Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Over de Indigo kinderen van Generatie Y

Indigo’s of nieuwetijdskinderen; voor de één zijn ze voorbodes van een veelbelovende spirituele verandering van de laatste jaren, voor de anderen vormen ze een modieus verschijnsel om probleemkinderen legitiem een hogere status te geven, vergelijkbaar met het verschijnsel van de hoogbegaafde kinderen; die zijn er ook, maar het zijn er maar een paar en de vraag is of die begaafdheid, die zich vaak op een enkel vlak manifesteert, ook op langere termijn aantoonbaar blijft.

Onlangs verscheen het boek ‘De Indigo kinderen, 10 jaar later’ van Lee Caroll & Jan Tober (Uitgeverij Petiet, 2010). Daarin kijken de schrijvers na tien jaar terug op hun eerste boek dat de Indigo kinderen een naam gaf en ze op de kaart zette. Het huidige boek is een amalgaam van meningen en feiten.

Om te beginnen is er het bekende beeld, namelijk van lieve, wijzige en mogelijk spiritueel begaafde kinderen die onder meer moeite hebben om zich aan te passen aan het reguliere onderwijssysteem. Door hun sensitiviteit en een gebrek aan ervaring om daarmee om te gaan, bijvoorbeeld door zich energetisch af te sluiten of via zelfreflectie meer effectieve sociale patronen te ontwikkelen, komen ze regelmatig in de problemen. Ze voelen, zien, ruiken en horen wellicht meer en dat maakt kiezen en handelen lastiger.

Een oplossing hiervoor wordt binnen de kaders van het lagere onderwijs gezien in het constructivisme, een stroming gericht op ‘learning by doing’ en leren leren die ook binnen het Nederlandse Nieuwe Leren op veel aanhang kan rekenen.

Het nieuwe leren, en dat is niet: alles op de computer, maar ruimte bieden voor eigen invalshoeken afhankelijk van talenten en persoonlijke leerstijlen, blijkt soms goed te werken. Of dit vrije leren ook succesvol is voor kinderen met een laag niveau, althans gemeten met de huidige, op cognitie gerichte onderwijstoetsen, valt te betwijfelen. Of het moet gaan om heel kleine groepen.

Agressieve Indigo’s

Niet alle (mogelijke) Indigo kinderen zijn creatieve, zachtaardige boeddha’s-in-de-dop. Net zo vaak zijn het kinderen die zich zeer op negatieve wijze manifesteren. Onbeheerste agressie tegen zichzelf en tegen anderen, onbegrip, negatieve onzinnigheid, hyperactiviteit; het is een explosief mengsel dat een voedingsbodem heeft in de ervaring onbegrepen te zijn; dan kan de ware aard zich niet ontplooien.

Het kan zijn dat deze kinderen inderdaad spiritueel heel ontwikkeld zijn en vanuit hun genen, aard en omstandigheden tijdelijk negatief reageren. Dat is wat in het boek wordt gesuggereerd. Maar, en hier raken we een cruciaal punt: hoe en door wie moet worden bepaald wat waarschijnlijk een ‘echte’ Indigo is?

Het moet iemand zijn met een grondige pedagogisch-didactische kennis van en ervaring in de omgang met kinderen die bovendien spiritueel gevorderd is. Want van de beschreven kinderen zijn er behoorlijk wat die schijnbaar hun opvoeders napraten, binnen ’spirituele’ kaders sociaal wenselijke antwoorden geven en niet echt blijk geven van grote diepte; vaak gaat om het gekopieerde spirituele tegeltjeswijsheiden.

Een andere factor die een rol speelt, is de verleiding voor ouders om hun kinderen nog meer speciaal te maken dan ze voor hen al zijn, waardoor een soort blindheid ontstaat voor de werkelijkheid. Denk ook aan een recent tv-programma, Paranormale Kinderen op SBS6, waar dat verschijnsel te zien was.

Soms is de meest simpele verklaring voor ‘onaangepast gedrag’ de meest waarschijnlijke: er zijn biochemische en/of psychosociale redenen die niets met wat voor geëvolueerde bewustzijnstoestand dan ook te maken hebben (al kunnen extreme situaties wel bepaalde grensoverschrijdende ervaringen oproepen en processen in gang zetten).

De kinderen, naar wie ik nu verwijs, hebben waarschijnlijk eerder te lijden van de constructivistische aanpak en behoeven vooral helderheid, eerlijkheid en structuur. En dat is ook precies wat veel van hen aan de leerkrachten vragen: geef me regels en regelmaat om me aan vast te houden. Een enkeling vraagt om begeleiding om met hun paranormale vermogens om te gaan.

Als het reguliere onderwijs niet past, moet je je kinderen maar thuis lesgeven, zo valt ergens te lezen. De vraag is of je deze kinderen, of het nu ‘echte’ Indigo’s zijn of niet, de kans op het ervaren van het reguliere leven - hoe beperkend voor hen soms ook - moet ontzeggen door ze te stigmatiseren en te isoleren. Naar mijn mening zou de uitdaging moeten zijn om ermee te leren leven.

Kenmerken

Hoe weet je nu of iemand een Indigo is? Wendy Chapman beschrijft, op basis van onderzoek onder dit soort kinderen, een aantal kenmerken: 1. Sterke empathie (84 procent), 2. Duidelijk zelfbewustzijn (76 procent), 3. Overal betere manieren zien om het werk te doen (74 procent), 4. Dagdromers en/of zieners (72 procent) en 5. Zeer creatief (70 procent).

Hiermee zou het mogelijk moeten zijn om het kaf van het koren te scheiden. Dat is wenselijk, omdat kinderen anders misschien de noodzakelijke begeleiding moeten ontberen. Er zijn intussen ook al jongeren die als Indigo worden gelabeld, zelfs een paar van veertig. In reguliere werksituaties gaat het vaak niet goed met ze.

De oorzaken daarvan zijn – opnieuw – niet makkelijk te achterhalen. 1. Waren het Indigo’s zoals intussen door Chapman grofweg afgebakend en misten ze passende begeleiding? 2. Of hadden ze om andere redenen gedragsproblemen die nu onvoldoende zijn opgelost en zijn ze als schijnbare Indigo’s juist verkeerd begeleid? Hadden ze juist meer regels nodig in plaats van minder?

Volgens een bijdrage over dit onderwerp zijn de onderzochte jongeren onrealistisch zelfverzekerd. Ze zijn leergierig, maar gaan klokslag vijf uur naar huis, zelfs als ze daardoor het mes in het varken moeten laten steken. Ze vinden dat ze binnen een jaar promotie moeten krijgen, vragen gemakkelijk om opslag en nemen gelijk ontslag als niet wordt tegemoet gekomen aan hun verwachtingen.

Dit zou typisch Indigo-achtig zijn. Je zou ook kunnen zeggen: het zijn verwende kinderen die in de rijke jaren negentig alles kregen wat hun hartje begeerde, ze missen elk sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, staan los van de realiteit en zijn blind voor hun sterke en vooral ook voor hun zwakke punten. Je ziet het soms bij audities voor programma’s als X-factor, waar een oneindig positieve houding en een dito zelfbeeld een echte ‘reality check’ tot dan toe hebben voorkomen.

Opvallend hierbij is wel, dat het bij de in het boek beschreven werkende jongeren doorgaans niet gaat om de nieuwe toppers op het gebied van creativiteit, wetenschap, onderwijs, spiritualiteit of business. De meeste banen van hun banen betreffen ongeschoold, laaggeschoold of middelbaar geschoold werk. Dat zou natuurlijk juist de reden kunnen zijn voor hun slechte functioneren; ze worden niet herkend om wie ze zijn en wat ze kunnen en daardoor lopen ze vast.

