Jezus, gijzelaar van het christendom

Als er iemand is die ik graag eens zou willen interviewen, is het Jezus, de man die in de loop der eeuwen een enorme gedaanteverwisseling lijkt te zijn ondergaan. Wie was hij en vooral wie was hij niet? Zijn invloed, of in elk geval de invloed die in zijn naam is uitgeoefend, is enorm. Maar waar is deze op gebaseerd?
Historische onderzoekers anno 2010 moeten zich vaak als archeologen door diverse lagen ‘geloofsfeiten’ heen werken die religie heeft achtergelaten (fysieke opstanding na de dood et cetera). Verhalen die mensen van de eigen gemeenschap(pen) inzicht bieden en op de juiste weg houden. En verhalen die aansluiten bij een werkelijke of gewenste politieke situatie vanwege het maatschappelijke belang van de eigen groep.
In oktober 2009 verscheen in Nederland bij Tirion Uitgevers het boek ‘De vele gezichten van Jezus Christus – Beeldvorming, tegenstellingen, (on)waarheden’ van Lynn Picknett en Clive Prince (29,95 euro). In deze goed gedocumenteerde baksteen bieden ze een modern perspectief op Jezus, gebaseerd op recente (vaak onorthodoxe leken-) studies van de afgelopen jaren en van ander, in theologische kringen meer geaccepteerd, onderzoek.
Dit boek is slechts één weg door de materie. Als leek, niet geheel doorwrocht in theologische en andere relevante kennis, is het lastig om op punten te zien in hoeverre weerleggingen mogelijk zijn met mogelijk meer ‘wetenschappelijke’ autoriteit. Bijvoorbeeld als het gaat om contextuele interpretatie van begrippen en gebruiken, met name uit het Joodse en het Griekse geloof, maar ook uit vanuit smeltkroes Alexandrië ingepast gedachtegoed.
Toch is dit boek heel waardevol, omdat het laat zien hoe functionele illusies ontstaan en voortdurend in verandering zijn. Een boek als dit zal door de orthodoxie worden doodgezwegen of verworpen, terwijl deze het als een geschenk zou moeten aanvaarden. Een geschenk, dat het mogelijk maakt dat het christendom zich verjongt en opnieuw een betekenisvol geloof wordt voor mensen van nu. Terug naar de spirituele kern, die er ongetwijfeld is en waarvoor een geheime brief van Clemens van Alexandrië duidelijke aanwijzingen geeft.
Het boek is te veelomvattend om hier recht te doen. Toch wil ik een aantal punten aanstippen. Volgens de auteurs, die hier onder anderen Burton Mack volgen, wordt het ontstaan van de evangeliën gekenmerkt door twee cruciale en traumatische incidenten in de jaren zestig van onze jaartelling. Het verdwijnen van Paulus uit het verhaal doordat hij naar verluidt stierf tijdens de eerste christenvervolgingen in 64 door Nero en de Joodse Opstand tussen 66 en 70. Beide zaken zorgden voor zelfreflectie op het imago en een gedwongen herpositionering. Christenen konden alleen overleven als ze afstand namen van de rebellerende joden.
Deze twee gebeurtenissen kunnen ook invloed hebben gehad op het ontstaan of versterking van de scheiding tussen een exoterische en een esoterische leer. Voor dat laatste is de vondst van Morton Smith in 1941, een kopie van brief van Clemens van Alexandrië waarin wordt gerept over een spiritueel evangelie en een inwijdingsleer verborgen achter zeven sluiers (chakra’s?) die tegenwoordig als authentiek wordt beschouwd, een sterk argument. Verder zijn ook in de evangelieverhalen en natuurlijk in het evangelie van Thomas diverse aanwijzingen te vinden dat niet alle leringen in de openheid plaatsvonden.
Daarnaast, zo blijkt steeds meer, speelde een klaarblijkelijke rivaliteitskwestie tussen discipel Jezus en zijn goeroe, de destijds veel bekendere en voor Herodes vanwege zijn enorme aanhang als bedreiger van de sociale orde beschouwde Johannes de Doper. Die leidde ertoe dat Jezus schijnbaar (een groot deel van) de beweging van De Doper overnam en delen van diens rituele teksten en gebruiken overnam of omwerkte.
De missie van Jezus begint ook grotere vormen aan te nemen tijdens de gevangenname van De Doper. Als je het cynisch wilt zien, een uitgekiende periode voor een geleidelijke religieuze paleisrevolutie. Dat vermoeden wordt gesterkt, doordat de schrijvers via diverse theologen argumenten aanvoeren waaruit de sterke indruk ontstaat dat Johannes de Doper Jezus nooit als zijn opvolger heeft gezien.
