Archief voor May 2012

In het overgebleven licht, zie ik alleen nog de beer…

Klik. Een gevaarlijk ogende boogschutter houdt onbeweeglijk de wacht bij een lantaarnpaal in het park vol dagjesmensen. De knaloranje veren aan zijn pijlen contrasteren met zijn grijze tenue, dat is opgetuigd met stalen beschermstukken. Vandaag zullen de langbenige groeten die hij uitstuurt de dood niet laten fluiten.

Het is een spel en de schutter heeft gekozen wie hij wil zijn, net als vele duizenden andere deelnemers en bezoekers. Daarbij lijkt de kracht van de wens om te ontsnappen aan het alledaagse evenredig aan de passie voor historische details.

Bronzen haarspelden, leren polsbeschermers, katoenen hemden, zakjesbeurzen, ridderhelmen, natuurlijke zepen, halfedelstenen, vilten hoeden, opkrullende puntschoenen, enkel- en dubbelhandige zwaarden – allemaal te koop in de honderden tenten die als witte confetti snippers op het groene gras liggen uitgespreid.

Op podia zijn optredens van potsenmakers, overal zijn eet- en dranktenten, en in de centrale arena bestrijden zwaardvechters elkaar met choreografisch verantwoord geweld.

Klik. Verderop trekt een processie van bontgekleurde boeren, burgers en buitenlui over het smalle slingerpad langs de uitgebloeide tulpen. Opgewekt onderweg naar nergens, hebben ze hun aflaat al bij binnenkomst ontvangen, vele dagreizen voor Jeruzalem.

Interessanter is het theater van de bedelende lepralijder bij de poort – die straks waarschijnlijk in zijn glimmende middenklasser naar huis rijdt. Vrijwel niemand kijkt hem aan of hoort zijn gelamenteer over de beloning die in de hemel op je wacht als je hem een aalmoes geeft. Klik.

Hij kiest ervoor om afstotelijk te zijn, net de grijpgrage groene monsters die door het park zwalken in de schaduw van twee langbenige heksen. Klik. De heksen zijn in een geluidloze dans verwikkeld, van aantrekken, loslaten en verwonderen. Zo weven ze magie in het landschap.

En het werkt. Ineens hervind ik mij weer. Ik was een toeschouwer, maar als ik op een plek kom waar je kunt boogschieten en bijlwerpen, weer ik het meteen: vandaag ben ik een geoefend bijlwerper. Ik kan dat, ook al heb ik het nog nooit gedaan.

De eerste bijl weeg ik rustig in m’n hand. Het blikveld vernauwt, als ik afdaal in mezelf. De wereld verdwijnt in schemer. Weg zijn de toeristen, verdwenen is het spektakel. In het overgebleven licht, verstild in concentratie, zie ik alleen nog de contouren van de beer voor me, op een bord zo groot als een binnendeur.

Na een licht wiegende beweging, om één te worden met de bijl, gooi ik als ik weet dat ik zal raken. Tsjoek. Tsjoek. Twee bijlen blijven vlak naast elkaar in de beer staan. Van de derde klapt het blad precies op het heft van de eerste. Als ik even later het festivalterrein verlaat, de camera allang opgeborgen, is de boogschutter nergens meer te bekennen.

Comments Off

admin op 15 May 2012 in Ongewoon & Anders

‘Mijn oog staat open voor de schoonheid van jouw gelaat’

‘Vorst der vorsten, schenker van innerlijke kracht, was ik maar een ster die in het wentelend hemelgewelf het stof van jouw voorportaal kust’. Een fragment van Ghazal 12 van Hafez van Sjirãz (1320-1390) van wie onlangs in vertaling van Sipko A. den Boer een beknopte bloemlezing is uitgekomen onder de titel ‘De Kroeg van Hafez’ (Synthese, 2012).

Hafez is een dode dichter die in Iran bij velen in de harten leeft. Een groot aantal Iraniërs heeft een exemplaar van zijn ‘Diwãn’ thuis, vanwege de schoonheid en voor waarzeggerij; zijn werk is doordrenkt van Koranteksten.

