De kruk die naar de hemel wijst

Ik wilde een stuk schrijven over Boeddha’s botten.
Maar met elk antwoord kwamen er meer vragen.
Wat dreef mij?
Was het de universele behoefte om te geloven in een samenhangend en uiteindelijk weldadig, verheffend of oplossend groot verhaal?
Dat je steun zoekt als je hinkt, een kruk waarmee je weer stevig staat en die naar de hemel wijst?
Of juist het onvermogen om langer dan enkele seconden te geloven?
Een heilige is toch ook niet de hele dag heilig?
En daarom de behoefte aan iets concreets?
Iets dat alle voorbij waaiende woorden, gedachten en emoties doet vergeten en direct contact mogelijk maakt, zodat je weer warm wordt van het grote verhaal?
Geen wind in een blikje, maar de wind in je haar?
En wat is dat dan?
Of juist iets tastbaars om wat nog groot is comfortabel te verkleinen tot het op mij lijkt?
Mijn verslaving aan meer?
Meer woorden, beelden en ervaringen in dozen en weckflessen?
Het leven als een alsmaar groter wordende voorraadkamer?
Een bal die je achterna holt, duizend ballen die je achterna holt, het bergpad omlaag?

[column oorspronkelijk geschreven voor boeddhamagazine.nl]

Comments Off

admin op 21 January 2014 in Religie & Spiritueel

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Over de Indigo kinderen van Generatie Y

Indigo’s of nieuwetijdskinderen; voor de één zijn ze voorbodes van een veelbelovende spirituele verandering van de laatste jaren, voor de anderen vormen ze een modieus verschijnsel om probleemkinderen legitiem een hogere status te geven, vergelijkbaar met het verschijnsel van de hoogbegaafde kinderen; die zijn er ook, maar het zijn er maar een paar en de vraag is of die begaafdheid, die zich vaak op een enkel vlak manifesteert, ook op langere termijn aantoonbaar blijft.

Onlangs verscheen het boek ‘De Indigo kinderen, 10 jaar later’ van Lee Caroll & Jan Tober (Uitgeverij Petiet, 2010). Daarin kijken de schrijvers na tien jaar terug op hun eerste boek dat de Indigo kinderen een naam gaf en ze op de kaart zette. Het huidige boek is een amalgaam van meningen en feiten.

Om te beginnen is er het bekende beeld, namelijk van lieve, wijzige en mogelijk spiritueel begaafde kinderen die onder meer moeite hebben om zich aan te passen aan het reguliere onderwijssysteem. Door hun sensitiviteit en een gebrek aan ervaring om daarmee om te gaan, bijvoorbeeld door zich energetisch af te sluiten of via zelfreflectie meer effectieve sociale patronen te ontwikkelen, komen ze regelmatig in de problemen. Ze voelen, zien, ruiken en horen wellicht meer en dat maakt kiezen en handelen lastiger.

Een oplossing hiervoor wordt binnen de kaders van het lagere onderwijs gezien in het constructivisme, een stroming gericht op ‘learning by doing’ en leren leren die ook binnen het Nederlandse Nieuwe Leren op veel aanhang kan rekenen.

Het nieuwe leren, en dat is niet: alles op de computer, maar ruimte bieden voor eigen invalshoeken afhankelijk van talenten en persoonlijke leerstijlen, blijkt soms goed te werken. Of dit vrije leren ook succesvol is voor kinderen met een laag niveau, althans gemeten met de huidige, op cognitie gerichte onderwijstoetsen, valt te betwijfelen. Of het moet gaan om heel kleine groepen.

Agressieve Indigo’s

Niet alle (mogelijke) Indigo kinderen zijn creatieve, zachtaardige boeddha’s-in-de-dop. Net zo vaak zijn het kinderen die zich zeer op negatieve wijze manifesteren. Onbeheerste agressie tegen zichzelf en tegen anderen, onbegrip, negatieve onzinnigheid, hyperactiviteit; het is een explosief mengsel dat een voedingsbodem heeft in de ervaring onbegrepen te zijn; dan kan de ware aard zich niet ontplooien.

