Hemels labyrint


Hemels labyrint

Onder sterrengloed gevonden,
schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,
die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,
dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken, [zijpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,
onverlet naar de oorsprong gaat.

[Laat uw hart spreken,] [hoofdpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,
de natuur in zuivere vormen raakt.

Beschouw de daden,
die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,
onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,
zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen
en wees die wordt verwacht.

U ziet, van mij rest louter stam,
voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant
en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het gedicht de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Remco van de Vorst, zijn leven lang al straatmuzikant

Met zijn gitaar heeft Remco van de Vorst al jaren een eigen plaats in het Sittardse straatbeeld. Hij heeft altijd gedaan waar hij zich goed bij voelt.

Als het kooplustige publiek massaal door de stad struint, is hij daar waar hij vrij kan zijn; op de hoek van een straat of aan de rand van een plein. Voorzien van een gitaar, de koffer opengeklapt met een aan de rode bekleding geprikt eurobiljet als vriendelijke suggestie, speelt hij zo wat extra geld bij elkaar.

Hoewel zijn zwarte uniform van ingetogenheid dat niet doet vermoeden - broek, halfhoge laarzen, jasje en een onafscheidelijke pet - heeft de 46-jarige Remco van de Vorst al een intens leven achter de rug. Zijn gezicht daarentegen, vertelt het verhaal van dromen die al te vaak tot littekens zijn verworden.

Z’n overvolle Sittardse flat weerspiegelt z’n wispelturige geest. Wat opvalt, zijn een vitrine met exotische snaarinstrumenten, een djembé voor het raam, aangespannen met klimtouw, en een grote troosteloze kamerplant.

Naast een handjevol bij de keuken geparkeerde gitaren staan de voerbakjes van zijn twee katten, Tigri en Theike. Aan de muur er tegenover, boven twee gestapelde podiumboxen, een grote wolk foto’s met in het midden een tekening van Handsome Lake (1735-1815).

‘Ooit gemaakt door mijn vader. Hij was een leider en profeet van de Iroquois die na zwaar alcoholmisbruik door drie spirituele boodschappers werd gewaarschuwd dat de blanken de indianen via alcohol afhankelijk wilden maken.’

Remco van de Vorst lacht. Schenkt even later zijn zoveelste jonge jenever in. Dat praat makkelijker. Liever zingt of speelt hij.

Een blauwe maandag heeft hij in zijn jeugd les gehad aan de Sittardse muziekschool. ‘Alleen ladders spelen, voor de rest niks’. Dus is hij snel weg. Liever leert hij het zelf, met vallen en opstaan.

Hij heeft aanleg. Tijdens een feestje, maanden later, geven mensen spontaan geld nadat hij met een vriend de gitaar pakt en wat speelt. Dat smaakt naar meer en dus gaat hij de straat op en optreden in cafés.

In die tijd woont hij in Nieuwstadt, waar hij als negenjarig met zijn vader naartoe is gekomen toen de scheiding een feit was. Sittard is de grote stad. Hij zit er op het atheneum, heeft daarna diverse baantjes via uitzendbureaus, onder meer bij een kaasfabriek, en woont vervolgens een jaar in Parijs.

‘De nieuwe vrouw van mijn vader was een Française, dus kon ik er goedkoop leven. Ik speelde daar ook op straat, werkte samen met mimespelers en straat-fakirs en liftte heen en weer als ik even in Limburg wilde zijn.’

Hij zucht bijna onmerkbaar; te veel om te ver op de details in te gaan.

Het leven in Frankrijk is goed tot de Staat der Nederlanden aanklopt: de dienstplicht. Remco van de Vorst wil niet in het groene gareel, daarvoor is zijn vrijheidsdrang te groot. En zeker niet naar de gevangenis.

Terug in Nederland belandt hij in het Amsterdamse bandjescircuit en werkt opnieuw als straatmuzikant. Ondertussen soebat hij drie jaar om de onafhankelijke deskundige en later de rechtbanken te overtuigen dat hij gewetensbezwaarde is.

Bij de verstandelijk gehandicapten in ‘Dennendal’, Den Dolder, gaat hij uiteindelijk aan de slag om zijn sociale dienstplicht in te vullen. Daarnaast verzorgt hij in dat kader de publiciteit voor het legendarische Haagse poppodium ‘Het Paard van Troje’.

Het is 1992 en Remco van de Vorst komt terug naar het zuiden voor een nieuwe start. ‘Je moest een economische band met de stad hebben om in Den Bosch te komen wonen’; een uitkering was niet voldoende. Dus wordt het Sittard, waar hij zich inschrijft aan de Katholieke Leergangen, de hogeschool.

‘Twee jaar heb ik de vrije richting gedaan. Maar ze probeerden je steeds de lerarenopleiding in te pushen en daar had ik geen zin in.’

Sittard lijkt ineens nogal klein na zijn tijd in Parijs, Den Haag en Amsterdam. De enige grote stad in de buurt is Maastricht. Daar moet toch genoeg te doen zijn in de kroegen? Hij ziet zichzelf al een beetje studeren en vooral veel feest vieren. ‘Dat viel vies tegen.’

Na anderhalf jaar als assistent licht en geluid aan de toneelacademie en spelen in diverse bandjes en op straat, volgden nog drie Melkertbanen.

Aan de academie had hij ondertussen een vaste aanstelling moeten krijgen, maar dat komt er niet van. Hetzelfde gebeurt later bij het Limburgs Symphonie Orkest, waar hij opstellingen maakt; stoelen en muziekinstrumenten klaarzetten. ‘Het werd steeds gerekt, je was een goedkope kracht, maar daarna hield het op.’

In psychiatrische inrichting ‘Vijverdal’ is hij anderhalf jaar verantwoordelijk voor de logistiek; zorgt onder meer dat de vuile en schone was wordt vervoerd en distribueert medicijnen.

‘Na twee maanden Maasveld’, een organisatie voor gehandicapten, ook in Maastricht, ‘had ik mijn snuit vol’. Hij is een jaar of vijfendertig en het leven is uitzichtloos. Geslaagde optredens kunnen dat gevoel slechts kort onderdrukken.

In die periode krijgt hij een nieuwe kameraad, een veeleisende, die zorgt dat zijn wereld heel snel kleiner wordt en alleen nog maar draait om ‘die flauwekul’; heroïne. ‘Het was modderen, afkicken in Heerlen, nog eens afkicken in een kliniek in Brabant…’ Naar eigen zeggen heeft hij nooit hoeven stelen om zijn verslaving te betalen: ‘Dat is me gelukkig bespaard gebleven.’

Sinds anderhalf jaar is hij clean. Nou ja, drie keer week gaat hij methadon halen. Hij wil ook daar graag vanaf, maar dat zouden ze niet willen bij de Ambulante Hulpverlening Verslavingszorg Westelijke Mijnstreek.

‘Misschien krijgen ze subsidie per deelnemer aan het programma en willen ze je liever bij de club houden? Ze hebben nu een nieuw beleid; als je één keer niet komt, wordt automatisch een afbouwprogramma gestart. Dus misschien moet ik dat maar doen?’ Een schamper lachje.

Hij neemt nog een teug van het verse sjekkie dat rokend op hem wacht op de rand van een slecht schoongemaakte tinnen asbak.

Op zaterdags en donderdags speelt hij op straat ‘aaie leem’, jaren zestig repertoire, en af en toe eigen nummers. Ook treedt hij soms op met bandjes en er zijn zelfs voorzichtige plannen voor een cd met eigen werk.

Wat ‘de mensen’ van hem denken, laat hem koud. Hij speelt en hij zingt. Geïnspireerd door singer-songwriters als Bob Dylan en Paul Westerberg, de ex-frontman van ‘The Replacements’.

‘Van omstanders krijg ik alleen positieve kritiek. Bij sommige winkeliers kan ik mijn kleingeld wisselen en daar zijn ze heel blij mee.’ Nog nooit is hij lastig gevallen en met zijn Oost-Europese collega’s kan hij het goed vinden. ‘Ik zit ook niemand in de weg’.

Al pratend kijkt hij vertederd hoe één van zijn katten zich loom uitstrekt en daarna knorrend geniet van een nieuw gevonden slaapplekje. ‘Zijn moeder is vorige week door een rottweiler gepakt…’

Het is even stil in de drukke kamer. Gedachten dwarrelen neer als verstofte herinneringen.

‘Ik doe wat ik doe om mijn innerlijke onrust te bezweren, dat is mijn drijfveer’, zegt hij zachtjes. ‘Ik heb nooit een beeld gehad van wat ik wilde worden. Mijn vader liet ons vrij. Hij zei altijd: “Doe waar je je goed bij voelt.” Dat heb ik gedaan.’

(dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 17 January 2012 in Ongewoon & Anders

Drie vrienden en hun kabouters in een oude barrel naar Dakar

Het is een trip die voor velen een onvervulde jongensdroom zal blijven. Pieke Lebon, Maarten van Eert en Vincent van Goor gaan het doen; van Amsterdam naar Dakar, zevenduizend kilometer, in een oude Mercedesbus. Voor beter basisonderwijs in Gambia en natuurlijk voor de opwindende ervaring. Initiatiefnemer is Maarten van Eert uit Sittard.

Enthousiast gemaakt door een kennis die aan een eerdere tocht heeft meegedaan, besloot Maarten van Eert in oktober 2010 een balletje op te werpen bij een groepje vrienden; wie wil er mee? Een paar vielen af, Pieke Lebon en Vincent van Goor bleven over.

Ze kennen elkaar van het Trevianum, de school voor havo en vwo in Limbrichterveld. Veel ervaring in het lowbudget reizen hebben ze niet. Wat het meest in de buurt komt, is een rit die Maarten van Eert en Pieke Lebon ooit samen in een groepje van zes jongens met oude auto’s naar Zuid-Europa heeft gemaakt. Dat was toen een heel avontuur. Nu zeggen ze dat het stuk in Europa niet veel voorstelt: ‘Daar rijd je zo doorheen’. Het begint pas na de Grote Oversteek .

De drie vrienden rijden niet alleen, maar zijn onderdeel van een grote groep die een beproefd parcours aflegt via de Amsterdam-Dakar Challenge. Dat is een Nederlandse organisatie, in 2004 opgezet door Dakar-pionier Arthur Verheijen, die geld voor goede doelen inzamelt door mensen met oude auto’s naar exotische bestemmingen te laten rijden.

De auto’s worden ter plaatse verkocht en het geld, ook van sponsoren van de teams, gaat naar sociale projecten. Zo zou met ritten naar Dakar, Peking, Siberië, Bombay en de Rode Zee intussen al zo’n drie miljoen euro zijn ingezameld.

De drie Dakarridders, zoals ze zichzelf noemen, besloten om hun geld te geven aan Nice to Be Nice. Dit is een in Tilburg bij de Kamer van Koophandel ingeschreven stichting die de lokale bouw en financiering van scholen in Gambia ondersteunt.

Nice to be Nice helpt een basisschool in Tabokoto en kleuterscholen in Freetown Gunjur en Msisranding. Verder staat ze garant voor het onderwijs aan dertig kinderen – mocht hun sponsoring wegvallen. Ook brengt de stichting lesmaterialen naar Gambia.

De grootste bron van inkomsten voor de Sittardse zandhappers, de bus, staat nu in Hoogveld bij Maarten van Eert op de stoep. Hij is opgeknapt met gedoneerde spullen en incarneert na de reis vermoedelijk als minibus, een soort groepstaxi. Zoals alle gebruikte auto’s heeft hij niet meer dan vijfhonderd euro mogen kosten.

Om alvast te oefenen met rijden in het rulle zand, hebben de mannen al een proefritje gemaakt op een stuk woeste grond bij Schipperskerk waar graafmachines bezig zijn om het terrein om te woelen. Het ging goed en de gesponsorde off road-banden bleken de belofte van de producent waar te maken - in elk geval toen de grond droog was.

Wel wordt de bus nog iets opgehoogd. De uitlaat verliezen is gauw gebeurd, zeker in de zandduinen, en een nieuwe vinden is daar niet altijd even gemakkelijk. Maarten van Eert: ‘We hoorden het verhaal van een team dat dit is overkomen en zij moesten eerst dertig kilometer naar een dorp rijden om een steigerbuis op te halen, daarna nog eens dertig kilometer om die pijp in een ander dorp eronder te laten lassen.’

Geld wordt verdiend met sponsoring, onder meer via reclame op de bus, een Mercedes Benz Vito uit 1997. De bus is intussen behoorlijk volgeplakt, al is er nog plaats voor extra sponsoren (vanaf 75 euro). Behalve met reclame, wordt geld verdiend met de verkoop van gipsen tuinkabouters voor 25 euro per stuk.

De kabouters hebben fantasierijke namen als Biologische Bert, Barrie de Bloemplukker en Sergio Schepper en, zo is de bedoeling, ze gaan allemaal mee naar Dakar. Onderweg worden foto’s gemaakt van elke gesponsorde kabouter op karakteristieke locaties - zoals met de kabouter in de film ‘Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’. Er zijn al enkele tientallen verkocht, maar er zijn nog beschikbaar.

Ook voeren ze onder meer een actie waarbij oude mobieltjes kunnen worden ingeleverd of verkocht. Voor de telefoons geeft sponsor GSM Loket geld. Dit bedrijf reviseert en recyclet oude mobiele telefoons, die daarna bijvoorbeeld worden doorverkocht naar Afrika.

Het is ook mogelijk om zelf je mobieltje via de site van de ridders te verkopen. In dat geval houden beide partijen er wat aan over. Hoeveel je aan de Dakarridders gunt, is uiteraard jouw zaak.

Voor geld willen de drie mannen vrij ver gaan. Zo bieden ze zelfs aan om naakt door de woestijn te rennen, uiteraard met foto’s als bewijs, als er maar genoeg wordt geboden. Een streefbedrag is er niet, dus dames ga naar www.dakar-ridders.nl en laat je creditcard wapperen!

De rit Amsterdam-Dakar voert de mannen via Marokko en Mauritanië naar Senegal en duurt tussen de negentien en drieëntwintig dagen. De bedoeling is dat de drie Hoogveldse Dakarridders in een groepje gaan rijden. Liefst met een 4 x4 erbij, voor het geval de ridders uit het zand moeten worden getrokken.

Bij de start krijgen ze een routekaart, een roadmap, en met een gps-ontvanger moeten ze van checkpoint naar checkpoint rijden. Onderling communiceren ze met bakkie’s en, als er verbinding is, met mobiele telefoons. Begeleiding is er niet, wel worden ze op cruciale plaatsen, zoals grensovergangen, opgewacht en geholpen door mensen van de organisatie.

Vanaf Marokko rijden ze over het strand en later volgt een stuk door de zandduinen. Daar worden de mannen van de jongens gescheiden bij de keuze voor de moeilijke of de makkelijke route. Uiteraard willen de Dakarridders de moeilijke route doen, de classic route, bezweren ze in koor. Maar zijn ze wel voldoende voorbereid op wat gaat komen? Zoals de titel van het bekende boek luidt: ‘Are you experienced?’.

De manager. Maarten van Eert is van huis uit leraar en nu personeelsmanager van een franchise onderneming die lesprogramma’s ontwikkelt over natuurwetenschappen en techniek. Scholen kunnen die aanschaffen, inclusief de begeleiding door ervaren instructeurs. Verder verzorgt het bedrijf naschoolse science clubs, verjaardagsfeestjes en evenementen.

De chauffeur. Pieke Lebon is planner bij een landelijke apotheekketen. Hij zorgt dat verpleegkundigen binnen de keten weten waar hun medicijnen naartoe moeten. Eerder was hij taxichauffeur en nu nog rijdt hij elke vrijdagnacht ergens in Limburg taxi – als hobby.

De bandenspecialist. Vincent van Goor heeft wat langer doorgestudeerd, onder meer in Groot- Brittannië, en houdt zich volgens zijn reisgenoten bezig met het ontwikkelen van banden bij een bekende bandenfirma. Daar is hij “virtueel bandentester”. Met behulp van computersimulaties berekent hij de verwachte prestaties op het gebied van grip, slijtage, duurzaamheid en rolweerstand.

Initiatiefnemer Maarten van Eert is vermoedelijk degene die zijn grenzen het verst gaat verleggen. ‘Ik houd graag de controle, maar ik ga de knop omzetten. Normaal wil ik weten hoe laat ik eet en hoe laat ik waar ben. Als we willen slapen, zoeken we straks gewoon een parkeerplaats en slapen dan in onze voortent. En ja, dan kan het voorkomen dat we drie dagen niet douchen, maar goed, iedereen stinkt dan.’

De voortent van een camper of caravan is er overigens nog niet, als we medio juni met ze spreken. Zo zijn er nog veel meer spullen nodig. Benzine bijvoorbeeld, anders gaat het hele feest niet door. En als het kan, zou een koelkastje voor een paar blikken bier ook welkom zijn.

Dan nog een belangrijk punt: Er zijn teams die met het sponsorgeld ook de vlucht terug betalen, maar de mannen uit Hoogveld doen dat principieel niet. ‘Voor ons is het een soort vakantie, waar het goede doel ook wat aan heeft. Dus dat betalen we zelf, het kost ons een paar duizend euro per man, zodat het meeste geld gaat naar het onderwijs in Gambia.’

Op 5 november vertrekken de drie avonturiers vanuit Amsterdam. De verwachting is dat het wel goed met ze komt; het percentage uitvallers is al jaren heel laag. Maar of alle kabouters de heenreis overleven, zodat ze vanuit Afrika in pakketjes kunnen worden teruggestuurd naar de sponsoren?

(dit stuk is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 7 July 2011 in Ongewoon & Anders, Politiek & Media

Zoeken tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt


Vroeger verdiende hij zijn geld met het verkopen van zekerheid. Nu is zijn passie de onzekerheid. De spanning van het zoeken drijft hem van akker tot akker en van opgraving tot opgraving. Hele werelden gaan voor hem open als hij kleine sporen vindt, aan de hand waarvan hij dan de grotere verhalen reconstrueert. Met grote bevlogenheid speurt hij stad en land af, op zoek naar het verleden. Een ontmoeting met lokaal archeoloog Jan Mulders (60) uit Sittard.

We spreken af in Kasteel Limbricht, in de buurt van het Franse kerkhof zou moeten zijn, waar hij nog veel over zal vertellen, en dichtbij een akker waar hij zijn hart aan verpand heeft. Een akker, voor de leek een barre woestenij, maar voor een archeologisch gepassioneerde als Jan Mulders een plaats waar onder elke kluit, of op een paar scheppen diepte, een bodemschat zou kunnen liggen die erop wacht om het licht van 2010 te zien.

De aanleiding van het gesprek is een in 2007 aangekondigd boek over de historie van het stuk grond waar de wijk Hoogveld op gebouwd is. Zoals bekend, hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam er van 1997 tot en met 1999 onderzoek gedaan en daarbij zijn diverse heel interessante sporen gevonden. In de eerste fase werden onder meer een urnenveld uit de Vroeger IJzertijd, een graf uit de Midden-IJzertijd en een grafveldje uit de Late IJzertijd ontdekt. In de tweede fase was de oogst nog veel groter.

De studie hierover van Tol en Schabbink uit 2004 heeft het onder meer over ‘twee huisplattegronden uit de Midden-Bronstijd, zes grafmonumenten uit dezelfde periode, erven uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd, twee grafmonumenten uit de latere prehistorie, een nederzetting en een weg uit de Romeinse tijd en twee nederzettingen uit de Volle Middeleeuwen (waaronder een omgreppeld exemplaar)’.

Bij technisch bodemonderzoek was eerder al een meer recente inbreng van de mens in het Hoogveldse landschap geconstateerd; bodemvervuiling veroorzaakt door een ooit vlakbij gelegen fabriek. (Door de richting van de ondergrondse waterstromen, die het vuil verspreiden, hebben de huizen in Hoogveld deels geen kelders en mag er niet diep in de tuin gegraven worden.)

In duizenden jaren heeft het stuk grond, waar Hoogveld op is gebouwd, diverse bewoners en gebruikers gekend. Met alle historische en culturele dwarsverbanden die dat mogelijk maakt, werd het bestek van Mulders’ boek veel te uitvoerig. Verder is er al veel bekend, alleen niet buiten de wetenschappelijke cirkel van ingewijden. Dus besloot Jan Mulders om zijn aandacht te beperken tot het agrarisch gebruik vanaf de zeventiende eeuw. Zo zou hij nog nieuwe inzichten kunnen toevoegen aan het bestaande corpus.

Agrarisch Hoogveld

Hij praatte sinds 2003 met achttal oudere boeren, nakomelingen van boeren uit Overhoven, die het noordelijk deel van de taartpunt Hoogveld generaties in eigendom hadden. In één geval al sinds 1657. In de zeventiende eeuw was het allemaal nog niet zo strak geregeld, zo bleek. Kaarten, zoals nu bij het Kadaster, bestonden niet. De stukken hadden namen als ‘Aan ‘t Groen Wegske’, ‘De Kattebaard’ en ‘In’t Pals’. Een gebied werd afgebakend met omschrijvingen als ‘ten noorden van De Kattebaard en aan het zuiden begrensd door…’.

De kennis van de geïnterviewde boeren ging via via terug tot 1900. Rond die tijd was Hoogveld verdeeld in 245 kavels. Via een oude pachtakte kwam Jan Mulders erachter dat de pacht in één geval nog in natura werd betaald, al was dat destijds allang niet meer gebruikelijk. Bijvoorbeeld jaarlijks 35 liter rogge. Het ging dan om eeuwenoude pachtrelaties.

Ook werd hem duidelijk waarom veel boerenkinderen in die tijd niet trouwden; dan zou de rijkdom van de familie, waar generaties keihard voor was gewerkt, verdeeld moeten worden. Een andere voorlopige conclusie is dat er destijds boeren waren die, behalve uit hun gemengd bedrijf, inkomsten verwierven door veldbrandstenen te bakken, zo ontdekte Jan Mulders.

Zijn boek over Hoogveld is nog niet af, want de lokale archeoloog komt intussen bijna om in de enorme hoeveelheid interessante informatie. (,,Hoe moet ik daar nu een goed leesbaar boek van maken?”) Bovendien is hij druk met tal van andere archeologische projecten.

Eenmaal gegrepen door de archeologie en de geschiedenis, na de toevallige vondst van een helemaal gaaf spinsteentje in de Hoogveldse Biddlestraat in 1999, is het archeologische detective-virus namelijk niet meer uit zijn bloedbanen verdwenen. (,,Een spinsteentje werd op een stokje gestoken om rond 1200 wol te spinnen.”)

Jan Mulders werd lid van de lokale werkgroep archeologie Sittard en verdiept zich sindsdien in diverse officiële opgravingen. ,,Wij mogen op zulke locaties zelf geen schop in de grond steken”, zegt hij spijtig. Meestal gaat hij daarom zelf op zoek op plaatsen waar nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hiervoor leest hij bouwvergunningen en struint bouwplaatsen af, waar hij dan, met toestemming van de opzichter, mag rondneuzen.

Intuïtief speurwerk

Hij doet dat intuïtief, ongestructureerd. En dat maakt het voor een ex-verzekeringsman juist zo spannend. (,,Wat zou ik hier nu weer kunnen vinden? Niets staat vast, er kan van alles liggen!”) Zo las hij in 2004 een vergunningaanvraag voor de verbouwing van een kelder van een oud pand in het centrum van Sittard. Hij stond voor de deur, kwam er niet in en moest – spreekwoordelijk – hemel en aarde bewegen om toch te kunnen kijken, onderzoek te kunnen doen op die prachtige, historisch geladen locatie.

Uiteindelijk lukte dat en kreeg hij van de eigenaar, een cafébaas, een grote pot aangewezen die ooit onder de vloer was gevonden. Hij had in de Molenbeek gelegen en dateerde uit de Middeleeuwen (1190 – 1225). ,,Er zat nog aarde in van de bedding!” Daarna werden twee dingen duidelijk. De pot bleek Brunssums/Schinvelds aardwerk en de vindplaats was niet de in de vergunningaanvraag bedoelde. Hij had op het verkeerde adres gezocht! Op de plaats waarvoor de vergunning werkelijk was aangevraagd, bleek achteraf niets te vinden.

De pot is ook te zien geweest in een expositie in het Domein in 2005, georganiseerd door museumconservator Kitty Janssen-Rompen. ,,Als ik die pot dan zie, zo mooi verlicht in die vitrine, dan gaan me de haren rechtop staan. Dat is emotie. Dat is zó mooi!’”

Jan Mulders verdiepte zich naar aanleiding van deze vondst in historisch aardewerk, met name in het Brunssums/Schinvelds aardewerk. Hij vertelt met passie over de verschillende bakwijzen, locaties, patronen en kleuren. ,,Er vijf mensen in Nederland zie zich met Brunssums/Schinvelds aardewerk bezighouden, en ik dan. Maar ik ben een beetje een vreemde eend in de bijt.”

De Hoogveldse onderzoeker speurt op mogelijk interessante locaties naar scherven om aan de hand van de patronen en het gebruikte fabricageproces de herkomst vast te stellen. Hoe gaat dat in z’n werk? Aangekomen op een akker, legt hij eerst zijn plastic boodschappentas ergens op de grond neer. Dat is het vertrekpunt. Daarna gaat hij struinen, zoeken, banjeren. Tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt.

Naar eigen zeggen vindt Jan Mulders vaak op bijna miraculeuze wijze tal van zaken. ,,Ik zie het, het komt op mijn pad. Het lijkt bovennatuurlijk. Zo kwam ik eens op een akker bij Limbricht en ik kreeg door: ‘Dadelijk vind ik iets, dat ik nog nooit gevonden heb’. Zo vond ik in 2007 een leeuwenkopje uit de Romeinse tijd. Ik weet dan: op de hele akker is er iets en dat moet ik vinden.”

Het kopje, een van de pronkstukken van de lokale archeoloog, is gemaakt van Terras Sigillata en is gedetermineerd als onderdeel van een zogenoemde wrijfschaal. ,,Echt heel bijzonder!” In die schaal werden granen en zaden fijngewreven tot olie, die dan kon worden uitgegoten. Het gaatje in het gevonden leeuwenkopje, is het schenkgaatje voor de olie. ,,Ik voel me op zo’n moment echt een uitverkorene; dat ik dit mag meemaken, dat dit mij mag gebeuren!”

Het overkomt hem regelmatig. Zo vond hij tijdens de recente werkzaamheden voor de Hof van Onthaasting in Hoogveld in de vijver stukken van een neolithische schaaf uit 2400 voor onze jaartelling. Ook bracht hij een scherf van een Duitse bierpul uit 1575 aan het licht. Van de pul kon de lokale archeoloog, door onderzoek te doen naar de makers en de verschillende varianten die omloop waren, de complete geschiedenis die ermee samenhangt reconstrueren.

Franse kerkhof

Een langer lopend archeologisch hobby-project, waarmee Jan Mulders bezig is, heeft betrekking op het zogenoemde Franse kerkhof, waarvan de locatie tot op heden niet vast staat. ,,Ik hoorde een boer vertellen over de juiste plaats, gebaseerd op overleveringen.” Die boer had Mulders gesproken in verband met het onderzoek in Hoogveld.

Later vond de Hoogveldenaar een oude kaart waar de locatie op staat aangegeven. Dat hielp hem maar ten dele, omdat de ruilverkaveling in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw alle oude herkenningspunten in het landschap grotendeels had uitgewist.

Stadsarchivaris van Sittard-Geleen, Peer Boselie, was, zo bleek ondertussen, ook al met het onderwerp bezig. Ze zouden hiervoor samen een comité oprichten, maar dat is er niet gekomen. Vorig jaar september is dankzij beide heren, en onder het dwingende oog van L1, een aantal proefsleuven gegraven. Mede op basis van verkleuringen in luchtfoto’s die in 2008 zijn gemaakt en ‘geroerde grond’ lieten zien. Zonder resultaat.

Waarom is dat kerkhof zo interessant? Napoleon Bonaparte’s leger werd in 1813 verslagen bij Leipzig, vertelt Jan Mulders. ,,Tijdens de aftocht naar Frankrijk werd Kasteel Limbricht - waar wij nu zitten - ingericht als lazaret. Het kasteel lag vol doden en gewonden, zo’n zevenduizend in totaal. Door wonden en ziektes als dysenterie bezweken 687 soldaten en zo’n tachtig omwonenden overleden door besmetting. Ze werden allemaal begraven in een akker vlakbij het kasteel. Een lokale pastoor heeft de zieken bijstand verleend en ook hij overleefde het niet.” Deze man heeft zijn bijzondere aandacht.

,,Deze pastoor, broeder Page, verdient een eerbetoon”, vindt de lokale archeoloog, die zich hiermee ontpopt tot een halve actievoerder. ,,En er zou een herdenkingsmonument moeten komen - dat vindt overigens ook Peer Boselie - mede omdat er in Limbricht door de goede zorgen van de pastoor minder mensen zijn gestorven dan elders in vergelijkbare omstandigheden.”

Om het ‘eerherstel’ van de pastoor voor elkaar te krijgen, heeft Jan Mulders al brieven geschreven naar de Franse Ambassade, de Franse instelling die de lintjes uitdeelt, Camiel Oostwegel en aan de bisschop van Roermond. Tot nu toe zonder veel resultaat.

Bisschop Frans Wiertz heeft volgens Mulders toegezegd voor de slachtoffers wel een mis te willen opdragen. Maar het begeerde eerherstel van de pastoor uit Franse hoek is niet te verwachten, zoveel is de teleurgestelde Hoogveldenaar intussen wel duidelijk uit de reacties die hij ontving.

Hij sluit niet uit dat er niets meer over is in de grond doordat de lichamen ontkleed in ongebluste kalk zijn gegooid, misschien wel in een massagraf. ,,Dat zou kunnen.” Maar als er wel wat over is, zou het onderzoek hiernaar nieuwe feiten kunnen opleveren over dit roerige tijdvak, waarin het kleine Limbricht even een rol speelde in de Europese geschiedenis.

Jan Mulders geeft het zoeken naar het Franse kerkhof daarom niet op. Hij heeft een eigen kaart geschetst, op grond van de historische kaart, overleveringen en eigen observaties en metingen ter plaatse. Volgens hem is de locatie voor het bodemonderzoek in 2009 bepaald door de grondeigenaar, dat zou hebben gezorgd voor beperkingen, en er zou niet uitvoerig genoeg zijn gezocht. ,,Maar in het stuk grond gaan binnenkort allerlei buizen de grond in, dat heb ik al gezien. Voor gas en elektriciteit. En dan ben ik er uiteraard bij!”

Comments Off

admin op 24 March 2010 in Ongewoon & Anders