Krasse knarren op de barricaden om servicekosten

Een groep senioren in een flat aan de Cavaleriestraat in Sittard voert actie vanwege de voortdurend toenemende servicekosten. Intussen heeft de verhuurder toegezegd dat er maatregelen worden genomen.

Het zijn law and order-types, met samen bijna een eeuw ervaring bij marine, leger, marechaussee en politie. Klaas Nuiver en Bert Lauffer zijn ook niet meer de jongsten, respectievelijk vierenzeventig en tachtig jaar. Geen types die je op de barricaden zou verwachten. Toch staan ze daar nu, want volgens hen maakt hun huurbaas, DOS Vastgoedmanagement in Maastricht, er een potje van. En dat al een aantal jaren.

Nuiver en Lauffer hebben al jaren elk een appartement in een wooncomplex van DOS aan de Cavaleriestraat, een belegging van de Stichting Pensioenfonds voor Tandtechniek. Ze winden zich met name op over de voortdurend stijgende servicekosten (vaste kosten plus naheffingen). In de vrijwel identieke buurflat zouden de bedragen lager zijn, en het onderhoud en beheer stukken beter, net als de communicatie met de huurders.

“In 2009 hebben we gevraagd om een gesprek”, foetert Klaas Nuiver. “Dat kwam er steeds niet. Veel vijven en zessen en toen bleek dat de contactpersoon ziek was. Daarna zijn we er achteraan blijven gaan, maar op een gegeven moment hoefde het van ons ook niet meer.”

Met de laatste naheffing was de maat vol. Nuiver: “We hebben het gevoel dat we op een ordinaire manier getild worden met de servicekosten.” De actievoerders stuurden met in totaal zeventien medebewoners een boze brief met handtekeningenlijst, maar hebben vervolgens naar eigen zeggen niets meer gehoord. Ze willen een gesprek in hun flat met DOS Vastgoedmanagement. Met een heldere uitleg over de servicekosten en de naheffingen, en discussie over het verbeteren van diverse andere zaken, zoals de inspraak.

Nuiver: “Ze denken zeker: Die oudjes daar, die betalen dat wel, maar die oudjes betalen dat niet! Je wordt uitgekleed waar je bij staat en je kunt er geen flikker aan doen. Voor dit jaar is mijn vakantiegeld naar de kloten!” Lauffer: “Veel mensen zitten hier met een AOW-uitkering en een pensioen, die schrikken zich telkens rot van die verhogingen.” Nuiver: “Als het binnenkort niet wordt opgelost, dan smeer ik ‘m!”

Voor zover na te gaan, waren de maandelijkse servicekosten in 2009 40 euro, en in 2010, 2011 en 2012 55 euro. Op 1 juli 2013 gingen de servicekosten omhoog naar 65 euro per maand. Dat is een stijging van ruim zestig procent in vijf jaar. In 2010 moest 137,5 euro aan naheffing worden betaald, het jaar erop 65,77 euro, in 2012 13,20 euro en in 2013 (over 2012) 328,03 euro. De laatste naheffing viel in juni op de mat.

DOS verklaart de laatste naheffing in een brief van 12 juni 2013 met de hogere elektriciteitskosten. De oorzaak daarvan: Essent zou over 2012 voor het eerst de werkelijke meterstanden hebben aangehouden. ‘Dit in tegenstelling tot voorgaande jaren, waarin het verbruik was gebaseerd op geschatte meterstanden.’

Uit het aan de brief toegevoegde overzicht blijkt dat voor gemeenschappelijk elektriciteitsgebruik voor het hele wooncomplex in 2012 3.000 euro was begroot. De werkelijke kosten waren dat jaar 9.867,81 euro. Ruim drie keer zoveel. Voor 2013 is 5.800 euro begroot, en de vraag is of dat genoeg is.

De brief raakte een open zenuw. Elektriciteit was namelijk eerder ook al een kwestie, maar dan op een andere manier, vertelt Nuiver: “We hebben ons in 2009 hard gemaakt voor een meter met twee tarieven; voor dag- en nachtstroom. Dat kwam er maar niet van, dat moesten we zelf maar met Essent regelen. Ze deden daar helemaal geen moeite voor. Dus hebben we heel lang ’s nachts dagstroom betaald.”

De beide actievoerders leggen een aantal rekeningen op tafel van volgens hen vergelijkbare woningen in aanpalende complexen. (Onbekend is of Essent daar vanaf 2009 wel de werkelijke meterstanden heeft gebruikt. Essent heeft niet gereageerd op onze vragen.)

Hoewel vergelijken lastig is, doordat de benodigde informatie niet compleet is, wordt de indruk bevestigd dat de buren bij een vergelijkbare huur minder servicekosten betalen en soms zelfs geld terugkrijgen (zoals in 2009 en 2010).

Accountmanager Luc Moonen van DOS Vastgoedmanagement in Maastricht over de voortdurende stijging van de servicekosten: “Servicekosten van nieuwe gebouwen zijn lastig in te schatten. Het liefst zet je die in begin laag om huurders te trekken. Als je te hoog zit en ze krijgen aan het eind van het jaar geld terug, dan krijg je de klacht dat ze geen rente over het teveel betaalde bedrag hebben ontvangen.

Er zijn in het algemeen vaak misverstanden over de servicekosten. Het zijn kosten die we wettelijk moeten heffen en we berekenen die één op één door. Het is niet zo dat we er op uit zijn om de huurders zo hoog mogelijke servicekosten in rekening te brengen.

Het probleem lijkt vooral veroorzaakt te zijn door de elektriciteit. Het pensioenfonds heeft nu akkoord gegeven om slimme meters te plaatsen die door het energiebedrijf op afstand kunnen worden uitgelezen. Zo moet dit probleem in de toekomst worden voorkomen.” (De slimme meters waren al eerder per e-mail bij Nuiver en Lauffer aangekondigd door DOS, en wel enkele uren nadat wij om een reactie hadden gevraagd.)

Wat betreft de vergelijking van de huren en servicekosten met die van naburige gebouwen: “Vergelijken is heel erg moeilijk. Wij hebben bijvoorbeeld een complex met drie ingangen, drie liften en drie trappenhuizen waarvan de elektriciteitskosten per segment worden bijgehouden. Daar zie je gemakkelijk verschillen van vijf tot tien euro per maand. Dat komt door de manier waarop de huurders ermee omgaan. Hoe vaak ze de lift gebruiken bijvoorbeeld. Ook als het gaat om verlichting zijn er verschillen; zitten er schemerschakelaars in of bewegingsdetectoren? Dat is allemaal van invloed.”

De actievoerders willen nu een gesprek in hun flat, al kan Lauffer zich wel vinden in de reactie van DOS. Voor meer duidelijkheid over de kosten(ontwikkeling) èn om te praten over andere kwesties. Zo hebben ze vragen over het groenonderhoud. Nuiver: “Is het hartje winter, ligt er een pak sneeuw, gaan ze hier het gras maaien. Dat is raar. Maar dat komt wel terug in onze servicekosten!” Luc Moonen: “Of er een gesprek komt met de actievoerders, daar doe ik geen mededelingen over. Dat is iets dat we willen regelen met de huurders.”

Comments Off

admin op 24 October 2013 in Politiek & Media

Erwin Dorst, van de schaduwen in de spotlights

Erwin Dorst, de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid, woont in Sittard. Ik sprak met hem over zijn nieuwe baan, zijn leven bij de special forces en over z’n werk op Schiphol. “Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder.”

Een heel correcte man die zijn kinderen van school haalt, die je vriendelijk gedag zegt en die soms in de supermarkt voor je in de rij staat met een mandje boodschappen. Elk jaar gaat hij een aantal weken met vakantie naar het buitenland, verder niets bijzonders. Dat is hoe de mensen in de buurt hem zouden beschrijven op alle plaatsen waar hij de afgelopen jaren heeft gewoond.

Voor z’n werk zit Erwin Dorst (37) ondertussen als peletonscommandant van de mariniers in conflictgebieden als Bosnië (2002) en Irak (2003), zorgt bij de marechaussee (KMar) voor de beveiliging van de ambassadeur in Libanon (2006) en schaduwt en arresteert in Nederland zware criminelen (2006-2010). Vervolgens is hij medeverantwoordelijk voor de beveiliging van Schiphol (2010-2012).

De afgelopen jaren leefde hij ‘in de schaduwen’. Een interview afgeven en op de foto gaan is dan ook even wennen. Maar goed, het hoort bij zijn nieuwe baan; vanaf november 2012 is hij de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid.

Zijn nieuwe functie biedt diverse uitdagingen, mede gezien de recente discussies over het verdelen van taken tussen politie, leger en marechaussee om efficiënt werken te bevorderen. En dan is er nog de Limburgse politiek met een eigen agenda, bijvoorbeeld in verband met de drugsoverlast in Maastricht. Maar eerst spreken we over zijn verleden – voor zover hij daarover mag praten.

Na tien maanden als peletonscommandant van de mariniers in Doorn, vertrekt Erwin Dorst in 2001 voor een jaar naar Curaçao. Terug in Doorn, intussen opgeklommen tot eerste luitenant, volgt uitzending naar Bosnië en Irak. Vervolgens wordt hij plaatsvervangend hoofd inlichtingen van het eerste mariniersbataljon in Doorn.

Tussen de opdrachten door, volgt hij de ene na de andere cursus en opleiding. Bijzonder was zijn jungle-training in 2004. “Dat was de tijd waarin Nederland bijna geen jungle-trainingen in Suriname deed, omdat dat tot spanningen zou kunnen leiden. Het verhaal ging dat bij het Surinaamse bewind de vrees bestond dat wij de heer Bouterse zouden komen ophalen.” (Desi Bouterse is in 2000 in Nederland bij verstek veroordeeld tot elf jaar wegens cocaïnesmokkel.)

Met een andere marinier komt Erwin Dorst daarom terecht in kamp Szuts in Frans-Guyana, bij het Vreemdelingenlegioen. “Legionairs stellen weinig vragen, doen wat opgedragen wordt. Het was een officiersopleiding, toch deden de militairen van het Legioen exact wat de commandant zei. Dat irriteerde me een beetje. Nederlandse officieren worden ook betaald om na te denken. Toch heb ik heel prettig met ze gewerkt. Het zijn heel professionele militairen.

De legionairs die ik ontmoette, kwamen veelal uit oorlogsgebieden, bijvoorbeeld uit voormalig Joegoslavië. In eigen land hebben ze gevochten, daar is de strijd over. Misschien hebben ze er iets opgebouwd of er een tic gekregen, en dan kiezen ze voor het Legioen, schijnbaar om hun leven als strijder voort te zetten.

De jungle-training was mooi, maar vreselijk zwaar. Niet zoals in de films. Anders gezegd: in de jungle, daar horen wij niet thuis. Het is een beetje als klimmen boven de zevenduizend meter; je gaat dood, maar als je goed voor jezelf zorgt, kun je dat proces enigszins vertragen.”

Hij leefde twee maanden ‘in het bos’, werd ’s nachts door een naburige kolonie brulapen uit z’n slaap gehouden en stond oog-in-oog met gifkikkers, gifslangen en spinnen. Tijdens een week survival lag hij ’s nachts uren stil op de grond. “Dan weet je dat er van alles over je heen kruipt. Dat doet wel iets met je.” Toch kijkt hij met plezier terug op deze bijzondere ervaring.

Vier jaar zit Erwin Dorst vervolgens bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Bij deze elite van de Nederlandse special forces was hij commandant van een arrestatieteam en vervolgens van een observatieteam.

“Arrestatieteams zijn gespecialiseerd in geweldsuitoefening. Ze richten zich op de aanhouding van zware criminelen en op technisch moeilijke aanhoudingen, zoals wanneer een verdachte in een auto voor de grens moet worden gestopt of zich ophoudt in een gebarricadeerd pand.

Het belangrijkste wapen van arrestatieteams is de verrassing. De aanhoudingen verlopen daarom heel snel en gaan soms ook met het nodige geweld gepaard. Voor het publiek is niet altijd goed te begrijpen wat er gebeurt, maar het kan niet anders.”

Observatieteams hebben dezelfde doelgroepen en verzamelen ter ondersteuning van de recherche bewijslast voor aanhoudingen. “Wij hielden ons niet bezig met ‘tappen’, maar met ‘fysieke observatie’; wat doet iemand tijdens zijn dag? Als hij van A naar B gaat, hoe doet hij dat en wat doet hij daar en hoe lang blijf hij daar? – dat soort zaken.”

Ook werden inkijkoperaties uitgevoerd. “Stel we vermoeden dat er een partij verdovende middelen in een loods ligt. Dan ga je naar binnen om te kijken, maar zonder dat het opvalt.

Als die drugs wordt aangetroffen, kun je niet meer de andere kant opkijken en moet je dus handelen. We hebben in Nederland een namelijk ‘doorlaatverbod’, mede door de IRT-affaire.

Vanuit de opsporing zou je wel eens een kleinere vis willen laten gaan ten behoeve van het grotere belang, want de grote vissen hebben de financiële middelen om steeds weer nieuwe kleine visjes in te schakelen, maar dat mag dus niet.”

Tijdens zijn BSB-tijd, in juli 2006, wordt hij vanwege zijn achtergrond bij de mariniers detachementscommandant van een bijzondere spoedoperatie in Libanon; de beveiliging van de ambassadeur in Beiroet.

Israël is op dat moment in oorlog met de in Zuid-Libanon actieve Hezbollah en heeft de Libische infrastructuur bestookt, waardoor de wegen naar Syrië en (vanaf 13 juli) ook de nationale luchthaven onbruikbaar zijn geworden. De internationale spanning loopt hoog op, er wordt gevreesd voor oorlog in het Midden-Oosten, en evacuatie van de ongeveer zevenhonderd Nederlandse burgers wordt noodzakelijk geacht.

Die operatie wordt, behalve door de vernielde infrastructuur en de Israelische bombardementen, bemoeilijkt doordat de toenmalige ambassadeur Gerard Jan van Epen vakantie viert in Nederland.

Zaterdag 15 juli krijgen de Nederlanders in Libanon, die via sms op de hoogte worden gehouden, van de ambassade bericht dat de evacuatie 17 juli plaatsvindt. Er zijn die maandag drie evacuaties van in totaal driehonderdvijftig Nederlanders, die met tien bussen vanuit Noord-Libanon naar Aleppo (Syrië) reizen, om van daaruit koers te zetten naar Nederland.

Die dag ook, vertrekt de ambassadeur vanuit Nederland richting Damascus. Hij probeert over land Beiroet te bereiken. Nadat Van Epen daar is aangekomen, arriveert het beveiligingsteam van Erwin Dorst – hoewel het misschien handiger was geweest om de ambassadeur met dat team mee te sturen.

“Wij zijn in burger Libanon binnengekomen. Een helicopter van de Engelsen heeft ons vanaf Cyprus naar Beiroet gevlogen en ons daar op de kade afgezet. De uitrusting en bewapening hadden we onopvallend bij ons. Na aankomst hebben we auto’s gehuurd en zijn we langzaam onze beveiligingsmissie gaan draaien.

Dit alles vergde goede voorbereiding en afstemming, met de helicopterpiloot, maar ook ter plaatse, want we moesten dwars door de stad. Het was een relatief hachelijke situatie, want we hadden niet één-twee-drie het land uitgekund.”

Vanaf mei 2010 is majoor Erwin Dorst plaatsvervangend brigadecommandant van de politie en beveiliging op Schiphol. Hij arriveert in een periode, waarin de beveiliging van de luchthaven onderwerp is van felle discussies.

Journalist Alberto Stegeman stopte in februari 2008 een nepbom in een passagiersvliegtuig. In januari 2009 bleek vervolgens uit een rapport van het KMar Expertisecentrum Luchtvaart (uit september 2008) dat de beveiliging op Schiphol kwetsbaar is doordat medewerkers, met name bij de douane, zijn vervangen door elektronische systemen. Ook zou er te weinig capaciteit zijn om criminaliteit en terrorisme aan te pakken.

Erwin Dorst: “Schiphol behoort tot de veiligste luchthavens van de wereld. Schiphol is een economische lifeline voor Nederland, dus als er wat gebeurt, is het gelijk voorpaginanieuws. Dat maakte ons werk heel lastig, want alles dat je deed, werd uitvergroot.