Hij wordt de Shakespeare van de Perzische literatuur genoemd. Er is echter een belangrijk verschil. Shakespeare kun je vrij goed lezen zonder kennis van alle verwijzingen naar bestaande personen en hun verhalen, bij Hafez is het ontbreken van een passend referentiekader van veel grotere invloed.

Een rondgang op internet leert dat het vertalen van Hafez vaak is uitgemond in herschrijven; bijna de enige manier om de magie zonder talloze voetnoten over te dragen aan westerse lezers. Dat zorgde geregeld voor de nodige opschudding, met name binnen literaire kringen.

En inderdaad, hoe fraai sommige teksten ook zijn, pas na uitleg van de beeldtaal en de vele (con)tekstuele verwijzingen (meestal naar de Koran, die de dichter uit z’n hoofd kende) komen de meeste van deze bloemen in onze taal tot volle bloei.

Over de dwarse dichter die ze schreef, is niet veel bekend. Hafez volgde het smalle esoterische pad binnen de islam, waardoor reizigers zoals hij vaak in conflict komen met de culturele conventies; gevuld en bezeten als ze zijn van hun streven naar heilige eenheid.

Hafez was daarin authentiek en consequent, omdat hij zelfs publiekelijk de hypocrisie binnen de toenmalige soefi orthodoxie hekelde. Hierdoor raakte hij overigens bijna aan de bedelstaf. Pas aan het eind van zijn leven vond hij weer een mecenas die hem wilde steunen.

Hij schrijft vooral over de (problemen rond de) mystieke eenwording met de geliefde, een thema dat we ook tegenkomen bij Roemi. Hafez gebruikt hiervoor alledaagse beelden, bijvoorbeeld van vrouwen, wijn en het wijnhuis.

Islamitische puriteinen zijn ervan overtuigd dat dit altijd zuivere beeldspraak is, maar als nieuwe lezer ben ik niet gelijk overtuigd. Het lijkt me niet uit te sluiten dat Hafez wel degelijk (eens) heeft geproefd van vrouwen en wijn.

Neem dit fragment uit Ghazal 22: ‘Bezweet, beschonken, met verwarde lokken, lachende mond, het hemd gescheurd, oden zingend, een bokaal in de hand, met smachtende ogen, uit op ruzie en met lippen vol verwijt, kwam ze gisteren in het holst van de nacht zitten aan mijn bed.’

Enkele beschrijvingen zijn zelfs licht erotisch. Denk aan het hierboven aangehaalde fragment uit Ghazal 12 over het kussen van het voorportaal. Het woord ‘voorportaal’ doet denken aan de voorhof van de joodse tempel, de entree tot de plaats van heilige vereniging.

Daarentegen toont hij verderop in deze Ghazal dat het in dit liefdesgedicht in wezen gaat om een uitnodiging aan het onuitspreekbare: ‘Kom je bij ons voorbij, til dan je kleed op, waaraan geen stof of bloed kleeft’; de uitgenodigde is op, maar niet van deze aarde.

Hafez’ gedichten, afgaand op de selectie in deze bundel, lopen daarnaast over van de wijn. Ook dat zal vaak symbolisch bedoeld zijn, met het hart als de kelk, maar opnieuw is er twijfel. Zo lijkt de dichter zich soms echt te verdedigen voor zijn ‘dronken’ gedrag. En in Ghazal 41 schrijft hij: ‘De kruiken bruisen en borrelen van dronkenschap, en de wijn erin is echt en niet symbolisch’.

‘De Kroeg van Hafez’ laat ons kennismaken met het bijzondere werk van Hafez, dat, in tegenstelling tot het meer universele van Roemi, vanwege culturele beperkingen niet eenvoudig kan worden ontsloten. De uitleg in de inleiding is daarbij onontbeerlijk.

Gelukkig staan er ook zinnen in die je direct kunnen raken, zoals deze uit, alweer, Ghazal 12: ‘Als een valk ben ik voor alle werelden geblinddoekt – mijn oog staat alleen open voor de schoonheid van jouw gelaat’. Dat je niet weet waar het oog en de valk voor staan, doet er dan even niet toe.

Comments Off

admin op 5 May 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel