Archief voor January 2011

Jezus I gaf zijn geest aan Jezus II

De verstandelijke interpretaties van Jezus, zijn leven en leringen, blijven zich opstapelen zolang mensen vragen stellen. De antwoorden zijn behulpzaam, maar leiden niet tot een compleet inzicht in deze verlichte man, die mens was, genezer en een soort goeroe.

Hans Stolp kiest in zijn recente boek ‘Het geheim van de twee Jezuskinderen’ (Ankh-Hermes, 2010, 17.90 euro) dan ook niet voor de weg van het hoofd, maar die van het hart. Hij vraagt de lezer vooraf om de behoefte aan bewijslast voor de twee Jezuskinderen op te schorten en zijn vertellingen in het hart te ontvangen; Jezus ontmoeten is een belevenis, geen berekening of beeldspraak.

Hoewel ik dat geprobeerd heb, en de schrijver daar soms ook in is geslaagd; om me zonder vragen te laten meegaan in de beleving, viel dat niet mee. Dat is ook niet zo vreemd, want het verhaal waar hij zich op baseert is vrijwel onbekend en dat dwingt tot opletten bij de lezer en tot een verhoogde uitleggerigheid bij de schrijver.

Het boek begint nu met verhalen over de twee Jezuskinderen. Dit op basis van een reconstructie, verderop in het boek, die grotendeels gebaseerd is leringen uit de theosofie, gnostische teksten en theologisch-historische interpretaties van oude kunstwerken (bron: ‘Die Zwei Jesusknaben in der bildenden Kunst’ van Hella Krause-Zimmer). Misschien was het beter geweest de volgorde om te gooien.

Omdat het verhaal onbekend is, zal ik daar voornamelijk op ingaan. De Esseense gemeenschap waarin Jezus vermoedelijk is gevormd, verwachtte – zoals bekend – een koning-messias en een priester-messias. Zij spelen een rol in een bijzondere machtswisseling die zich op een bepaald moment in de geschiedenis van deze Esseense gemeenschap lijkt te hebben afgespeeld.

Hier lopen de theorieën uiteen. Jezus zou, volgens een extreme uitleg, als radicale vernieuwer de ‘gemene priester’ zijn die deze conservatieve gemeenschap heeft verscheurd (en zo aan de basis heeft gestaan van wat later door de Romeinse invloed het christendom is geworden).

Stolp ziet het anders. Hij veronderstelt dat de Essenen contacten hadden soortgelijke groeperingen buiten de eigen religieuze context, met name met zonne-aanbidders in Egypte en met aanhangers van Zarathoestra. Ook zou het verhaal over Siddharta Gautama (de ons bekende boeddha) rond de Jezus-tijd in Nazareth bekend zijn geweest.

In zijn vertelling gebruikt Stolp veel van dit soort elementen om een web te weven dat het volgende aannemelijk moet maken: twee jongens werden bezield door grote geesten uit verschillende tradities en op jonge leeftijd besloot één van beide kinderen de geest te geven aan de ander (de eerste stierf snel daarna). De overblijver werd de Jezus die wij uit de bijbelboeken kennen, een man die door diverse tradities werd verwacht als de levende zonnenkracht of -geest. Van conflicten is in dit verhaal geen sprake, het is een warme, blijde gebeurtenis met verstrekkende gevolgen.

De argumenten voor deze theorie bestaan uit de verschillende versies van bijbelverhalen over Jezus en zijn jeugd, gnostische teksten, diverse recente boeken over ‘het esoterisch christendom’ (vooral antroposofische) en interpretaties van oude schilderijen. Stolp combineert de argumenten hieruit die passen in zijn visie, maar doet geen moeite om andere visies op zaken te weerleggen of zelfs maar te noemen. Dat is naar mijn mening de legitieme keuze van een gelovige die vooral wil bezielen in plaats van beargumenteren.

Geraakt worden in het hart was zijn insteek, maar als je naast een geloofsargument een historisch verhaal wilt overbrengen, en dat wil Stolp, zul je mijns inziens ook het verstandelijke erbij moeten betrekken. En dus ook in de tekst een afweging moeten maken. Geloofsbeleving en historische werkelijkheidsweergave hoeven elkaar overigens niet uit te sluiten. Maar als het laatste het eerste vooronderstelt, dan haal je het fundament onder de huidige geschiedwetenschap vandaan. En dat is wat Hans Stolp doet.