Het kan zijn dat deze kinderen inderdaad spiritueel heel ontwikkeld zijn en vanuit hun genen, aard en omstandigheden tijdelijk negatief reageren. Dat is wat in het boek wordt gesuggereerd. Maar, en hier raken we een cruciaal punt: hoe en door wie moet worden bepaald wat waarschijnlijk een ‘echte’ Indigo is?

Het moet iemand zijn met een grondige pedagogisch-didactische kennis van en ervaring in de omgang met kinderen die bovendien spiritueel gevorderd is. Want van de beschreven kinderen zijn er behoorlijk wat die schijnbaar hun opvoeders napraten, binnen ’spirituele’ kaders sociaal wenselijke antwoorden geven en niet echt blijk geven van grote diepte; vaak gaat om het gekopieerde spirituele tegeltjeswijsheiden.

Een andere factor die een rol speelt, is de verleiding voor ouders om hun kinderen nog meer speciaal te maken dan ze voor hen al zijn, waardoor een soort blindheid ontstaat voor de werkelijkheid. Denk ook aan een recent tv-programma, Paranormale Kinderen op SBS6, waar dat verschijnsel te zien was.

Soms is de meest simpele verklaring voor ‘onaangepast gedrag’ de meest waarschijnlijke: er zijn biochemische en/of psychosociale redenen die niets met wat voor geëvolueerde bewustzijnstoestand dan ook te maken hebben (al kunnen extreme situaties wel bepaalde grensoverschrijdende ervaringen oproepen en processen in gang zetten).

De kinderen, naar wie ik nu verwijs, hebben waarschijnlijk eerder te lijden van de constructivistische aanpak en behoeven vooral helderheid, eerlijkheid en structuur. En dat is ook precies wat veel van hen aan de leerkrachten vragen: geef me regels en regelmaat om me aan vast te houden. Een enkeling vraagt om begeleiding om met hun paranormale vermogens om te gaan.

Als het reguliere onderwijs niet past, moet je je kinderen maar thuis lesgeven, zo valt ergens te lezen. De vraag is of je deze kinderen, of het nu ‘echte’ Indigo’s zijn of niet, de kans op het ervaren van het reguliere leven - hoe beperkend voor hen soms ook - moet ontzeggen door ze te stigmatiseren en te isoleren. Naar mijn mening zou de uitdaging moeten zijn om ermee te leren leven.

Kenmerken

Hoe weet je nu of iemand een Indigo is? Wendy Chapman beschrijft, op basis van onderzoek onder dit soort kinderen, een aantal kenmerken: 1. Sterke empathie (84 procent), 2. Duidelijk zelfbewustzijn (76 procent), 3. Overal betere manieren zien om het werk te doen (74 procent), 4. Dagdromers en/of zieners (72 procent) en 5. Zeer creatief (70 procent).

Hiermee zou het mogelijk moeten zijn om het kaf van het koren te scheiden. Dat is wenselijk, omdat kinderen anders misschien de noodzakelijke begeleiding moeten ontberen. Er zijn intussen ook al jongeren die als Indigo worden gelabeld, zelfs een paar van veertig. In reguliere werksituaties gaat het vaak niet goed met ze.

De oorzaken daarvan zijn – opnieuw – niet makkelijk te achterhalen. 1. Waren het Indigo’s zoals intussen door Chapman grofweg afgebakend en misten ze passende begeleiding? 2. Of hadden ze om andere redenen gedragsproblemen die nu onvoldoende zijn opgelost en zijn ze als schijnbare Indigo’s juist verkeerd begeleid? Hadden ze juist meer regels nodig in plaats van minder?