Maar het meest verbaast het me dat ze niet massaal vertegenwoordigd zijn in de creatieve sector (reclame, muziek, beeldende kunst, literatuur, games et cetera), waarvan de toegang en de cultuur toch veel vrijer zijn dan in andere maatschappelijke domeinen waar traditionele scholing en regels vaker voorop staan.

Indigo = Y

Gates McKibbin ziet ïn het boek van Carroll & Tober een vrijwel volledige overlap van de Indigo’s met Generatie Y, de 60 miljoen jongeren geboren tussen 1980 en 1994. ‘Ze zijn zich sterk bewust van de onbestendigheid van menselijke omstandigheden, of het nu gaat om machtsmisbruik door corrupte leiders of ongecontroleerd geweld in de lagere klassen. Indigo’s zien integriteit als uitzondering en ze geloven dat gerechtigheid kan worden gekocht. Ze lopen op het scherp van de snede tussen confronterend realisme en cynische desillusie’. En ze leven alleen in het nu (niet als innerlijk verstilde boeddha’s maar als een soort beweeglijke nihilisten).

Als je er eentje gevonden hebt, hoe kun je dan het beste omgaan met een Indigo? Ik haal nog eens McKibbin aan, die schrijft over werkverhoudingen: 1. Onderzoek hun wereld. ‘Ze zijn roekeloos onafhankelijk en willen door iets essentieels geïnspireerd raken.’ 2. Daag ze voortdurend uit. Stel vast waar ze goed in zijn en bied ze ruimte om beter te worden en hun taken te verbreden. Zo kunnen ze ook een grotere bijdrage leveren.

3. Train en begeleid. Geef eerlijke feedback, zorgt dat beroepsmatig gedrag effectief vorm kan krijgen zonder dat ze het gevoel krijgen dat ze hierdoor hun eigenheid geweld aan doen. 4. Durf vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. 5 Stimuleer hun waarden (autonomie en onafhankelijkheid zijn belangrijk). 5. Zie als ‘baas’ af van autoritair optreden, je zult hiermee alle respect verliezen. Focus op gezamenlijke voordelen voor bedrijf en werknemer. 6 Erken hun bijdrage.

McKibbin stelt samenvattend: ‘Het is de rol van de manager het potentieel van iedere werknemer naar boven te brengen. In veel opzichten zijn Indigo’s niet anders dan anderen.’ Verder lezen? Kijk eens op Wikipedia of op DMOZ of doe een Indigo-test of twee, drie.

Comments Off

admin op 5 March 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus I gaf zijn geest aan Jezus II

De verstandelijke interpretaties van Jezus, zijn leven en leringen, blijven zich opstapelen zolang mensen vragen stellen. De antwoorden zijn behulpzaam, maar leiden niet tot een compleet inzicht in deze verlichte man, die mens was, genezer en een soort goeroe.

Hans Stolp kiest in zijn recente boek ‘Het geheim van de twee Jezuskinderen’ (Ankh-Hermes, 2010, 17.90 euro) dan ook niet voor de weg van het hoofd, maar die van het hart. Hij vraagt de lezer vooraf om de behoefte aan bewijslast voor de twee Jezuskinderen op te schorten en zijn vertellingen in het hart te ontvangen; Jezus ontmoeten is een belevenis, geen berekening of beeldspraak.

Hoewel ik dat geprobeerd heb, en de schrijver daar soms ook in is geslaagd; om me zonder vragen te laten meegaan in de beleving, viel dat niet mee. Dat is ook niet zo vreemd, want het verhaal waar hij zich op baseert is vrijwel onbekend en dat dwingt tot opletten bij de lezer en tot een verhoogde uitleggerigheid bij de schrijver.

Het boek begint nu met verhalen over de twee Jezuskinderen. Dit op basis van een reconstructie, verderop in het boek, die grotendeels gebaseerd is leringen uit de theosofie, gnostische teksten en theologisch-historische interpretaties van oude kunstwerken (bron: ‘Die Zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst’ van Hella Krause-Zimmer). Misschien was het beter geweest de volgorde om te gooien.

Omdat het verhaal onbekend is, zal ik daar voornamelijk op ingaan. De Esseense gemeenschap waarin Jezus vermoedelijk is gevormd, verwachtte – zoals bekend – een koning-messias en een priester-messias. Zij spelen een rol in een bijzondere machtswisseling die zich op een bepaald moment in de geschiedenis van deze Esseense gemeenschap lijkt te hebben afgespeeld.

Hier lopen de theorieën uiteen. Jezus zou, volgens een extreme uitleg, als radicale vernieuwer de ‘gemene priester’ zijn die deze conservatieve gemeenschap heeft verscheurd (en zo aan de basis heeft gestaan van wat later door de Romeinse invloed het christendom is geworden).

Stolp ziet het anders. Hij veronderstelt dat de Essenen contacten hadden soortgelijke groeperingen buiten de eigen religieuze context, met name met zonne-aanbidders in Egypte en met aanhangers van Zarathoestra. Ook zou het verhaal over Siddharta Gautama (de ons bekende boeddha) rond de Jezus-tijd in Nazareth bekend zijn geweest.

In zijn vertelling gebruikt Stolp veel van dit soort elementen om een web te weven dat het volgende aannemelijk moet maken: twee jongens werden bezield door grote geesten uit verschillende tradities en op jonge leeftijd besloot één van beide kinderen de geest te geven aan de ander (de eerste stierf snel daarna). De overblijver werd de Jezus die wij uit de bijbelboeken kennen, een man die door diverse tradities werd verwacht als de levende zonnenkracht of -geest. Van conflicten is in dit verhaal geen sprake, het is een warme, blijde gebeurtenis met verstrekkende gevolgen.

De argumenten voor deze theorie bestaan uit de verschillende versies van bijbelverhalen over Jezus en zijn jeugd, gnostische teksten, diverse recente boeken over ‘het esoterisch christendom’ (vooral antroposofische) en interpretaties van oude schilderijen. Stolp combineert de argumenten hieruit die passen in zijn visie, maar doet geen moeite om andere visies op zaken te weerleggen of zelfs maar te noemen. Dat is naar mijn mening de legitieme keuze van een gelovige die vooral wil bezielen in plaats van beargumenteren.

Geraakt worden in het hart was zijn insteek, maar als je naast een geloofsargument een historisch verhaal wilt overbrengen, en dat wil Stolp, zul je mijns inziens ook het verstandelijke erbij moeten betrekken. En dus ook in de tekst een afweging moeten maken. Geloofsbeleving en historische werkelijkheidsweergave hoeven elkaar overigens niet uit te sluiten. Maar als het laatste het eerste vooronderstelt, dan haal je het fundament onder de huidige geschiedwetenschap vandaan. En dat is wat Hans Stolp doet.

Hij vraagt ons om te geloven. Zo noemt hij het Evangelie van de Egyptenaren waarin staat: ‘Het heil zal in de wereld komen als de twee één worden.’ Volgens Stolp gaat dat over vereniging van de wezens van de twee Jezus-kinderen. (Overigens staat hierover een soortgelijke opmerking in het Evangelie van Thomas, maar die wordt aan Jezus toegeschreven en zou net zo goed een aanwijzing kunnen zijn voor de esoterische praxis van non-dualiteit in plaats van een historisch verslag van wat eens een profetie was).

Het verhaal van Stolp over de schilderijen, in het boek te controleren via kleurenreproducties, vind ik het meest boeiend. De al eerder in enkele werken over alternatieve (christelijke) geschiedschrijving genoemde suggestie Johannes = Maria in ‘Het Laatste Avondmaal’ van Da Vinci duikt op, maar er is meer. Zo verwijst Stolp naar het schilderij ‘Madonna op de rotsen’ van Da Vinci uit 1492, dat zich nu in Parijs bevindt. We zien een centraal geplaatste vrouw, twee kinderen en een lager en kleiner weergegeven vrouw, die bij nadere bestudering een engelenvleugel heeft.

Stolp ziet hierin het geheim van de twee Jezuskinderen en hun verhaal, nog steeds gebaseerd op onderzoek van Krause-Zimmer. Volgens de schrijver zegent de centraal geplaatste vrouw het kind rechts (van ons uit bezien), maar het zou heel goed anders kunnen zijn: ze ontvangt (met haar linkerhand) de energie van het kind rechts (links van haar) en geeft die energie met haar (rechter)hand op de achterkant van het hart door aan het kind dat met de handen gevouwen rechts van haar zit (links van ons).

Mij lijkt het dat alle energie naar het knielende kind links van ons gaat. Het kind links is de versie van het schilderij dat in Londen hangt voorzien van een symbool van Johannes de Doper, de kruisstaf. Dat lag ook voor de hand, want het jongetje rechts maakt op beide versies van het schilderij een gebaar dat we vaker zien bij sommige orthodoxe Jezus-iconen.

Hoewel de versie die in Parijs hangt vragen oproept in de lijn van de theorie over de twee Jezus-kinderen (met volgens Stolp twee moeders die allebei Maria heten), zou je dus net zo goed kunnen zeggen dat hier simpelweg het verhaal van Johannes en Jezus wordt verteld zoals het volgens een verborgen traditie is gegaan; Johannes was de grootste door zijn nederigheid en Jezus, in het schilderij ook lager geplaatst, ging er daarna met het verhaal vandoor (al hebben de bijbelboeken van het Nieuwe Testament dat volgens deze denkwijze ‘gecorrigeerd’).

Een ander schilderij, voor de argumentatie van Stolp groot van belang, is dat met twee vrouwen en twee kinderen, omstreeks 1400 gemaakt door de (onbekende) Meister van Nurnberg. De symboliek hierin is goed uit te leggen in de lijn van het verhaal van de twee Jezuskinderen. Maar ook volgens de traditie van de machtsgreep.

Zo zitten beide kinderen op kussentjes, het linker (voor ons links) op een rood kussentje, het rechter op een blauw. Als kleur bij kleur hoort, dat lijkt logisch, zou het kind links op het rode kussentje (volgens Stolp het jong te sterven Jezus-kind) de zoon zijn van Elisabeth zijn, die voor ons rechts zit. (’Elisabeth’ wijst ook met haar linker wijsvinger naar het centrum van het kruis midden in het hoofd van het kind. Dat jongetje zou dan Johannes zijn.)

Volgens Stolp gaat het hier om het verhaal van de twee Jezuskinderen, en hun beide moeders die Maria zouden heten, waarvan de boodschap door de symboliek van het aanwezige spinnewiel en de verwijzingen naar de bekende Maria, Elisabeth, Jezus en Johannes is verhuld voor niet-ingewijden.
Wat aan dit schilderij opvalt en waar Stolp niet op ingaat, is dat het kind voor ons links, mijn ‘Johannes’, met rechts een lepel vasthoudt met een beetje goud erin en met links een soort pan, geheel gevuld met goud (misschien was het lastig om diepte te verbeelden met goudverf?).

Mogelijk is dat goud hetzelfde materiaal als de draad die ‘Elisabeth’ weeft. ‘Maria’ heeft iets vast dat lijkt op een soort spoel om verschillende draden in elkaar te weven, maar ze komt nog niet aan bod. Verder houdt zij een soort rieten parasolletje vast, een symbool dat vagelijk lijkt op dat wat in sommige basilieken staat (maar dan van doek).

Mijn Johanneskind links lijkt met rechts een beetje goud uit de pan te scheppen. Hij houdt de pan met links vast, waar zijn tegenhanger deze met rechts vast heeft. Misschien is dat wel een symbolische weergave van het verhaal dat beide Jezuskinderen samen opgroeiden en dezelfde spirituele goudpot deelden waaruit het latere weefsel van de kerk is geweven? Jezus I die Jezus II zijn geest geeft, zoals Stolp meent.

Of gaat het toch over Jezus en Johannes; dat Johannes degene was die het goud in overvloed ontving, hij deelt uit, lijkt de eigenaar van de pan (je kunt niet geven wat je niet hebt) en dat Jezus, zonder lepel en met alleen zijn knuistje om de steel van de ‘pan’ geklemd, zich deze pan toe wil eigenen? ‘Jezus’ kijkt een beetje huilerig naar ‘Elisabeth’ alsof hij zegt: ‘Nou wil ikke!’ Het kind links observeert, heeft een meer neutrale gezichtsuitdrukking.

Het leeuwendeel van het boek, laten we dat vooral niet vergeten, is gevuld met de romaneske vertelling van het Jezuskinderenverhaal. En dat verhaal van Stolp is mooi om te lezen. Het voorgaande is overigens allerminst bedoeld om hieraan afbreuk te doen. Al met al biedt het boek van Stolp voldoende om mee aan de slag te gaan. Op wat voor manier dan ook. Voornamelijk vanuit het hart, ontvangend en genietend, of vanuit het verstand of misschien wel vanuit beide? Het is in elk geval een grote verdienste dat hij deze verhalen voor onze deze tijd weer tot leven heeft gewekt.

Comments Off

admin op 18 January 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

De nieuwe Clive Cussler: lekker voor op vakantie

Heerlijk vind ik ze, boeken met een werkelijk of knap bedacht historisch mysterie, vaak gerelateerd aan religie en zich uitstrekkend over meerdere eeuwen en culturen, met aanvullend een originele invalshoek waarbij je ook nog wat opsteekt van bepaalde wetenschappelijke aandachtsgebieden. En dat in combinatie met een onderzoekende held, met wie ik me kan identificeren, een aantrekkelijke, intelligente en ondernemende tegenspeelster en natuurlijk de nodige moordenaars en geheime genootschappen die her en der slachtoffers (dreigen te) maken. Zo’n boek is ‘De Navigator’ van Clive Cussler en Paul Kemprecos (The House of Books, 2009).

Het verhaal kent diverse lagen en begint in een bijna oningevulde periode van onze geschiedschrijving waarin de Feniciërs heer en meester zijn op de regionale wateren en rond 900 voor onze jaartelling een politiek explosieve schat verbergen. Na die gebeurtenissen ontstaat een zoektocht, die voortduurt tot in de huidige tijd en waaraan deel genomen wordt door diverse concurrerende partijen, om de schat te bergen en voor eigen doelen in te zetten. Onderweg raakt ook de Amerikaanse president Thomas Jefferson betrokken in dit historische wespennest.

De geschiedenis voert verder tot in de moderne tijd, waarbij onderwateronderzoeker Kurt Austin van onderwaterinstituut NUMA op zoek gaat naar de stukjes die de puzzel compleet maken. Het knappe van dit boek, is dat je blijft lezen ondanks de vele wisselingen van perspectief in de aanloopfase. Misschien wel doordat je merkt dat een goede verteller aan het woord is; alles komt uiteindelijk toch samen, de vraag is alleen hoe?

Verder is aantrekkelijk dat je onderweg het een en ander leert over de Feniciërs (ik heb gelijk zin om een studie over dit zeevarende volk te bestellen), Jefferson (in tegenstelling tot vermoedelijk de meeste Amerikanen, ken ik zijn verhaal niet zo goed), het vangen van ijsbergen om de commerciële scheepvaart niet te hinderen (nooit geweten dat dit bestaat), en onderwater-archeologie.

Uiteindelijk is de wending aan het eind toch nog vrij onverwacht en bijna ongemerkt, door het leesplezier, moet je op een gegeven moment toch echt de laatste pagina omslaan. Dat gevoel van, jammer het is voorbij, is voor mij de bevestiging dat het - in deze categorie boeken, zeg maar ‘Indiana Jones voor grote jongens’ - tot een goed boek mag worden bestempeld. Een aanrader voor de vakantie.

Comments Off

admin op 9 May 2009 in Boek & Meer

Paulus kende Jezus en is Jeruzalem uitgegooid

De Evangelie Code, een onlangs verschenen boek van Karl Junger (Tirion, 2008), biedt een alternatieve uitleg van de mysteriën in de boeken van het Nieuwe Testament. Een uitleg die leidt tot soms verrassende conclusies. De meest opvallende is wat mij betreft dat Paulus en Jezus elkaar gekend zouden hebben, al is dit idee niet nieuw. En dat Paulus als agent provocateur van de hogepriester van de tempel bewust niet-joodse elementen in de leer van de Jezus-beweging heeft geïntroduceerd en uiteindelijk degene was die als ras-opportunist het laatst lachte. En wel zo’n tweeduizend jaar.

Volgens Junger wilde Paulus belangrijk zijn, daar deed hij alles voor. Verschillende meesters dienen en ook de leer van Jezus verdraaien zodat de Romeinen en Grieken deze zouden accepteren, inclusief de toevoeging van elementen uit hun respectievelijke mythologieën. Dit zorgde er na de dood van Jezus voor dat de vroeg-christelijke gemeente, onder leiding van Jezus’ broer Jakobus, Paulus op een gegeven moment Jeruzalem uit heeft gegooid.  Paulus werd door mensen van de Jezus/Jakobus-beweging naar Caesarea begeleid om er zeker van te zijn dat hij weg was en bleef. Opgeruimd staat netjes, die Paulus; op de boot naar Tarsus, waar die intrigant vandaan kwam.

Eerder, als gevolg van het dienen van meerdere heren, is Paulus ook vermoedelijk betrokken geweest bij de arrestatie van Jezus, aldus Junger. Hij zou degene zijn wiens oor werd afgeslagen. Na Jezus’ dood zou de schijnbaar bekeerde Saulus er als Paulus alles aan gedaan hebben om deze sporen uit de verhalen te wissen, samen met de sporen die wijzen naar de grote invloed van de familie van Jezus in de vroege beweging en dan vooral naar de werkelijke rol van Jakobus. Jakobus was volgens de schrijver op een gegeven moment meer gerespecteerd en bekender dan zijn broer Jezus.

Maar laten we bij het begin beginnen. Volgens Junger, van beroep informatie-analist, zit in de verhalen in het Nieuwe Testament een aantal codes verborgen die de afgelopen twee millennia niet eerder zijn gevonden. De belangrijkste is dat in het Evangelie van Johannes en Marcus gedetailleerde beschrijvingen van personen verwijzingen zijn waarmee, met behulp van de juiste contextuele informatie uit die tijd, de historische waarheid aan het licht kan worden gebracht die in de symbolische verhalen is verwerkt. Junger is niet de eerste die wijst op dit soort codes, maar zijn analyse werpt wel nieuw licht op de bijbelverhalen.

Junger zoomt eerst in op de grafscene na de kruisiging van Jezus. Hij identificeert de daarbij aanwezige onbekende geliefde discipel als Jakobus, een broer van Jezus. Deze was heel belangrijk, voor en na de dood van Jezus. Hij werd de opvolger van Jezus. De rouwende vrouwen kwamen ook niet naar het graf om Jezus’ lichaam met welriekende stoffen in te wrijven, maar om Jakobus, nog in het graf van Jezus, vanuit hun priesterlijke afstamming te zalven als de volgende koning in de lijn van David, na Jezus.

Jakobus’ leiderschap is overigens niet onomstreden. Er is na de dood van Jezus  een machtsstrijd gaande tussen de door Jezus aangewezen opvolger Jakobus, Petrus en Johannes, aldus Junger. Eerder waren er al anderen die de macht naar zich toe wilden trekken.

In deze periode zijn geen vier maar slechts twee Maria’s actief, concludeert hij. Maria de moeder van Jezus en een aantal apostelen, en Maria van Magdala die door Jezus tot apostel werd gemaakt en die mogelijk Jezus’ vrouw was. De laatste Maria werd volgens Junger door Jezus nota bene veel hoger ingeschat dan Petrus; deze was vermoedelijk een opvliegende ongeletterde visser met onvoldoende (intellectuele) capaciteiten om leiding te geven.

In dit tijdvak liep er ook een zekere Saulus van Tarsus rond. Hij wilde zich afficheren met de macht en at daarom van meerdere walletjes door hogepriester Kajafas te steunen, in de bijbel wordt Paulus dan verhullend Malchus genoemd aldus Junger, en diens concurrent de bekende leraar Gamaliël te volgen. Volgens Junger, en eerder A.N. Wilson, heeft Paulus Jezus dus gekend. En niet alleen enkele van diens discipelen/apostelen.

Paulus  zorgde, al dan niet in opdracht van Kajafas als agent provocateur, overal voor irritatie bij de gemeenten van de Jezus-beweging, zoals ook in het Nieuwe Testament beschreven. Dat kwam wellicht door zijn dubbelhartige persoonlijkheid, maar waarschijnlijk vooral door zijn opportunistische aanpassingen aan de leer om zijn doelgroepen, de machthebbers in Jeruzalem en Rome, voor zich te winnen, denkt Junger. Het resultaat is een verhaal dat nog steeds als waarheid wordt verkondigd vanaf de kansels in honderdduizenden kerken wereldwijd.

Jezus, de hoofdpersoon van het christelijke verhaal, was volgens Karl Junger een man die zichzelf herkende in de messiaanse beschrijvingen in het oude testament en geloofde dat hij het was. Alleen om uiteindelijk, nadat hij met zijn familie ervoor had gezorgd dat de oude schriften vervuld waren, erachter te komen dat hij gewoon zou sterven.

Een dramatisch en wat sneu verhaal dus, over een inspirerende wijze man wiens verhaal misbruikt is door Paulus, maar ook een verhaal over zijn broer Jakobus die historisch bijna werd uitgewist ondanks zijn grote invloed op het vroege joodse christendom. Na Jezus’ teleurstellende dood werd zijn lichaam weggehaald om elders in een familiegraf te worden bijgezet, aldus Junger. Vervolgens kreeg Jezus’ verhaal, mede onder invloed van Paulus aangepast met opstanding en vergeving van alle zonden, wereldwijd bekendheid.

Het boek is goed geschreven. De code van de uitvoerige detailbeschrijvingen lijkt plausibel en niet vergezocht. Het verhaal over de nu ontdekte en altijd doodgezwegen concurrentiestrijd om de macht en de invloed van Jakobus komt hierdoor geloofwaardig over. Maar soms gaat Junger te ver, in zijn begrijpelijke bevlogenheid om gelijk alle eindjes aan elkaar te knopen. Aan de andere kant zorgt dit creatieve knoopwerk, denk aan Paulus/Malchus, voor een verhaal waar je je iets bij kunt voorstellen als het gaat om een jonge religieuze beweging.

Je hoeft maar te kijken naar de reiki-beweging om te zien hoeveel er al gedraaid en bedacht is dat aantoonbaar niet klopt. Deze beweging is nog niet eens honderd jaar oud en dan hebben we in deze eeuw ook nog eens zeer goede communicatiemiddelen tot onze beschikking. Er zijn altijd mensen die, rekening houdend met machtsverhoudingen, de historische werkelijkheid naar eigen goeddunken aanpassen om het succes ervan te vergroten en/of uit opportunistische beweegredenen. De praktijken van Paulus, zoals uiteengezet in het boek van Junger, zijn blijkbaar van alle tijden. Dat maakt de uitleg in dit boek behoorlijk plausibel.

Comments Off

admin op 7 August 2008 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel