Archief voor April 2011

Solidariteit als essentie van de joods-christelijke traditie

Huub Oosterhuis heeft in februari bij de lancering van het leerhuis De Nieuwe Liefde in Amsterdam een essay gepubliceerd, getiteld ‘Ik versta onder liefde’ (Ten Have, 2011). Het leerhuis wordt een plek voor studie, bezinning en debat waar ‘de behoefte aan een opvlucht van onze geest niet wordt weggelachen of bedolven onder een ideologie’. Waar de verbeelding wordt gescherpt, het hart en het verstand verruimd, al dan niet via poëzie, muziek en theater. Gemodelleerd naar de joodse leerhuizen, moeten er nog vele van zulke vrijplaatsen volgen.

De Nieuwe Liefde biedt ruimte voor een (hernieuwde) aansluiting met het erfgoed van jodendom, christendom, humanisme en socialisme, stelt Oosterhuis. Ook zal er studie van de islam worden gemaakt en wordt onbevooroordeelde informatie over de wereldgodsdiensten geven, maar de focus of in elk geval de motivatie tot de oprichting ervan, blijkt uit het boek van de oprichter, is op de christelijk-sociale lijn.

De Amsterdammer heeft zijn essay ‘Ik versta onder liefde’ doorspekt met soms prachtige literaire fragmenten die hij gebruikt om zijn verhaal op te bouwen. Via ‘Advent’ van Wystan Hugh Auden (die ‘beschrijft deze eeuw van twee wereldoorlogen als een volstrekte leegte waarin ieder mens tot een fictie dreigt te worden onteigend’) introduceert Oosterhuis de levende liefde, de gedeelde bezieling – van soms maar een enkel moment – die inzichtelijk maakt en verbindt.

Vanaf zijn geboorte naar het heden, laat hij diverse voorbijgangers aan het woord. Hij beschrijft Adolf Hitler, die in 1933, het geboortejaar van Oosterhuis, 44 procent van de stemmen haalt, een nederlaag die als een overwinning werd gevierd. En citeert Sebastian Haffner als die vraagt naar de zwijgende meerderheid en spreek over ‘het laffe verraad van alle leiders van partijen en organisaties op wie 56 procent van de Duitsers, die tegen de nazi’s stemden, hadden vertrouwd (…). Wat is er van die meerderheid geworden?’

De inrichting van Dachau, de boycot tegen de joden, boekverbrandingen, de instelling van de eenpartijstaat, de censuur van kunst en cultuur – ‘In negen maanden werd Duitsland tot Hitler-Duitsland’. Oosterhuis slaat er, net als Hitler, Friedrich Nietzsche op na, de man die zijn tijd een eeuw vooruit was en die al in 1882 in de ‘Vrolijke Wetenschap’ de dood van god aankondigde:

‘”Waar God heen is?”riep hij. “Ik zal het jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik. Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gekund? Hoe konden wij de zee leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? Waarheen beweegt zij zich nu? (…) Dwalen wij niet door een oneindig niets? Ademt ons niet de leegte tegemoet? Is het niet kouder geworden? Wordt het niet steeds meer nacht? (…)”’

Het bezield verband viel toen al uit elkaar. In Nederland was dat al eerder onderkend door Eduard Douwes Dekker. Door het burgerkapitalisme, massafabricage, het monetair-industrieel complex en de opkomst van de moderne stad werden volgens George Steiner ‘de gordijnen tegen het morgenlicht dichtgetrokken’, met een op christelijke hellebeelden en verdoemingsverhalen gebaseerd ‘uitleven van een duizendjarige pornografie van de angst tot gevolg’: de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. Dat regime had zich mede gebaseerd op het streven naar werkelijke individuatie, in de lijn van ‘blijde boodschapper’ Nietzsche.

Aansluitend bij ‘god en theologie na Auschwitz’ stelt Oosterhuis: ‘Ik heb geleerd te onderscheiden tussen de christelijke cultuurgod en de God van de bijbel’. Hij vervolgt zijn reis naar hernieuwde bezieling door de god van het jodendom op te zoeken, volgens hem een god van bevrijding en hoop. En van verbinding. Hier komen we bij de rode draad: het joods-christelijke verhaal is een sociaal verhaal, in essentie een bevrijdingstheologie die oproept tot bezielde actie voor de kwetsbaren op basis van recht, solidariteit en ontferming. En dat steeds weer opnieuw, ondanks tegenslagen; geloven tegen de klippen op.

De dichter neemt de kracht van ‘het volk’ Israël als voorbeeld. In 1230 voor het begin van onze jaartelling schrijft farao Mernepta dat Israël niet meer bestaat; hij heeft alle nomadenvolkjes in Kanaän, het huidige Libanon, Palestina en Jordanië, in de pan gehakt. Een eigen god had Israël toen nog niet, al geven de joodse geschiedschrijvers daar vervolgens met terugwerkende kracht een andere draai aan, stelt Oosterhuis. In 586 is het weer raak en wordt de tempel in Jeruzalem verwoest. Maar de Israëlieten geven niet op en in 515 wordt een nieuwe tempel opgericht.

Onder druk van voortdurende vervolging, wordt deze traditie op schrift gezet. De essentie van de Thora-bibliotheek is volgens Oosterhuis: ‘Jij, mens, wie je ook bent, heb liefde tot je naaste die is zoals jij, een nietig ontzagwekkend levende ziel, een ander mens die bestaansrecht heeft zoals jij; geef elkaar dat recht, gelijkwaardig als je bent, zo verschillend als je bent; weest solidair met elkaar’. ‘(…) uniek is: dat dit beroep op het geweten van ieder mens in de mond wordt gelegd van een God met de naam “Ik zal er zijn, ik stuur jou naar mensen in nood”. Hij zal zijn in mensen die elkaar bevrijden.’

Niet zo verwonderlijk, ziet Oosterhuis van Jezus dan ook vooral diens sociale functie. Het verhaal over een Jezus die gestorven is om de zondige mensen met god te verzoenen, en ons te redden van verdoemenis, is voor hem van weinig tot geen waarde. ‘Heb liefde tot je naaste, wees volstrekt solidair met je naaste, die is als jij, een mens’ – deze rabbijnse samenvatting, daterend van tweehonderd voor onze jaartelling, en weerklinkend in de verhalen over Jezus, is voor Oosterhuis richtinggevend.

Hij zet daar de Übermensch van Nietzsche tegenover. Oosterhuis geeft eerst aan dat je met de Übermensch veel kanten op kunt, maar verklaart deze vervolgens voornamelijk als de onderliggende basis voor het dominante vrijemarktdenken, waarbij asociaal en gewetenloos gedrag de boventoon voert. ‘De markt bevindt zich aan gene zijde van goed en kwaad’, schrijft hij.

(Ik heb Nietzsche al jaren niet meer gelezen, maar in mijn herinnering was deze idee vooral gericht op het ontwikkelen van een persoonlijke moraliteit door onafhankelijke zelfbevrijding. En gezien zijn tirades tegen het christendom met haar slavenmoraal, kan ik me niet voorstellen dat Nietzsche de nieuwe priesterkaste van het internationale bedrijfsleven, deze kerken van de nieuwe macht, met hun vele slaven (klanten en medewerkers), zou toejuichen. Dit terzijde.)

Oosterhuis kiest liever voor Marx, volgens hem onterecht afgeserveerd vanwege het vermeend onchristelijke karakter van zijn denken en uiteraard om de mislukte toepassing van zijn ideeën in Oost-Europa. Marx stelt dat de bevrijding komt als we: ‘Alle verhoudingen omver werpen (saneren) waar in de mens een vernederd, geknecht, verlaten en verachtelijk wezen is’. Dus wel bevrijding, maar niet ten koste van een ander (zoals in het traditionele kapitalisme) en in solidaire verbondenheid. ‘Het geloof in het noodlot en de heiligheid van het bestaande, maar ook het geloof en het inzicht in de vernieuwbaarheid van deze wereld doordesemt heel de marxistische traditie en is geestverwant aan het visioen van de bijbel.’

Vervolgens laat Oosterhuis parallellen zien tussen de opkomst van Nazi-Duitsland en die van een club als de PVV in onze tijd (en vergelijkbare populistische radicale stromingen in andere Europese landen). Hij haalt Johan Huizinga aan uit ‘In de schaduwen van morgen’ en laat hem zeggen dat de hoop te vinden is in de gemeenschap van mensen die ‘de leugen geen toegang geven, en die niet vervallen tot levensmoeheid en vertwijfeling’. Een gemeenschap van/in de (creatieve en bezielende) geest (die de mythen van het vrijemarktdenken kan en wil ontrafelen en in verbondenheid kan overstijgen); de mondiale ‘civil society‘ die nu wereldwijd zo’n 5 miljoen mensen zou omvatten.

Hendrik Marsman (in 1940 omgekomen toen zijn boot onderweg naar Engeland zonk, een groot bewonderaar van Nietzsche) was één van hen. Hij dichtte: ‘Alles is immers beter dan dit! / Zou ons hart niet moeten vergaan / van wroeging en schaamte, dat dit / ongestraft kan bestaan! / want geen onzer heeft iets gedaan / om met zijn bestaan te bezweren / dat er bloed aan de handen klit / en het tuig uit de onderwereld / de vulkanische tronen bezit.’

Oosterhuis ziet zich als een metgezel van Marsman, als één van de weinigen ‘die de leugen geen toegang geven en hun knieën niet buigen voor het onrecht’. Hij richt zijn pijlen met name op het beleid voor (of tegen) asielzoekers in Nederland en ziet overeenkomsten met de vervolging van de joden: ‘Het vergelijkbare is de manier waarop weerloze mensen worden behandeld. Dat lijkt wél op elkaar: zo voelt het, de nietsontziende hardheid, zelfs kinderen worden niet ontzien. En zo heb ik het gezien in 1943, in de Amsterdamse Rivierenbuurt.’ (In november 2010 presenteerde Amnesty International het rapport: ‘Vreemdelingendetentie: in strijd met de mensenrechten’.)

De beweging van ‘goede mensen’ anno nu zou vooral moeten insteken op de liefde voor de vreemdeling, aldus Oosterhuis; het moeilijkste dat er is. ‘Opdat de samenleving der mensen niet zal wegzakken in schijnliefde, apenliefde, bezittersliefde, bloedliefde, bloed-en-bodemliefde’. Hij haalt Emmanuel Levinas aan: ‘Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

De vreemdeling, dat is, in deze tijd, de ander, in het bijzonder de kwetsbare ander. Niet alleen de asielzoeker. Die vreemdeling moet onderdeel gaan uitmaken van het utopische streven naar beter, tegen de klippen op. Voorbij Nietzsche, de (onwillige) profeet van de moderne tijd. Voorbij de oude god, misschien wel zoals de bon hommes die zagen bij de katholieke kerk, naar een nieuwe, ware god, die ‘puur licht is en zonder schaduw’. Een god die niets vraagt dan solidariteit met de zwakkere, de vreemdeling.

Daartoe moeten we volgens Oosterhuis: ‘Niet afgestompt raken door de zorgen van iedere dag, en je niet laten intimideren door de harde stemmen der cynische realisten die het beter weten. En niemand hard vallen die de moed verliest. Tijd maken voor troost, bezinning, analyse, muziek. Gedichten lezen, nieuwe moed verzamelen: dat is wat ons te doen staat in onze bezield-verbandhuizen, leerhuizen voor een betere wereld.’

Comments Off

admin op 26 April 2011 in Boek & Meer

Plan bomenkap Hoogveld in ijskast door buurtbewoners

Opnieuw is er opschudding in de Sittardse wijk Hoogveld over bomenkap en de vergunning daarvoor. Het gaat om het rooien van struiken en bomen in drie waterbuffers aan de Tungristraat, het Petroniuspad en de Eburonenstraat, samen 1,3 hectare. Het lijkt alsof de gemeente Sittard-Geleen te voortvarend reageert en zich daarbij niet aan de eigen vergunningaanvraag houdt. Voorlopig ligt alles voor onbepaalde tijd stil door twee buurtbewoners die naar de bestuursrechter stapten.

Begin maart had de kap moeten beginnen. Een paar dagen eerder, 28 februari, stuurde de gemeente een brief aan omwonenden van alle drie de buffers: door een storing aan het gemaal is er stinkend slib in de buffers gevormd, dat zorgt voor overlast van omwonenden en daarom moet het slib worden weggehaald. En met het slib, het groen. ‘De beplanting moeten we helemaal weghalen’, schrijft de wijkcoördinator van stadsdeel 4.

Langs het Petroniuspad staan twee rijen beplanting, deze wordt doorgetrokken tot achter hele talud achter alle buffers. Maar niet langs de Eburonenstraat en de Tungristraat, zo vervolgt de brief, ‘omdat achter de begroeiing van de buffers (zich) de fruitbomen van de pompgemalen bevinden.’

Juriste Manon Muris kijkt vanuit haar woning op de buffer aan de Tungristraat. Ze was verbaasd over de brief; ze volgt de gemeentelijke publicaties op de voet, onder meer vanwege de geluids- en stankoverlast van biomassacentrale BES en de aanleg van een ongelijkvloerse kruising in de Hasseltsebaan-Dr. Nolenslaan. Hoe heeft ze dit kunnen missen? Ze speurde in de gemeentelijke mededelingen van de afgelopen maanden.

Wat bleek? De vergunningsaanvraag had er inderdaad in gestaan, op 20 oktober 2010, maar heel klein, zonder -straat of wijknaam (wel met perceelnummers) en voor een leek volstrekt onduidelijk: ‘Omvormen beheer van 12.838 m2 houtopstand op percelen STD00 T 1695, T 01586, K 03276, K 03440 i.v.m. ontwikkelingen op percelen. T.b.v. beheer, werking en hydraulogisch profiel van de regenwaterbuffers is het noodzakelijk dat de wilgenopslag in de genoemde buffers wordt afgezet.’

Manon Muris vermoedt dat deze cryptische omschrijving geen toeval is, gezien de commotie in 2008 over de massale bomenkap op de aarden wal rond Hoogveld en de illegale kap later dat jaar van bomen aan het spoor. ,,Ik heb veel publicaties van Sittard-Geleen bestudeerd, van de maanden ervoor en erna, maar er was er geen zoals deze. In alle andere publicaties wordt de locatie aangeduid met adressen in plaats van met perceelnummers.”

Ze vroeg de vergunningaanvraag op. In dit formulier (voor een kapvergunning) staat éénmaal aangevinkt dat er wel en tweemaal dat er geen kapvergunning nodig is. Het stukje over ‘boom/bomen’ is niet ingevuld. Wel aangevinkt is ‘houtopstand’. Die wordt op een andere manier beheerd, belooft de vergunning (’omvormen beheer’).

In de toelichting staat: ‘De wilgenopslag in de buffers wordt afgezet. De aanwezige boomvormende wilgen zullen worden geknot. De aanwezige stobben worden niet gerooid zodat deze opnieuw kunnen uitlopen.’ In gewoon Nederlands: de wilgenstruiken worden met wortel en tak verwijderd, maar de wilgenbomen worden gesnoeid. En dat, terwijl in de brief aan de bewoners duidelijk staat: alles eruit.

In de kapvergunning, 21 december 2010 door het college verleend en 28 december verzonden, staat dat er op de locatie van het te kappen groen andere ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Welke is een raadsel (voor zover bekend blijven het waterbuffers). Opvallender is dat er geen herplantplicht wordt opgelegd. Dus het doortrekken van een deel van de beplanting, zoals in de brief aan de bewoners aangekondigd, is vrijwillig. De gemeente kan er zo weer van afzien.

Het vertrouwen van Manon Muris werd er begin maart niet groter op door enkele schoonheidsfoutjes in de aanvraag. Zo wordt volgens haar naar de verkeerde versie van de Algemene Plaatselijke Verordening verwezen. Ook wordt gesteld dat het gaat om natuurlijke aanwas, dat is in de krant nog eens herhaald. Terwijl bijvoorbeeld voor haar huis in de buffer een boom staat, met de steunpaaltjes en de (halfvergane) rubbers er nog aan: duidelijk aanplant.

Ze diende met haar vriend Marco Costongs een bezwaarschrift in en vroeg bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening om de kapprocedure per direct stil te leggen (een bezwaarschrift heeft daarop geen invloed). Een dag voor het bestuursrechterlijk ‘kort geding’ op 18 maart in Maastricht, belde de gemeente: of ze het verzoek aan de rechtbank wilde intrekken onder de voorwaarden dat er niet gekapt wordt tot de kapvergunning definitief is en haar bezwaar inhoudelijk behandeld wordt. Daar kon ze zich in vinden.

Het moment van de vergunningverlening bepaalt de start van de bezwaartermijn, legt ze uit. Eigenlijk was ze nu met haar bezwaar te laat, maar haar argument over de cryptische publicatie van de vergunningverlening sneedt hout; ‘daar stond nog minder in dan in de bekend gemaakte aanvraag voor de vergunning’. Door de onduidelijkheid moest het bezwaar wel inhoudelijk behandeld worden, stelt de juriste.

Nu is de kap voor onbepaalde tijd uitgesteld in afwachting van het advies van de commissie bezwaar- en beroep aan het college. Het zou wel een half jaar kunnen duren voordat de commissie uitspraak doet, aldus een gemeentelijke woordvoerder in de krant.

De juriste uit Hoogveld wil dat de vergunning niet wordt verleend en als dat onverhoopt wel gebeurt, bepleit ze herplant. Uitdunning is in laatste instantie ook een optie.,,Een vraag is of er genoeg rekening is gehouden met de natuur- en milieuwaarden. Zo hebben we hier in de buffer een groene specht gefotografeerd, een vogel die op de rode lijst van bedreigde dieren staat. Dat zou wel eens van invloed kunnen zijn op het besluit. Ook is van belang of de landschappelijke waarde voldoende is onderzocht.” Daarnaast heeft de begroeide buffer een geluidwerende werking, aldus Manon Muris. ,,Maar de hoofdvraag is of het slib ook kan worden weggehaald zonder dat (alle) begroeiing eruit moet. Wij denken van niet.”

De gemeente voert als argument aan dat het gemaal stuk is gegaan; daar is alles mee begonnen. In het eerste krantenbericht wordt door de gemeente gesuggereerd dat dit éénmaal is gebeurd. Navraag bij Sittard-Geleen, over defecten de afgelopen vijf jaar, levert de informatie op dat het gemaal in 2010 tussen 17 maart en 29 juni twaalf keer kapot is geweest. Of de begroeiing in (alle drie) buffers daarvan de oorzaak is geweest, bijvoorbeeld door drijvend groenafval, is onbekend. Het gemaal is intussen gerepareerd.

Terugkijkend lijkt het volgende te zijn gebeurd: het gemaal ging om onbekende reden herhaaldelijk stuk, daardoor kwam er meer slib dan anders in de buffer aan de Eburonenstraat terecht. Dat zorgde ter plaatse voor stankoverlast. (Alleen door mensen in die straat is volgens de gemeentewoordvoerder geklaagd.) In reactie daarop heeft de gemeente besloten niet alleen het slib in die buffer te verwijderen, maar het slib in alle drie de buffers (en het groen dat erin staat geheel weg te halen, in strijd met de eigen vergunningaanvraag).

In de vijf jaar dat ze aan de Tungristraat woont. is het slib-niveau in ‘haar’ buffer volgens Manon Muris ogenschijnlijk niet toegenomen. En van stankoverlast is nooit sprake geweest. (Of dat aan het Petroniuspad wel speelde, is onbekend).

De crux zit hem in de communicatie. De gemeentelijke woordvoerder stelt eerst dat er eenduidig is gecommuniceerd (’er is geen verschil’). Later draait hij bij: ‘In de vergunningaanvraag komt het woord snoeien niet voor. Er staat wel dat de aanwezige wilgen worden geknot en dat de stobben blijven staan en weer kunnen uitlopen. Dit was oorspronkelijk de bedoeling, bijvoorbeeld langs het Petroniuspad. Op dit moment wordt hier opnieuw naar gekeken.’

Na de krantenberichten over de bomenkap, kondigde de gemeente per e-mail aan at er een informatiebijeenkomst komt. De datum is nog niet bekend, maar Manon Muris, die bij een andere gemeente zelf bezwaarschriften afhandelt, vindt het vreemd.

,,Een voorlichtingsavond beleggen terwijl de bezwaarprocedure nog loopt, heel merkwaardig. De gemeente lijkt ervan overtuigd dat de kap gewoon kan doorgaan. De uitslag van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie staat blijkbaar al vast.”

Overigens is de bezwaarmaakster zelf niet uitgenodigd voor de avond. Ze moest het horen van een buurman die eerder bij wijze van protest posters met kruizen aan de bomen in de buffer voor hun deur had opgehangen (deze zijn intussen verwijderd). Hij had wel een e-mail gekregen.

Het is niet voor het eerst dat bomenkap de gemoederen verhit in Hoogveld. Eind 2008 meldde het WijkKrantje dat spoorbeheerder ProRail zonder vergunning zestien bomen had laten kappen bij het spoor. Dit onder het mom dat het struiken waren. De vergunning werd later door Sittard-Geleen met terugwerkende kracht verleend in de vorm van een noodkapvergunning.

In maart dat jaar was de gemeente zelf de fout in gegaan door ‘miscommunicatie’ in het stadhuis. Toen sneuvelden in een massale kap zeker duizend bomen, sommige met een diameter van dertig centimeter, op de aarden wal rondom Hoogveld. Volgens de gemeente ging het om ‘een reguliere snoei- en opschoonbeurt van het struikgewas.’ Hiervoor zou geen vergunning nodig zijn geweest.

(dit artikel is geschreven voor het Wijkkrantje)

Comments Off

admin op 26 April 2011 in Politiek & Media

Laura Ndukwana laat bloemen bloeien op onwaarschijnlijke plaatsen

Als er een soort mini-Nobelprijs zou bestaan, dan was Laura Ndukwana (40) een ideale kandidaat. Vanuit het Gugulethu township van Kaapstad vecht deze krachtige en inspirerende vrouw om te voorkomen dat er weer een generatie jonge zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen verloren gaat door drank, drugs, (huiselijk) geweld, moord, verkrachting en/of HIV.

Met haar bijzondere project de Breakfast Club, dat draait om eten in ruil voor de verplichting om onderwijs te volgen, schept ze voor jonge kinderen de voorwaarden voor structurele verandering en opent ze voor hen de deur naar een andere toekomst. Intussen heeft ze al vierenveertig kinderen in haar programma (gehad) en zeven ervan studeren in het buitenland.

Laura Ndukwana wil niet langs de kantlijn staan van het leven waarin ze is opgegroeid. Dat is een bewuste keuze; haar bestaan, met een bachelorgraad in sociale wetenschappen op zak, had heel anders kunnen zijn. Met een veilig huis uptown en een goed betaalde baan, zoals ze die ook een tijdje heeft gehad op de marketingafdeling van een multinational, ver van de deprimerende omstandigheden waarmee ze nu dagelijks wordt geconfronteerd. Net als haar vriendinnen in de stad die banen hebben in de advocatuur, bij de overheid of in de journalistiek.

Ze vecht een ongelijke strijd. Haar bijna onvermoeibare geloof in verbetering brengt ze met passie, humor en daadkracht in stelling tegen de alom tegenwoordige en keiharde realiteit, die gevoed wordt door de extreme sociale ongelijkheid. Met name tussen de arme zwarten en kleurlingen in de townships en de welgestelde blanken die aan de andere kant van de stad leven in met stroomhekken, honden en gewapende beveiligingsdiensten afgegrendelde groene paradijzen. De zwarten en kleurlingen werken er als tuinman, nanny, huishoudelijke hulp, schoonmaker of bewaker.

Bijna elke stad heeft een township. In totaal wonen ongeveer zo’n acht miljoen Zuid-Afrikanen in zulke wijken. Kaapstad heeft meerdere townships met samen naar schatting twee miljoen inwoners. Townships kennen vaak een driedeling: een klein welvarend deel met vrij ruime betonnen huizen (het ‘Beverly Hills-deel’, zoals Laura Ndukwana dat noemt), een normaal deel en een verkrot deel. De situatie in de slechtste delen, die vaak illegaal zijn gebouwd, is misschien wel één van de ergste ter wereld.

De woningen zijn slechts enkele vierkante meters groot, gebouwd op aangestampte grond en opgetrokken uit planken en golfplaten. Sanitaire voorzieningen en stromend water zijn vaak niet aanwezig. Als het flink regent, moeten alle bewoners van zulke delen worden ontruimd; dan verandert zo’n wijk in een modderpoel. Ook zijn er regelmatig branden door illegaal afgetapte stroom van de lage palen met stroomkabels die op veel plaatsen boven de kleurig geverfde krotten uitsteken.

De armoedige behuizingen weerspiegelen de sociale omstandigheden. In Gugulethu, net als in veel andere townships, is bijna zestig procent van de mannen werkloos, vertelt Laura Ndukwana, die Nelson Mandela (’we hebben zijn visie verkwanseld’) en Moeder Teresa, ook een pionier in de sloppenwijken, als haar grote voorbeelden ziet.

Veel mensen, ook vrouwen en pubers, zijn verslaafd aan het vaak zelf gebrouwen bier dat op de hoek van elke straat te koop is via getraliede cafés of shebeens. (Voor tien rand, ongeveer een euro, krijg je een gevuld verfblik van een paar liter met deze dubieuze witte soep.) Verder wordt aanvullend drugs gebruikt om de dagelijkse omstandigheden te vergeten.

De wijdverspreide alcoholverslaving, waaraan volgens Laura Ndukwana vaak ook het kindergeld van 250 rand per maand wordt gespendeerd, maakt het moeilijk om de vicieuze cirkel van het leven in de townships te doorbreken. ,,Ik zie zo wanneer het pay day is, daar heb ik geen kalender voor nodig; dan is iedereen dronken en viert feest. Soms wordt de drank op krediet verstrekt. Dan gaan de mensen op zo’n dag met hun betaalpas en iemand van een café naar een bank en kunnen ze hun geld gelijk weer afgeven.”

Alcoholverslaving en langdurige en massale werkloosheid zorgen enerzijds voor lethargie, anderzijds voor frustratie en agressie. Het aantal moorden is bijvoorbeeld zorgwekkend hoog. In Gugulethu, met vermoedelijk ruim driehonderdvijftigduizend inwoners, zijn de laatste vijf jaar zevenhonderd mensen vermoord volgens het South African Institute of Race Relations in The Guardian van november 2010. Onder (zwarte) mannen in Zuid-Afrika is de kans acht keer zo groot als wereldwijd gemiddeld om gewelddadig om het leven te komen. In 2007-2008 ging het om ruim achttienduizend gevallen, aldus de Medical Research Counsel (MRC) van Zuid-Afrika in november 2009.

Vaak worden de daders door de gemeenschap beschermd, dus de politie - die zelf geteisterd wordt door corruptie - kan niet effectief optreden. Veel moorden zijn vuurwapen gerelateerd, mede door het machismo en het lage zelfbeeld van de bewuste mannen, waarbij geweld en wapenbezit de mannelijkheid moeten versterken; een ‘echte man’ is dominant en (seksueel) gewelddadig.

Het percentage moorden op vrouwen is zes keer zo hoog als wereldwijd gemiddeld. Deze worden door mannen gepleegd. In veel gevallen komen de moorden voort uit huiselijk geweld, waar bijna helft van de vrouwen mee te maken heeft volgens de MRC-cijfers.

Laura Ndukwana heeft het zelf meegemaakt: ,,Vorig jaar december heb ik een familielid moeten begraven. Ze was in elkaar geslagen door haar man en halfdood op het spoor gelegd, zodat de trein, die door ons township gaat, het kon afmaken.” Zelfs voor iemand als zij, die de mensen, het gebied en de problemen van binnen en van buiten kent, was dat een hele klap.

In het dagelijks leven is ze onder meer een gerenommeerde township tour guide. Ze ontwikkelt en steunt diverse sociale projecten, maar focust op jonge kinderen - een vergeten doelgroep volgens haar. ,,De overheid richt zich met werkgelegenheidsprojecten op kortetermijndoelen. Laat ze maar figuurtjes met kraaltjes maken en die verkopen aan toeristen, dan is er inkomen.

Maar als een man zo duizend rand per maand verdient, en het wordt gelijk opgedronken, wat lost het dan op? Nu al zijn twee generaties verloren; de kinderen en de ouderen blijven over. Met veertig ben je hier al heel oud, de gemiddelde levensverwachting is vijftig jaar. De ouderen kun je niet meer veranderen - een oude boom moet je niet meer verplanten - daarom steun ik de kinderen.”

De meeste kinderen in de townships worden buitenechtelijk geboren. Een deel is vanaf de geboorte alcohol verslaafd of HIV geïnfecteerd. Opgevoed door familieleden, is de kans op misbruik en verwaarlozing groot.

Verkrachting is aan de orde van de dag. Een derde van de meisjes onder de achttien heeft te maken met seksuele agressie (van ongewenste intimiteiten tot verkrachting), vaak door verwanten. Vijftien procent van de meisjes die aangifte doen van verkrachting is jonger dan twaalf jaar. Alweer volgens cijfers van de MRC uit 2009. De daders zijn vrijwel altijd zwarte mannen.

De oorzaak schuilt in de omstandigheden en in het heersende beeld van mannelijkheid onder deze mannen (dat gepaard gaat met homofobie en ‘corrigerende verkrachtingen’ van lesbiennes). Een vrouw nemen tegen haar wil, past in dat plaatje. Eén op de vier ondervraagde mannen gaf in het MRC-onderzoek toe dat hij verkracht had en zestig procent van de jongens ouder dan elf denkt dat verkrachting niets met geweld te maken heeft.

De werkelijkheid kon nog wel eens wranger zijn dan de gegevens van de MRC doen vrezen. In een artikel in The Independent van mei 2010, waarin Childline South Africa wordt aangehaald, stelt men dat kinderverkrachting landelijk tweehonderdduizend keer per jaar voorkomt. ‘In tachtig procent daarvan gaat het om slachtoffers jonger dan dertien.’

Het uiteenlopen van de schattingen is niet zo vreemd. In 2002 bleek uit onderzoek dat slechts één op de negen overlevende slachtoffers van verkrachting aangifte doet. Volgens de politie, aangehaald in The Guardian van november 2010, is in 2009 van ruim achtenzestigduizend seksuele misdrijven aangifte gedaan. Als het aangiftepercentage gelijk is gebleven, zou het in werkelijkheid gaan om zeshonderdtwaalfduizend seksuele misdrijven per jaar.

De verkrachtingen, al dan niet onder invloed van alcohol (rond pay day is er telkens een piek, volgens Laura Ndukwana), zorgen voor een snelle verspreiding van HIV (Zuid-Afrika heeft met 5,7 miljoen het hoogste aantal HIV-geïnfecteerden en Aids-patiënten te wereld. In townships zou één op de vier inwoners geïnfecteerd zijn). Ook komen mede hierdoor veel kinderzwangerschappen voor. Daarnaast zorgen alcoholverslaving en armoede onder pubermeisjes soms voor prostitutie, aldus Laura Ndukwana. ,,Zie je die meisjes? Die zijn alcohol verslaafd, nu al. Voor driehonderd rand doen ze alles voor je.”

Van het wereldkampioenschap voetbal, in 2010 in Zuid-Afrika gehouden, had ze hoge verwachtingen. Met name voor de ondernemingen in de townships, zo vertelde ze eind 2009 in Ke Nako, een mededelingenblad van de FIFA. Op diverse trapveldjes in Kaapstad zie je nu teams spelen en trainen, soms in shirtjes van Ajax Capetown. Maar, los van de paar overgebleven fufuzela’s die nog op straat worden verkocht, heeft het kampioenschap in de arme delen ogenschijnlijk geen sporen achtergelaten. ,,Intussen is duidelijk dat het, voor de mensen hier althans, niet veel heeft opgeleverd.”

Met haar warme persoonlijkheid, goede sociale inbedding en door de mogelijkheid tot afstandelijke beschouwing via haar opleiding sociale wetenschappen, ziet Laura Ndukwana de problemen pijnlijk scherp. Begin dit jaar werd het haar even teveel. Ze wilde ermee stoppen. Waarom zou ze hier blijven terwijl ze ook in de stad kon wonen onder veel betere omstandigheden? ,,We leven hier als slaven!” Als vrouw alleen, haar man stierf vijf jaar geleden door een auto-ongeluk, haar zoon studeert in de VS, heeft ze het niet makkelijk. ,,Ik word hier door sommige mensen gezien als een gekke oude vrouw.” Ze vermande zich, vond onder meer steun in haar nog immer voortdurende opleiding tot sangoma (traditioneel genezer) en koos voor haar ideaal: werken aan een beter Zuid-Afrika voor iedereen en zeker voor de mensen in de townships.

Een belangrijk initiatief hiertoe is de Breakfast Club, die ze samen met achtentwintig andere vrouwen runt. Het idee is simpel. Om te zorgen dat de kinderen genoeg te eten krijgen (vaak is er geen geld voor, onder meer door het drankgebruik) en de ouders / verzorgers te stimuleren om hen naar school te sturen, biedt deze club de kinderen elke morgen een ontbijt aan. Het voedsel bestaat uit wat overblijft van het ontbijt in locale restaurants. ,,Als voorwaarde stel ik dat ze geen enkele schooldag mogen missen en ik wil al hun rapporten zien.”

Discipline is het toverwoord. En het werkt. Intussen heeft ze vierenveertig kinderen in het programma (gehad) en een klein aantal van hen studeert intussen in het hoger onderwijs. Mede dankzij buitenlandse sponsoren, vaak particulieren. Maar het blijft lastig. Zo is er een jongen die opera studeert dankzij buitenlandse steun, maar die intussen twee meisjes zwanger heeft gemaakt. ,,Je kunt de kinderen wel uit het township halen, maar het is heel moeilijk om het township uit de kinderen te halen.”

Daarnaast is het zo dat mensen wel geld en goederen geven voor dit prachtige en succesvolle project - en dat is heel mooi - maar wat ze net zo hard of misschien wel meer nodig heeft is vrijwilligers die taken kunnen overnemen, tijd willen investeren, de handen uit de mouwen steken en de organisatie kunnen bestendigen. Want, erkent ze, het draait nu voornamelijk om haar. Als Laura Ndukwana onverhoopt wat gebeurt, is de kans aanzienlijk dat de continuïteit in gevaar komt.

Bij het zien van de handvol vertederende buurtkinderen van de Breakfast Club die tijdens het gesprek ronddartelen en aan haar hangen als aan een moeder, weet ze weer waarvoor ze het doet. Voor wie, beter gezegd. Dan verschijnt er een brede glimlach op haar gezicht en straalt ze hartverwarmend, deze zwarte engel uit Gugulethu, vol energie om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

Want ze doet nog veel meer. Zo zette ze naast de Breakfast Club ook de Women’s Savings Club op, een spaarfonds voor vrouwen waar elke maand geld wordt ingelegd zodat locale vrouwen in geval van nood hiermee kunnen worden ondersteund. En dan heeft ze nog haar jazzclub aan huis, het Thuthuka Jazz Cafe dat in 1998 is gestart als een soort sportkantine. Er zijn diverse optredens, ook van de vrouwenband waar ze zelf deel van uitmaakt.

Haar eigenlijke baan is tour guide, daar is ze twaalf jaar geleden mee begonnen. In haar oude witte Mercedes rijdt ze kleine gezelschappen rond en bezoekt met hen bijvoorbeeld een basisschooltje, een expositie over de historie van de townships, een krottenwijk en historisch belangrijke plaatsen. Laura Ndukwana vertelt open, gedetailleerd en vol passie en ze kent veel mensen ter plaatse. Op diverse plaatsen gaan de handen bij wijze van begroeting omhoog als ze passeert of moet er via het omlaag gedraaide raam even worden bijgepraat.

Binnen de townships worden haar drijfveren niet altijd begrepen, ook doordat veel mensen (begrijpelijkerwijs, gezien hun omstandigheden) vooral gericht zijn op de korte termijn. Haar afwijkend hoge opleiding, het relatief grote betonnen huis waarin ze woont (twee fraai uitgebouwde garages, voor het westerse oog) en de andere levensfilosofie maken de acceptatie van haar township toerisme er in haar eigen gemeenschap niet gemakkelijker op.

,,Het is geen aapjes kijken en ook niet geld verdienen aan het leed van een ander!” Ze doet het om toeristen en Zuid-Afrikanen van buiten de townships bewust te maken zodat de sociaal-economische situatie op langere termijn structureel kan veranderen, stelt Laura Ndukwana. ,,Misschien niet meer in mijn leven, wie weet hoe oud ik hier word, onder deze omstandigheden, maar dan heb ik er wel alles aan gedaan om het mogelijk te maken.”

Het informeren over wat er gebeurt in de township, zoals zij doet, is heel belangrijk. Zwarten & kleurlingen en blanken leven grotendeels in twee afgesloten werelden. De komst van het ANC-regime, dat te maken heeft met diverse corruptieschandalen (onder meer een aanklacht vanwege verkrachting in 2005 en diverse beschuldigingen van corruptie tegen president Jacob Zuma), heeft de situatie niet verbeterd, vinden veel inwoners van de townships. Ook onder het blanke deel van de bevolking is er veel kritiek. Aan beide kanten van het hek heerst angst en (meestal latente) agressie, met een paar vaak racistische extremisten bij elke partij.

De Rainbow Nation, zoals Nelson Mandela die zich voorstelde, is nog ver weg. Maar Laura Ndukwana werkt eraan. Met haar inspanningen past ze schijnbaar in een traditie die begon met de publicatie in 1890 van het boek ‘How the other half lives’. Dit onthullende werk over de sloppenwijken van New York van journalist Jacob Riis was destijds een eye opener voor de welgestelde ‘andere helft’, die geen idee had van de doffe kant van de glimmende welvaartsmedaille. Enkele jaren daarvoor was in Londen het eerste slum toerisme van de grond gekomen.

Als je het boek leest, zijn de overeenkomsten frappant en de beschrijvingen van de sociale omstandigheden klinken soms verrassend actueel. Ook Jacob Riis focust op de jonge kinderen. Hij schrijft: ‘Het redden van de kinderen is de sleutel tot het probleem van stedelijke armoede. Zo kan het karakter op goede wijze worden gevormd, want om de kinderen later te veranderen, dat is een hopeloze taak.’ Het zijn woorden die Laura Ndukwana gezegd had kunnen hebben. Met haar inzet en liefde voor de jonge kinderen in de townships laat ze bloemen bloeien op de meest onwaarschijnlijke plaatsen.

(een ingekorte versie van dit artikel verscheen op kaapstadmagazine.nl en in Ode)

Comments Off

admin op 14 April 2011 in Politiek & Media