Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Over cultuur en kerstbomeritus

Religie, het gestructureerde uitvloeisel van de intrinsiek menselijke behoefte aan geïnspireerde zingeving, is een vast onderdeel van elke cultuur. Bij complexe en eenvoudige culturen. Telkens zijn er religieus specialisten die binnen de cultuur de verhouding van mensen tot elkaar (de ander) en tot het hogere / de ander met een hoofdletter via regels vormgeven en daarbij de rol van makelaar vervullen. In het westen is die rol, die eerder eeuwenlang exclusief aan de christelijke kerk toebehoorde, geleidelijk overgenomen door de media/internet, kunst, wetenschap en de neo-paganisten.

Cultuur is dynamisch. Daarom zijn ook de uitvloeisels daarvan (religie, taal, mode, muziek, kunst, wetenschap et cetera) dynamisch. Religie houdt niet ergens op, maar verandert waar mensen samenkomen. Hoeveel regeltjes, wetten en grenzen ook worden of zijn bedacht. Een religie wordt niet in een laboratorium ontwikkeld zonder invloed van buitenaf en vervolgens onder een glazen stolp door de eeuwen heen gedragen.

De Nederlandse cultuur op dit moment, is een dynamisch geheel gebaseerd op het voor-christelijke (Kelten, Germanen), het christelijke, het humanistische, het socialistische en de recente ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar. Het is een organisme dat leeft en zich ontwikkelt, maar niet meer met de overwegend christelijke identiteit, in die zin dat het christendom veel facetten van het leven doordrenkt, als pak hem beet zestig jaar geleden. De Nederlandse cultuur is vlees noch vis.

Binnen onze cultuur is door de open informatievoorziening een grote mate van helderheid over wat we als onderdeel van de christelijke religie zien en wat als niet-christelijke cultuur-elementen. Sinterklaas bijvoorbeeld, is een niet-christelijk feest, dat overigens wel een christelijke oorsprong heeft in verhalen over een christelijke bisschop die goudstukken uitdeelde in het huidige Turkije. Voor veel nieuwe Nederlanders, met name moslims, die pas sinds kort meedoen in ons culturele ontwikkelingsproces, zijn dit soort zaken niet helder.

Nu is er bijvoorbeeld veel te doen over de ‘christelijke’ kerstboom. Het gebruik van een met kaarsjes, later lampjes, en ballen en slingers versierde kerstboom is een onderdeel van de Nederlandse cultuur dat teruggaat tot voor-christelijke tijden. Er is geen oud-christelijke wet of regel voor die het voorschrijft. De boom, vroeger een eik, is een Oudgermaans vruchtbaarheidssymbool. De rooms-katholieke kerk heeft kerstbomen lange tijd geweerd, juist vanwege deze ‘heidense’ oorsprong (bron: Wikipedia).

Waarom wordt nu onder Nederlandse moslims discussie gevoerd over kruizen op mijters en kerstbomen? Er ontbreekt blijkbaar kennis over onze culturele gebruiken, religieus en niet-religieus. Verder lijkt er in de moslimgemeenschap onzekerheid en angst te zijn met betrekking tot de zich ontwikkelende eigen identiteit binnen de Nederlandse cultuur. In een moslimland was je als moslim vrij zeker van je wie je was, cultureel en meer specifiek religieus bezien. In Nederland niet.

Dat komt ook doordat Nederlandse cultuur verandert. Onder oude Nederlanders is hier ook onzekerheid over. Slachtoffers bijvoorbeeld, zijn nu helden en uitzonderingen zijn belangrijker dan afspraken. Oude helden hebben afgedaan en regels zijn er om te ontduiken. Maar ook om je eraan te houden - als het over anderen gaat. Kortom: niet te volgen.

Een mogelijke oorzaak voor de krampachtige moslimdans rond de kerstboom zou kunnen zijn dat werkelijke vrijheid tot een inhoudelijke discussie over theologische zaken in de islam voor gewone gelovigen nog niet bestaat, omdat daar tot nu toe in de eigen cultuur nog geen dringende behoefte aan was. Er bestond min of meer een culturele en religieuze consensus.

In het christendom bestaat de bedoelde vrijheid pas pas enkele tientallen jaren en met name door anti-institutionele en emanciperende ‘jaren zestig’ van de vorige eeuw, waarin, door een kleine dwarse elite, alles ter discussie werd gesteld. Dat heeft gevolgen voor de huidige samenleving, die grotendeels ontkerkelijkt is, omdat die generatie nu aan het roer staat.

De vrijheid om onafhankelijk religieus onderzoek te doen, en bijvoorbeeld religieuze beleving in een cultuur-sociologische kader te beschouwen, bestaat in het christendom dus pas kort. De kerk heeft eeuwenlang het monopolie gehouden op de uitleg van de bijbel en alles dat daarmee samenhangt. Machtshandhaving door de toegang tot afwijkende of aanvullende informatie te ontzeggen. Informatie die het machtsmonopolie ondergraaft.

Een andere reden voor de kerstbomeritus onder sommige Nederlandse moslims kan zijn dat de sociale controle in de diverse moslim-gemeenschappen in Nederland groter is, omdat de gemeenten kleiner zijn, waardoor afwijkend gedrag sneller resulteert in uitsluiting.

Ik zag die vage angst ook op een vmbo-school waar ik een krap jaar Nederlands heb gegeven. Leerlingen die niet meededen met carnaval en heel zuur langs de kant stonden te kijken alsof ze straf hadden. Ze zeiden dat meedoen van de ouders of de imam niet mocht, omdat carnaval een christelijk feest zou zijn.

Ook in dit geval is het waarschijnlijk dat de Germanen, naast veel andere volkeren, al voor christelijke tijden een dergelijk feest vierden. Van de Romeinen en de Grieken staat dat vast. Voor zover ik weet, is er ook geen oud-christelijke regel die carnaval voorschrijft. Wel heeft de westerse kerk carnaval ooit heel slim ingepast in haar verhaal.

De bevrijding van het individu in de jaren zestig, had onder meer als resultaat dat de rol van de christelijke religie in Nederland veranderde. Een religie heeft de functie om de verhoudingen tussen mensen onderling en de relatie tussen de mens en het hogere te regelen, te bepalen en vorm te geven. Wat het eerste betreft, was het soms zo dat wereldlijke en geestelijke macht samenvielen. Later kwam daar de variant van de koning met een god gegeven mandaat voor in de plaats.

Beide functies van religie zijn voor de meeste christenen in het westen niet of nauwelijks nog van belang. Met name het wettische karakter voor het bepalen van de sociale verhoudingen, is bijna van geen enkele waarde meer. Gelukkig maar, want daarvoor hebben we de staat. De scheiding van staat en kerk, deze bestaat in Nederland pas in basale vorm sinds eind achttiende eeuw, biedt ruimte voor diversiteit.

In theocratische staten, hier vaak dictaturen genoemd, met een moslim meerderheid, valt de wereldlijke macht en de religieuze macht vrijwel samen en is de verdraagzaamheid voor andere geloven, de meetbare mate toegestane culturele diversiteit, minimaal. Zelfs voor varianten van het eigen geloof. Deze culturele invloeden doen zich gelden in de moslimgemeenschappen in Nederland.

Voor oude Nederlanders is dat verbazingwekkend, juist doordat onze cultuur en vlees noch vis is. Ze kijken met verwondering en ook een beetje angst naar religies en religieuze autoriteiten die nog wel macht kunnen doen gelden over hun gelovigen, kunnen voorschrijven wat ze moeten doen en denken. Zelfs als het gaat om een kerstboom of carnaval. Uiteraard zijn de gelovigen in kwestie van mening dat ze vrij zijn in hun zelfverkozen gebondenheid.

Naar mijn mening moet je als gelovige je van god gegeven verstand gebruiken om na te denken, onderzoek te doen en je een eigen mening te vormen over ervaringen en geloofsregels. Ook is het goed om in te zien dat religie een dynamisch geheel is, dat verandert als gevolg van de culture inbedding. Dat doet aan de kwaliteit en de intensiteit van de geloofsbeleving voor de ware gelovigen niets af, maar brengt een echte gelovige vaak zelfs een stap verder. Zo zou hij of zij kunnen ontdekken dat de regeltjes van een religie voor de mensen zijn.

Elk geloof begint met ervaren en openbaren, dan komen er een paar regels en later steeds meer regels over regels. En dan komen er mensen die de regeltjes over de regeltjes moeten uitleggen en die zitten weer in een speciale club met regeltjes. En zo groeit een succesvolle religie. Dit proces biedt de noodzakelijke ruimte die nodig is om het geloof in de tijd, onder verschillende culturele verhoudingen, te laten voortbestaan. Ontbreekt het historische inzicht in dit culturele proces, dan kan dat leiden tot verharding, een in zich zelf gekeerd raken, isolement, met als ontlading een confrontatie intern of extern.

Uitsluitingsregels en reinheidsregels, die hiervoor de voorwaarden scheppen als ze worden misbruikt, zijn vaak gebaseerd op angst in een groep. Angst voor de ander, en in essentie voor het zelf. Dat geldt overigens niet alleen voor religies, maar voor alle groepen mensen met een duidelijke identiteit. De beleving van god heeft echter niets met angst te maken, maar ontstaat pas als die angst door acceptatie van de schaduwzijde is verdwenen. Zo komen we, voorbij alle regels, leiders en gebouwen, bij de kern van elke religie, de spiritualiteit, waar religie als een huis omheen is gebouwd en die een weg biedt voor groei en positieve verbondenheid van mensen onderling, ongeacht hun overtuigingen.

Religies zijn schijnbaar de oorzaak van veel oorlogen en strijd - waarvan gewone mensen overigens altijd de dupe zijn. Gelovigen en niet-gelovigen. Wereldlijke macht is echter altijd het doel van de mensen erachter; zij misbruiken religie daarvoor. Binnenstaanders en buitenstaanders. Dat gaat makkelijk, want veel wettische religies willen of wilden de relatie met boven monopoliseren en kiezen er vaak voor om de informatievoorziening te beperken om de afhankelijkheid in stand te houden. Dus via een religie heb je gelijk een heleboel mensen aan jouw kant. Of je nu voor of tegen bent.

Het gaat om de macht van weinigen over de minds en de means van velen. En god staat altijd aan de kant. Hij ziet het eeuwige drama aan, dat vaak nog in zijn naam wordt opgevoerd, schudt zijn hoofd eens en krabt in z’n baard. Uit arren moede gaat hij rond deze tijd van het jaar dan maar bij iemand de kerstboom aansteken. Je ziet hem denken: ‘De kerstboom, dat is eigenlijk best een mooi universeel symbool voor de levensboom en de lichten die daarin kunnen branden.’

Comments Off

admin op 23 December 2009 in Politiek & Media

Hare Hare Tandarts

Wie is er nu fan van de tandarts? Behalve zijn vrouw en kinderen misschien? En de tandarts van de tandarts? Ik heb een bezoek aan de tandarts jarenlang gehaat, soms zelfs jarenlang bewust overgeslagen. Enerzijds vanwege de kosten, anderzijds uit angst.

Pas een jaar geleden, nadat ik bij een nieuwe tandarts ben gekomen, begreep ik hoe en wat. Viel alles op zijn plaats. Als vrijheidminnend mens voelde ik me hulpeloos in die stoel, niet in staat om controle uit te oefenen over de uitkomst. Ik zag niks, er werd me niets verteld over wat er gebeurde, voelde af en toe wat pijn en lag dan met een verkrampt gezicht te wachten tot ik geslacht was. Herstel: tot de tijd om was en ik voorlopig niet meer zou hoeven te komen.

Wat ook meespeelde, is een herinnering uit mijn jeugd waarin ik bij een tandarts of een orthodontist bijna verdronken ben. Ja, verdronken. De assistente was toen meer aan het praten over koetjes en kalfjes met de specialist, dan dat ze haar werk deed en bijvoorbeeld met een zuigslangetje mijn speeksel opruimde.

Verder staat me iets bij van een tandarts die, misschien doordat ik ook wat gespannen was en bewoog, mijn tandvlees raakte. Ook heb ik in een ziekenhuis eens een paar verstandskiezen laten verwijderen – althans, dat was de bedoeling.

Ik zie me nog staan bij de bushalte, met een half verlamde kop, de mond vol bloed dat ik regelmatig op het asfalt moest spugen en rode proppen verbandgaas in de gevoelloze kraters in mijn kaak. Mijn god, wat smaakte die sigaret toen heerlijk. Jaren later bleek overigens dat de chirurg in het ziekenhuis een deel van een kies had laten zitten, ondanks al het breken, trekken en snijden…

Bij mijn nieuwe tandarts kwam ik binnen met de nodige scepsis; wat zou deze automonteur nu weer gaan doen en hoe zou ik de behandeling doorkomen. M’n hart klopte sneller, m’n handen werden koud en ietwat klam – het was weer tijd. Toen herinnerde ik me TM-ers die, in navolging van een millennia oude traditie in India, mantra’s of gebedsformules gebruiken bij hun meditatie, bedoeld om het denken af te leiden.

Dus daar lag ik in de tandartsstoel met in mijn hoofd: ‘Hare Krishna, Hare Krishna, Hare Hare’, en dat de hele tijd achter elkaar. Waarom ik bij Krishna uitkwam, en niet bij mijn favoriete god Shiva, is me nog steeds een raadsel. Misschien dat ik zo snel geen mantra van Shiva paraat had?

Anyway, het hielp redelijk. Dit trucje heb ik een aantal behandelingen volgehouden, tot vandaag. Ik had na de vorige behandeling besloten om de tandarts, en zijn medewerksters, mijn volledige vertrouwen te geven. En de controle natuurlijk.

De tandarts leverde vakwerk en toonde zich zeer gedreven en kalm, de assistente deed haar werk goed. Het resultaat van mijn overgave was verbluffend. Met een langzame, diepe buikademhaling onderging ik alles heel rustig. Af en toe kwam er een gedachte op en die liet ik dan weer gaan.

Ik nam mijn agenda voor vandaag in gedachten even door en liet ook dat weer los. Het was bijna meditatie. Het is dat mijn mond een half uur open stond, niet bepaald een ontspannen pose, anders was ik misschien wel in een delta-staat weggezakt. Hare, Hare Tandarts, Hare Hare Tandararts….

Comments Off

admin op 11 March 2009 in Ongewoon & Anders