met Gabriël’ van Arjen Miedema stamt uit 1947, werd in 2001 opnieuw uitgegeven, en is van een verrassende helderheid en openheid. Het boek is geschreven in een prozaïsche taal om je dichtersvingers bij af likken. Het streelt de zinnen van de taalliefhebber en boeit de geïnteresseerde in christelijk gekleurde spiritualiteit.

Hoofdpersoon van deze spirituele bildungsroman is Jacobus van den Domme, een man met het hart op de juiste plaats als het gaat om rechtvaardigheid en schijnheiligheid. Hij lijdt aan zijn kleinburgerlijk bestaan in een protestants naoorlogs milieu en droomt, mede op grond van een hang naar natuurmystiek, van een ‘paradisisch’ leven. De hypocrisie om hem heen ergert hem en laat hem vloeken en schelden. De schoonheid van de waarheid en rechtvaardheid doen hem poëtische hoogliederen zingen.

Heen en weer geslingerd tussen de realiteit en zijn spirituele reizen, en gesterkt door zijn onwrikbare geloof in god, ontwikkelt Van den Domme zich tot de vechter voor het ware die hij wil zijn. Een bevlogen wereldverbeteraar, die eerst zelf eens goed in de spiegel leert kijken, hierbij geholpen door de aartsengel Gabriël. Deze engel stelt hem telkens op de proef, steeds in een andere gedaante.

De getalenteerde schrijver van het werk, ooit docent Frans aan een HBS en in 1947 woonachtig in Bedum, mengt onmiskenbaar eigen ervaringen en inzichten met religieuze fantasieën. Het resultaat is een bont taalspektakel waarin de hoofdpersoon worstelt met Gabriël, de duivel een paar keer fysiek te lijf gaat en zich tussentijds druk maakt over de vraag of god geeft wat de gelovigen vragen, zoals de bijbelboeken vertellen. Meer concreet in zijn geval: nieuwe sokken en een nieuwe mat in de gang.

Het is een roman waarin binnen een protestantse context belangrijke geloofsvragen worden gesteld zonder dat het belerend of kwelend is. Spirituele ervaringen worden afgewisseld met dagelijkse dilemma’s, gerelateerd aan goed en kwaad en de invloed van het goddelijke op en in de mens(heid). Het is een boek voor echte mensen, geen zweverige dweperslectuur. Zo vloekt Van den Domme wat af, en soms is dat niet eens verkeerd volgens de aartsengel, omdat het in die gevallen voortkomt uit zijn heilige verontwaardiging.

Normaal moet je loftuitingen op de achterflap wantrouwen, maar in dit geval ben ik het eens met de tekst die Uitgeverij De Groot Goudriaan erop heeft laten zetten; het is inderdaad een ‘uitzonderlijk’ boek. Geen boek voor domme dwepers die zelfbevestiging zoeken voor hun benepen dogmatische overtuigingen, maar een boek voor zoekers - ook hedendaagse. Beter gezegd: het is een boek voor vinders. ‘Gesprekken met Gabriël’ is in de ramsj verkrijgbaar.

Comments Off

admin op 12 July 2009 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Service met een gouden randje van de ANWB

Soms wordt je plezierig verrast door de mensen die je tegenkomt. Dat zijn heerlijke momenten die hoop en inspiratie bieden. Het maakt het leven mooi. Onlangs liet mijn auto het afweten. Net op het moment dat we na veel haast- en vliegwerk op weg waren naar een heerlijk diner bij vrienden. Natuurlijk de ANWB gebeld, de club die me in het verleden al diverse malen in het zuiden heeft geholpen. De man die ik ditmaal trof, verraste me met zijn uitstekende service.

Slepen was de enige oplossing, gaf hij aan. Nu heb ik een ontzettende hekel aan opgesleept worden. Het zal er wel mee te maken hebben dat ik zelf de touwtjes in handen wil hebben en met een incident enkele jaren geleden. Toen werd ik door mijn schoonbroer opgesleept, onder meer een stuk over de A2. Tijdens het rijden had ik het koude zweet al op de rug staan en bij het Ei van Sint Joost ging het mis. Eén verkeerde reactie, een keiharde klap en daar reed ik het gras op. De gelaste ring voor het opslepen was afgebroken en de sleepkabel had als een zweep door de lucht geknald.

,,Geen probleem”, zei de ANWB-meneer. ,,Hier heeft u de sleutels van mijn bus, ik rijd wel in uw auto.” Dus reed ik vervolgens in die grote gele dieselbus van Roermond naar het service station van De Wegenwacht in Maasbracht. Het was geen jongensdroom, maar wel een leuke ervaring. Daar ging de wagen op de brug en al snel had hij in de smiezen wat er mis was. Zoals zijn collega’s, legde ook deze medewerker me precies uit wat er aan de hand was – ik vind dat fantastisch, zo heb ik in de loop der jaren steeds meer geleerd over hoe een auto in elkaar zit. Het zegt ook iets over het vakmanschap en de liefde voor hun vak.

Vanwege zijn diensten konden we mijn auto de volgende dag komen halen. Geen probleem. De opluchting was al groot dat de schade beperkt was gebleven. De ANWB-medewerker zou bellen wanneer de auto klaar was. De volgende dag verstreek en het telefoontje kwam niet. Geen nood, dan haalden we de auto wel een dag later. Intussen zaten we in een gezellig restaurantje aan De Roerkade in Roermond te eten met onze nieuwe buren. Daar ging de mobiele; of we thuis waren, want onze helper wilde de sleutel graag komen afleveren. Kon ik gelijk de reparatie betalen.

,,Eh, dat kan, maar we zitten nu in de stad te eten in een café-restaurant bij de Steenen Brug.” ,,Vraag eens of hij niet hier naartoe kan komen”, zei mijn vriendin met een gekke slag en al een paar wijntjes achter de kiezen. Dat was goed. En zo kwam het, dat ik net voor het dessert even de Steenen Brug overstak en op de Roerkade als een volleerd drugsdealer mijn zaken met de ANWB afrondde. Ik heb de man natuurlijk nog uitgenodigd voor een borrel, maar met een glimlach werd dat verzoek afgewimpeld. Hij moest ongetwijfeld weer naar een ander die met pech langs de kant stond te wachten op een reddende engel van De Wegenwacht.

Comments Off

admin op 12 November 2007 in Ongewoon & Anders