De beweging van de De Doper en later van Jezus (die de oude wijn (leringen) niet meer in de vorm van Johannes en zijn beweging wilde gieten en daarom als ‘de gemene priester’ een nieuwe zak maakte) is volgens de schrijvers mogelijk voortgekomen uit Alexandrië (denk aan de uittocht-hypotheses van Feather, Osman en Sabbah) en landde in Samaria, waar deze, de schrijvers baseren zich hier onder meer op het onorthodoxe onderzoek van Shimon Gibbon naar de vermeende grot van Johannes de Doper in Suba, al zeker zo’n zevenhonderd jaar voor onze jaartelling actief zou zijn geweest.
Interessant genoeg, had deze Samaritaanse beweging (Jezus wordt in het Nieuwe testament voor Samaritaan uitgescholden en weerlegt dat niet, ook zijn concurrent de tovenaar Simon Magus was een Samaritaan) een cultus waarbij voetwassing minstens zo belangrijk lijkt te zijn geweest als de doop (vergelijk ook de rituele voetwassing van de paus tijdens Pasen; in dat geval zou Johannes de Doper zijn leerlingen de voeten hebben gewassen als teken van nederigheid). Invloed van ‘heidense’ dooprituelen is verder niet zo vreemd, want Jezus’ werkveld was een vrij kosmopolitische omgeving - anders dan jaren geleden werd aangenomen.
In het boek worden de klassieke elementen uit het christelijke stripverhaal, een vereenvoudigde voorstelling van zaken voor de buitenste ring van (licht)gelovigen, punt voor punt besproken. Het is bekend dat Jezus na zijn dood groter gemaakt werd om zijn beweging sterker te maken en meer legitimiteit te geven. Bijvoorbeeld door hem tussen de regels door, maar uiteraard niet openlijk vanwege de rebelse implicaties daarvan, te vergelijken met de keizer (Carotta geeft hiervan enkele overtuigende voorbeelden, maar schiet vervolgens geheel door in zijn behoefte om zijn vooronderstelling, dat Jezus een Romein was, harder te maken).
Een voorbeeld dat niet zo bekend is, is de aankondiging van de geboorte van Jezus door de magi. Picknett & Prince veronderstellen dat dit verhaal vermoedelijk is geleend van een goed gedocumenteerde historische gebeurtenis, namelijk het bezoek van de Parthische koning Tiridates van Armenië en zijn drie zonen aan Nero in 66 om hem te vereren als hun God (in hun geval Mithras, de God die interessant genoeg ook met opstanding wordt geassocieerd). Dit als verzoeningsgebaar vanwege het einde van de lange strijd tussen Rome en de Parthen.
Een ander voorbeeld, is het wonder waarbij water in wijn wordt veranderd. (Dit wonder betreft mijns inziens, gebaseerd op de uitleg van de schrijvers hierboven van de gelijkenis over de wijnzakken, een bekerings- of inwijdingsverhaal; de transformatie van ongelovige in gelovige staat centraal). Ze wijzen erop dat de Griekse God Dionysus (Bacchus bij de Romeinen) om dit soort wonderen bekend stond.
Zo werden door zijn invloed lege en verzegelde vaten ineens vol wijn aangetroffen en werd jaarlijks in Sidon tijdens zijn jaarlijkse feest het verhaal verteld dat hij water in wijn veranderde. Volgens Witherington III, stellen de schrijvers, werd het wonderverhaal in Kana vroeger in de kerk werd voorgelezen op 6 januari, de oude datum van het feest van Dionysus.
Onvermijdelijk in een boek als dit, komt ook het fascinerende verhaal van Jezus de magiër aan bod. En inderdaad, hiervoor zijn diverse aanwijzingen, onder meer bij (alweer) Morton Smith (parallellen met Egyptische tovenarij en John Hull (parallellen met Griekse tovenarij). Misschien moest hij Jezus ook wel dat soort technieken gebruiken (misschien wel inclusief enkele goocheltrucs voor de eenvoudigen van geest) om niet uit de toon te vallen en meer aanhang te verwerven. (Zo zie je dat veel mediums tegenwoordig hetzelfde praten en doen in navolging van bekende tv-mediums en -healers. Bepaald gedrag gaat bij de professionele verschijning horen).