Volgens een bijdrage over dit onderwerp zijn de onderzochte jongeren onrealistisch zelfverzekerd. Ze zijn leergierig, maar gaan klokslag vijf uur naar huis, zelfs als ze daardoor het mes in het varken moeten laten steken. Ze vinden dat ze binnen een jaar promotie moeten krijgen, vragen gemakkelijk om opslag en nemen gelijk ontslag als niet wordt tegemoet gekomen aan hun verwachtingen.

Dit zou typisch Indigo-achtig zijn. Je zou ook kunnen zeggen: het zijn verwende kinderen die in de rijke jaren negentig alles kregen wat hun hartje begeerde, ze missen elk sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, staan los van de realiteit en zijn blind voor hun sterke en vooral ook voor hun zwakke punten. Je ziet het soms bij audities voor programma’s als X-factor, waar een oneindig positieve houding en een dito zelfbeeld een echte ‘reality check’ tot dan toe hebben voorkomen.

Opvallend hierbij is wel, dat het bij de in het boek beschreven werkende jongeren doorgaans niet gaat om de nieuwe toppers op het gebied van creativiteit, wetenschap, onderwijs, spiritualiteit of business. De meeste banen van hun banen betreffen ongeschoold, laaggeschoold of middelbaar geschoold werk. Dat zou natuurlijk juist de reden kunnen zijn voor hun slechte functioneren; ze worden niet herkend om wie ze zijn en wat ze kunnen en daardoor lopen ze vast.

Maar het meest verbaast het me dat ze niet massaal vertegenwoordigd zijn in de creatieve sector (reclame, muziek, beeldende kunst, literatuur, games et cetera), waarvan de toegang en de cultuur toch veel vrijer zijn dan in andere maatschappelijke domeinen waar traditionele scholing en regels vaker voorop staan.

Indigo = Y

Gates McKibbin ziet ïn het boek van Carroll & Tober een vrijwel volledige overlap van de Indigo’s met Generatie Y, de 60 miljoen jongeren geboren tussen 1980 en 1994. ‘Ze zijn zich sterk bewust van de onbestendigheid van menselijke omstandigheden, of het nu gaat om machtsmisbruik door corrupte leiders of ongecontroleerd geweld in de lagere klassen. Indigo’s zien integriteit als uitzondering en ze geloven dat gerechtigheid kan worden gekocht. Ze lopen op het scherp van de snede tussen confronterend realisme en cynische desillusie’. En ze leven alleen in het nu (niet als innerlijk verstilde boeddha’s maar als een soort beweeglijke nihilisten).

Als je er eentje gevonden hebt, hoe kun je dan het beste omgaan met een Indigo? Ik haal nog eens McKibbin aan, die schrijft over werkverhoudingen: 1. Onderzoek hun wereld. ‘Ze zijn roekeloos onafhankelijk en willen door iets essentieels geïnspireerd raken.’ 2. Daag ze voortdurend uit. Stel vast waar ze goed in zijn en bied ze ruimte om beter te worden en hun taken te verbreden. Zo kunnen ze ook een grotere bijdrage leveren.

3. Train en begeleid. Geef eerlijke feedback, zorgt dat beroepsmatig gedrag effectief vorm kan krijgen zonder dat ze het gevoel krijgen dat ze hierdoor hun eigenheid geweld aan doen. 4. Durf vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. 5 Stimuleer hun waarden (autonomie en onafhankelijkheid zijn belangrijk). 5. Zie als ‘baas’ af van autoritair optreden, je zult hiermee alle respect verliezen. Focus op gezamenlijke voordelen voor bedrijf en werknemer. 6 Erken hun bijdrage.

McKibbin stelt samenvattend: ‘Het is de rol van de manager het potentieel van iedere werknemer naar boven te brengen. In veel opzichten zijn Indigo’s niet anders dan anderen.’ Verder lezen? Kijk eens op Wikipedia of op DMOZ of doe een Indigo-test of twee, drie.

Comments Off

admin op 5 March 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Mikao Usui: verlichting na faillissement

De geschiedenis en praxis van reiki leken tien jaar geleden vast te staan. Niets bleek minder waar. In 2009 verscheen ‘Das ist Reiki’ van Frank Arjava Petter (Windpferd). Met dit boek zijn we weer een belangrijke stap verder in het onderzoek naar de achtergronden, methoden en personen uit de beginperiode van reiki, intussen bijna een eeuw geleden.

Een aantal zaken was vanaf eind jaren negentig al duidelijk uit research van onder anderen Frank Arjava Petter, Dave King en William Lee Rand. Zo was Mikao Usui, de stichter van de reiki-beweging, geen christelijke predikant die wilde leren hoe Jezus Christus mensen genas en die doceerde aan de Doshisha Universiteit in Tokyo. Ook heeft hij niet gestudeerd aan of een eredoctoraat gekregen van de Universiteit van Chicago.

Dit waren, evenals de titels ‘master’ en ‘grand master’, bedenksels uit de Hawaiiaanse lijn Chujiro Hayashi – Hawayo Takata. Ze bleken nuttig voor de acceptatie van een Japanse heelmethode in de christelijke Verenigde Staten toen ‘Pearl Harbor’ nog vers in het geheugen lag, maar hadden geen historische basis.

Mikao Usui heeft ook geen onbekende uitspraken van de historische boeddha gevonden en reisde evenmin naar de VS en Europa. Met ‘het westen’ op zijn gedenksteen worden vermoedelijk direct westelijk van Japan gelegen landen bedoeld.

Uit het nieuwe boek van Frank Arjava Petter blijkt verder dat het westerse master-symbool in Japan niet gebruikt wordt. Dit laatste is waarschijnlijk gekomen door een verkeerde interpretatie van Hawayo Takata.

Invloeden

Wat weten we zeker? Mikao Usui was een boeddhist die 15 augustus 1865 is geboren in een dorpje bij het hedendaagse Nagoya. Hij stierf 9 maart 1926 en ligt begraven op de Saihoji begraafplaats in Tokio, die behoort tot het Zuiver Land-Boeddhisme (Jodo Shu).

Wat is er te zeggen over de bronnen waaruit Mikao Usui heeft geput? Bronwen en Frans Stiene noemen in 2005 Tendai Mikkyô, een esoterische tak van het Tendai Boeddhisme. Mikao Usui was volgens hun bronnen lekenpriester binnen deze stroming.

Verder zou hij zijn beïnvloed door het Shintoïsme, een animistische wereldvisie, en door Shugendô, een amalgaam van Sjamanisme, Shintoïsme, Taoïsme en Boeddhisme. Usui zou zijn opgeleid tot Shugenja (een soort sjamaan).

Andere bronnen, bijvoorbeeld van Frank Arjava Petter, geven over de relatie met Shinto en Shugendô weinig informatie. Vast staat wel dat Mikao Usui samen met zijn broers na de Kanto-aardbeving in 1923 voor het lokale Shinto-heiligdom in Taniai een kostbare Torij heeft opgericht. De namen van de schenkers staan erop vermeld.

En de eerste samenkomst van de primaire reikivereniging, de Gakkai, vond plaats op het terrein van Shinto-heiligdom Togo Jinja in Tokyo, aldus Frank Arjava Petter in zijn nieuwe boek.

Gakkai

Deze vereniging is belangrijk om even bij stil te staan, want hier is veel informatie uit de beginperiode bewaard gebleven. Schriftelijk en uit mondelinge overlevering.

De Gakkai werd in 1922 opgericht, heette voluit Shin Shin Kaizen Usui Reiki Ryôhô Gakkai en had Mikao Usui als president. Na diens dood in 1926 aan een beroerte, werd hij opgevolgd als president, maar niet door zijn student Chujiro Hayashi, zoals Hawayo Takata leerde.

Chujiro Hayashi stichtte – vanwege zijn opleiding tot arts én op verzoek van Mikao Usui, zo blijkt uit het boek van Frank Arjava Petter - een eigen school (Hayashi Reiki Kenkyukai). Deze kende een sterk vereenvoudigd curriculum. Na opnieuw diverse aanpassingen zijn de leringen hiervan via Hawayo Takata bekend geworden als de westerse ‘reiki’ (Usui Reiki Shiki Ryôhô).

Bronnen

De oorspronkelijke Gakkai bestaat nog steeds en wordt sinds 1998 geleid door professor Masayoshi Kondo. Ondanks het besloten karakter ervan, is er sinds begin deze eeuw al veel informatie over naar buiten gesijpeld.

Bekende bronnen zijn Hiroshi Doi, die in 1993 lid werd van de Gakkai en intussen een op hun technieken gebaseerde eigen school heeft (Gendai Reiki Hô).

Daarnaast is er mevrouw Suzuki San. Zij is (in 2005) een stokoude leerlinge van Usui uit de pro-Gakkai periode en is, naast anderen, een belangrijke bron voor Bronwen & Frans Stiene.

Andere prominenten achter de schermen van de reiki-geschiedschrijving zijn de (intussen overleden) Chiyoko en haar zoon Tadao Yamaguchi, die voortkomen uit de lijn van Hayashi en in 1999 de basis legden voor een eigen school (Jikiden Reiki Kenkyukai).

Frank Arjava Petter baseert zich op de verhalen, documenten en boeken van diverse mensen, onder anderen van mevrouw Kimiko Koyama; de voorlaatste president van de Gakkai (Fumio Ogawa); een Shihan (leraar) van de Gakkai, en op moeder & zoon Yamaguchi.

Veelzijdig

Wat is het plaatje als we alle informatie op een rij zetten? Mikao Usui was een veelzijdig man. Kimiko Koyama vertelde Frank Arjava Petter dat Mikao Usui als journalist werkte, maar ook als geestelijk raadsman in een gevangenis, sociaal werker en als missionair van een Shinto-groep.

Vervolgens werd hij secretaris van de kleurrijke en visionaire politicus Shimpei Goto, die in Japan diverse ministersposten heeft bezet. In de jaren twintig was Shimpei Goto burgemeester van Tokyo. Rond die tijd heeft Mikao Usui vermoedelijk zijn reizen naar ‘het westen’ gemaakt.

Na zijn baan bij Shimpei Goto ging Mikao Usui als zelfstandig ondernemer aan de slag, waarschijnlijk in het familiebedrijf (een winkel). Dat was geen succes. Mogelijk ligt hierin een oorzaak van de breuk met zijn ooit rijke (Daimyo) familie, waarvoor in het boek van Frank Arjava Petter geen reden wordt gegeven.

Het debacle in het bedrijf heeft in elk geval grote persoonlijke impact gehad. Reiki is volgens Kimiko Koyama ontstaan uit een identiteitscrisis die Mikao Usui ervoer nadat zijn bedrijf failliet was gegaan.

Verlichting

Mikao Usui zocht vervolgens naar de zin van het leven en diepe innerlijke rust, en schreef zich in voor een driejarige meditatie- en vastenkuur in een zentempel in Kyoto. Het was toen gebruikelijk voor mannen om op een bepaald stadium in hun leven een korte bezinningsperiode in te lassen.

Na de drie jaar had Mikao Usui niet het gewenste inzicht gekregen. Hij vroeg zijn abt om raad en die zag voor deze in meditatie getrainde zoeker maar één oplossing: de dood ervaren om in het sterfproces zichzelf te vinden. De historische boeddha, Gautama Siddharta, zou ook deze weg zijn gegaan.

In maart 1922 begon Mikao Usui met het laatste deel van zijn queeste op de heilige berg Kurama, vermoedelijk ver van de platgetreden paden en zonder de mensen van de tempels op de berg te informeren.

Mogelijk volgde hij hierbij het programma van Isyu Guo, een eenentwintigdaagse boeddhistische training, bestaand uit meditatie, vasten, chanten en bidden. Deze training werd in de tempels op Kurama indertijd niet aangeboden.

Op een dag werd hij ’s avonds als door een bliksemschicht getroffen in zijn voorhoofd. Mikao Usui verloor bewustzijn en tijdsbesef en toen hij weer bij kwam, was hij vervuld van een nieuwe kracht. Hij voelde zich vol licht en energie.

(Een ervaring die wellicht vergelijkbaar is met de indertijd meer voorkomende inbezitneming door een godheid bij Shinto-groepen. Mensen die dat overkwam, stichten vaak een spirituele groep of beweging.)

Een maand na zijn verlichting gaf Mikao Usui al les in zijn methode om via de geestkracht van het universum innerlijke rust en verlichting te bereiken.

(Dit artikel is in december 2011 herschreven, in 2010 verscheen een eerdere versie in Koorddanser.)

Comments Off

admin op 14 June 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Zenmeester Baer ontmoet Boeddha

Ik heb een wijze zenmeester ontmoet. Hij heet Baer en is zeven maanden. Het is een Duitse Staande Draadhaar. Baer heeft me al diverse wijze lessen geleerd. Zoals het trainen om iets met volledige aandacht te doen.

Hij kan bijvoorbeeld vijf minuten in aanvalshouding naar een gevallen blaadje staren in de hoop dat de wind het oppakt, zodat hij het in één beweging kan neerslaan.

De belangrijkste les kreeg ik vandaag; je kunt niet genoeg van Boeddha en zijn inzichten houden, maar zelfs dat moet je op een gegeven moment loslaten om verder te komen. Het zijn beelden. Sommige zijn nuttig, van andere geldt: je kunt heel goed zonder.

In de tuin heb ik een beeldje van Boeddha. In een periode van verhoogde religiositeit groette ik altijd respectvol naar dat beeldje, dat ik eens in de aanbieding bij Intratuin had gekocht.

Natuurlijk weet ik best dat een religieus beeld gewoon een ding is en dat het gaat om de innerlijke waarde die het voor je heeft. Toch was ik nog niet zover om dat idee door ervaring te leren.

Baer heeft me daarmee geholpen. Hij begon vaak te blaffen tegen iets dat zich op tweeënhalve meter boven Boeddha bevond toen deze nog op zijn oude plek stond.

Dat was niet zo fijn voor de buurt, dus heb ik Boeddha in een hangende bloempot geplaatst, zodat de grote verlichte fijn tussen de bloeiende bloemen zat en ook nog een beetje kon schommelen als hij dat wilde.

Een tijdje geleden waren de bloemen in die pot uitgebloeid, de tweede bloei was voorbij, en Boeddha verhuisde naar een grijze pot met bloeiende planten op het terras. In zijn houten achterste een grote spijker om hem goed te laten aarden.

Dat laatste was misschien niet zo respectvol, maar wel praktisch; kerkbeelden die van een paar meter hoogte van hun voetstuk vallen, zouden ook voor vervelende ongelukken kunnen zorgen.

Baer blafte ook niet meer op Boeddha, dus ik dacht: dat hebben we weer gehad. Maar Baer had nog niet genoeg van Boeddha.

Vanmiddag betrapte ik hem terwijl hij met een gelukzalige uitdrukking Boeddha zijn liefde aan het betuigen was; de fraai gevlochten haardos was al weg en meneer was vol vuur aan de hersenen bezig.

Ik moest lachen. Het was mijn beeld van Boeddha dat hij met smaak oppeuzelde.

Wat hij deed had een zenmeester uit het verleden, het type dat leerlingen uit balans haalt om ze tot inzicht te brengen, vast aangesproken. Baer liet me verstaan wat ik via boeken en meditatie niet had begrepen.

Comments Off

admin op 16 October 2007 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel