Archief voor September 2013

Erwin Dorst, van de schaduwen in de spotlights

Erwin Dorst, de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid, woont in Sittard. Ik sprak met hem over zijn nieuwe baan, zijn leven bij de special forces en over z’n werk op Schiphol. “Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder.”

Een heel correcte man die zijn kinderen van school haalt, die je vriendelijk gedag zegt en die soms in de supermarkt voor je in de rij staat met een mandje boodschappen. Elk jaar gaat hij een aantal weken met vakantie naar het buitenland, verder niets bijzonders. Dat is hoe de mensen in de buurt hem zouden beschrijven op alle plaatsen waar hij de afgelopen jaren heeft gewoond.

Voor z’n werk zit Erwin Dorst (37) ondertussen als peletonscommandant van de mariniers in conflictgebieden als Bosnië (2002) en Irak (2003), zorgt bij de marechaussee (KMar) voor de beveiliging van de ambassadeur in Libanon (2006) en schaduwt en arresteert in Nederland zware criminelen (2006-2010). Vervolgens is hij medeverantwoordelijk voor de beveiliging van Schiphol (2010-2012).

De afgelopen jaren leefde hij ‘in de schaduwen’. Een interview afgeven en op de foto gaan is dan ook even wennen. Maar goed, het hoort bij zijn nieuwe baan; vanaf november 2012 is hij de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid.

Zijn nieuwe functie biedt diverse uitdagingen, mede gezien de recente discussies over het verdelen van taken tussen politie, leger en marechaussee om efficiënt werken te bevorderen. En dan is er nog de Limburgse politiek met een eigen agenda, bijvoorbeeld in verband met de drugsoverlast in Maastricht. Maar eerst spreken we over zijn verleden – voor zover hij daarover mag praten.

Na tien maanden als peletonscommandant van de mariniers in Doorn, vertrekt Erwin Dorst in 2001 voor een jaar naar Curaçao. Terug in Doorn, intussen opgeklommen tot eerste luitenant, volgt uitzending naar Bosnië en Irak. Vervolgens wordt hij plaatsvervangend hoofd inlichtingen van het eerste mariniersbataljon in Doorn.

Tussen de opdrachten door, volgt hij de ene na de andere cursus en opleiding. Bijzonder was zijn jungle-training in 2004. “Dat was de tijd waarin Nederland bijna geen jungle-trainingen in Suriname deed, omdat dat tot spanningen zou kunnen leiden. Het verhaal ging dat bij het Surinaamse bewind de vrees bestond dat wij de heer Bouterse zouden komen ophalen.” (Desi Bouterse is in 2000 in Nederland bij verstek veroordeeld tot elf jaar wegens cocaïnesmokkel.)

Met een andere marinier komt Erwin Dorst daarom terecht in kamp Szuts in Frans-Guyana, bij het Vreemdelingenlegioen. “Legionairs stellen weinig vragen, doen wat opgedragen wordt. Het was een officiersopleiding, toch deden de militairen van het Legioen exact wat de commandant zei. Dat irriteerde me een beetje. Nederlandse officieren worden ook betaald om na te denken. Toch heb ik heel prettig met ze gewerkt. Het zijn heel professionele militairen.

De legionairs die ik ontmoette, kwamen veelal uit oorlogsgebieden, bijvoorbeeld uit voormalig Joegoslavië. In eigen land hebben ze gevochten, daar is de strijd over. Misschien hebben ze er iets opgebouwd of er een tic gekregen, en dan kiezen ze voor het Legioen, schijnbaar om hun leven als strijder voort te zetten.

De jungle-training was mooi, maar vreselijk zwaar. Niet zoals in de films. Anders gezegd: in de jungle, daar horen wij niet thuis. Het is een beetje als klimmen boven de zevenduizend meter; je gaat dood, maar als je goed voor jezelf zorgt, kun je dat proces enigszins vertragen.”

Hij leefde twee maanden ‘in het bos’, werd ’s nachts door een naburige kolonie brulapen uit z’n slaap gehouden en stond oog-in-oog met gifkikkers, gifslangen en spinnen. Tijdens een week survival lag hij ’s nachts uren stil op de grond. “Dan weet je dat er van alles over je heen kruipt. Dat doet wel iets met je.” Toch kijkt hij met plezier terug op deze bijzondere ervaring.

Vier jaar zit Erwin Dorst vervolgens bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Bij deze elite van de Nederlandse special forces was hij commandant van een arrestatieteam en vervolgens van een observatieteam.

“Arrestatieteams zijn gespecialiseerd in geweldsuitoefening. Ze richten zich op de aanhouding van zware criminelen en op technisch moeilijke aanhoudingen, zoals wanneer een verdachte in een auto voor de grens moet worden gestopt of zich ophoudt in een gebarricadeerd pand.

Het belangrijkste wapen van arrestatieteams is de verrassing. De aanhoudingen verlopen daarom heel snel en gaan soms ook met het nodige geweld gepaard. Voor het publiek is niet altijd goed te begrijpen wat er gebeurt, maar het kan niet anders.”

Observatieteams hebben dezelfde doelgroepen en verzamelen ter ondersteuning van de recherche bewijslast voor aanhoudingen. “Wij hielden ons niet bezig met ‘tappen’, maar met ‘fysieke observatie’; wat doet iemand tijdens zijn dag? Als hij van A naar B gaat, hoe doet hij dat en wat doet hij daar en hoe lang blijf hij daar? – dat soort zaken.”

Ook werden inkijkoperaties uitgevoerd. “Stel we vermoeden dat er een partij verdovende middelen in een loods ligt. Dan ga je naar binnen om te kijken, maar zonder dat het opvalt.

Als die drugs wordt aangetroffen, kun je niet meer de andere kant opkijken en moet je dus handelen. We hebben in Nederland een namelijk ‘doorlaatverbod’, mede door de IRT-affaire.

Vanuit de opsporing zou je wel eens een kleinere vis willen laten gaan ten behoeve van het grotere belang, want de grote vissen hebben de financiële middelen om steeds weer nieuwe kleine visjes in te schakelen, maar dat mag dus niet.”

Tijdens zijn BSB-tijd, in juli 2006, wordt hij vanwege zijn achtergrond bij de mariniers detachementscommandant van een bijzondere spoedoperatie in Libanon; de beveiliging van de ambassadeur in Beiroet.

Israël is op dat moment in oorlog met de in Zuid-Libanon actieve Hezbollah en heeft de Libische infrastructuur bestookt, waardoor de wegen naar Syrië en (vanaf 13 juli) ook de nationale luchthaven onbruikbaar zijn geworden. De internationale spanning loopt hoog op, er wordt gevreesd voor oorlog in het Midden-Oosten, en evacuatie van de ongeveer zevenhonderd Nederlandse burgers wordt noodzakelijk geacht.

Die operatie wordt, behalve door de vernielde infrastructuur en de Israelische bombardementen, bemoeilijkt doordat de toenmalige ambassadeur Gerard Jan van Epen vakantie viert in Nederland.

Zaterdag 15 juli krijgen de Nederlanders in Libanon, die via sms op de hoogte worden gehouden, van de ambassade bericht dat de evacuatie 17 juli plaatsvindt. Er zijn die maandag drie evacuaties van in totaal driehonderdvijftig Nederlanders, die met tien bussen vanuit Noord-Libanon naar Aleppo (Syrië) reizen, om van daaruit koers te zetten naar Nederland.

Die dag ook, vertrekt de ambassadeur vanuit Nederland richting Damascus. Hij probeert over land Beiroet te bereiken. Nadat Van Epen daar is aangekomen, arriveert het beveiligingsteam van Erwin Dorst – hoewel het misschien handiger was geweest om de ambassadeur met dat team mee te sturen.

“Wij zijn in burger Libanon binnengekomen. Een helicopter van de Engelsen heeft ons vanaf Cyprus naar Beiroet gevlogen en ons daar op de kade afgezet. De uitrusting en bewapening hadden we onopvallend bij ons. Na aankomst hebben we auto’s gehuurd en zijn we langzaam onze beveiligingsmissie gaan draaien.

Dit alles vergde goede voorbereiding en afstemming, met de helicopterpiloot, maar ook ter plaatse, want we moesten dwars door de stad. Het was een relatief hachelijke situatie, want we hadden niet één-twee-drie het land uitgekund.”

Vanaf mei 2010 is majoor Erwin Dorst plaatsvervangend brigadecommandant van de politie en beveiliging op Schiphol. Hij arriveert in een periode, waarin de beveiliging van de luchthaven onderwerp is van felle discussies.

Journalist Alberto Stegeman stopte in februari 2008 een nepbom in een passagiersvliegtuig. In januari 2009 bleek vervolgens uit een rapport van het KMar Expertisecentrum Luchtvaart (uit september 2008) dat de beveiliging op Schiphol kwetsbaar is doordat medewerkers, met name bij de douane, zijn vervangen door elektronische systemen. Ook zou er te weinig capaciteit zijn om criminaliteit en terrorisme aan te pakken.

Erwin Dorst: “Schiphol behoort tot de veiligste luchthavens van de wereld. Schiphol is een economische lifeline voor Nederland, dus als er wat gebeurt, is het gelijk voorpaginanieuws. Dat maakte ons werk heel lastig, want alles dat je deed, werd uitvergroot.

De incidenten die in de media komen, zoals rond Stegeman, vertekenen het beeld. Stegeman heeft als een soort klokkenluider een aantal zwaktes blootgelegd, maar het is niet zo dat Schiphol één grote gatenkaas is.

De beveiliging van Schiphol is een ketenverantwoordelijkheid. Daarbij gaat het om het spanningsveld tussen gebruiksvriendelijkheid (het economisch belang) en veiligheid. Honderd procent veilig, dat kan niet. Het is een complex geheel, een stad op een postzegel

Er was destijds ook kritiek op het particuliere beveiligingsbedrijf, maar over het algemeen doen de particuliere beveiligers op Schiphol het hartstikke goed, enkele rotte appels daargelaten.”

Is de luchthaven in de periode dat hij er werkte veiliger geworden? “Er werken achttienhonderd marechaussees op Schiphol, van wie vijfhonderd bij ‘mijn’ brigade. Binnen die club, met de rest heb ik me niet bemoeid, zijn processen verbeterd en dingen veranderd, maar om nu te zeggen: het is opeens veiliger geworden - nee, dat kan ik niet zeggen.”

In november 2012 krijgt hij het commando van KMar Limburg Zuid. Een uitdagende functie in een internationeel speelveld, waarin ook de politiek een rol speelt. Zo is de brigade sinds kort zijdelings betrokken bij het bestrijden van drugscriminaliteit in Maastricht - al is dat niet één van haar taken.

“Recent was er overleg tussen onder anderen de burgemeester van Maastricht en de minister van Veiligheid en Justitie. Toen heeft de marechausse gezegd: ‘Binnen de kaders van onze taakstelling willen wij ondersteuning bieden, met name in Maastricht.’ Het gaat dan om georganiseerde wietteelt.

Ik zal dat kort toelichten. Het lokale drugsbeleid in Maastricht drukt de handel in softdrugs de straten in. Softdrugsthematiek is vaak gekoppeld aan harddrugsthematiek. Hard- en softdrugs vallen onder de de nationale politie, maar harddrugscriminaliteit is al snel grensoverschrijdend. En grensoverschrijdende criminaliteit is onderdeel van onze portefeuille.

Wij hebben aan de grens echter niet de bevoegdheden van de politie (waar we uiteraard wel mee samenwerken). Wij staan als Mobiel Toezicht Veiligheid bij de grens om de Vreemdelingenwet te handhaven en ter voorkoming en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit. Het gaat dan om drugscriminaliteit, mensensmokkel en -handel, illegaal verblijf, identiteitsfraude en het witwassen van crimineel geld. We letten ook op gezochte personen en op signalen van mogelijk terrorisme. Daarbij zijn we alleen bevoegd tot toezicht op de inreis, niet op de uitreis.

Ook is onze capaciteit beperkt. Als brigade hebben wij diverse taken, zoals de grensbewaking op Maastricht Aachen Airport. We leveren ook de militaire politie voor het Joint Force Command in Brunssum. Mobiel Toezicht Veiligheid doe ik feitelijk met restcapaciteit.

Dus waar volgens sommigen voor de regio het grootste belang ligt – dat is afhankelijk van wie je het vraagt - en waar voor ons de grootste boeven te pakken zijn, ben ik continu aan het schuiven met mijn relatief beperkte capaciteit. Ik zou het liefst meer mensen inzetten op de grens, zowel op hoofd- als op B-wegen.

Verder is ons grenstoezicht beperkt in tijd en aantal. De uitdaging is om er te staan op de momenten dat er iets te halen valt. Dat is mogelijk doordat we heel gericht te werk gaan. Daar is onze de organisatie ook op ingericht. Vroeger hadden we veel indianen en weinig chiefs, nu hebben we veel chiefs (onder anderen mensen die informatie verzamelen) en heel weinig indianen (militairen die de uitvoering verzorgen).

Voor een goede informatiepositie werken we verder met relevante partijen samen in het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), dat in Limburg is opgehangen aan de gemeente Maastricht. Wij hebben daarbij als speerpunten mensenhandel en -smokkel en georganiseerde wietteelt. Die samenwerking functioneert heel goed.”

Intussen staat Erwin Dorst alweer bijna een jaar aan het roer van KMar Limburg Zuid, een functie die hij wat betreft verantwoordelijkheid en de bevoegdheid om te straffen vergelijkt met die van kapitein op een schip. Hoe ziet hij zijn organisatie en zijn eigen plek daarin, ook met het oog op de toekomst?

“Ik wil een goed team en geen eenheidsworst. Liefst een rariteitenkabinet, waarbij iedereen wordt gewaardeerd om zijn vaardigheden en capaciteiten. Die capaciteiten wil ik op basis van de juiste informatie op de juiste tijd op de juiste plek brengen.

Tot nu toe bevalt het me uitstekend. Ik ben een leider en ik ben ondernemend; ik ben geen manager. En hoewel ik natuurlijk mijn bevelen moet opvolgen, ben ik niet bij uitstek een volgzaam type. Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder. En dan past zo’n functie heel goed.”

Relativerend: “Je krijgt natuurlijk ook een hoop gezeik. Het gezeik van honderdvijftig mensen is voor mij. Je hebt een trechter, daar wordt allerlei ellende in gegooid, en onderaan die trechter, daar zit ik. Dat is niet altijd leuk, maar het hoort erbij. En dat vind je mooi of dat vind je niet mooi.”

Hij glimlacht. De tekst op zijn polsbandje, een souvenir van twee keer de Alp d’HuZes, spreekt boekdelen: ‘Opgeven is geen optie’. Voor Erwin Dorst is elk probleem een uitdaging.

Dit artikel is in augustus 2013 geschreven voor Hét Wijkkrantje.

Comments Off

admin op 14 September 2013 in Politiek & Media