Duidelijk is dat Jezus door externen soms als bezetene of als iemand met een geknechte werkgeest (demon), werd gezien en dat hij gebruik maakte van ‘magische’ formules (het Griekse ‘Phimotheti’ bijvoorbeeld) en dito handelswijzen (energie doorgeven door te blazen en op afstand genezen; beide handelswijzen zijn overigens gebruikelijk binnen reiki). Vooral het gebruik van buitenlandse technieken, die het vereren van andere goden impliceren, zou hem kwalijk zijn genomen door de Joden van zijn tijd.
De vraag bij al dit soort zaken, is in hoeverre Jezus zelf door exotische zaken is beïnvloedt en in hoeverre dit achteraf er (in omgewerkte vorm) aan de haren is bijgesleept. Al dan niet door reli-spindoctor Paulus en anderen. Verder is de sterke buitenlands religieuze/spirituele invloed schijnbaar strijdig met het Joodse messiasbeeld (daarvan waren indertijd diverse varianten en er zijn tekstuele sporen dat Johannes door velen als de messias werd gezien en Jezus aanvankelijk helemaal niet) en de verwachte eindtijd (die schijnbaar voor de deur stond, maar later uiteraard moest worden bijgesteld om het uiteenvallen van de beweging te voorkomen).
Of er is een middenweg; de beweging was exotisch en relatief geïsoleerd, maar toch verspreid en beïnvloedt door de mensen, geloven en omstandigheden in het gebied waar De Doper en Jezus actief waren of via via contacten hadden. De schrijvers pleiten hiervoor, door te wijzen op nog niet veel genoemde linken met Samaria, die ze verspreid in hun boek met argumenten onderbouwen.
(De Esseense beweging, met contacten in Egypte, zou ook in zo’n profiel passen, maar ik neig nu, vanwege de sterkere aanwijzingen in de bijbelboeken, naar de Samaritaanse insteek. Misschien sluit het één het ander niet uit, zoals er nu ook veel onderlinge contacten bestaan tussen uiteenlopende groepen).
De vermeende spirituele erfenis van de beweging waar Johannes de Doper en (oorspronkelijk, vermoeden de schrijvers, ook) Jezus deel van uitmaakten, bij de Mandeeërs, wordt ook aangehaald. Jezus komt in één van hun geschriften voor als de spreekwoordelijke Judas in het Johannes de Doper-verhaal. Er lijkt zelfs sprake van wat nu in de VS ‘identity theft’ wordt genoemd. Jezus meet zich de kenmerken van Johannes de Doper toe, de eerstgenoemde wordt de messias die voorspeld was en niet Johannes de Doper.
Een citaat uit het Mandese Boek van Johannes (geciteerd in Maccoby, 1992): ‘Jezus Christus komt, in alle nederigheid, wordt gedoopt met de doop van Johannes en wordt wijs door de wijsheid van Johannes. Vervolgens verdraait hij het woord van Johannes en verandert de doop van de Jordaan, waarbij hij de woorden van de kusta (belangrijke rituele groet en handdruk) aanpast en slechtheid en valsheid in de wereld roept.’
Als dat laatste al gebeurd is - ook het Boek van Johannes is door de mensen erachter natuurlijk een boek met een missie - blijft de vraag hoe ’slecht’ dat nou is. Slecht voor de gelovigen van de club die het heeft opschreven, maar de mens met zijn neigingen en God / het goddelijke met zijn eigenschappen, veranderen vermoedelijk niet zoveel. Dus de essentie zal altijd blijven bestaan en biedt de mens altijd aanknopingspunten.
Verhalen wordt steeds opnieuw verteld, afhankelijk van hun context. Om ze begrijpelijk te maken en om in te spelen op actuele en/of gewenste ontwikkelingen. Er lijken zich daarbij overigens herhalende patronen af te tekenen, vergelijkbaar met de filosofie achter filmtrilogie The Matrix. Alles en iedereen wordt voortdurend herbenoemd en opnieuw verbonden. Met de huidige inzichten, ook uit het hier besproken boek, kan Jezus in dat verband worden gezien als een gijzelaar van het christendom.
Een interview met de historische Jezus anno 2010 zou heel interessant kunnen zijn om helderheid te verschaffen over de beeldvorming van zijn tijdgenoten, maar misschien zou ik er wel helemaal niet veel van begrijpen, gewend als ik ben aan de verhalen die eeuwenlang verteld zijn. En dan nog, zou het wat veranderen aan de kerk als instituut? Dat zou wel mooi wezen. Dan wordt het weer ‘de stralende religie’ of ‘de lichtreligie’ zoals de Jezus-beweging genoemd werd in het China van de eerste eeuw van onze jaartelling.

admin op 29 April 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel
