
Vroeger verdiende hij zijn geld met het verkopen van zekerheid. Nu is zijn passie de onzekerheid. De spanning van het zoeken drijft hem van akker tot akker en van opgraving tot opgraving. Hele werelden gaan voor hem open als hij kleine sporen vindt, aan de hand waarvan hij dan de grotere verhalen reconstrueert. Met grote bevlogenheid speurt hij stad en land af, op zoek naar het verleden. Een ontmoeting met lokaal archeoloog Jan Mulders (60) uit Sittard.
We spreken af in Kasteel Limbricht, in de buurt van het Franse kerkhof zou moeten zijn, waar hij nog veel over zal vertellen, en dichtbij een akker waar hij zijn hart aan verpand heeft. Een akker, voor de leek een barre woestenij, maar voor een archeologisch gepassioneerde als Jan Mulders een plaats waar onder elke kluit, of op een paar scheppen diepte, een bodemschat zou kunnen liggen die erop wacht om het licht van 2010 te zien.
De aanleiding van het gesprek is een in 2007 aangekondigd boek over de historie van het stuk grond waar de wijk Hoogveld op gebouwd is. Zoals bekend, hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam er van 1997 tot en met 1999 onderzoek gedaan en daarbij zijn diverse heel interessante sporen gevonden. In de eerste fase werden onder meer een urnenveld uit de Vroeger IJzertijd, een graf uit de Midden-IJzertijd en een grafveldje uit de Late IJzertijd ontdekt. In de tweede fase was de oogst nog veel groter.
De studie hierover van Tol en Schabbink uit 2004 heeft het onder meer over ‘twee huisplattegronden uit de Midden-Bronstijd, zes grafmonumenten uit dezelfde periode, erven uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd, twee grafmonumenten uit de latere prehistorie, een nederzetting en een weg uit de Romeinse tijd en twee nederzettingen uit de Volle Middeleeuwen (waaronder een omgreppeld exemplaar)’.
Bij technisch bodemonderzoek was eerder al een meer recente inbreng van de mens in het Hoogveldse landschap geconstateerd; bodemvervuiling veroorzaakt door een ooit vlakbij gelegen fabriek. (Door de richting van de ondergrondse waterstromen, die het vuil verspreiden, hebben de huizen in Hoogveld deels geen kelders en mag er niet diep in de tuin gegraven worden.)
In duizenden jaren heeft het stuk grond, waar Hoogveld op is gebouwd, diverse bewoners en gebruikers gekend. Met alle historische en culturele dwarsverbanden die dat mogelijk maakt, werd het bestek van Mulders’ boek veel te uitvoerig. Verder is er al veel bekend, alleen niet buiten de wetenschappelijke cirkel van ingewijden. Dus besloot Jan Mulders om zijn aandacht te beperken tot het agrarisch gebruik vanaf de zeventiende eeuw. Zo zou hij nog nieuwe inzichten kunnen toevoegen aan het bestaande corpus.
Agrarisch Hoogveld
Hij praatte sinds 2003 met achttal oudere boeren, nakomelingen van boeren uit Overhoven, die het noordelijk deel van de taartpunt Hoogveld generaties in eigendom hadden. In één geval al sinds 1657. In de zeventiende eeuw was het allemaal nog niet zo strak geregeld, zo bleek. Kaarten, zoals nu bij het Kadaster, bestonden niet. De stukken hadden namen als ‘Aan ‘t Groen Wegske’, ‘De Kattebaard’ en ‘In’t Pals’. Een gebied werd afgebakend met omschrijvingen als ‘ten noorden van De Kattebaard en aan het zuiden begrensd door…’.
De kennis van de geïnterviewde boeren ging via via terug tot 1900. Rond die tijd was Hoogveld verdeeld in 245 kavels. Via een oude pachtakte kwam Jan Mulders erachter dat de pacht in één geval nog in natura werd betaald, al was dat destijds allang niet meer gebruikelijk. Bijvoorbeeld jaarlijks 35 liter rogge. Het ging dan om eeuwenoude pachtrelaties.
Ook werd hem duidelijk waarom veel boerenkinderen in die tijd niet trouwden; dan zou de rijkdom van de familie, waar generaties keihard voor was gewerkt, verdeeld moeten worden. Een andere voorlopige conclusie is dat er destijds boeren waren die, behalve uit hun gemengd bedrijf, inkomsten verwierven door veldbrandstenen te bakken, zo ontdekte Jan Mulders.
Zijn boek over Hoogveld is nog niet af, want de lokale archeoloog komt intussen bijna om in de enorme hoeveelheid interessante informatie. (,,Hoe moet ik daar nu een goed leesbaar boek van maken?”) Bovendien is hij druk met tal van andere archeologische projecten.
Eenmaal gegrepen door de archeologie en de geschiedenis, na de toevallige vondst van een helemaal gaaf spinsteentje in de Hoogveldse Biddlestraat in 1999, is het archeologische detective-virus namelijk niet meer uit zijn bloedbanen verdwenen. (,,Een spinsteentje werd op een stokje gestoken om rond 1200 wol te spinnen.”)
Jan Mulders werd lid van de lokale werkgroep archeologie Sittard en verdiept zich sindsdien in diverse officiële opgravingen. ,,Wij mogen op zulke locaties zelf geen schop in de grond steken”, zegt hij spijtig. Meestal gaat hij daarom zelf op zoek op plaatsen waar nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hiervoor leest hij bouwvergunningen en struint bouwplaatsen af, waar hij dan, met toestemming van de opzichter, mag rondneuzen.
Intuïtief speurwerk
Hij doet dat intuïtief, ongestructureerd. En dat maakt het voor een ex-verzekeringsman juist zo spannend. (,,Wat zou ik hier nu weer kunnen vinden? Niets staat vast, er kan van alles liggen!”) Zo las hij in 2004 een vergunningaanvraag voor de verbouwing van een kelder van een oud pand in het centrum van Sittard. Hij stond voor de deur, kwam er niet in en moest – spreekwoordelijk – hemel en aarde bewegen om toch te kunnen kijken, onderzoek te kunnen doen op die prachtige, historisch geladen locatie.
Uiteindelijk lukte dat en kreeg hij van de eigenaar, een cafébaas, een grote pot aangewezen die ooit onder de vloer was gevonden. Hij had in de Molenbeek gelegen en dateerde uit de Middeleeuwen (1190 – 1225). ,,Er zat nog aarde in van de bedding!” Daarna werden twee dingen duidelijk. De pot bleek Brunssums/Schinvelds aardwerk en de vindplaats was niet de in de vergunningaanvraag bedoelde. Hij had op het verkeerde adres gezocht! Op de plaats waarvoor de vergunning werkelijk was aangevraagd, bleek achteraf niets te vinden.
De pot is ook te zien geweest in een expositie in het Domein in 2005, georganiseerd door museumconservator Kitty Janssen-Rompen. ,,Als ik die pot dan zie, zo mooi verlicht in die vitrine, dan gaan me de haren rechtop staan. Dat is emotie. Dat is zó mooi!’”
Jan Mulders verdiepte zich naar aanleiding van deze vondst in historisch aardewerk, met name in het Brunssums/Schinvelds aardewerk. Hij vertelt met passie over de verschillende bakwijzen, locaties, patronen en kleuren. ,,Er vijf mensen in Nederland zie zich met Brunssums/Schinvelds aardewerk bezighouden, en ik dan. Maar ik ben een beetje een vreemde eend in de bijt.”
De Hoogveldse onderzoeker speurt op mogelijk interessante locaties naar scherven om aan de hand van de patronen en het gebruikte fabricageproces de herkomst vast te stellen. Hoe gaat dat in z’n werk? Aangekomen op een akker, legt hij eerst zijn plastic boodschappentas ergens op de grond neer. Dat is het vertrekpunt. Daarna gaat hij struinen, zoeken, banjeren. Tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt.
Naar eigen zeggen vindt Jan Mulders vaak op bijna miraculeuze wijze tal van zaken. ,,Ik zie het, het komt op mijn pad. Het lijkt bovennatuurlijk. Zo kwam ik eens op een akker bij Limbricht en ik kreeg door: ‘Dadelijk vind ik iets, dat ik nog nooit gevonden heb’. Zo vond ik in 2007 een leeuwenkopje uit de Romeinse tijd. Ik weet dan: op de hele akker is er iets en dat moet ik vinden.”
Het kopje, een van de pronkstukken van de lokale archeoloog, is gemaakt van Terras Sigillata en is gedetermineerd als onderdeel van een zogenoemde wrijfschaal. ,,Echt heel bijzonder!” In die schaal werden granen en zaden fijngewreven tot olie, die dan kon worden uitgegoten. Het gaatje in het gevonden leeuwenkopje, is het schenkgaatje voor de olie. ,,Ik voel me op zo’n moment echt een uitverkorene; dat ik dit mag meemaken, dat dit mij mag gebeuren!”
Het overkomt hem regelmatig. Zo vond hij tijdens de recente werkzaamheden voor de Hof van Onthaasting in Hoogveld in de vijver stukken van een neolithische schaaf uit 2400 voor onze jaartelling. Ook bracht hij een scherf van een Duitse bierpul uit 1575 aan het licht. Van de pul kon de lokale archeoloog, door onderzoek te doen naar de makers en de verschillende varianten die omloop waren, de complete geschiedenis die ermee samenhangt reconstrueren.
Franse kerkhof
Een langer lopend archeologisch hobby-project, waarmee Jan Mulders bezig is, heeft betrekking op het zogenoemde Franse kerkhof, waarvan de locatie tot op heden niet vast staat. ,,Ik hoorde een boer vertellen over de juiste plaats, gebaseerd op overleveringen.” Die boer had Mulders gesproken in verband met het onderzoek in Hoogveld.
Later vond de Hoogveldenaar een oude kaart waar de locatie op staat aangegeven. Dat hielp hem maar ten dele, omdat de ruilverkaveling in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw alle oude herkenningspunten in het landschap grotendeels had uitgewist.
Stadsarchivaris van Sittard-Geleen, Peer Boselie, was, zo bleek ondertussen, ook al met het onderwerp bezig. Ze zouden hiervoor samen een comité oprichten, maar dat is er niet gekomen. Vorig jaar september is dankzij beide heren, en onder het dwingende oog van L1, een aantal proefsleuven gegraven. Mede op basis van verkleuringen in luchtfoto’s die in 2008 zijn gemaakt en ‘geroerde grond’ lieten zien. Zonder resultaat.
Waarom is dat kerkhof zo interessant? Napoleon Bonaparte’s leger werd in 1813 verslagen bij Leipzig, vertelt Jan Mulders. ,,Tijdens de aftocht naar Frankrijk werd Kasteel Limbricht - waar wij nu zitten - ingericht als lazaret. Het kasteel lag vol doden en gewonden, zo’n zevenduizend in totaal. Door wonden en ziektes als dysenterie bezweken 687 soldaten en zo’n tachtig omwonenden overleden door besmetting. Ze werden allemaal begraven in een akker vlakbij het kasteel. Een lokale pastoor heeft de zieken bijstand verleend en ook hij overleefde het niet.” Deze man heeft zijn bijzondere aandacht.
,,Deze pastoor, broeder Page, verdient een eerbetoon”, vindt de lokale archeoloog, die zich hiermee ontpopt tot een halve actievoerder. ,,En er zou een herdenkingsmonument moeten komen - dat vindt overigens ook Peer Boselie - mede omdat er in Limbricht door de goede zorgen van de pastoor minder mensen zijn gestorven dan elders in vergelijkbare omstandigheden.”
Om het ‘eerherstel’ van de pastoor voor elkaar te krijgen, heeft Jan Mulders al brieven geschreven naar de Franse Ambassade, de Franse instelling die de lintjes uitdeelt, Camiel Oostwegel en aan de bisschop van Roermond. Tot nu toe zonder veel resultaat.
Bisschop Frans Wiertz heeft volgens Mulders toegezegd voor de slachtoffers wel een mis te willen opdragen. Maar het begeerde eerherstel van de pastoor uit Franse hoek is niet te verwachten, zoveel is de teleurgestelde Hoogveldenaar intussen wel duidelijk uit de reacties die hij ontving.
Hij sluit niet uit dat er niets meer over is in de grond doordat de lichamen ontkleed in ongebluste kalk zijn gegooid, misschien wel in een massagraf. ,,Dat zou kunnen.” Maar als er wel wat over is, zou het onderzoek hiernaar nieuwe feiten kunnen opleveren over dit roerige tijdvak, waarin het kleine Limbricht even een rol speelde in de Europese geschiedenis.
Jan Mulders geeft het zoeken naar het Franse kerkhof daarom niet op. Hij heeft een eigen kaart geschetst, op grond van de historische kaart, overleveringen en eigen observaties en metingen ter plaatse. Volgens hem is de locatie voor het bodemonderzoek in 2009 bepaald door de grondeigenaar, dat zou hebben gezorgd voor beperkingen, en er zou niet uitvoerig genoeg zijn gezocht. ,,Maar in het stuk grond gaan binnenkort allerlei buizen de grond in, dat heb ik al gezien. Voor gas en elektriciteit. En dan ben ik er uiteraard bij!”