Archief voor November 2011

Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: een fuck up.

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Comments Off

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Niemand is wie hij lijkt in ‘Honor knows no borders’

Er zijn verhalen die je in grote lijnen bijblijven, zelfs na jaren. Vaak raken ze op kleine schaal aan universele thema’s als liefde, dood, waarheid en vertrouwen en maken daardoor meer indruk dan de grote verhalen die er het decor voor vormen. Het verhaal van Tom, een joodse jongen in het door bombardementen geteisterde Londen van de Tweede Wereldoorlog, is zo’n vertelling. Het is de rode draad in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer (iUniverse, 2010).

Net als de andere verhalen in dit boek gaat dat van Tom over eer, een term die vaak misbruikt wordt omwille van politieke ideeën en persoonlijk gewin. In het kort: Tom vindt in een vernietigd woonhuis een Duitse piloot, een vijand dus, maar deze vijand lijkt heel vriendelijk. Van het spaarzame eten dat er is, legt Tom telkens wat opzij om zijn nieuwe vriend te helpen vluchten zodat deze bij zijn zieke vrouw kan zijn.

Maar niet alles is wat het lijkt en dat geldt ook voor de thematisch gespiegelde verhalen die John Sharer rondom het verhaal van Tom heeft geweven. Zo komen we het boek binnen via een krijgsgevangenenkamp van de geallieerden in Noord-Afrika. Daar horen we het verhaal van een Duitser die claimt een joodse familie te hebben gered. De naspeuringen leiden onder meer naar Groot-Brittannië waar de kleine Tom zich bevindt, maar pas aan het eind komen alle draden samen.

Het aantrekkelijke van dit boek is dat er voortdurend gespeeld wordt met begrippen als goed en slecht, vriend en vijand, dader en slachtoffer. En dat geldt ook buiten het kader van deze debuutroman. Zo schrijft John Sharer dat antisemitisme (en daaraan gerelateerd geweld door fascistische groepen) in het Londen van de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid was. Dat wist ik niet, wel dat bijvoorbeeld de nazi eugenetica in de VS werd toegejuicht. Naast eer, kennen blijkbaar ook veel andere ideeën geen grenzen.

Verder krijg je een goed beeld van het leven van een jongen in het Londen in die tijd. De schrijver was zelf jong in de Tweede Wereldoorlog en put soms duidelijk uit zijn ervaringen. Bijvoorbeeld als hij vol passie vertelt over ‘conkers’, een populair kinderspel in Groot-Brittannië waarbij kinderen elkaars kastanje stuk slaan, of over het zoeken naar bomscherven in half ingestorte huizen. Of over ’s nachts in een verduisterde stad thuis blijven en niet, zoals vrijwel iedereen, naar een schuilkelder vluchten als er een bommendeken boven de stad wordt afgeworpen.

De structuur zit goed in elkaar, waardoor het boek tot het eind toe boeit. De ontknoping in het krijgsgevangenenkamp is mooi bedacht, maar onwaarschijnlijk. Dat is jammer, omdat de rest van het boek de indruk wekt dat het wel echt gebeurd zou kunnen zijn. ‘Honor knows no borders’ is een fijn boek om een paar avonden mee op de bank te kruipen. Geen hoogstaande literatuur, gewoon lekker even eruit. Met af en toe prachtige zinnen, zoals deze: ‘While Hitler was blamed for most things, it did not appear to be his fault that nobody cleaned the rubbish dump behind the flats frequently enough (…).’

Comments Off

admin op 22 November 2011 in Boek & Meer

Irak-ganger: ‘Ineens zat er een rood stipje op mijn borst’

Exact zeven jaar geleden werd hij in een bus Irak ingereden onder de beschuttende deken van de duisternis. Sergeant der eerste klasse Jeffrey Bont (26) uit Sittard blikt terug. Het verhaal van een Nederlandse militair in Irak.

‘Ik zocht het avontuur, wilde spannende dingen doen en leuk sporten, zoals klimmen, duiken of helikopter vliegen.’

Sinds zijn middelbareschooltijd wilde Jeffrey Bont het leger in, de helden uit zijn favoriete oorlogsfilms achterna. In 2002 kon hij zijn dromen, losjes gebaseerd op jaren tachtig films als “Platoon” en “Full Metal Jacket”, wekelijkheid laten worden; hij werd toegelaten tot het leger.

En het bleek allemaal niet zo te zijn als in de films: ‘Een heleboel dingen zijn functiegerelateerd; als je wilde leren om helikopters te vliegen, moest je naar de Luchtmobiele Brigade. Wilde je veel klimmen, dan moest je naar het Korps Commandotroepen. En had je interesse in tanks, dan werd het de cavalerie.’

Jeffrey Bont wilde ‘de echte actie’ en koos na zijn oriëntatiejaar, toen een Nederlandse pilot, voor de zandhazen, de troepen die als eerste voorwaarts moeten als er iets gebeurt. Hij haalde ondertussen ook het diploma Beveiligingsmedewerker. ‘Daarna was het veel oefenen op weg naar de eerste uitzending.’

Voor de Sittardenaar werd het Irak. Hoe is hij daarop voorbereid? ‘Extra schietoefeningen; schieten, daar moesten we beter in worden. En we oefenden contactprocedures; wat je moet doen als jouw wagen van voren, van achteren of van opzij wordt aangevallen of bedreigd.’

Hij werd opgeleid op de YPR-765 A1, een licht pantservoertuig, als boordschutter van het Oerlikon Contraves boordkanon (dat 25 mm granaten afvuurt) en het Browning .50 machinegeweer. Maar behalve voor techniek, was er ook aandacht voor de menselijke kant van de missie.

‘We kregen geleerd wat je ten aanzien van de bevolking wel en niet moet doen. Zo moet je mensen niet de linkerhand geven omdat ze zich daarmee afwassen als ze hun behoefte hebben gedaan. Dat is onrein.

Het is ook opgepast om je voetzolen naar ze toe te keren. En vrouwen spreek je niet rechtstreeks aan, dat is in die cultuur niet gebruikelijk. Als er echt wat gezegd moet worden, spreek je met de sjeik van het dorp. Dat praten met een sjeik, via een tolk, werd ook geoefend.’

Rare jongens, die Amerikanen

Jeffrey Bonts uitzending naar Irak was voorafgegaan door het nodige gesteggel, voor en na het Kamerbesluit in mei 2003. In Nederland was de vraag of we, zoals gebruikelijk, loyaal aan Amerika moesten blijven en de invasie met soldaten moesten ondersteunen. Spanje bijvoorbeeld, haakte af om politieke redenen.

Er kwam groen licht, maar er bleven vraagtekens vanwege het gedrag en de argumenten van de Amerikanen. In april 2004 bijvoorbeeld, doken geruchtmakende foto’s op uit de voormalige Abu Ghraib gevangenis, één van de vier militaire gevangenissen van de Amerikanen. Daarop is te zien hoe Amerikaanse militairen, onder wie een vrouw, sadistische spelletjes spelen met Iraakse gevangenen. Geen gedrag waar je als land mee geassocieerd wilt worden.

Dan waren er nog de argumenten om de Amerikanen en de Engelsen te helpen bij ‘de bevrijding van het Iraakse volk’. Er zouden massavernietigingswapens zijn (een bedreiging voor Amerika’s regionale bondgenoot Israël) en het regime van dictator Saddam Hoessein zou het internationale terrorisme steunen.

In juli 2003 kwamen formeel de eerste Nederlandse soldaten aan in Irak. In oktober 2003 werd door de coalitie toegegeven dat er geen weapons of mass destruction waren gevonden. Dit verhaal was gebaseerd op flinterdunne informatie. (De beweerde band met Al Qaida, bedoeld om de 9/11-woede te gebruiken om steun te krijgen, is tot op heden ook nooit bewezen.)

Rond die tijd, oktober 2003, werd de “bevrijding” van Jessica Lynch in april 2003, destijds live via tv te volgen, ontmaskerd als een PR-actie van de Amerikaanse overheid / het Amerikaanse leger. Het was doorgestoken kaart; er was zelfs geen Irakees in de buurt geweest. Dat Jessica Lynch door Irakezen was verkracht, een verhaal ook bedoeld om woede op te wekken en draagvlak te creëren, bleek eveneens een verzinsel.

Het kabinet van Jan Peter Balkenende, met medeweten van de coalitiepartijen via de Commissie Stiekem, wist in mei 2003 dat het verhaal van de massavernietigingswapens onzin was. De eigen veiligheidsdienst had corrigerende informatie, maar die werd onder de pet gehouden.

De Tweede Kamer is in 2003 opzettelijk onjuist en onvolledig geïnformeerd, concludeerde de Commissie Davids dan ook in 2010. (Er zijn overigens aanwijzingen, via het VPRO-radioprogramma ARGOS, dat Nederland al voor mei 2003 special forces naar Irak heeft gestuurd.)

Relatief rustig gebied

De militaire trein in Irak denderde in 2004 gewoon door, gedreven door economische, politieke en militaire strategische belangen (olie en de verhoudingen in het Midden-Oosten). Ook Nederland zat op die trein.

De Nederlandse missie werd uitgevoerd als onderdeel van de Stabilisation Force Iraq. Vanwege de veiligheid van ‘onze jongens’, werden uit voorzorg zeventig commando’s aan de ongeveer elfhonderd soldaten toegevoegd.

Dat was geen overbodige luxe. In augustus 2004, drie maanden voordat Jeffrey Bont arriveerde, waren twee mortiergranaten afgevuurd op de Nederlandse basis Camp Smitty in de Zuid-Iraakse stad as-Samawah. Eerder raakte een Nederlandse patrouille in Rumaythah, ten noordoosten van die stad, betrokken bij een vuurgevecht. In beide gevallen vielen er geen doden of gewonden.

Toch was de situatie in het “Nederlandse” (woestijn)gebied naar militaire begrippen relatief rustig. Toen de Sittardenaar aankwam, werd vooral fel gevochten om Fallujah. In die stad waren in maart vier Blackwater USA-huurlingen door de straten waren gesleept en daarna aan een brug opgehangen.

De Amerikanen waren pissed en stuurden tien tot vijftienduizend soldaten die de stad vervolgens binnen enkele weken onder de naam “Operation Phantom Fury” hebben onderworpen. Twaalfhonderd opstandelingen / vrijheidsstrijders, achtendertig Amerikaanse en zes Iraakse militairen kwamen hierbij om.

Tien kogels in de bus

Van alle twaalfhonderd Nederlandse militairen die naar Irak zijn gingen, kwam tien procent rechtstreeks van de opleiding. Jeffrey Bont was één van hen. Hij was chauffeur, boordschutter en ging mee met het uitgestegen personeel; het grondteam.

Met zijn collega’s was hij ingevlogen in Koeweit, zoals de Amerikanen maanden geleden voor hen, die in Irak intussen al zo’n honderdtwintig operationele en veertien semi-permanente basissen hadden opgezet op locaties die voorheen door de Iraakse geheime dienst zijn gebruikt.

Er stond een personenbus op ze te wachten. ‘Onze spullen zaten onderin de bus, in het passagiersgedeelte hadden we alleen ons wapen met elk tien patronen – dat aantal zal iemand wel ooit bedacht hebben. Het is maar goed dat er niets is gebeurd, anders waren we zo door de munitie heen geweest. Gelukkig reden er wel andere auto’s naast de bus om ons te beschermen.

Bij een klein dorpje gingen we in het holst van de nacht de grens over en de volgende ochtend werden we wakker in Camp Smitty. Daar stonden allemaal prefabhuisjes. We hebben gelijk de muren versierd; helemaal volgeplakt met open wonden – een soldaat weet gelijk wat ik bedoel.’

Na de overdracht ging Jeffrey Bont met patrouilles in een voertuig op pad in de omgeving. Soms deden ze ook dorpen aan. Zoals bij alle bewegingen van de coalitietroepen waren de militairen altijd op hun hoede; behalve voor schutters ook voor geïmproviseerde explosieven (“bermbommen”).

Rood stipje op je borst

Eén van de meest indrukwekkende ervaringen van Jeffrey Bont in Irak, lijkt een scene uit één van de oorlogsfilms die hij als jongen graag keek. Alleen nu was het echt. ‘We reden in onze Jeep een dorp in om iemand op te sporen. Op een gegeven moment had ik een rood puntje op mijn borstkas. Het ging van de één naar de ander….’ [De laser-aanwijzer van een geweer.]

‘Dat was even spannend. We zijn gelijk gaan slingeren en hebben het groot licht aangezet om het ze moeilijk te maken. Daarna zijn we er op afgestormd, iedereen in het dorp uit bed gehaald, maar de dader hebben we niet gevonden.’

Op andere momenten vlogen de tracers hem om de oren, lichtsporen van kogels, en werd er dus echt geschoten. Jeffrey Bont: ‘Soms ook door leden van de Iraakse Nationale Garde die ons voor de verkeerden aanzagen.’ In een bepaald dorpje waren altijd problemen, herinnert de boomlange militair zich. ‘Maar we mochten in principe niets terug doen; alleen reageren als er gericht op ons werd geschoten.’

De Nederlanders waren er tijdens hun in totaal twintig maanden lange verblijf in Irak namelijk niet om te vechten. In die periode zijn door de Nederlanders ‘3360 veiligheidsfunctionarissen opgeleid’ , stelt het Ministerie van Defensie. ‘Daarnaast werkten de Nederlandse soldaten mee aan de humanitaire hulpverlening en de wederopbouw’.

Jeffrey Bont, de man die zelf in het Iraakse woestijnzand heeft rondgelopen, zegt hij net wat anders. Wat nuchterder: ‘Wij coachten daar de lokale politie en we hebben één keer [in de vijf maanden dat hij er zat] op een heel afgelegen locatie een watervoorziening aangelegd’. Maar dat was eigenlijk meer uit compassie.

In het algemeen lijken de Nederlanders in Irak door hun respectvolle en relatief ontspannen houding een goede indruk te hebben gemaakt bij de lokale bevolking. Ze waren in elk geval niet zo opgefokt als de Amerikanen en minder up tight dan de Britten die ze kwamen aflossen.

Jeffrey Bont: ‘Toen we weggingen, werden we opgevolgd door de Engelsen en daarna ontplofte er gelijk een aantal bommen langs de weg in ons gebied. De Engelsen hebben toch een andere manier om dingen aan te pakken.’

‘Ik had het avontuur wel gezien’

De overdracht aan de Britten was in maart 2005. Die maand vertrok de Sittardenaar uit Irak, waar hij een mooie tijd zegt te hebben gehad. Terug in Nederland stond de eerste missie naar Afghanistan op het punt om goedgekeurd te worden. Jeffrey Bont: ‘Ik had dat wel gewild, maar wilde ook niet langer wachten en ik besloot om hogerop te gaan. Ik had het met het avontuur eigenlijk wel gezien.’

Als onderofficier aan de Infanterieschool in Harskamp gaf hij les in zware wapens. ‘Mijn ervaring als boordschutter in Irak kwam me daarbij goed van pas’. In november vorig jaar werd hij in Oirschot rij-instructeur aan ‘de grootste rijschool van Europa’. Hij geeft er de reguliere B- en C-opleiding, aangevuld met terrein rijden, slippen, onderhoud en het opleggen van sneeuwkettingen.

Mist hij de actie niet? Is dit wel militair genoeg? Jeffrey Bont: ‘Het is een heel stuk minder militair, eigenlijk bijna niet. Maar gezien de thuissituatie, mijn vrouw is vijf maanden zwanger, en mijn behoefte aan een normaal sociaal leven, ben ik erg blij met deze baan.’

In Irak is het ondertussen al jaren onrustig, met name in 2006 was er een piek in het geweld. In 2010 leidden de eerste verkiezingen tot een regering van nationale eenheid. De Amerikaanse militairen, in wiens kielzog Jeffrey Bont in 2004 het land is binnengekomen, zouden eerst voor het eind van dit jaar allemaal zijn vertrokken.

Volgens de New York Times zijn er nu echter gesprekken gaande om een aantal troepen in 2012 te laten terugkeren; niet als bezetters maar als gasten – al dan niet onder de vlag van de NATO. Het broeit namelijk nog op diverse plaatsen in Irak.

De Koerden en de Soennieten zijn bang dat de Sjiieten (met steun uit Iran) de politiek willen gaan domineren. Aan de andere kant heeft de Iraakse overheid in november 2011 een groep van ruim zeshonderd vermeende coupplegers gearresteerd, bestaand uit militairen uit het voormalige leger en leden van de Ba’ath-partij van Saddam Hoessein. Dat zijn dan weer Soennieten.

De Irakezen zijn sinds 2003 dan wel bevrijd van Saddam Hoessein, stabiel is de situatie nog lang niet. Het avontuur van het democratische Irak is nog maar net begonnen.

Comments Off

admin op 12 November 2011 in Politiek & Media

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel