Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: een fuck up.

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Comments Off

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Niemand is wie hij lijkt in ‘Honor knows no borders’

Er zijn verhalen die je in grote lijnen bijblijven, zelfs na jaren. Vaak raken ze op kleine schaal aan universele thema’s als liefde, dood, waarheid en vertrouwen en maken daardoor meer indruk dan de grote verhalen die er het decor voor vormen. Het verhaal van Tom, een joodse jongen in het door bombardementen geteisterde Londen van de Tweede Wereldoorlog, is zo’n vertelling. Het is de rode draad in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer (iUniverse, 2010).

Net als de andere verhalen in dit boek gaat dat van Tom over eer, een term die vaak misbruikt wordt omwille van politieke ideeën en persoonlijk gewin. In het kort: Tom vindt in een vernietigd woonhuis een Duitse piloot, een vijand dus, maar deze vijand lijkt heel vriendelijk. Van het spaarzame eten dat er is, legt Tom telkens wat opzij om zijn nieuwe vriend te helpen vluchten zodat deze bij zijn zieke vrouw kan zijn.

Maar niet alles is wat het lijkt en dat geldt ook voor de thematisch gespiegelde verhalen die John Sharer rondom het verhaal van Tom heeft geweven. Zo komen we het boek binnen via een krijgsgevangenenkamp van de geallieerden in Noord-Afrika. Daar horen we het verhaal van een Duitser die claimt een joodse familie te hebben gered. De naspeuringen leiden onder meer naar Groot-Brittannië waar de kleine Tom zich bevindt, maar pas aan het eind komen alle draden samen.

Het aantrekkelijke van dit boek is dat er voortdurend gespeeld wordt met begrippen als goed en slecht, vriend en vijand, dader en slachtoffer. En dat geldt ook buiten het kader van deze debuutroman. Zo schrijft John Sharer dat antisemitisme (en daaraan gerelateerd geweld door fascistische groepen) in het Londen van de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid was. Dat wist ik niet, wel dat bijvoorbeeld de nazi eugenetica in de VS werd toegejuicht. Naast eer, kennen blijkbaar ook veel andere ideeën geen grenzen.

Verder krijg je een goed beeld van het leven van een jongen in het Londen in die tijd. De schrijver was zelf jong in de Tweede Wereldoorlog en put soms duidelijk uit zijn ervaringen. Bijvoorbeeld als hij vol passie vertelt over ‘conkers’, een populair kinderspel in Groot-Brittannië waarbij kinderen elkaars kastanje stuk slaan, of over het zoeken naar bomscherven in half ingestorte huizen. Of over ’s nachts in een verduisterde stad thuis blijven en niet, zoals vrijwel iedereen, naar een schuilkelder vluchten als er een bommendeken boven de stad wordt afgeworpen.

De structuur zit goed in elkaar, waardoor het boek tot het eind toe boeit. De ontknoping in het krijgsgevangenenkamp is mooi bedacht, maar onwaarschijnlijk. Dat is jammer, omdat de rest van het boek de indruk wekt dat het wel echt gebeurd zou kunnen zijn. ‘Honor knows no borders’ is een fijn boek om een paar avonden mee op de bank te kruipen. Geen hoogstaande literatuur, gewoon lekker even eruit. Met af en toe prachtige zinnen, zoals deze: ‘While Hitler was blamed for most things, it did not appear to be his fault that nobody cleaned the rubbish dump behind the flats frequently enough (…).’

Comments Off

admin op 22 November 2011 in Boek & Meer

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Bij psychiater Nick Blaser spelen de cliënten met blokken

In de werkruimte van een psychotherapeut zag ik jaren geleden tot mijn verbazing een koets met zes paarden ervoor. Van Playmobil. De therapeut legde me uit dat hij hiermee cliënten lessen leert over onder meer (on)bewuste drijfveren, emoties en de ratio. Belangrijke vragen zijn dan: wie zit er op de bok en wat of wie zit er in de koets en waar gaat het allemaal naar toe?

Dit prachtige verhaal schoot me te binnen bij het lezen van ‘In en om mij – Grenzen stellen door systeemopstellingen’ van de Nick Blaser (Synthese, 2011). Blaser is onder meer psychiater en psychotherapeut. In zijn boek combineert hij systeem- of familie-opstellingen met Mentalisatie Bevorderende Therapie (MBT) (denk ook aan het gebruik van poppen bij misbruikzaken). Blaser gebruikt blokken uit de blokkendoos.

Het voordeel van de aanpak van Blaser ten opzichte van therapie met opstellingen is duidelijk; er is geen groepje mensen meer nodig, slechts een zak met blokken. Het ogenschijnlijke nadeel; anderen worden gereduceerd tot persoonlijke ervaringen, waar bij familie-opstellingen via empathie energetische inductie plaatsvindt, die een mogelijk een meer intense en zeker een meer complexe interactie mogelijk maakt.

Van zulk een minder grote impact is echter geen sprake, afgaand op de voorbeelden in het boek. Er wordt iets meer empathie en fantasie gevraagd en voor sommige cliënten is dat in het begin wennen, maar meestal gaan ze daarna al snel in de magie van Blaser geloven.

(Blijkbaar is het zo dat het oplossen van problemen vooral te maken heeft met perceptie en de oplossing schuilt in het opnieuw beschrijven van je zelf en je relaties met anderen. Je zou ook kunnen denken dat de aanpak van Blaser meer psychotherapeutisch is, dan gebaseerd op opstellingen met mensen.)

In zijn boek geeft Blaser een telkens een case-beschrijving en een analyse achteraf van in totaal tien gevallen waarin zijn aanpak (grotendeels) heeft gewerkt. Centraal is het begrip grensbepaling in relatie tot grensoverschrijdend gedrag. Alle cliënten plaatsen de ik-figuur, een cilinder met een door een pijltje op de kop bepaalde kijkrichting, in een ruimtelijk bouwwerk dat als geheel hun identiteit verbeeldt.

Liggende blokjes vormen de grens, die vaak voorzien is van diverse gaten waardoor de buitenwereld met de binnenwereld is verbonden (als een huis dat gemakkelijk te betreden is door een dief in de nacht). Door andere actoren in en om dat veld te plaatsen worden op basis van therapeutische interventies (typische) interacties beleefd.

Het verhaal van één cliënte, Roos, vind ik bijzonder. Dit is een interessante casus, volgens mij exemplarisch voor wat ‘hoog sensitieve’ mensen ervaren, en ook veel beginnende spirituele therapeuten die onvoldoende met grensbepaling bezig zijn, het probleem bij de ander laten, en zich vooral richten op het stimuleren van hun ontvankelijkheid (en hun gesprekstechnieken).

Roos krijgt bezoek en deze persoon laat ‘iets belastends’ bij haar achter. De eerste reactie van Roos is om dat belastende eruit te werken. Daarna krijgt ze wroeging (wie weet waar het dan (on)terecht komt) en besluit het terug te geven aan degene die haar dit negatieve cadeautje heeft gegeven. (’We kunnen niet alleen gevoelens, maar ook ervaringen, beelden en meningen, opdrachten en verantwoordelijkheden retourneren’, schrijft Blaser op bladzijde 109.)

Ze houdt het belastende voorlopig bij zich, want ze ervaart dat als minder erg dan het onder ogen zien haar eigen gekwetstheid (zielenpijn). Bovendien zou ze zich erachter kunnen verstoppen (zoals anderen op Romantische wijze achter het ‘wereldleed’ dat in zijn totaliteit voor één persoon niet oplosbaar is en eigen problemen altijd in de schaduw stelt).

Het bij zich houden van het belastende, geeft volgens Blaser aan dat Rosa haar grens niet duidelijk is. Dit kan samengaan met het idealistische geloof dat mensen elkaars grenzen altijd respecteren of dat zouden moeten doen, zoals bij Roos. Vaker nog, volgens de schrijver, komt het voor in combinatie met een aangeleerde houding om aardig voor iedereen te willen zijn (de behoefte om te ‘pleasen’).

Kortom: mensen nemen negatieve energie (de ‘imprint’) van anderen soms over als een vorm van sociaal wenselijk gedrag en als excuus om (in relaties met anderen) niet zichzelf te hoeven zijn (en de ander eventueel echt te kunnen helpen door het onderscheid, de grens, tussen ik en de ander duidelijk en vooral bewust te stellen).

Beter is het om met toestemming in de ruimte van de ander de gevoelens van de ander te ervaren, stelt Blaser. Dat is fysiek merkbaar. Of – en dat heeft zijn voorkeur - om vanuit de eigen gevoelsruimte de gevoelens van jezelf en van de ander tegelijk te beleven, bijvoorbeeld door te spiegelen (via onze ’spiegelneuronen’) tot dit is bereikt.

Dit laatste, dat pas mogelijk is na bewust zijn van je zelf, onder meer je eigen gevoelens, gedachten en drijfveren, is volgens Blaser echt een vorm van respectvol kijken. En dat is heel wat anders dan bij een ander op de bok gaan zitten, toelaten dat een ander dat bij jou doet of jouw boze paard aan het span van een ander z’n koets hangen, om het voorbeeld uit het begin nog eens aan te halen.

Comments Off

admin op 31 October 2011 in Boek & Meer

‘Concentreer je op het onbelangrijke’

“Ik denk dat ik vele malen gelukkiger ben dan de mensen om mij heen en ik hoop dat zij dat ook van zichzelf denken. Dat ze misschien door mijn voorbeeld een beetje van die lol ontdekken.” Een interview met Jan Kusters uit Sittard, schilder, pessimist én levensgenieter.

Jan Kusters is een avonturier, al heeft hij nog nooit verre landen bereisd. Zijn traditioneel ingerichte, groen geschilderde woonkamer onthult veel van zijn persoonlijkheid.

Eén wand van de kamer wordt gevormd door een grote houten boekenkast. De belangrijkste exemplaren staan onderin, de onbelangrijkere werken verhuizen langzaam maar zeker naar de bovenste plank, glimlacht Jan Kusters. ,,Als je daar bent als boek, ziet het er slecht voor je uit” - dan is het afscheid nabij.

De complete serie jongensboeken over Bob Evers staat voor het grijpen. Die zijn dus belangrijk. Op zijn site schrijft Kusters hierover: ‘Toen was Nederland nog eenvoudig, met kansen voor wie dat wilde, en er heerste een eindeloos optimisme. Niet alles was tot in vijf decimalen achter de komma geregeld en Europa had nog echte grenzen.’ De wereld was anders.

Voor het overige zijn de planken gevuld met een allegaartje aan boeken, van werken over ridders tot boeken over kunst en fotografie.

Verder telt de kamer een oude eettafel met dito stoelen. De tafel is afgedekt met een oud tafelkleed uit zijn ouderlijk huis. Hier heeft de jonge Jan dus ooit aardappelen op gegeten en dat doet hij nu nog steeds… Een aantal ooit statige kringloopstoelen, met van die grote stalen veren in het zitvlak, siert de hoeken.

Aanvankelijk noodzaak; z’n zelf ontworpen Rietveld-achtige stoelen waren kapot en in de jaren tachtig had hij weinig geld. Intussen is het ook een keuze. ,,Ik werk drie dagen in de week. Het is geen vetpot, maar daardoor heb ik wel tijd om de dingen te doen die ik wil doen. Dan maar wat minder spullen.”

In de hoek staat een grote pijpenkast waarin het Sherlock Holmes-type een ereplaatsje heeft gekregen. Sommige pijpen zijn kostbaar. ,,Ja, als ik dan kijk naar mijn knotsvolle pijpenrek, dan denk ik: hoor wie ‘t zegt. Dat materialisme, ik kan me daar ook niet helemaal aan onttrekken.”

De wand tegenover de boekenkast hangt vol met schilderijen; het gevoel tegenover het verstand. Zelf gemaakt uiteraard, die schilderijen, want hoewel Jan Kusters nu een andere baan heeft, als tutor aan de Hogeschool Zuyd, is hij eigenlijk docent handvaardigheid. Schilderijen van de viaducten over de rondweg die Sittard in tweeën snijdt. Hij verkoopt deze en andere schilderijen via Galerie Achter de Beek in Beek.