Hij vraagt ons om te geloven. Zo noemt hij het Evangelie van de Egyptenaren waarin staat: ‘Het heil zal in de wereld komen als de twee één worden.’ Volgens Stolp gaat dat over vereniging van de wezens van de twee Jezus-kinderen. (Overigens staat hierover een soortgelijke opmerking in het Evangelie van Thomas, maar die wordt aan Jezus toegeschreven en zou net zo goed een aanwijzing kunnen zijn voor de esoterische praxis van non-dualiteit in plaats van een historisch verslag van wat eens een profetie was).

Het verhaal van Stolp over de schilderijen, in het boek te controleren via kleurenreproducties, vind ik het meest boeiend. De al eerder in enkele werken over alternatieve (christelijke) geschiedschrijving genoemde suggestie Johannes = Maria in ‘Het Laatste Avondmaal’ van Da Vinci duikt op, maar er is meer. Zo verwijst Stolp naar het schilderij ‘Madonna op de rotsen’ van Da Vinci uit 1492, dat zich nu in Parijs bevindt. We zien een centraal geplaatste vrouw, twee kinderen en een lager en kleiner weergegeven vrouw, die bij nadere bestudering een engelenvleugel heeft.

Stolp ziet hierin het geheim van de twee Jezuskinderen en hun verhaal, nog steeds gebaseerd op onderzoek van Krause-Zimmer. Volgens de schrijver zegent de centraal geplaatste vrouw het kind rechts (van ons uit bezien), maar het zou heel goed anders kunnen zijn: ze ontvangt (met haar linkerhand) de energie van het kind rechts (links van haar) en geeft die energie met haar (rechter)hand op de achterkant van het hart door aan het kind dat met de handen gevouwen rechts van haar zit (links van ons).

Mij lijkt het dat alle energie naar het knielende kind links van ons gaat. Het kind links is de versie van het schilderij dat in Londen hangt voorzien van een symbool van Johannes de Doper, de kruisstaf. Dat lag ook voor de hand, want het jongetje rechts maakt op beide versies van het schilderij een gebaar dat we vaker zien bij sommige orthodoxe Jezus-iconen.

Hoewel de versie die in Parijs hangt vragen oproept in de lijn van de theorie over de twee Jezus-kinderen (met volgens Stolp twee moeders die allebei Maria heten), zou je dus net zo goed kunnen zeggen dat hier simpelweg het verhaal van Johannes en Jezus wordt verteld zoals het volgens een verborgen traditie is gegaan; Johannes was de grootste door zijn nederigheid en Jezus, in het schilderij ook lager geplaatst, ging er daarna met het verhaal vandoor (al hebben de bijbelboeken van het Nieuwe Testament dat volgens deze denkwijze ‘gecorrigeerd’).

Een ander schilderij, voor de argumentatie van Stolp groot van belang, is dat met twee vrouwen en twee kinderen, omstreeks 1400 gemaakt door de (onbekende) Meister van Nurnberg. De symboliek hierin is goed uit te leggen in de lijn van het verhaal van de twee Jezuskinderen. Maar ook volgens de traditie van de machtsgreep.

Zo zitten beide kinderen op kussentjes, het linker (voor ons links) op een rood kussentje, het rechter op een blauw. Als kleur bij kleur hoort, dat lijkt logisch, zou het kind links op het rode kussentje (volgens Stolp het jong te sterven Jezus-kind) de zoon zijn van Elisabeth zijn, die voor ons rechts zit. (’Elisabeth’ wijst ook met haar linker wijsvinger naar het centrum van het kruis midden in het hoofd van het kind. Dat jongetje zou dan Johannes zijn.)

Volgens Stolp gaat het hier om het verhaal van de twee Jezuskinderen, en hun beide moeders die Maria zouden heten, waarvan de boodschap door de symboliek van het aanwezige spinnewiel en de verwijzingen naar de bekende Maria, Elisabeth, Jezus en Johannes is verhuld voor niet-ingewijden.
Wat aan dit schilderij opvalt en waar Stolp niet op ingaat, is dat het kind voor ons links, mijn ‘Johannes’, met rechts een lepel vasthoudt met een beetje goud erin en met links een soort pan, geheel gevuld met goud (misschien was het lastig om diepte te verbeelden met goudverf?).

