Archief voor April 2013

Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Hemels labyrint


Hemels labyrint

Onder sterrengloed gevonden,
schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,
die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,
dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken, [zijpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,
onverlet naar de oorsprong gaat.

[Laat uw hart spreken,] [hoofdpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,
de natuur in zuivere vormen raakt.

Beschouw de daden,
die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,
onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,
zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen
en wees die wordt verwacht.

U ziet, van mij rest louter stam,
voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant
en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het gedicht de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Comments Off

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media