Ze wekte het sluimerend roofdier dat wil onderwerpen

‘Het leven is een ziekte’, zei de man wiens gezicht asgrijs was als onze ondertussen innig verweven rookkringels. Zijn ogen dof, maar nog ongebroken. Hij had zich bij ons gezelschap gevoegd. Schijnbaar was het zijn vrouw op de kruk naast me en dat was natuurlijk voldoende reden voor hem om zich te moeien.
Nadat hij zijn loyaliteit aan haar had bevestigd met een vluchtige streek over haar rug, mij daarbij aankijkend en van haar een reactie verwachtend, die zij hem ontzegde, vervolgde hij zijn sombermanspraat - alsof ik niet reeds overtuigd was van de ernst van zijn droefgeestigheid!
‘Bij de geboorte al, begint men te sterven’. Hij liet de woorden even in de lucht hangen, als een reeks pufjes uit een pijp met puike, oosterse tabak.
Ik besloot het voorbeeld van zijn vrouw te volgen en draaide mijn hoofd af; zoveel liever stak ik mijn neus wat dieper in haar parfum. Ik genoot van haar stralende ogen, de licht geopende mond en haar malse borsten, mij eerder met een lichte buiging en een glimlach ter inspectie aangeboden.
Terwijl ze zachtjes met me converseerde over oppervlakkigheden, mij aftastend in zichzelf, fluisterde haar lichaam: ‘U hoeft misschien niet eens heel veel moeite te doen. Helemaal niet veel moeite zelfs’.
De benen die onder haar jurk uitkwamen, schoven langzaam iets meer uiteen. Ze wekte in mij het meesttijds sluimerend roofdier dat wil onderwerpen, overwinnen en zich te goed wil doen aan sappig vlees. Het roerde zich steeds luider in mijn diep verzonken ingewanden.
Ik bestelde een groot glas bier, bestudeerde half afgewend het tragische stel dat in een gesprek verwikkeld was waarvan de uitkomst hem schijnbaar niet beviel, en concludeerde dat het tussen hen nooit goed zou komen.
Of hij moest De Dood in hoogst eigen persoon zijn, die haar ging halen, maar daarvoor was zijn voorkomen ontoereikend; mensen zouden in het vervolg allemaal eeuwlingen worden want hij kreeg zo toch niemand mee! Met geweld, noch met angst of verleiding.
Het etablissement had bij nadere beschouwing wel enige gelijkenis met het voorgeborchte – zoals ik mij dat voorstel; de grauwe wanden waren doordesemd van de kleverige troosteloosheid van generaties ongelukkigen die hier dagelijks hadden gepoogd hun angsten te verdrinken. Zelfs de levenden aan de toog hadden zich al afgewend naar de doden.
In enen klaarde mijn geest op: het was mij gegeven om op dit moment, op deze wonderlijke plaats, grote keuzen te maken, levenslopen te veranderen! Mijn plotselinge en vreugdevolle inzicht deed de olielampen flakkeren.
Ik zou de ongelukkige man later die avond in een steegje doodknuppelen als een op drift geraakte zeehond en hem zo van zijn lijden verlossen. Hierbij zou ik me verkleden als een vreemdeling om de verrassing voor hem niet te bederven.
En zijn vrouw, wel, als hij de antagonist van mijn verhaal is, moest zij mijn grote prijs zijn. Haar zou ik op alle mogelijke wijzen bezitten tot ze nagenoeg blind, uitgeput en intens gelukkig in de resten van haar jurk ineen zakte op de vloer van het aftandse logement waar ze zonder twijfel woonde.
Nadat ik deze heerlijke gedachten een paar keer in mijn hoofd had doorleefd, onderwijl glimlachend naar hem en opgewekt keuvelend met haar, ze was nog dichter naar mij toegeschoven zodat ik haar warmte kon voelen en haar begeerte bijna kon ruiken, dronk ik mijn glas leeg en nam afscheid van haar.
Ik negeerde de zieke, die verbaasd achterbleef, onwetend van zijn naderende verlossing en het genot dat zijn weduwe slechts enkele uren later ten deel zou vallen. Buiten zoog ik de subtiele zomeravondgeuren zachtjes in me op.
(een pastische naar Baudelaire, afbeelding uit Laura)
admin op 25 March 2012 in Ongewoon & Anders