Spiralend omhoog, als een buizerd op warme lucht

‘In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.’ Rust en snelheid gaan heel goed samen bij de zweefvliegers van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club in Schinveld. Een reportage.

De koeien kijken meewarig uit hun grote, waterige ogen. Als de auto stapvoets nadert, sjokken ze doodgemoedereerd naar de kant, hun scherpe horens afgewend. Rustig rollen we verder, voorbij een verrassende kleiberg in het verder vlakke landschap, dan links een groen straatje in, zoals de bordjes zeggen – zitten we hier echt wel goed? Met elke groene kilometer trekt de landelijke rust dieper in ons vlees en geven we ons meer over. Gestaag kachelen we voort, dakraampje open, zon op het hoofd en één hand op het stuur. We zijn om; vandaag gaan wij ons niet meer druk maken.

Het clubhuis annex restaurant van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club ligt aan een bosrand in het noordelijke deel van de Schinveldse Bossen, Zuid-Limburgs grootste aaneengesloten natuurgebied. Omdat het clubhuis gesloten is, wandelen we naar de hangars, die eruit zien als oude fabriekshallen. Ron Merckelbach is daar net afgezet door een oude mercedes met een zwaailicht op het dak die wordt gebruikt om de kabels uit te rijden. Vandaag zal hij ons binnenlaten in zijn wereld, of beter gezegd: zijn persoonlijke luchtruim; de Sittardenaar is verslingerd aan zweefvliegen en wil daar graag over vertellen.

Op de aangrenzende camping, waar ELZC-leden in het seizoen mogen kamperen, ploffen we neer in de gereedstaande stoelen onder het afdak van zijn caravan. ‘In mijn jeugd heb ik ooit de keuring van de luchtmacht gedaan. Ik ben een heel eind gekomen, maar uiteindelijk toch afgevallen. Toen kostte zweefvliegen twaalfhonderd gulden per jaar, kan ik me herinneren, en dat was voor mij niet weggelegd. Ben ik jaren vliegtuigspotter geweest; dagen langs het veld. Met een vriend ging ik daarvoor heel Europa rond. In Engeland had je destijds de beste vliegshows. Dan gingen we vroeg op, over met de boot, en dan dezelfde dag terug.’

Via een collega is hij drie jaar geleden alsnog gaan zweefvliegen. Om de twee weken strijkt hij hier neer op de camping. ‘Het is een beetje vakantie voor me. Voor mij is dit goedkoper dan een jaarplaats op een normale camping èn ik kan vliegen. Per jaar maak ik zo’n veertig tot vijftig starts, drie tot vier op een dag - als het weer meezit. Het vliegen is heel solistisch, maar zweefvliegen is een teamsport. Zonder de mensen die de kabel vastmaken en terugrijden, de vluchtleiding en iemand op de lier, kan het niet. Je hebt zelfs intensiever contact dan bij een gewone vereniging, omdat je hier vaak lange dagen samen doormaakt.’

Ron Merckelbach komt rustig over, zoals de meeste zweefvliegers. En gedisciplineerd; regels zijn regels en daar houd je je aan, zo simpel is het. ‘Om te beginnen moet je een brevet halen. Je moet fit zijn, goed gegeten hebben, je mag niet vliegen als je bepaalde medicijnen slikt, je moet genoeg drinken – geen alcohol uiteraard, je mag de twaalf uur ervoor geen alcohol hebben gehad – en niet gestrest zijn. Bijvoorbeeld over je gezin, je werk, je gezondheid of de financiën; het IAMSAFE-principe.’

De grasstrook naast de camping die sinds 1974 als landingsbaan dienstdoet, van hieruit aan het zicht onttrokken door een rij bomen, heet officieel het Leiffenderveld. In het noorden en oosten wordt hij begrensd door schraalgraslanden, in het westen door open weidegebied. Op de baan is het warm, het ruikt er grassig en het is er heerlijk stil. Als we naar de lier lopen wordt die rust ineens wreed verstoord. De lierist laat de vrachtwagenmotor lustig ratelen als hij in de verte een vliegtuigje de blauwe lucht met schapenwolkjes in trekt. Nadat de kabel is ontkoppeld blijft hij doorjagen om deze zoveel mogelijk in te halen tot het uiteinde van de kabel enkele tientallen meters van ons vandaan aan een parachute is geland.

We zijn ondertussen in de mercedes gaan zitten, want een geknapte kabel is gevaarlijk. ‘Maar een kabelbreuk komt vrijwel nooit voor’, haast de vrijwilliger ons te verzekeren die net is ingestapt. Hij begeleidt twee nieuwelingen, jonge jongens, die achterin zijn aangeschoven. Onder parachutisten gaat het verhaal dat iemand ooit in tweeën is gesneden tijdens een mislukte landing op een zweefvliegveld. En als we even later bij startplaats zien hoe rap de kabel wordt ingehaald, lijkt het inderdaad verstandig om uit de buurt te blijven als de lier brult.

De vluchtleiding bij de startplaats is gehuisvest in een omgebouwde SRV-wagen. In de omgeving hangt een landerige sfeer. Een stel scholieren op picknickbankjes guit tot ze aan de beurt is, maar zonder veel overtuiging. Af en toe knorren de gestripte lelijke eendjes voorbij die worden gebruikt voor het ophalen van de gelande vliegtuigen, en dat is het dan ook wel. In de verte draait een buizerd rondjes in een warme bel boven de bomen. Hij wel, zie je de twee jongens uit de Mercedes denken ook die graag omhoog willen, maar op hun beurt moeten wachten - zweefvliegen is vooral veel wachten.

Wat je doet tijdens het vliegen, vertelt Ron Merckelbach, is eerst een bel warme lucht zoeken om hoogte te winnen zodat je langer in de lucht kunt blijven. Door van bel tot bel te gaan kun je, bij goed weer, honderden kilometers afleggen. Je begint in een langzaam toestel, ‘dat is meer vergevingsgezind’; stuurfouten zijn eenvoudig te corrigeren. Met je brevet kun je vervolgens kiezen voor vliegen over land (lange vluchten) of voor aerobatics. Een klein percentage houdt ervan om capriolen uit te halen, de meesten gaan voor “gewoon” vliegen.

Hoewel de lucht een onbegrensde ruimte lijkt, is het tegendeel het geval. De vliegers uit Schinveld vliegen in een relatief klein gebied en hebben vooraf altijd toestemming nodig van vliegbasis Geilenkirchen en Maastricht Aachen Airport. Ron Merckelbach: ‘De lucht verdeeld in ruimtes met eigen regels. Boven vliegvelden hebben die gebieden de vorm van paddenstoelen, daar kunnen wij tussendoor vliegen als we van de toren toestemming krijgen. Militaire terreinen zijn taboe; daarboven zitten kolommen die helemaal omhoog gaan. Het plafond boven onze baan ligt op ongeveer achthonderd meter.’

Zelf gaat hij vandaag niet meer vliegen. Vanmorgen heel vroeg heeft hij zeshonderdveertig meter gehaald met de “K13”; een nieuw persoonlijk record. Graag zou hij vandaag nog eens vliegen, maar hij voelt zich niet helemaal fit. ‘De bekende dip na het vliegen.’ En de IAMSAFE-regels indachtig, betekent dit: aan de grond blijven. Wij mogen wel mee, als we willen. Voor veertig euro kun je bij de ELZC ervaren of zweefvliegen iets voor jou is. Anderhalf uur later, net bezig aan een bekertje koffie uit de SRV-wagen, worden we geroepen door instructeur Leo Kerkvliet. ‘Kom, we kunnen gaan!’

Voorin de tweezitter is het niet ruim voor iemand van één meter drieënnegentig met zesennegentig kilo op de teller. De cockpit is in grootte vergelijkbaar met een kajak, maar dan met een transparante plastic kap erover. Terwijl we nog wat vragen stellen begint de kabel langzaam een rechte lijn te vormen naar de lier, ergens in de verte. Leo Kerkvliet, droogjes, als een tandarts die waarschuwt voor een pijnlijke injectie: ‘Dit stukje is voor de meeste mensen… Dit wordt even kermis.’ Wow! In het stoeltje geduwd door de forse g-kracht, schieten we in een hoek van vijfenveertig graden omhoog, honderd kilometer per uur. In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.

Het uitzicht is spectaculair. ‘We hebben vandaag dertig kilometer zicht’, meldt Leo Kerkvliet, ‘maar dat is niet vaak het geval’. Ineens gooit hij het vliegtuig om naar rechts en hangen we bijna op z’n kant. Wow! Weer dat buikgevoel van de kermis – en niets om je aan vast te houden. ‘Dit is een mooie bel om hoogte te winnen.’ Met zo’n negentig kilometer per uur draaien we spiralend de lucht in, als een grote buizerd met een bult in z’n nek. ‘Als het niet gaat, moet je het maar even zeggen’. Glimlachend: ‘Niet iedereen vindt dit een fijn gevoel.’ Daar kunnen we ons iets bij voorstellen, maar het fabelachtige uitzicht maakt alles goed.

De instructeur vertelt ondertussen over alle punten die je kunt zien en draait het vliegtuig telkens met de neus in de kijkrichting. Een energiecentrale in Duitsland, de contouren van Sittard en de torens van de Clauscentrale in Maasbracht… “Geilenkirchen”, bekend van de AWACS-toestellen, blijkt vlakbij te liggen. ‘Daar zit ook een zweefvliegclub’. En alsof de duivel ermee speelt; de Duitse stem die we eerder op de radio hoorden meldt zich piepend en als een knipperend lampje op de radar, rechts achter ons, een bel verderop. ‘Tijdens wedstrijden zitten er soms wel tientallen vliegtuigen in één bel, dus dat is geen enkel probleem. Gewoon een kwestie van goed vliegen.’

Dan is het tijd om in te grijpen. ‘We zitten nu op iets meer dan achthonderd meter, we mogen hier niet hoger’. Leo Kerkvliet stuurt het toestel langzaam uit de bel, over het miniatuurdorp Schinveld, waar het leven op de grond gewoon doorgaat, op weg naar de landingsbaan. Ter hoogte van de lier wordt ‘het circuit’ ingezet; op tweehonderd meter vliegen we parallel aan de baan en op honderd meter draaien zweefvliegtuigen altijd in voor de landing, had Ron Merckelbach al uitgelegd. Opnieuw hangen we scheef, maar niet zo stijl als in de luchtbel.

De landing is minder heftig dan de start en al snel staan we stil op het gras. ‘Zo, dat was het’, zegt Leo Kerkvliet. Na een bedankje voor de mooie vlucht wandelen we met Ron Merckelbach terug naar de camping. We zijn nog maar net onderweg of alle ogen op het veld gaan ineens omhoog. Spanning in de lucht; het toestel dat na ons vertrok heeft een kabelbreuk gehad. De piloot zit hoger dan honderd meter en hoeft dus niet rechtuit te blijven vliegen en ergens proberen te landen. Hij gaat ontspannen het circuit in, het afgebroken stuk kabel fladderend onderaan zijn kist, en landt dan alsof er niets aan de hand is. Een kwestie van rustig blijven, net als de koeien die we op de heenweg zijn tegengekomen. Rust is wat het landschap uitademt, voorschrijft bijna. Hoe snel het er in de lucht soms ook aan toegaat.

admin op 4 September 2012 in Ongewoon & Anders

Comments are closed.