De incidenten die in de media komen, zoals rond Stegeman, vertekenen het beeld. Stegeman heeft als een soort klokkenluider een aantal zwaktes blootgelegd, maar het is niet zo dat Schiphol één grote gatenkaas is.

De beveiliging van Schiphol is een ketenverantwoordelijkheid. Daarbij gaat het om het spanningsveld tussen gebruiksvriendelijkheid (het economisch belang) en veiligheid. Honderd procent veilig, dat kan niet. Het is een complex geheel, een stad op een postzegel

Er was destijds ook kritiek op het particuliere beveiligingsbedrijf, maar over het algemeen doen de particuliere beveiligers op Schiphol het hartstikke goed, enkele rotte appels daargelaten.”

Is de luchthaven in de periode dat hij er werkte veiliger geworden? “Er werken achttienhonderd marechaussees op Schiphol, van wie vijfhonderd bij ‘mijn’ brigade. Binnen die club, met de rest heb ik me niet bemoeid, zijn processen verbeterd en dingen veranderd, maar om nu te zeggen: het is opeens veiliger geworden - nee, dat kan ik niet zeggen.”

In november 2012 krijgt hij het commando van KMar Limburg Zuid. Een uitdagende functie in een internationeel speelveld, waarin ook de politiek een rol speelt. Zo is de brigade sinds kort zijdelings betrokken bij het bestrijden van drugscriminaliteit in Maastricht - al is dat niet één van haar taken.

“Recent was er overleg tussen onder anderen de burgemeester van Maastricht en de minister van Veiligheid en Justitie. Toen heeft de marechausse gezegd: ‘Binnen de kaders van onze taakstelling willen wij ondersteuning bieden, met name in Maastricht.’ Het gaat dan om georganiseerde wietteelt.

Ik zal dat kort toelichten. Het lokale drugsbeleid in Maastricht drukt de handel in softdrugs de straten in. Softdrugsthematiek is vaak gekoppeld aan harddrugsthematiek. Hard- en softdrugs vallen onder de de nationale politie, maar harddrugscriminaliteit is al snel grensoverschrijdend. En grensoverschrijdende criminaliteit is onderdeel van onze portefeuille.

Wij hebben aan de grens echter niet de bevoegdheden van de politie (waar we uiteraard wel mee samenwerken). Wij staan als Mobiel Toezicht Veiligheid bij de grens om de Vreemdelingenwet te handhaven en ter voorkoming en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit. Het gaat dan om drugscriminaliteit, mensensmokkel en -handel, illegaal verblijf, identiteitsfraude en het witwassen van crimineel geld. We letten ook op gezochte personen en op signalen van mogelijk terrorisme. Daarbij zijn we alleen bevoegd tot toezicht op de inreis, niet op de uitreis.

Ook is onze capaciteit beperkt. Als brigade hebben wij diverse taken, zoals de grensbewaking op Maastricht Aachen Airport. We leveren ook de militaire politie voor het Joint Force Command in Brunssum. Mobiel Toezicht Veiligheid doe ik feitelijk met restcapaciteit.

Dus waar volgens sommigen voor de regio het grootste belang ligt – dat is afhankelijk van wie je het vraagt - en waar voor ons de grootste boeven te pakken zijn, ben ik continu aan het schuiven met mijn relatief beperkte capaciteit. Ik zou het liefst meer mensen inzetten op de grens, zowel op hoofd- als op B-wegen.

Verder is ons grenstoezicht beperkt in tijd en aantal. De uitdaging is om er te staan op de momenten dat er iets te halen valt. Dat is mogelijk doordat we heel gericht te werk gaan. Daar is onze de organisatie ook op ingericht. Vroeger hadden we veel indianen en weinig chiefs, nu hebben we veel chiefs (onder anderen mensen die informatie verzamelen) en heel weinig indianen (militairen die de uitvoering verzorgen).

Voor een goede informatiepositie werken we verder met relevante partijen samen in het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), dat in Limburg is opgehangen aan de gemeente Maastricht. Wij hebben daarbij als speerpunten mensenhandel en -smokkel en georganiseerde wietteelt. Die samenwerking functioneert heel goed.”

Intussen staat Erwin Dorst alweer bijna een jaar aan het roer van KMar Limburg Zuid, een functie die hij wat betreft verantwoordelijkheid en de bevoegdheid om te straffen vergelijkt met die van kapitein op een schip. Hoe ziet hij zijn organisatie en zijn eigen plek daarin, ook met het oog op de toekomst?

“Ik wil een goed team en geen eenheidsworst. Liefst een rariteitenkabinet, waarbij iedereen wordt gewaardeerd om zijn vaardigheden en capaciteiten. Die capaciteiten wil ik op basis van de juiste informatie op de juiste tijd op de juiste plek brengen.

Tot nu toe bevalt het me uitstekend. Ik ben een leider en ik ben ondernemend; ik ben geen manager. En hoewel ik natuurlijk mijn bevelen moet opvolgen, ben ik niet bij uitstek een volgzaam type. Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder. En dan past zo’n functie heel goed.”

Relativerend: “Je krijgt natuurlijk ook een hoop gezeik. Het gezeik van honderdvijftig mensen is voor mij. Je hebt een trechter, daar wordt allerlei ellende in gegooid, en onderaan die trechter, daar zit ik. Dat is niet altijd leuk, maar het hoort erbij. En dat vind je mooi of dat vind je niet mooi.”

Hij glimlacht. De tekst op zijn polsbandje, een souvenir van twee keer de Alp d’HuZes, spreekt boekdelen: ‘Opgeven is geen optie’. Voor Erwin Dorst is elk probleem een uitdaging.

Dit artikel is in augustus 2013 geschreven voor Hét Wijkkrantje.

Comments Off

admin op 14 September 2013 in Politiek & Media

In de resterende leegte danst het zonlicht

Voor mij begon het kiemen van overstijgend bewust zijn met denken over goed en slecht. De exacte les weet ik niet meer. Het was één van de eerste jaren op de middelbare school en we spraken over Hitler, voor velen de verpersoonlijking van het kwaad.

Ik had de euvele moed om te zeggen: “Ik kan me niet voorstellen dat die man alleen maar slecht was.” Er stak een storm van protest op, want dit was toch een uitgemaakte zaak?!

Ik discussieerde dat de vonken eraf sprongen, mijn hersens pijnigend om snel de juiste argumenten bij elkaar te zoeken en in stelling te brengen. Ik wist gerede twijfel te zaaien, en enkele medestanders te winnen, maar meer zat er niet in.

In mijn studententijd raakte ik gefascineerd door Nietzsche, met als gevolg dat ik na een tijd het kinderlijke ’slecht’ inwisselde voor het ‘kwaad’.

Nietzsche’s idee van een individuele, de moraal overstijgende ethiek sprak me aan – het waren mijn anti-autoritaire jaren.

Maar zo’n persoonlijke ethiek ontwikkelen vergt veel. Namelijk dat je zelf dag in, dag uit, jaar in, jaar uit je eigen rechter, aanklager en veroordeelde bent.

In die jaren begonnen ook mijn omzwervingen in de wereld van religie en spiritualiteit. Aanvankelijk vaak en later steeds minder getoetst aan het protestantse geloof waarin ik ben opgevoed.

Zonder rangorde kwam de informatie versnipperd naar me toe, vaak uit obscure bronnen en niet zelden voor een deel bestaand uit ’spiritueel’ geneuzel.

Inzicht werd moeizaam veroverd op de chaos, van boek tot boek en van artikel tot artikel; het was de pre-internet periode.

Geleidelijk begonnen de stromen van filosofie, theologie en esoterie naar elkaar toe te buigen. Toen de wateren weken, verhief zich mijn mens- en wereldbeeld als een eiland van gedachten, met innerlijk leven en zelfonderzoek als heersende religie.

Via meditatie in diverse gezelschappen en vormen - en door te leven! – ontdekte ik dat het overstijgen van goed en kwaad (en andere dichotomieën) ook op mijn eiland een rol speelt.

Zonder de nietzscheaanse wil tot macht, maar juist door de afwezigheid daarvan. Als er niemand meer in de spiegel te zien is, als er licht kiert tussen de gedachten en de driften. En de ander en het andere in zicht komen.

Voor mij heeft het ermee te maken dat je een ander zonder oordelen en met compassie durft te ontmoeten. Als dat gebeurt, kan er een verbinding ontstaan die het moment verguldt en vaak later zorgt voor nieuwe ervaringen. Al duurt het contact maar enkele seconden.

Absolute beelden, zoals over de slechtheid van Hitler of de goedheid van Boeddha, hebben we op mijn eiland al lang geleden in zee geworpen.

In de resterende leegte danst het zonlicht.

(Deze column is geschreven voor boeddhamagazine.nl, de foto is een fragment uit een werk van Jonathan Martin-DeMoor)

Comments Off

admin op 1 August 2013 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Expedities in de christelijke dating jungle

‘Man gezocht’ heet het boek van ‘HopefulGirl’, dat een tijdje geleden onverwacht in mijn bus lag (Ark Media, 2013). Het leek me een typisch vrouwenboek, in de trant van: “You Shopaholic, me Da Vinci Code”, maar de covertekst haalde me over: “Moet ik als een roofzuchtige oudere vrouw rond gaan loeren bij de studentenvereniging?”

De schrijfster van ‘Man Gezocht’ is een Britse die in een middelgrote stad ‘in de media’ werkt en leeft in een conservatief christelijk milieu, waarin haar kerk (’St. Cashmere’, de beschermheilige van de dure gebreide kleding) een belangrijke rol speelt.

Haar boek is gebaseerd op columns die ze schreef voor het christelijke Woman Alive Magazine, een blad ‘met een vaste column van een Wijze Moeder, diepgaande bijbelstudies over de beloften van God en praktisch advies om eenvoudiger te leven’.

En zo kom ik gelijk bij een belangrijk punt. Ik kan me voorstellen dat je als lezer van dat blad bij elk nummer uitkijkt naar de recente ervaringen van HopefulGirl in de christelijke dating jungle (”Wat heeft ze nu weer meegemaakt, guttegut”). Zet je die columns in een boek, dan is de beleving anders. Halverwege het boek had ik het eigenlijk wel gehad.

Dat de lust tot lezen me wat verging, komt niet door de belevenissen, maar door haar overdenkingen en afwegingen. Zo worden de mannen vaak als karikaturen neergezet, met name in de gevallen waarin er geen klik is. Hetis mogelijk dat zij allemaal van bordkarton zijn en aan elkaar hangen van complexen en frustraties, maar het lijkt er meer op dat de schrijfster dit doet om haar lieve – maar nogal beperkte - wereldbeeld te rechtvaardigen.

(De enige man bij wie ze dat niet doet, is TopBroer, die op een voetstuk staat en waar ze volgens mij stiekem de andere mannen aan afmeet.)

Aan haar wereldbeeld twijfelen, dat doet HopefulGirl bijna helemaal niet. Dat roept de vraag op: is zij zelf wel interessant genoeg? En dan gaat het niet over leeftijd en geverfd haar; mannen zijn echt meerdimensionale wezens - althans die zitten er zeker tussen. Maar bijvoorbeeld wat betreft geestelijke bagage, levenservaring en emotionele diepgang. (Met de humor zit het op papier wel goed).

Pas na zo’n twee jaar breekt voorzichtig het inzicht door dat ze misschien ook buiten haar christelijke cocon moet kijken voor ‘een gelijkwaardige partner’. En haar kinderwens, die biologisch druk op de ketel zet, moet ze daaraan blijven vasthouden en zo ja, waarom en voor wie? (In mei van het vierde jaar gaat ze hier pas over nadenken). Ook het idee van tien jaar leeftijdsverschil bij een stel wil maar niet indalen bij HopefulGirl.

Haar meningen en overtuigingen blijven onuitgewerkt - misschien wel omdat ze gesneden koek zijn voor haar doelgroep? Ook haar God komt niet goed uit de verf. Hij speelt meestal de rol van Grote Koppelaar: die christelijke modelman van haar, die komt er wel (en dan trouwen, kinderen en klaar – conform haar christelijke format). De grote vraag waarmee ik achterblijf, is dan ook: what makes her tick? Wat maakt haar aan het huilen, wat aan het lachen, hoe ziet haar vakantie eruit, waar wordt ze boos over, over welke mannen ligt ze in bed te fantaseren?

Toch valt er nog genoeg te beleven in dit boek. Al was het maar door de line up van mannen, die soms wel iets wegheeft van een freakshow. Neem bijvoorbeeld de zoeker die in zijn profiel schrijft: ‘Ik ben de laatste van mijn geslacht en heb geen stamhouder. Ik wil graag een mannelijke nakomeling verwekken die onze naam kan voortzetten, dus ik neem uitsluitend vruchtbare vrouwen in overweging. Verboden voor vrouwen in de overgang.’

Op een christelijk singlesfeest komt ze GemeneGijs tegen, een man die niet veel kwijt wil over zijn werk. In het groepje christenen waar HopefulGirl bij staat, geeft hij hints als: “Ik geef de hongerigen te eten, één voor één.” De hele groep denkt mee: ‘Een hulporganisatie wellicht? Nee. Na een half uur wisten we het antwoord uit hem los te krijgen. Hij werkt voor een supermarkt.’ En blijkt een engerd.

De huwelijksmarkt wordt bevolkt door jagers, mannelijke en vrouwelijke, leren we verder. Zo zijn er de wanhopige vrouwen, die ik maar even de poema’s noem: ‘Een vriend van me, die zelden meer een kerk van binnen ziet, zegt dat hij zich enorm ongemakkelijk voelde als hij door hongerig kijkende vrouwen werd opgezocht. “Ik wilde gewoon in alle rust van de dienst genieten”, zucht hij. (…) Het is nogal wat om te zien hoe mannelijke bezoekers subtiel worden belaagd door alleenstaande vrouwen, van wie de biologische klokken haast hoorbaar tikken.’

De mannelijke tegenhangers van de poema’s zijn de haaien: ‘Een haai is meestal in de vijftig, gescheiden en ziet het wel zitten (…) met een jongere, aantrekkelijkere vrouw. (…) Haaien zwemmen rondjes bij kerkelijke bijeenkomsten en tijdens het koffiedrinken, waarbij ze proberen een zwak vrouwtje te pakken te krijgen. Zodra ze een mogelijk slachtoffer hebben gevonden, proberen ze haar te scheiden van haar school. Ze worden overdreven aanhankelijk, komen te dichtbij staan en nodigen zichzelf uit om haar te komen helpen klussen.’

Voor de datende vrouwen heeft de schrijfster een lijstje met tips, bijvoorbeeld pleisters meenemen voor als nieuwe schoenen gaan knellen. ‘Niets verpest een date sneller dan dat je probeert te glimlachen terwijl er bloed langs je enkels omlaag sijpelt.’ Ook adviseert ze visitekaartjes (zodat er snel gegevens kunnen worden gewisseld zonder gepruts met pen en papiertjes) en een lijstje met gesprekspunten. ‘Als het gesprek doodbloedt, kun je even naar het toilet wegglippen, je aantekeningen erbij pakken en terugkomen met veel vragen om de boel weer op gang te krijgen’.

Voor mannen heeft ze een hilarisch lijstje met afknappers in de profielen: ‘Je ex-vrouw omschrijven als lui of smerig. Opscheppen over hoeveel je verdient of dat je tachtig keer kunt opdrukken. Doorlinken naar je blog waarop je vertelt hoe je de hele dag niet van het toilet af bent gekomen. Gebruikersnamen als GenieGozer en LekkereDirk. Beweren dat je er tien jaar jonger uitziet dat je bent. Dat bepalen wij wel.’

Dat lijstje heeft zelfs een tweede deel: ‘Topless op de foto. Het ziet er ijdel en wanhopig uit. Afgebeeld staan met je ex-vriendin of op een foto waaruit zij is weggeknipt. Nog erger, met haar gezicht uitgewist. Eng gewoon. Een groepsfoto plaatsen zonder uit te leggen wie jij bent. Het is geen grabbelton. Dreigend de lens in staren als een seriemoordenaar op een politiefoto. Frites en frikandellen in je mond proppen. Het lijkt misschien grappig maar het is niet aantrekkelijk.’

Aan welke 365 eisen de christelijke single mannen volgens de schrijfster wel moeten voldoen, dat lijstje kon ik zo snel niet terugvinden bij het schrijven van deze recensie. Gelukkig heet ze HopefulGirl, dat scheelt.

Comments Off

admin op 20 July 2013 in Boek & Meer

Leven vanuit het hart, hoe doe je dat eigenlijk?

Je hoort het vaak: van hoofd en buik naar het hart. Maar dat is niet zo eenvoudig, mede doordat volgens Jan den Boer emotie en gevoel vaak worden verward. Door training kan een deel van de emoties worden getransformeerd in gevoel en wordt leven vanuit het hart eenvoudiger. Hij schreef er een boek over: ‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ (De Driehoek, 2012).

Jan den Boer onderscheidt gevoel, emotie en denken op basis van de inzichten van neurowetenschapper Antonio Damasio, op wie hij sterk leunt. Deze meent dat emoties grotendeels onbewust zijn. Ze zijn vaak bigger than life en verbonden met ervaringen uit het verleden.

Gevoelens zijn vanuit innerlijke rust bewust waargenomen en daardoor getransformeerde emoties. Denken, ten slotte, is volgens Damasio uitsluitend reflectief, maar biedt ook ruimte voor intenties tot toekomstig gedrag; je kunt je gedrag niet direct sturen maar jezelf daartoe wel voor de langere termijn programmeren.

Jan den Boer is behalve door Damasio ook beïnvloed door het Tibetaans boeddhisme. Zo citeert hij Sogyal Rinpoche, die stelt dat pijn, angst en leed voortkomen uit ‘het hunkeren van de grijpende geest’ (al dan niet verdrongen begeerte die onrust veroorzaakt). Ook haalt hij Lama Yeshe aan, die poneert dat bewust waargenomen verlangen een bron van geluk kan zijn. Een andere boeddhist die hij opvoert is Tulku Lobsang Rinpoche. Deze gaat zelfs zover dat hij verlangen gelijkstelt aan verlichting, volgens Jan den Boer.

De vrije wil, waarvoor Damasio in weerwil van de populaire reductionistische neurowetenschappers speelruimte creëert door naast onbewuste ook bewuste emoties te benoemen, kunnen we volgens Jan den Boer door training steeds beter aanwenden om bij sterke emoties, gedachten en impulsen (het grijpen vanuit begeerte en het verlangen daarnaar) weloverwogen te kiezen. Bijvoorbeeld door verlangen bewust te beschouwen en er onthecht van te genieten, zoals Lama Yeshe en Tulku Lobsang Rinpoche adviseren.

Hiervoor is harttraining nodig. Een hulpmiddel daarbij, is om ons blikveld verbreden zodat de woeste hoge golven van het heftige moment verworden tot rimpelingen in de oceaan. Dit biedt overzicht, ruimte voor inzicht (via het lichaam) en leidt tot meer rust.

De schrijver creëert hiervoor een soort stille ruimte. Dit alchemistisch laboratorium, door hem stiltepunt genoemd, is gesitueerd in het zwaartepunt van emotie, gevoel en ratio. Van daaruit kunnen we beter onderscheiden op basis van onze getrainde intenties, waarbij Jan den Boer de voorkeur geeft aan de gevoelens van het hart (boven de buikgerelateerde onbewuste emoties en de hoofdgerelateerde reflectieve gedachten).

Veel van ons gedrag is niet te sturen, maar door deze training kunnen we volgens hem het werkgebied van de vrije wil vergroten en diens kracht versterken (mede door rationeel intenties te formuleren voor toekomstig gedrag) en daardoor leven vanuit het hart bevorderen.

‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ komt ook uit het hart. Dat merk je vooral in gedeelten waarin je de echo van persoonlijke ervaringen tussen de ‘neutrale’ regels hoort. Maar het is geschreven met het hoofd. En dat hoofd zat schijnbaar op dat moment te vol om duidelijke keuzes te maken wat betreft insteek, inhoud, vormen en opbouw.

Als lezer wil ik niet met de schrijver op reis, ik wil de mooie verhalen horen over zijn reis.

Is het een vertoog over een filosofisch systeem (waarvan ik hoop dat ik het hierboven goed heb samengevat) met als uitwerking de mogelijke maatschappelijke toepassingen (volgens het concept: hedendaagse wetenschap ontmoet oosterse filosofie)? Of is het een populair boek voor in mindfulness geïnteresseerden (met een beknopte beschrijving van de theorie en vooral veel tips, voorbeelden, oefeningen en ervaringen)?

Ik denk dat het begon als het één en uitgroeide tot geen van beide. Het boek wil te veel zijn voor te veel verschillende lezers. Dat is jammer, want hoe je omgaat met emoties en gevoelens is erg belangrijk in de omgang met anderen, zeker nu hufterigheid steeds meer terrein wint. De theorie en aanpak van Jan den Boer lijken daar een waardevolle bijdrage aan te kunnen leveren.

(Afbeelding gestolen bij pulpfactor.com).

Comments Off

admin op 18 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Shirdi Sai Baba, het best bewaarde geheim van India

Begin jaren negentig, India. Ver voor de mobiele telefoon gemeengoed is en het land economisch aan een globale opmars begint. Ik wacht op een trein die voorlopig niet komt en raak in gesprek met een Engelsman. Hij geeft me brood, ik geef hem een banaan. Hij is een leraar Engels uit Groot-Brittannië die speldjes van Sai Baba verkoopt om rond te komen. Niet de in 2011 overleden goeroe die in het westen bekend is, maar de eerste Sai Baba, die uit Shirdi.

De leraar vertelt en ik val van de ene verbazing in de andere. Er is wel eens geschreven dat mensen over honderd jaar niet zouden geloven dat Gandhi werkelijk heeft geleefd. Wel, dat zou je misschien wel met nog meer recht kunnen zeggen van Sai Baba van Shirdi, bedenk ik me, terwijl de leraar het ene na het andere verhaal oplepelt.

Sai Baba van Shirdi ging voorbij aan gebruiken en kasten, voelde zich als een vis in het water binnen zowel islam als hindoeïsme, en verrichtte vele tientallen wonderen om er leringen uit te (laten) trekken. Voor de toegewijden was hij een god, een wezen dat de mens overstijgt in kennis en kunde door het bereikte niveau van eenwording en inzicht (hij noemde zichzelf overigens nooit een god, wel “een nederige dienaar van God”).

Onder de indruk van de kleurrijke verhalen - en erg verbaasd dat ik nooit eerder van hem heb gehoord hoewel hij nog niet zo lang geleden heeft geleefd - koop ik van de leraar een munt met een afbeelding van Sai Baba van Shirdi. In de dagen die volgen, ga ik op zoek naar een Engelse biografie over deze uitzonderlijke man. Deze grote onbekende.

Een paar jaar later kom ik per toeval terecht bij de kleine man met de grote ronde bos kroeshaar die claimde zijn incarnatie te zijn; Satya Sai Baba in Puttaparthi. Mijn ervaring daar is onvergetelijk, ook al kende ik toen reeds de kritische artikelen en filmopnames, maar op de achtergrond bleef ‘de echte Sai Baba’ in mijn bewustzijn aanwezig.

Onlangs kwam Sai Baba uit Shirdi weer in mijn aandachtsveld door de Bollywood-film ‘Shirdi Sai‘ die vorig jaar is uitgekomen. Het is een prachtig en kleurrijk spektakel, compleet met de voor het genre typische dans, zang en aandoenlijke slechteriken (die nog niet tot het juiste inzicht zijn gekomen).

Tijdens het zoeken naar informatie over de film ontdekte ik dat er vorig jaar ook een boek over Sai Baba van Shirdi is uitgekomen, in het Nederlands nog wel. ‘Zeven Dagen Shirdi Sai‘ verscheen in 2012 bij Uitgeverij Tattwa in Olderbekoop. Deze vuistdikke Sai Baba ‘bijbel’ telt 480 pagina’s en is gebaseerd op de biografie ‘Sri Sai Satcharitra’ van ‘Hemadpant’, aangevuld met een groot aantal verhalen uit andere bronnen.

Het boek schetst een veelzijdig beeld van deze ’sadgoeroe’ (ware goeroe / verlichte leraar die leerlingen binnen zijn traditie inwijdt) dat niet aansluit bij het verwachtingspatroon dat veel westerlingen hebben van Indiase goeroes. Misschien is Sai Baba van Shirdi daardoor zo fascinerend.

Zo kon deze ware heilige indrukwekkend boos worden (schijnbaar om de voor dat doel gepersonaliseerde negatieve energieën op te nemen en te verslaan). Ook ging hij vaak in tegen religieuze en maatschappelijke voorschriften van zowel hindoes als moslims, meestal met het doel om achterliggende patronen in leringen en levens inzichtelijk te maken. Dit wordt zijn ‘goddelijk spel’ genoemd.

Sai Baba van Shirdi (1835-1918) had naar wereldlijke begrippen vrijwel niets; onder meer wat kleren, sandalen, een verzameling stenen pijpjes, een kleine maalsteen, een kookpot, een paar blikken om mee te bedelen en een heilige staf. Als kussen gebruikte hij een baksteen. Het geld dat hij de laatste jaren van zijn leven vroeg aan volgelingen, gaf hij vrijwel allemaal weg. Hij maakte geen onderscheid tussen mensen en was één met wat leeft, inclusief planten en dieren.

Over vijf jaar is het honderd jaar geleden dat deze heilige overleed (15 oktober 1918) en nog steeds is in India de herinnering aan hem springlevend. Hij heeft vele volgelingen (Shirdi is nu een bedevaartplaats met een sterk groeiende ‘relibusiness’ die dagelijks honderdduizend bezoekers zou trekken), maar buiten India is Shirdi Sai Baba nog steeds zo goed als onbekend. Daarmee is hij misschien wel het best bewaarde geheim van India.

De liefde voor Shirdi Sai Baba, die van zijn volgelingen volledige toewijding vroeg, wordt gevoed doordat hij grenzen oversteeg en misschien nog wel meer door de inspirerende levenslessen die hij mensen leerde. De hoogste tijd dus, om enkele van die verhalen aan te halen, zoals beschreven in ‘Zeven Dagen Shirdi Sai’.

Er zijn diverse verhalen waarin Sai Baba van Shirdi lijden en ziekte van gelovigen op zich neemt. Een voorbeeld: mevrouw Khaparde komt met haar zoontje Balwanth naar Shirdi. De tweede dag na aankomst krijgt de jongen koorts. Hij heeft overal builen op z’n lichaam. De moeder gaat wanhopig naar Sai Baba. Die toont haar vier rijpe gezwellen op zijn lijf, ze zo groot als eieren. Hij zegt: “Kijk hoe ik lijd voor mijn toegewijden.”

Een volgeling raakt de goeroe aan en wat blijkt: Sai Baba heeft hoge koorts. De moeder is ontzet. “Heeft de ziekte [de builenpest, die toen heerste] niet alleen mijn zoon te pakken, maar ook u? Wie zal u beschermen?” Sai Baba berispt haar voor haar kleine geloof en zij biedt haar excuses aan. Daarna zakt zijn koorts en bij terugkomst ontdekt mevrouw Khaparde dat de koorts en de builen bij Balwanth zijn verdwenen.

Ook staan er verhalen in het boek over mensen en dieren die ogenschijnlijk dood zijn en weer tot leven worden gewekt. Een mooie geschiedenis met een even grote epische kracht is die over Sai Baba’s strijd met behulp van zijn stok om een enorm zwaar onweer uit het dorp te verdrijven.

Een citaat: ‘Weer kwam er een hevige blikseminslag en weer sloeg Baba op de grond en vroeg de regengod om weg te gaan uit Shirdi. Dit gebeurde drie keer. Het was duidelijk een gevecht tussen twee reuzen, maar binnen enkele minuten legde de storm zich neer bij Baba’s verzoek om zijn terugtocht.’

De volgeling Jyotindra Tarkhad vraagt Sai Baba later wat er eigenlijk gebeurd is. Deze zegt: “Als mijn toegewijden in nood zijn, bid ik tot de Heer van het universum om zijn genade op hen te laten neerdalen, en de Heer schiet mij dan te hulp.”

Er staan te veel prachtige verhalen in om hier aan te halen. Een uitzondering maak ik graag voor de beschrijvingen van de ‘goddelijke clown’ Nanavalli. Deze maakte deel uit van de entourage van de heilige, had zichzelf de titel ‘Generaal van Sai Baba’s leger’ gegeven, liep soms naakt of in oude zakken rond, had slangen in zijn zakken en schorpioenen in zijn mond. Nanavalli had overduidelijk in zichzelf al veel grenzen geslecht.

Er zijn tijdgenoten die hem herinneren als moslim, maar ook veel die hem zagen als een brahmaan (een parallel met Sai Baba, die hij ‘mijn oom’ noemde). De meeste mensen beschouwden hem echter vooral als een gevaarlijke gek. (Jyotindra Tarkhad was één van de weinigen die Nanavalli zag als iemand die een intelligent spel vol apenstreken speelt om mensen tot inzicht te brengen.)

In de legendarisch geworden verhalen reageerde Nanavalli met explosieve acties om bepaalde structurele misstanden aan de kaak te stellen. Zo kwamen er vaak mensen naar Sai Baba die hem om materiële zaken vroegen. Een groep handelaren maakt het op een dag erg bont. Nanavalli loopt geërgerd naar voren en roept: “Fakir! Ik wil een grote boom die onmiddellijk geld voortbrengt. (…) Hij moet al geld geven op het moment dat hij ontkiemt.” Baba kalmeert hem en verzekert hem dat hij zijn verzoek zeker zal inwilligen. Nanavalli gaat daarop lachend weg.

Een andere keer maakt hij het nog bonter volgens veel mensen. Sai Baba heeft intussen een fraaie stoel gekregen als gevolg van de toenemende hulde door zijn groeiende bekendheid. Hij zit daarop als Nanavalli op een dag naar binnen stiert en tot afgrijzen van de aanwezigen van Sai Baba eist dat die opstaat zodat hij op de stoel van de goeroe kan zitten. Zo’n stoel is als een troon van en voor de allerhoogste, en z’n eis is dan ook ronduit schokkend.

Sommige toegewijden willen hem wegsleuren maar Sai Baba, die het innerlijk van Nanavalli kent, brengt hen tot bedaren. Nanavalli blijft even op de stoel van Sai Baba zitten en na een tijdje zegt hij: “Uitstekend, goed gedaan!” Daarna staat hij op en Sai Baba gaat weer zitten. Nanavalli knielt aan diens voeten en gaat daarna extatisch dansend weg; in de vorm van goddelijke gekte heeft hij weer een zeer geslaagde les gegeven.

In ‘Zeven dagen Shirdi Sai’ worden de markante gebeurtenissen in het leven van de goeroe verteld, aangevuld met thematische hoofdstukken, bijvoorbeeld toegespitst op geld, leringen, bescherming en alwetendheid. Hierdoor schetst het boek een goed beeld van wat Sai Baba van Shirdi leerde door één te zijn met elk leven, ongeacht plaats en tijd, en vanuit een diepe compassie in te grijpen en/of te verduidelijken. Het zijn verhalen die je bijblijven. Soms zelfs meer dan twintig jaar.

Comments Off

admin op 8 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jacqueline & Roos over BDSM

Als klein meisje had Jacqueline (41) al fantasieën waarin ze mensen martelde op een zelf ontworpen tafel. Later komt ze in aanraking met de wereld van BDSM, waar ze ook haar huidige man ontmoet. Die onderwerpt zich maar al te graag aan haar sadistische neigingen.

Ze zou de buurvrouw kunnen zijn van wie je een kopje suiker leent. Maar ze is ook de dominant die haar man vernedert wanneer ze samen spelen, bijvoorbeeld door de as van haar sigaret in zijn mond af te tippen terwijl ze met een vriendin belt. Of door naar bed te gaan met een andere man, terwijl hij beneden op haar wacht.

Jacqueline heeft al sinds haar jeugd sadistische en dominante neigingen. “Ik ben opgegroeid bij mijn vader in Frankrijk. Ik had een vrij normale jeugd met vriendjes en hechte vriendschappen. Op de middelbare school was ik een van de populaire meiden.”

Maar ze leest ook Markies de Sade (achttiende-eeuwse Franse schrijver van pornografische literatuur, van wiens naam de term ‘sadomasochisme’ is afgeleid, red.) en heeft stiekem haar eigen sadistische fantasieën. Al op haar elfde.

“Ik fantaseerde meestal dat ik iemand ontvoerde, die ik vervolgens martelde. Daarvoor had ik een marteltuig bedacht, een soort tafel. Vrij middeleeuws. Ik vond het wel erg verontrustend. In die periode waren de Tweede Wereldoorlog en de concentratiekampen nog veel meer aanwezig in de gedachten van mensen dan nu. De enige sadisten die ik kende, waren beulen uit Auschwitz-achtige situaties en dat vond ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk dat mensen anderen zoiets konden aandoen.

Maar toch heb je fantasieën die die kant op gaan. Dan krijg je een soort tweestrijd. Ben ik nou eigenlijk een soort SS-beul of een seriemoordenaar? Tijdens mijn pubertijd vroeg ik me vaak af wat nou het verschil was tussen mij en dat soort mensen. Dat was erg verwarrend. Tegelijk heb ik me gelukkig nooit een slecht mens gevoeld. Zelfs toen niet.”

Als jongvolwassene doet Jacqueline niets met haar sadistische fantasieën. Ze blijft wel zoeken naar antwoorden. “Ik ontdekte eindelijk het grote verschil: zij hebben geen geweten en ik wel. Het gaat er niet om wat iemand een kick geeft, maar op welke manier je doet wat je doet. Dat gaf mij rust en ruimte.”

Op haar twintigste komt Jacqueline, intussen bevallen van haar eerste kind, naar Nederland. Ze heeft een relatie in Zeeuws-Vlaanderen en krijgt nog twee kinderen. Dan verhuist ze naar Brabant, waar ze een andere man leert kennen. In die tijd komt internet op en besluit ze iets te gaan doen met haar sadistische fantasieën. Via internetfora en bijeenkomsten voor BDSM’ers ontmoet ze gelijkgestemden.

Het was heel erg thuiskomen. Voor mij was het een opluchting om te ontdekken dat het niet allemaal freaks waren, maar leuke, aimabele mensen met gevoel voor humor. Ik ben weggegaan bij mijn ex en op mijn eerste BDSM-feest kwam ik mijn huidige man tegen. In 2001 zijn we getrouwd.

Eigenlijk is het best wel opmerkelijk dat we een relatie met elkaar aangingen. Mijn man begon als dominant. Toen ik hem tegenkwam, was hij op zoek naar alles wat ik níét was: een onderdanige, kinderloze vrouw. Hij was een anglofiel en viel op blond. Ik ben een halve Française met donker haar. Toch was het liefde op het eerste gezicht. Heel romantisch.”

Hun relatie begon zonder BDSM, vertelt Jacqueline. “Maar al snel gaf hij aan dat hij het wel leuk zou vinden ‘als er af en toe dingetjes met hem zouden gebeuren’. Na een tijdje was het: ‘Misschien ben ik wel een switch.’

In de BDSM-wereld is een switch iemand die kan wisselen tussen de dominante en de onderdanige rol. Zelf zou ik dat niet kunnen, maar ik vond het prima. Weer later was het: ‘Misschien ben ik wel een sub.’ Dat is een afkorting van submissive, de Engelse term voor ‘onderdanig’. En uiteindelijk was het: ‘Ik ben gewoon Jacquelines slaaf.’

Mijn man en ik hebben wat wij een DS-relatie noemen. Dat betekent dat ik in het dagelijkse leven de baas ben. Je zou het kunnen omschrijven als een soort huwelijk uit de jaren vijftig, maar dan met een omgekeerd rolpatroon.

Het heeft niet alleen te maken met seks, het is een integraal onderdeel van ons leven. Sommige zaken in onze relatie zijn ook vrij traditioneel. Zo ben ik degene die altijd kookt. Hij werkt, ik ben braaf thuis. Al doet hij meer in het huishouden dan ik. Dat is zijn dienstbare kant. Ik ben in onze relatie weer degene die de besluiten neemt. Belangrijke besluiten, zoals bijvoorbeeld over geld en vakanties. Maar ook kleinere besluiten. Bijvoorbeeld of hij een biertje mag drinken. Dat vinden we allebei fijn.

Soms doe ik hem pijn. Ik ben tenslotte een sadiste. Sadisme heeft voor mij te maken met seksualiteit. Het is een voorkeur op seksueel en relationeel gebied die bij me past. Het staat los van rolpatronen en mijn opvoeding.

Dat ik mezelf een sadiste noem, betekent niet dat ik altijd en overal iedereen pijn wil doen. Ik vind het afschuwelijk als ik bijvoorbeeld iemand per ongeluk aanstoot bij de bushalte. Alleen onder de juiste omstandigheden vind ik het heel leuk om mensen pijn te doen. Belangrijk is dat de ander er ook een bepaald plezier aan beleeft. Dat het iemand is die ik graag mag en dat er wederzijdse instemming is. Als mijn man, al is hij mijn sub, hier niet mee zou instemmen, is er sprake van mishandeling. En dat is gewoon verkeerd.

Dat ik iemand graag mag, is heel belangrijk. Pijn op zich is niet het belangrijkst, het is een vorm om liefde te tonen. Als ik iemand pijn doe, binnen de BDSM-context, is dat een heel intiem, waardevol en liefdevol iets. Je doet het voor elkaars plezier, om intimiteit te beleven en om samen wat op te bouwen. Het is iets moois. Samen iets delen met een partner, samen iets beleven.

Buiten onze relatie gedraag ik me op een ‘normale’ manier. Ik heb niet het gevoel dat ik moet proberen om iedereen te overheersen. Dat ik de dominant van mijn man ben, betekent nog niet dat ik de dominant van iederéén ben. Op mijn werk, als commercieel medewerker binnendienst, kon ik heel meegaand zijn. Daar moest ik klanten zo goed mogelijk van dienst zijn. En als ik op een feestje een andere sub tegenkom, ben ik ook niet meteen de dominant van die sub.

Mijn man en ik zijn allebei blij met de relatievorm die we hebben gekozen, maar het is soms ook moeilijk. Een relatie is sowieso al ingewikkeld en zeker een relatie zoals de onze, in een maatschappij waarin partners over alle belangrijke besluiten zouden moeten onderhandelen. Bij ons is het anders, maar toch wil je de ander steunen en laten groeien zodat die zichzelf kan zijn. Dus je bent de hele tijd een weg aan het zoeken.

Het ene moment denk je: hoe creëer je een relatie waarin één persoon veel macht heeft? Op een ander moment denk je: dat is te ver doorgevoerd. Dan ga je weer een beetje terug. Je geeft samen vorm en inhoud aan een relatie waarin je je allebei gelukkig voelt. Ik denk eigenlijk dat wij een vrij normale relatie hebben, als je alles bij elkaar optelt.”

Roos (29) is lerares op een basisschool. Iemand die de touwtjes stevig in handen heeft. Thuis heeft ze echter een meester die haar de les voorschrijft. En soms gebeurt dat met harde hand. Roos vindt het heerlijk!

Ze voelt de ogen in haar rug prikken. Gesprekken vallen stil als ze binnenkomt of er wordt stiekem wat lacherig gedaan. Roos en haar vriend Tim hebben een zogenoemde DS-relatie, waarbij DS een afkorting is van het Engelse dominance-submission. Zij is onderdanig, hij dominant. Dat maakt haar ‘raar’ in het dorp waar ze woont: een gehucht waar iedereen elkaar kent en nieuwkomers vorsend worden aangestaard vanachter glanzende ruiten.

“Het is hier heel conservatief, ouderwets en bekrompen”, vertelt Roos. “Je moet hier vooral niet opvallen. Gewoon netjes elke week je gras maaien, je tuintje schoffelen en de ramen netjes zemen.”

Veel mensen in het dorp hebben volgens Roos een ‘Jambers’-beeld van BDSM: “Donkere kelders, veel leer en veel slaan, het liefst tot bloedens toe. En het is vooral niet leuk. SM is veel pijn, angst en narigheid.” De werkelijkheid is veel genuanceerder, maar die eerste indruk blijft bij veel mensen hangen. Ook bij haar vader.

“Op een dag belde hij me woedend op. Hij zei dat hij wel wist wat ik in het weekend allemaal uitspookte. Dat hij zich doodschaamde voor mij. Dat mijn moeder zich zou omdraaien in haar graf en dat het maar eens afgelopen moest zijn met die achterlijkheid. Dat ik een nette vrouw moest worden.