Mogelijk is dat goud hetzelfde materiaal als de draad die ‘Elisabeth’ weeft. ‘Maria’ heeft iets vast dat lijkt op een soort spoel om verschillende draden in elkaar te weven, maar ze komt nog niet aan bod. Verder houdt zij een soort rieten parasolletje vast, een symbool dat vagelijk lijkt op dat wat in sommige basilieken staat (maar dan van doek).

Mijn Johanneskind links lijkt met rechts een beetje goud uit de pan te scheppen. Hij houdt de pan met links vast, waar zijn tegenhanger deze met rechts vast heeft. Misschien is dat wel een symbolische weergave van het verhaal dat beide Jezuskinderen samen opgroeiden en dezelfde spirituele goudpot deelden waaruit het latere weefsel van de kerk is geweven? Jezus I die Jezus II zijn geest geeft, zoals Stolp meent.

Of gaat het toch over Jezus en Johannes; dat Johannes degene was die het goud in overvloed ontving, hij deelt uit, lijkt de eigenaar van de pan (je kunt niet geven wat je niet hebt) en dat Jezus, zonder lepel en met alleen zijn knuistje om de steel van de ‘pan’ geklemd, zich deze pan toe wil eigenen? ‘Jezus’ kijkt een beetje huilerig naar ‘Elisabeth’ alsof hij zegt: ‘Nou wil ikke!’ Het kind links observeert, heeft een meer neutrale gezichtsuitdrukking.

Het leeuwendeel van het boek, laten we dat vooral niet vergeten, is gevuld met de romaneske vertelling van het Jezuskinderenverhaal. En dat verhaal van Stolp is mooi om te lezen. Het voorgaande is overigens allerminst bedoeld om hieraan afbreuk te doen. Al met al biedt het boek van Stolp voldoende om mee aan de slag te gaan. Op wat voor manier dan ook. Voornamelijk vanuit het hart, ontvangend en genietend, of vanuit het verstand of misschien wel vanuit beide? Het is in elk geval een grote verdienste dat hij deze verhalen voor onze deze tijd weer tot leven heeft gewekt.

Comments Off

admin op 18 January 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Samen God ontdekken in Sittard

Ze zijn geen evangelisatie-familie; zo willen Jan en Carolien Poukens uit Sittard met hun drie meiden niet worden neergezet. Het christelijk geloof is een aspect van hun leven dat ze graag willen uitdragen. Ze runnen een bijbelclub voor kinderen en geven cursussen over de fundamenten van het christelijk geloof. Hun wereldbeeld willen ze zeker niet opdringen, maar als mensen het vragen ‘wijzen we ze graag de weg naar Jezus’. Een ontmoeting.

Hij ziet het als zijn rol om mensen uit hun ‘comfort zone’ te halen, uit hun behaaglijkheid. Met filosofisch getinte vragen over de zin en invulling van het leven. Op basis van eigen ervaringen en gewapend met kennis van zijn hbo-opleiding theologie.

Zij is niet van de geleerde theologische discussies, gelooft gewoon in God en Jezus, en gaat vooral met de kinderen aan de slag; mindmappen, tekeningen maken, verhalen vertellen, kastanjes poffen, zingen en gitaar spelen. Dat voelt goed.

Niet met een claim op exclusiviteit of de beste te zijn, zegt hij snel, maar wel met inhoud; kinderen van hun bijbelclub, en uiteraard ook de deelnemers aan de cursussen, moeten wel weten hoe de vork in de steel zit.

Jan heeft het over ‘anderen leren om existentieel te leven en ze geestelijk opvoeden’. Maar je moet kinderen ook weer niet ‘platpreken’, zegt zij dan weer over de bijbelclub. Wel moet de ‘blijde boodschap’ er altijd in. ,,Als ze vragen: wie is God? Ze dat laten ontdekken en de vraag stellen: wat wil je ermee?”

Te vaak hoort ze van jongeren dat ze ’sinds de communie niets meer met God hebben gedaan’. Jan: ,,Al zeg ik niet dat mensen in kerken niks van God kunnen ervaren. (…) Een idee dat bijvoorbeeld bij sommige kinderen leefde, die bij ons naar de club kwamen, was dat Jezus opgesloten zit in dat gebouw waar je af en toe naartoe kunt.”; de kerk.

Hij wil voorbij de stenen naar de directe godservaring, de ervaring van Jezus. (God en Jezus, dat is volgens hem uitwisselbaar.) ,,Vaak leven mensen langs God heen, verblind door materialisme bijvoorbeeld. Dat is de tragiek van de mens.” Voor hem is het een uitdaging om daar ‘een invloed op te zijn’.

Hoogspanning

Zelf heeft Jan het christelijk geloof aangenomen na een ingrijpende ervaring in zijn jongere jaren. ‘God op 220′, noemt hij dat. Jan was jong en iets diep in hem bleef boos en onverschillig. Op z’n negentiende besloot hij zijn geluk te zoeken in Nieuw-Zeeland. Vier jaar werkte hij er als melker op diverse boerderijen, later ging hij aan de slag op een kiwi-plantage met een pakhuis erbij.

,,Ik was een romanticus, wilde gaan pionieren, de grenzen van het alledaagse doorbreken. Ik was voorman en sliep daar in een arbeidershok. Op een dag werd ik wakker. Ik hoorde een stem: ‘Ga naar de kerk’. Het was een zachte aanwezigheid en het leek me toen een ontzettend goed idee om te doen.” Het diepe onbehagen, de zinloosheid vielen van hem af. Jan Poukens, intussen vierentwintig, had heelheid ervaren.

,,Die gebeurtenis heeft me diep aangegrepen, het was een absolute zijnservaring. De brede weg en de smalle. Ik ervoer het als een hand die naar me toekwam. Het was God die me in Jezus de hand reikte. God die de hemel was uitgestapt en me kwam redden van mijn goddeloze weg. Ik ervoer genade. Voor mij was het een reden om goed te willen leven.” Dat wil in zijn geval zeggen: als iemand die God voorop stelt en het christelijk geloof omarmt.

En dat geloof wil hij graag delen, net als zijn vrouw. Heel graag. ‘High on Jesus’, noemden ze dat in de jaren zeventig bij de Amerikaanse Jesus People. Nou, zo voelt Jan het soms ook; hij kan er waarschijnlijk dagen aan één stuk over praten.

,,Het besef dat iemand van je houdt”, doet hij nog eens een poging om het in woorden te vatten. ,,Het geeft ook lol in je leven; dat is de invloed van God in je bestaan als je tot de kern van het christelijk geloof weet door te dringen.” Daardoor staan ze ook anders in het leven. Jan en Carolien zijn echt, authentiek. Geen ‘plastic christenen’ die ondanks hun grote religiositeit niet tot de essentie zouden doordringen.

Ze stellen: ,,De vraag moet zijn: heb je je al laten aanspreken door God?” Dat kan bij het echtpaar sinds 2009 ook tijdens de zogenoemde alpha cursussen die bedoeld zijn om ’samen op zoek te gaan naar God’. Deze cursus is in Nederland al door 180.000 mensen gevolgd.

Cursussen

Carolien, al jong actief bij christelijke jeugdclubs als Youth for Christ, is zes jaar geleden minder gaan werken. Ze is leerkracht in het basisonderwijs. Daardoor kan ze nu, met Jan, die deeltijd werkt als Z-verpleegkundige, een deel van haar energie steken in de Hoogveldse bijbelclub en die alpha cursussen. De resterende tijd besteedt ze aan hun drie meiden; die vragen natuurlijk ook de nodige zorg en liefde.

Een ervaring als van Jan - die wat weg heeft van die van de bijbelse Saulus - heeft ze niet gehad. Carolien stelt ook wel haar vragen, maar de essentie van het verhaal blijft altijd overeind. Daar stopt het vragen. Ook voor de filosofisch ingestelde Jan overigens.

De kern is ongeveer dit: ‘God heeft Zijn eniggeboren Zoon Jezus naar de wereld gezonden om de mensheid te bevrijden van de zonde. Jezus is zowel God als mens. Ook is hij de Tweede Persoon in de goddelijke Drie-eenheid.’ (Wikipedia).

Nee, Carolien is meer van doen en misschien nog wel meer van gevoel, zoals Jan meer van praten en denken. Veiligheid en acceptatie zijn heel belangrijk voor kinderen, weet Carolien, en dat geldt ook voor de bijbelclub. ,,Ik wil dat onze club een plek is waar je gewoon je zelf mag zijn. Een plek waar je geaccepteerd wordt.” Geaccepteerd door het echtpaar en hun kinderen. En door God natuurlijk, want die is in huize Poukens niet meer weg te denken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje in Sittard.)

Comments Off

admin op 6 January 2011 in Religie & Spiritueel