Op een kastje in de hoek liggen de spulletjes voor zijn eigen Limburgs-Japanse theeceremonie, een andere bezigheid waar hij veel plezier aan beleeft. ,,Het uitvoeren van een Japanse theeceremonie is een bepaalde manier van denken”, legt Kusters uit. ,,Toen ik kennismaakte met de theeceremonie, ontdekte ik dat ik deze manier van denken zelf al had ontdekt.”

,,Ik heb jaren voor een hbo-instelling lesroosters gemaakt. Eén grote stressbaan. Ik had al hoofdpijn als ik moest beginnen. Als ik thuiskwam had ik weer hoofdpijn. In die tijd ontdekte ik het motorrijden. Ik nam rijles en na een uurtje lessen was de hoofdpijn weg. Je bent dan heel geconcentreerd, net als tijdens de theeceremonie.”

Hij had zelfs al zijn eigen theeceremonie, toen hij in militaire dienst was, kwam hij achter. ,,Op zaterdagochtend moesten we de kamers poetsen. Ik begon dan eerst met theedrinken. Elke week deed ik dat. Dan was elk gebaar op z’n plek. Voor mij was het een scheiding tussen twee dingen die niet zo goed samengaan.”

Het is niet alleen de aandachtige uitvoering van het thee-ritueel, die hem boeit. Het is ook de schoonheid van de attributen. Neem bijvoorbeeld het geheel uit één stuk gemaakte bamboe thee-kloppertje; een stukje bamboe dat met de hand is ingesneden en dat nog het meest lijkt op een ouderwetse scheerkwast.

Ook het bamboe gereedschap om het theewater op te gieten, een hishaku, een bamboe kopje met een lange ranke bamboesteel, zo’n stukje eerlijk vakwerk op microschaal, daar kan Jan Kusters echt van genieten. Hij pakt het gereedschapje in zijn hand, bekijkt het van alle kanten. ,,Dit vind ik echt verschrikkelijk mooi.”

Eerst meende hij nog dat de ceremonie alleen met de juiste spullen kon worden uitgevoerd. Zo zocht hij, bij wijze van spreken, de hele wereld af op zoek naar de goede Japanse thee, macha. ,,Tot internet kwam, toen vond ik ergens dat de thee die ik hier had gekocht, in Japan wordt gebruikt om ijs te kleuren hahaha. Die is niet te vergelijken met de echte macha.”

Nu weet hij dat het niet uitmaakt, voor hem althans. Theefundamentalisten denken daar uiteraard anders over. ,,Je moet ook niet gaan voor het eindresultaat, dat werkt niet. Het gaat om het zomaar doen. Anders kan ik het niet zeggen.

De man die de huidige theeceremonie heeft vormgegeven, Sen no Rikyu, heeft het ook op die manier bedoeld. Het moest simpel en je moest je concentreren op de thee, niet op de spullen. Bamboe was het plastic uit zestienhonderd en raku was oorspronkelijk ook een wegwerpartikel. Het gaat erom dat je een simpel iets belangrijk maakt. De theeceremonie doe je niet voor die drie slokjes lauwe thee.”

Kusters maakt een vergelijking met het schilderen: ,,Eerst wilde ik een compleet schilderij maken. Daarna leerde ik om alle details met aandacht aan te brengen. Ik concentreer me nu alleen op dat ene vlekje verf dat ik nog moet zetten. En dan weer op de volgende verfvlek, tot het schilderij ineens klaar is.

Wow, het is gelukt! Zonder dat je het beredeneerd hebt gedaan. Je concentreert je op iets dat in feite niet belangrijk is. Dan lukken anderen dingen.”

Met het roken van pijpen en sigaren, door deze liefhebber met aandacht voor historie geschreven als cigaren, is het anders; daar staat het genieten meer voorop. Jan Kusters is hiertoe lid van het illustere sigarengenootschap Fidibus, een herengenootschap waarvan de leden op hun site te zien zijn terwijl ze in negentiende eeuwse stijl op de gevoelige plaat zijn vastgelegd.