Als hij nu bezorgd was geweest om mij, of boos op Tim, dan had ik het nog begrepen. Wel lief gevonden misschien. Maar hij was bang dat wij er last van zouden krijgen en dat onze dochter er later mee gepest zou worden. Hij was boos omdat we hem dit aandeden.”

Het stel wilde eerst vertrekken naar de Randstad, waar Tim een appartement had, maar uiteindelijk werd het uitgepraat met Roos’ vader en is Tim bij haar ingetrokken.

“Tim heeft hem de waarheid gezegd: ‘Als je je kleinkind wilt leren kennen, dan ben je van harte welkom, maar dit zijn wij. Accepteer het of niet. Het is heel simpel.’ Mijn vader heeft later z’n excuses aangeboden, maar het contact blijft moeizaam.”

Roos had haar eerste ervaringen met BDSM in haar jeugd. “Van mijn zeventiende tot mijn negentiende had ik een relatie met een jongen. We probeerden heel veel uit in bed. Ik merkte dat ik opgewonden raakte wanneer hij me overheerste, als ik hem de touwtjes in handen gaf. Ik genoot ervan om niet te weten wat er ging gebeuren. Jaren later, in 2006, kwam ik op internet op een BDSM-site terecht en dat voelde meteen als thuiskomen.

Het ter beschikking stellen van mijn lichaam geeft me een enorme kick. Ik ben zeker geen slavin of onderdanig persoon in het dagelijkse leven en ook gelijkwaardige seks vind ik leuk. Maar in de handen van de juiste man, die op dezelfde manier omgaat met BDSM als ik, kan ik een onderdanig sletje zijn. Maar als je denkt dat ik me moet gedragen als een soort lager wezen dat elk bevel klakkeloos opvolgt, dan heb je het mis. Dan tref je de überbitch in mij.”

Op de basisschool was Roos een dominant type. “Ik was een kattenkop, wilde graag m’n zin krijgen. Ik kon goed leren en had veel speelkameraadjes. Echte vrienden kreeg ik pas later, toen ik lid werd van een jeugdvereniging, een soort scouting. Stoer en gezellig, maar ook heel gedisciplineerd.”

Na de middelbare school ging ze naar de pabo. “In een dorpje in de buurt heb ik zes jaar groep zeven gedaan. Heel veel geleerd. Ontzettend op m’n bek gegaan in het begin. Ik heb zware jaren gehad. Heel moeilijk publiek. Ouders die het moeilijk vonden om de fouten van hun kinderen te zien. En het was geen veilig team. Je werd niet gedragen door de leiding.

Op een gegeven moment heb ik hulp gevraagd. Ik kreeg die groep gewoon niet onder de duim. Daar is niets mee gebeurd en twee jaar later zat ik thuis met een burn-out. Tim en ik hadden toen net een relatie, ik was onverwacht zwanger en het groeide me allemaal boven het hoofd. Toen heeft Tim me ziek gemeld. Ik ben tot de bevalling thuisgebleven. Sinds begin vorig jaar sta ik weer voor de klas op een andere school. Ik werk met plezier vier dagen in de week en heb nu veel meer mogelijkheden om door te groeien.”

In hun vrije tijd gaan Roos en Tim veel uit in het BDSM-wereldje. “Dat vormt een groot deel van ons sociale leven. Met mijn oude ‘vanille’-vrienden (seks waarbij BDSM geen rol speelt en mensen die niet actief zijn in BDSM worden vaak met de term ‘vanille’ aangeduid, red.) ga ik bijna niet meer om. Dat komt ook omdat ik een kind heb en zij niet. Dan heb je een ander leven.”

Tijdens die BDSM-bijeenkomsten wordt er normale kleding gedragen. “Het is echt niet zo dat iedereen naakt is en in elkaar gemept wordt. Het is gewoon gezellig. Spelletjes doen en wat drinken en praten. Je kunt er jezelf zijn. Als we samen met andere stellen met een DS-relatie zijn, vinden wij het niet raar als een vrouw aan haar partner vraagt of ze buiten een sigaret mag gaan roken of naar de wc mag. Dat kunnen afspraken zijn tussen mensen.

Wanneer iemand het lekker vindt om even bij z’n dominant op de grond of op schoot te zitten, wordt dat als normaal gezien. Dat doe je niet zo snel bij vanillevrienden. In de BDSM-wereld is het één grote knuffel-hippiezooi, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Vorige week hadden we een van de meest epische bijeenkomsten in tijden. We hebben stoofpotten gegeten. Het was een wedstrijdje ‘wie maakt de lekkerste stoofpot’ en dat met allemaal kinksters.

Daarnaast zijn er de speelfeestjes. Op zulke feestjes neem je je eigen spullen mee, zoals zwepen, dildo’s, riemen, vibrators en touwen. Meestal is er een cafégedeelte en daarnaast zijn er speelkamers met attributen die je kunt gebruiken.

Op die feesten wordt niet veel gesekst. Je ziet wat orale en manuele seks, weinig echte seks. Zelf vind ik het leuk om op feesten eens met een andreaskruis of een bondagebok te spelen, omdat we die thuis niet hebben. Dat zijn houten installaties waaraan een sub wordt vastgemaakt om seksueel te worden misbruikt en anderszins te worden vernederd.

Er zijn twee soorten feesten. Op een ‘level één’-feest speelt een dominant alleen met z’n eigen sub. Niemand zal dan ongevraagd aan je zitten of zich met je spel bemoeien. Dat gaat in tegen de etiquette. Op een ‘level twee’-feest kan het zo zijn dat je als sub met alle dominanten moet spelen, ook met mensen met wie je dat eigenlijk liever niet zou doen.

De avond voor zo’n ‘level twee’-feest zegt Tim bijvoorbeeld tegen me: ‘Ik wil dat je me trots maakt.’ Dat probeer ik dan te doen. Als op zo’n feest een dominant wil dat ik voor hem op de knieën ga, doe ik dat voor Tim. Omdat hij dat wil. Hij is mijn meester.

Mijn kick is afhankelijk van de mate waarin ik de macht over mijn lichaam overdraag. Tim kan ook de macht over mijn geest krijgen, maar daar moet hij meer moeite voor doen. Hij moet dan proberen om in mijn hoofd te gaan zitten. Dat kan met pijn, maar ook door wekenlang hints te geven over wat hij met me gaat doen. Ik denk dan: ik wil het niet, het mag niet, het kan niet, het is niet netjes. Maar het is ook heel opwindend. Ik wil het stiekem tóch.”

Roos, die sinds kort haar dominante gevoelens verkent, voelt zich helemaal thuis in de beslotenheid van de BDSM-wereld. Mede doordat vrouwen elkaar niet als concurrenten behandelen, zoals in de vanillewereld.

En het is heel veilig. Op een gemiddeld BDSM-feest voel ik me veel meer op m’n gemak dan op een vanillefeest. Het is openbaar en er lopen spelleiders rond. Verder is het een ongeschreven regel dat je niet drinkt als er nog gespeeld moet worden.

Bovenal is het een warme, hechte gemeenschap. De vriendschappen zijn er vaak intiemer en dieper. Je praat over hoe je je seksualiteit beleeft en hoe je je voelt. Soms bespreek je zelfs je fantasieën. Dat schept een band. En we helpen elkaar, bijvoorbeeld met verhuizen.

Zeker, op internet wordt heel wat gediscussieerd. Een aantal mensen vindt zichzelf geweldig en blaast hoog van de toren. Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat. Een dominant mag dit niet en een sub moet dat, enzovoorts. Ach, wat dat betreft is het net een dorp!”

Deze artikelen verschenen begin 2013 als BDSM-special in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 17 June 2013 in Ongewoon & Anders

Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Hemels labyrint


Hemels labyrint

Onder sterrengloed gevonden,
schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,
die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,
dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken, [zijpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,
onverlet naar de oorsprong gaat.

[Laat uw hart spreken,] [hoofdpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,
de natuur in zuivere vormen raakt.

Beschouw de daden,
die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,
onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,
zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen
en wees die wordt verwacht.

U ziet, van mij rest louter stam,
voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant
en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het gedicht de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Comments Off

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media