,,In de grote werkloosheidstijd, de jaren tachtig, is het begonnen als een bierclub. We vonden allemaal Belgisch bier lekker, maar dat was te duur en hier heel slecht te krijgen. En om nou steeds naar Maaseik te fietsen… Dus legden we elke maand een tientje in om eens per maand iets meer luxe te kunnen ervaren. Vervolgens is het uitgegroeid tot het sigarengenootschap.”

Het genootschap werd een genootschap, omdat dit zijn voordelen had: ,,We dachten: misschien zijn er dan wel fabrikanten die wel eens een doosje deze kant op willen sturen. Daar hebben we drie keer gebruik van gemaakt. De gestuurde sigaren waren niet de moeite van het proberen waard. Het waren sigaren die naar rozen smaakten of suikerwatersigaren.” Hij glimlacht.

Intussen zijn de werkloze sigarenrokers van toen, de helft had in Sittard en de andere helft in Nijmegen gestudeerd, heel goed terecht gekomen. De groep telt nu onder anderen een aantal personeelsfunctionarissen, een paar werken in zorginstellingen, er zit een ambtenaar bij en een docent aan de Open Universiteit.

Het aantal bijeenkomsten is intussen afgenomen tot zo’n drie per jaar. ,,En dan nog is het moeilijk iedereen bij elkaar te krijgen.” Een andere verandering is wie voor de rookwaren zorgt; nu levert de gastheer alle sigaren. Daar is nu genoeg geld voor.

Het is een beetje jongensachtig, zo’n studentikoos genootschap. Net als gezamenlijk uitstapjes maken op de motor om ergens te kamperen, vliegers bouwen en vliegerfeesten bezoeken – andere hobby’s van Kusters.

,,Klopt. Het idee van: waar is de wereld nog niet helemaal geregeld en waar er is er nog wel een beetje avontuur.

Een uitgestelde pubertijd? Zou kunnen. De kleur van de muur hier, is ook de kleur die mijn jongenskamer had. Ik heb destijds heel veel kleuren geprobeerd; oranje, blauw, groen, rood - ik werd er soms een beetje gestoord van - maar uiteindelijk was dit toch het prettigst.

Er zitten bij dat rokersclubje trouwens ook mensen met een normaal volwassen leven die een beetje avontuur erbij nemen. Mensen die getrouwd zijn en kinderen hebben, bedoel ik.

Ik ben geen voorbeeld van een normaal volwassen leven.

Mensen leven naar mijn mening teveel op de automatische piloot. Dat is niet het leukste maar wel het makkelijkste.” Jan Kusters gaat voor het avontuur en de uiteindelijke voldoening mag dan ook wel wat moeite kosten; de weg ertoe is belangrijker dan het doel.

,,Met schilderen bijvoorbeeld. Ik heb drie jaar moeten sparen voor de reis naar Noorwegen, om daar te gaan schilderen. Verder heb ik alles moeten uitzoeken: hoe krijg je alle schildersspullen mee op de motor. Toen ik er was, was het weer heel slecht. Het hoorde erbij, maar dat wil niet zeggen dat ik het leuk vond.

Het was een denkprestatie: onder moeilijke omstandigheden toch de dingen doen die je wilt doen. Je wordt je bewust van de vraag: wat is belangrijk en wat niet. Waar draait het eigenlijk om. Wat kan ik missen en wat kan ik niet missen? Het is een soort crisismentaliteit, zeiden mijn ouders altijd.

Ja, ik ben een gigantische pessimist, zie overal beren op de weg. Aan de andere kant: ik denk dat ik vele malen gelukkiger ben dan de mensen om mij heen, en ik hoop dat zij dat ook van zichzelf denken. Dat ze misschien door mijn voorbeeld een beetje van die lol ontdekken.”

In Noorwegen ervoer de Sittardse levenskunstenaar ‘een gevoel van eindeloosheid, de mens als vetvlekje op het aardoppervlak’. ,,Het was een wezenlijke ervaring; de mens als voetnoot.”

Los van deze metafysische beleving, wilde het schilderen de eerste twee reizen maar niet lukken. Jan Kusters schilderde en schilderde, maar het resultaat was niks. Het leverde in elk geval geen werken op die hij zelf zou ophangen.

Maar dat was niet erg, zegt hij nu: ,,Kunst is voor mij dingen doen die je nog niet kunt, anders is het kunstnijverheid. Ik ontdekte dat ik alleen de beelden van landschappen kan schilderen die ik in mijn hoofd heb gecreëerd. Die zocht ik later op in Noorwegen, toen ik er was. En je aandacht brengen naar elk vlekje dat je opbrengt, niet meer ineens het geheel willen neerzetten. Tijdens en na de derde reis ging het goed.

Van een foto schilderen gaat niet trouwens; een foto heeft meestal maar 256 kleuren. In werkelijkheid zijn er veel meer kleurnuances. Die moet je leren zien.”

Ook het avontuur moet je leren zien. Het is soms gewoon om de hoek. Jan Kusters woont bijvoorbeeld alweer jaren in wat eens een Franciscaner klooster was. ,,We hebben hier een tijdje een woeste periode gehad. Zo zat hier een tijdje een illegaal bordeel. Stonden er elke avond allemaal vreemde mannen op de gang.

Ook waren er mensen bezig met criminele zaken. Dus hebben we paar keer een overvalteam binnen gehad. Waren ze weer een paar maanden op vakantie. Maar ja, dan werden de kamers onderverhuurd en daar kwam weer veel ellende van. Ja, het was hier toen wel avontuurlijk, maar de buurt klaagde.

De woningbouwvereniging heeft een aantal jaren hard gewerkt om de zaak hier uiterlijk en qua bewoners op de knappen. En met succes. Daar ben ik de woningbouwvereniging ook heel dankbaar voor. Het was wel heel leerzaam; je krijgt een andere kant van de samenleving te zien. Je krijgt een completer beeld van de hedendaagse wereld.”

Comments Off

admin op 2 March 2009 in Ongewoon & Anders

Holle bergen, groene bomen en onzichtbare meren

Op grote hoogte, verheven boven de aarde, keek ik uit over een berglandschap dat me deed denken aan de ontzagwekkende bergruggen van de Himalaya. Voor me zag ik een land, grofweg in de vorm van een naar rechts gebogen koffieboon.

Ik was aan het begin, het land lag aan mijn voeten, en ik zag een middelgrote berg. Meer naar het noorden, van mij uit gezien, waren lagere, plattere bergen, en op het eind, de kop van de boon, zag ik drie hoge bergen. Samen vormden ze een gelijkbenige driehoek. Mijn blik viel op de lagere bergen in het middengebied en een stem zei: ,,Daar zouden allemaal meren moeten zijn, maar niemand heeft ze ooit gezien.”

In één klap stond ik middenin de eerste, middelhoge berg. Wat ik zag was bijzonder. De berg was hol. Ik stond op een heuvel in de berg, die het begin vormde van een reeks heuvels, misschien van een paar honderd meter hoog. In de verte, richting het noorden, zag ik gele Chinese tempels, opgetrokken van extreem dikke, dieprode zuilen. Prachtig rood, en helemaal rond; die zuilen. Zeer stevig en als nieuw, hoewel ze er vast al lang stonden.

Nog meer in de verte ontvouwde zich een schitterend landschap van heuvels met daarop prachtige heldergroene bomen. Bijna kunstmatig groen, maar een lust voor het oog. Zelfs de stam was groen. Nog verder weg, zag ik de verborgen meren. Die waren diepblauw. Ik telde er drie, om en om gelegd, ook in de vorm van een koffieboon.

Dichterbij zag ik ineens duizenden donkere mensen, schijnbaar uit India, en ze liepen allemaal doelloos door elkaar en gaven elkaar geen enkele ruimte, maar zonder elkaar te raken. Vervolgens zag ik mezelf staan bij een dieprode tafel, met mensen in gesprek. De enige blanke was ik, en ik had de paardenstaart uit mijn studententijd. Ik wilde de weg weten of was aan het argumenteren. Of misschien wel beide…

Een fractie later was iedereen weg. Ik zweefde een paar meter boven de heuvel in de berg. De onbegroeide grond was overdekt met een laag grote papiersnippers, opgevouwen stroken van doorgedraaide boeken, zeker twee meter hoog was deze laag die zich als sneeuw uitstrekte over een afstand van een paar honderd meter.

De meeste stroken waren wit met zwarte letters. Her en der zat er een fel geel stukje tussen. Deze gigantische berg versnipperde kennis vervuilde deze innerlijke wereld. Zorgde ervoor dat hier niets kon groeien op de grond. De grond bestond uit zwarte aarde, aangetrapt en onbegroeid.

- Toen ik wakker werd, wist ik twee dingen. Ik was te gast geweest in het innerlijke koninkrijk Agartha. En ik moest de niet-waardevolle kennis van anderen van me af werpen, uit mezelf halen. En de grond omploegen om haar weer vruchtbaar te maken. Alleen zo kan ik er een waar paradijs van maken.

Nu wil ik terug. Op avontuur in m’n binnenwereld. En op zoek naar de mysterieuze hoofdstad Shambhala

Comments Off

admin op 7 March 2008 in Ongewoon & Anders

Boeken en de liefde voor de gelaagdheid van het leven

Ik houd van boeken die over boeken gaan, geschreven door mensen die houden van het spel met taal en verbeelding. Het bekendste boek is in dit genre is natuurlijk ‘De naam van de roos‘ van Umberto Eco, maar er zijn meerdere boeken die de liefde voor letters, klanken, vormen en betekenissen verweven in een onderhoudende roman.

Soms gaan ze over de jacht op een boek of een manuscript, zoals ‘Equinox‘ van Michael White, auteur van een interessante dissidente biografie over Isaac Newton, dat zeker niet de klasse heeft van het boek van Eco maar toch weet te boeien als een historische thriller over de magie van boeken. Een beetje ‘De Da Vinci code‘, maar dan minder diepgaand.

Soms zijn boeken en werkelijkheid onontwarbaar met elkaar verweven, zoals in ‘Baudolino‘, ook al van Eco, en in ‘Codex‘ van de getalenteerde schrijver Lev Grossman. In het eerste boek wordt het middeleeuwse wereldbeeld versneden met de werkelijkheidsbeleving en verwordt het verhaal tot een hallucinerende trip door diverse bewustzijnswerelden.

Het boek van Grossman is een uiterst knap spel waarbij de zoektocht naar een verloren gegaan middeleeuws boek met diverse lagen wordt gecombineerd met een fascinerend computerspel dat letterlijk, net als schrijven, andere werelden oproept. Het lijkt op Second Life, maar is nog veel realistischer. De suggestie dat heden en verleden door elkaar lopen, misschien worden herhaald in een eeuwige dramatische dans door de tijd, blijft onuitgesproken in de lucht hangen.

Een tweetal boeken dat helemaal draait om boeken, heilige in dit geval, zijn twee romans van de eveneens getalenteerde Eliette Abécassis. Deze Franse schrijfster laat in ‘De schat van de tempel‘ en in de voorganger ervan, ‘Het Qumran mysterie‘ de zogenoemde Dode Zee-rollen tot leven komen. Invoelend en inlevend en met grote aandacht voor de betovering van het woord.

Ze laat de heilige letters, in hun joodse symboliek en energetische waarde, letterlijk tot leven komen als ze worden gelezen door een joodse ingewijde in de mysteriën van Qumran. Als je haar woorden daarover gelezen hebt, spreek je nooit meer over dode letters. Zelfs al zijn het geen geïllustreerde werken, de taal gaat staan, rekt zich uit en begint te bewegen, licht te geven zelfs. Als zelfstandige entiteiten, vertegenwoordigers van machten en krachten die onze wereld bevolken en beheersen, gaan de letters hun lezers betoveren.

Waarom treffen dit soort boeken me zo? Omdat ik schrijf en lees of omdat ze me verder inwijden in de wondere werelden die zich uitstrekken met het lezen van elk goed boek, ongeacht het genre? Ik vermoed het laatste. Een ondernemer die ik onlangs interviewde voor een zakenblad gaf aan dat hij graag reizen maakte, in het echt en in zijn hoofd. Via boeken. Eenvoudiger kan ik het niet zeggen.

Comments Off

admin op 20 February 2008 in Boek & Meer