Archief voor March 2010

Klachtenstroom over bel-me-niet register

Viereneenhalf miljoen mensen hebben zich tot nu toe ingeschreven bij het bel-me-niet register. Overtredingen lopen op tot 450.000 euro per geval, desondanks worden veel mensen regelmatig opnieuw gebeld. De OPTA onderzoekt nu hoe dat kan.

Een mogelijkheid is dat klantgegevens worden gedeeld met gerelateerde derden, al dan niet met een beroep op het feit dat iemand die ooit klant is geweest opnieuw benaderd mag worden. Het benaderen van oud-klanten zorgt voor klachten bij Consuwijzer. (Ook Kassa heeft er aandacht aan besteed.)

Ik zou voorstellen om dit aan banden te leggen. Met name de tijd waarbinnen mensen nog gebeld of anderszins benaderd mogen worden, zou naar mijn mening ter discussie moeten worden gesteld. De woordvoerster van de OPTA: “Heel veel consumenten weten niet meer dat ze ergens ooit klant zijn geweest, hoe lang mogen bedrijven je nog bellen?”

Verder laten veel mensen volgens haar hun gegevens vrijwillig achter bij quizzen op internet en ook dat kan ervoor zorgen dat ze weer gebeld worden ondanks registratie en de verplichting van telemarketeers om het register vooraf te raadplegen. De OPTA heeft bedrijven in december nog eens op die verplichting gewezen.

Wat ook voorkomt, aldus het AD vorige week, is dat bedrijven bij het bel-me-niet register de nummers opvragen die niet gebeld mogen worden en ze zoeken er zelf vervolgens aanvullende informatie bij, bijvoorbeeld voor colportage. Colportage van niet te bellen mensen schijnt nu toe te nemen.

Een andere optie werd mij aangedragen door een telemarketeerster van energiebedrijf Oxxio die me ruim twee weken geleden belde. Zij zei wel te weten hoe de vork in de steel zat. Ze zei: ,,Koopt u wel eens op internet?” Natuurlijk, boeken, onder meer bij Bol. Meters boeken.

,,Bol.com en andere internetwinkels, zoals Wehkamp, registeren uw gegevens na een aankoop online. Soms zelfs zonder dat consumenten het weten en ze verkopen die gegevens. Daardoor kan het gebeuren dat u opnieuw gebeld wordt, ook door ons bedrijf. Voor ons is dat heel vervelend, want mensen reageren vaak heel boos. Onze excuses hiervoor.”

Bol.com heeft nog niet gereageerd. De woordvoerster van Oxxio laat vervolgens per e-mail weten: ‘Telefoonnummers van mensen die wij “koud” bellen, kopen wij in bij bedrijven die actief zijn op het gebied van consumentendata. Wij kopen die bestanden dus in en genereren die gegevens niet zelf. Vervolgens ontdubbelen we de telefoonnummers met diverse bestanden, o.a. ons klantenbestand en het Bel-me-niet-register.’

Haar collega van Wehkamp schrijft dat haar bedrijf geen adressen verkoopt van klanten. Ze zegt daarmee overigens niet dat ze geen adressen van potentiële klanten aankoopt, net als Oxxio.

‘De enige manier waarop wij persoonsgegevens van klanten kunnen verkrijgen is indien de klant deze zelf opgeeft, bijvoorbeeld bij het bestellen van een product of aanvragen van een dienst. Het kan dus niet zo zijn dat we persoonsgegevens registreren zonder dat de klant dit weet. Hierbij wijzen de klant op ons privacystatement waarin duidelijk staat vermeld waarvoor wij deze gegevens aanwenden.’

In dat statement staat: ‘Daarnaast kunnen uw persoonsgegevens worden gebruikt om u al dan niet op basis van een voorafgaande selectie te informeren over interessante aanbiedingen en andere producten of diensten van Wehkamp BV, Wehkamp Finance BV en/of groepsvennootschappen en samenwerkende partners.’

Ben je dus partner van Wehkamp, dan zou je dus van de internetadressen van het bedrijf gebruik kunnen maken. Niet door aan te kopen, maar bijvoorbeeld door kosteloos uit te wisselen. Erg duidelijk is het niet. En dat is wat volgens de OPTA wel zou moeten; de privacyregels moeten duidelijk zijn.

Het verhaal van de telemarketeer van Oxxio zou ook heel goed klinkklare onzin kunnen zijn. Net als de opmerking die ik ook wel eens te horen krijg van haar collega’s: ,,Maar meneer, het duurt zes weken voordat uw registratie is doorgevoerd.” Ja, ja.

En alsof de duivel ermee speelt; dit stukje staat nog geen vijf minuten online of de telefoon gaat. ,,Met TNT Post, wij willen u bedanken dat u nog steeds postzegels koopt. Als u nu tien velletjes afneemt, ontvangt u een digitale camera. Wat vindt u daarvan? Zal ik ze maar opsturen dan?”

Hoe weet u dat en hoe komt u aan onze gegevens? Maakt u soms geen gebruik van het bel-me-niet register? ,,Jawel, maar het kan een aantal weken duren voordat de wijzigingen zijn doorgevoerd. Het kan dus zijn dat wij nog met een oud bestand werken. Hoe lang is het geleden dat u zich heeft ingeschreven? Oh, twee weken. Nou, het duurt zes weken voordat uw gegevens verwerkt zijn.” Et cetera, et cetera.

Comments Off

admin op 29 March 2010 in Politiek & Media

Zoeken tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt


Vroeger verdiende hij zijn geld met het verkopen van zekerheid. Nu is zijn passie de onzekerheid. De spanning van het zoeken drijft hem van akker tot akker en van opgraving tot opgraving. Hele werelden gaan voor hem open als hij kleine sporen vindt, aan de hand waarvan hij dan de grotere verhalen reconstrueert. Met grote bevlogenheid speurt hij stad en land af, op zoek naar het verleden. Een ontmoeting met lokaal archeoloog Jan Mulders (60) uit Sittard.

We spreken af in Kasteel Limbricht, in de buurt van het Franse kerkhof zou moeten zijn, waar hij nog veel over zal vertellen, en dichtbij een akker waar hij zijn hart aan verpand heeft. Een akker, voor de leek een barre woestenij, maar voor een archeologisch gepassioneerde als Jan Mulders een plaats waar onder elke kluit, of op een paar scheppen diepte, een bodemschat zou kunnen liggen die erop wacht om het licht van 2010 te zien.

De aanleiding van het gesprek is een in 2007 aangekondigd boek over de historie van het stuk grond waar de wijk Hoogveld op gebouwd is. Zoals bekend, hebben archeologen van de Vrije Universiteit Amsterdam er van 1997 tot en met 1999 onderzoek gedaan en daarbij zijn diverse heel interessante sporen gevonden. In de eerste fase werden onder meer een urnenveld uit de Vroeger IJzertijd, een graf uit de Midden-IJzertijd en een grafveldje uit de Late IJzertijd ontdekt. In de tweede fase was de oogst nog veel groter.

De studie hierover van Tol en Schabbink uit 2004 heeft het onder meer over ‘twee huisplattegronden uit de Midden-Bronstijd, zes grafmonumenten uit dezelfde periode, erven uit de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd, twee grafmonumenten uit de latere prehistorie, een nederzetting en een weg uit de Romeinse tijd en twee nederzettingen uit de Volle Middeleeuwen (waaronder een omgreppeld exemplaar)’.

Bij technisch bodemonderzoek was eerder al een meer recente inbreng van de mens in het Hoogveldse landschap geconstateerd; bodemvervuiling veroorzaakt door een ooit vlakbij gelegen fabriek. (Door de richting van de ondergrondse waterstromen, die het vuil verspreiden, hebben de huizen in Hoogveld deels geen kelders en mag er niet diep in de tuin gegraven worden.)

In duizenden jaren heeft het stuk grond, waar Hoogveld op is gebouwd, diverse bewoners en gebruikers gekend. Met alle historische en culturele dwarsverbanden die dat mogelijk maakt, werd het bestek van Mulders’ boek veel te uitvoerig. Verder is er al veel bekend, alleen niet buiten de wetenschappelijke cirkel van ingewijden. Dus besloot Jan Mulders om zijn aandacht te beperken tot het agrarisch gebruik vanaf de zeventiende eeuw. Zo zou hij nog nieuwe inzichten kunnen toevoegen aan het bestaande corpus.

Agrarisch Hoogveld

Hij praatte sinds 2003 met achttal oudere boeren, nakomelingen van boeren uit Overhoven, die het noordelijk deel van de taartpunt Hoogveld generaties in eigendom hadden. In één geval al sinds 1657. In de zeventiende eeuw was het allemaal nog niet zo strak geregeld, zo bleek. Kaarten, zoals nu bij het Kadaster, bestonden niet. De stukken hadden namen als ‘Aan ‘t Groen Wegske’, ‘De Kattebaard’ en ‘In’t Pals’. Een gebied werd afgebakend met omschrijvingen als ‘ten noorden van De Kattebaard en aan het zuiden begrensd door…’.

De kennis van de geïnterviewde boeren ging via via terug tot 1900. Rond die tijd was Hoogveld verdeeld in 245 kavels. Via een oude pachtakte kwam Jan Mulders erachter dat de pacht in één geval nog in natura werd betaald, al was dat destijds allang niet meer gebruikelijk. Bijvoorbeeld jaarlijks 35 liter rogge. Het ging dan om eeuwenoude pachtrelaties.

Ook werd hem duidelijk waarom veel boerenkinderen in die tijd niet trouwden; dan zou de rijkdom van de familie, waar generaties keihard voor was gewerkt, verdeeld moeten worden. Een andere voorlopige conclusie is dat er destijds boeren waren die, behalve uit hun gemengd bedrijf, inkomsten verwierven door veldbrandstenen te bakken, zo ontdekte Jan Mulders.

Zijn boek over Hoogveld is nog niet af, want de lokale archeoloog komt intussen bijna om in de enorme hoeveelheid interessante informatie. (,,Hoe moet ik daar nu een goed leesbaar boek van maken?”) Bovendien is hij druk met tal van andere archeologische projecten.

Eenmaal gegrepen door de archeologie en de geschiedenis, na de toevallige vondst van een helemaal gaaf spinsteentje in de Hoogveldse Biddlestraat in 1999, is het archeologische detective-virus namelijk niet meer uit zijn bloedbanen verdwenen. (,,Een spinsteentje werd op een stokje gestoken om rond 1200 wol te spinnen.”)

Jan Mulders werd lid van de lokale werkgroep archeologie Sittard en verdiept zich sindsdien in diverse officiële opgravingen. ,,Wij mogen op zulke locaties zelf geen schop in de grond steken”, zegt hij spijtig. Meestal gaat hij daarom zelf op zoek op plaatsen waar nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hiervoor leest hij bouwvergunningen en struint bouwplaatsen af, waar hij dan, met toestemming van de opzichter, mag rondneuzen.

Intuïtief speurwerk

Hij doet dat intuïtief, ongestructureerd. En dat maakt het voor een ex-verzekeringsman juist zo spannend. (,,Wat zou ik hier nu weer kunnen vinden? Niets staat vast, er kan van alles liggen!”) Zo las hij in 2004 een vergunningaanvraag voor de verbouwing van een kelder van een oud pand in het centrum van Sittard. Hij stond voor de deur, kwam er niet in en moest – spreekwoordelijk – hemel en aarde bewegen om toch te kunnen kijken, onderzoek te kunnen doen op die prachtige, historisch geladen locatie.

Uiteindelijk lukte dat en kreeg hij van de eigenaar, een cafébaas, een grote pot aangewezen die ooit onder de vloer was gevonden. Hij had in de Molenbeek gelegen en dateerde uit de Middeleeuwen (1190 – 1225). ,,Er zat nog aarde in van de bedding!” Daarna werden twee dingen duidelijk. De pot bleek Brunssums/Schinvelds aardwerk en de vindplaats was niet de in de vergunningaanvraag bedoelde. Hij had op het verkeerde adres gezocht! Op de plaats waarvoor de vergunning werkelijk was aangevraagd, bleek achteraf niets te vinden.

De pot is ook te zien geweest in een expositie in het Domein in 2005, georganiseerd door museumconservator Kitty Janssen-Rompen. ,,Als ik die pot dan zie, zo mooi verlicht in die vitrine, dan gaan me de haren rechtop staan. Dat is emotie. Dat is zó mooi!’”

Jan Mulders verdiepte zich naar aanleiding van deze vondst in historisch aardewerk, met name in het Brunssums/Schinvelds aardewerk. Hij vertelt met passie over de verschillende bakwijzen, locaties, patronen en kleuren. ,,Er vijf mensen in Nederland zie zich met Brunssums/Schinvelds aardewerk bezighouden, en ik dan. Maar ik ben een beetje een vreemde eend in de bijt.”

De Hoogveldse onderzoeker speurt op mogelijk interessante locaties naar scherven om aan de hand van de patronen en het gebruikte fabricageproces de herkomst vast te stellen. Hoe gaat dat in z’n werk? Aangekomen op een akker, legt hij eerst zijn plastic boodschappentas ergens op de grond neer. Dat is het vertrekpunt. Daarna gaat hij struinen, zoeken, banjeren. Tot alles op elkaar lijkt, of hij ineens wat vindt.

Naar eigen zeggen vindt Jan Mulders vaak op bijna miraculeuze wijze tal van zaken. ,,Ik zie het, het komt op mijn pad. Het lijkt bovennatuurlijk. Zo kwam ik eens op een akker bij Limbricht en ik kreeg door: ‘Dadelijk vind ik iets, dat ik nog nooit gevonden heb’. Zo vond ik in 2007 een leeuwenkopje uit de Romeinse tijd. Ik weet dan: op de hele akker is er iets en dat moet ik vinden.”

Het kopje, een van de pronkstukken van de lokale archeoloog, is gemaakt van Terras Sigillata en is gedetermineerd als onderdeel van een zogenoemde wrijfschaal. ,,Echt heel bijzonder!” In die schaal werden granen en zaden fijngewreven tot olie, die dan kon worden uitgegoten. Het gaatje in het gevonden leeuwenkopje, is het schenkgaatje voor de olie. ,,Ik voel me op zo’n moment echt een uitverkorene; dat ik dit mag meemaken, dat dit mij mag gebeuren!”

Het overkomt hem regelmatig. Zo vond hij tijdens de recente werkzaamheden voor de Hof van Onthaasting in Hoogveld in de vijver stukken van een neolithische schaaf uit 2400 voor onze jaartelling. Ook bracht hij een scherf van een Duitse bierpul uit 1575 aan het licht. Van de pul kon de lokale archeoloog, door onderzoek te doen naar de makers en de verschillende varianten die omloop waren, de complete geschiedenis die ermee samenhangt reconstrueren.

Franse kerkhof

Een langer lopend archeologisch hobby-project, waarmee Jan Mulders bezig is, heeft betrekking op het zogenoemde Franse kerkhof, waarvan de locatie tot op heden niet vast staat. ,,Ik hoorde een boer vertellen over de juiste plaats, gebaseerd op overleveringen.” Die boer had Mulders gesproken in verband met het onderzoek in Hoogveld.

Later vond de Hoogveldenaar een oude kaart waar de locatie op staat aangegeven. Dat hielp hem maar ten dele, omdat de ruilverkaveling in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw alle oude herkenningspunten in het landschap grotendeels had uitgewist.

Stadsarchivaris van Sittard-Geleen, Peer Boselie, was, zo bleek ondertussen, ook al met het onderwerp bezig. Ze zouden hiervoor samen een comité oprichten, maar dat is er niet gekomen. Vorig jaar september is dankzij beide heren, en onder het dwingende oog van L1, een aantal proefsleuven gegraven. Mede op basis van verkleuringen in luchtfoto’s die in 2008 zijn gemaakt en ‘geroerde grond’ lieten zien. Zonder resultaat.

Waarom is dat kerkhof zo interessant? Napoleon Bonaparte’s leger werd in 1813 verslagen bij Leipzig, vertelt Jan Mulders. ,,Tijdens de aftocht naar Frankrijk werd Kasteel Limbricht - waar wij nu zitten - ingericht als lazaret. Het kasteel lag vol doden en gewonden, zo’n zevenduizend in totaal. Door wonden en ziektes als dysenterie bezweken 687 soldaten en zo’n tachtig omwonenden overleden door besmetting. Ze werden allemaal begraven in een akker vlakbij het kasteel. Een lokale pastoor heeft de zieken bijstand verleend en ook hij overleefde het niet.” Deze man heeft zijn bijzondere aandacht.

,,Deze pastoor, broeder Page, verdient een eerbetoon”, vindt de lokale archeoloog, die zich hiermee ontpopt tot een halve actievoerder. ,,En er zou een herdenkingsmonument moeten komen - dat vindt overigens ook Peer Boselie - mede omdat er in Limbricht door de goede zorgen van de pastoor minder mensen zijn gestorven dan elders in vergelijkbare omstandigheden.”

Om het ‘eerherstel’ van de pastoor voor elkaar te krijgen, heeft Jan Mulders al brieven geschreven naar de Franse Ambassade, de Franse instelling die de lintjes uitdeelt, Camiel Oostwegel en aan de bisschop van Roermond. Tot nu toe zonder veel resultaat.

Bisschop Frans Wiertz heeft volgens Mulders toegezegd voor de slachtoffers wel een mis te willen opdragen. Maar het begeerde eerherstel van de pastoor uit Franse hoek is niet te verwachten, zoveel is de teleurgestelde Hoogveldenaar intussen wel duidelijk uit de reacties die hij ontving.

Hij sluit niet uit dat er niets meer over is in de grond doordat de lichamen ontkleed in ongebluste kalk zijn gegooid, misschien wel in een massagraf. ,,Dat zou kunnen.” Maar als er wel wat over is, zou het onderzoek hiernaar nieuwe feiten kunnen opleveren over dit roerige tijdvak, waarin het kleine Limbricht even een rol speelde in de Europese geschiedenis.

Jan Mulders geeft het zoeken naar het Franse kerkhof daarom niet op. Hij heeft een eigen kaart geschetst, op grond van de historische kaart, overleveringen en eigen observaties en metingen ter plaatse. Volgens hem is de locatie voor het bodemonderzoek in 2009 bepaald door de grondeigenaar, dat zou hebben gezorgd voor beperkingen, en er zou niet uitvoerig genoeg zijn gezocht. ,,Maar in het stuk grond gaan binnenkort allerlei buizen de grond in, dat heb ik al gezien. Voor gas en elektriciteit. En dan ben ik er uiteraard bij!”

Comments Off

admin op 24 March 2010 in Ongewoon & Anders

Bisschop Roermond: ‘Suriname voorbeeld Nederlandse integratie’

De Limburgse bisschop Frans Wiertz vindt dat Nederland op het gebied van integratie en inter-culturele dialoog veel kan leren van Suriname. Hij roept Limburgse parochies en individuele katholieken op om actief het gesprek aan te gaan met andersgelovigen, met name moslims. Dat gebeurt volgens Wiertz nog veel te weinig.

Bisschop, wat zijn volgens u de grote maatschappelijke dilemma’s die nu spelen?

‘In de hele is wereld is zeker de scheiding Noord-Zuid en heel belangrijke en daarmee is ook gegeven de scheiding rijk-arm. De dreiging die dat betekent. De angst ook bij de rijke kant. De noodzaak, de angst en de honger die je in de ogen Haïti kunt aflezen als je wilt. De spanning zit er op. Die is ons ook altijd voorgehouden en die zal ooit te ver tot een ontknoping komen.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘Dat we al merken dat het zwaartepunt van de economie aan het verschuiven is van Europa naar China. Als ik me goed kan herinneren, is aangekondigd dat over niet al te lange tijd China de grootste economie van de wereld zal zijn. Dat betekent dus dat heel andere structureren en continenten ook hun rol op het wereldtoneel gaan spelen en zich ook met die kwestie (Noord-Zuid/arm-rijk) bezig zullen houden. Het zal echter nog wel even duren voordat het tot een ontknoping komt. Ik dacht eerst dat het zou gebeuren in 1975, in de tijd van Mao, toen de Chinezen nog heel arm waren en dachten: we gaan een revolutie over de hele wereld ontketenen. Dat heeft anders uitgepakt. Dit gaat veel vreedzamer en gedeeltelijk via de kapitalistische weg, de weg van de economie. Het zou dus heel goed mogelijk zijn dat het toch vreedzamer gaat dan verwacht, ondanks de dreiging, die er al heel lang op zit.’

Hierbij aansluitend: er zijn in Nederland nogal wat mensen uit allerlei delen van de wereld. Via het integratieproces komt zo ook de sociaal-economische scheidslijn Noord-Zuid in ons land aan de orde. Misschien kunt u daar iets over zeggen?

‘Ik ben een week geleden in Suriname geweest. U weet misschien dat die maatschappij uit grote minderheden bestaat. Etnische en religieuze minderheden. Er is een grote groep creolen, maar er zijn ook heel veel Chinezen, Javanen en indianen. Er zijn dus grote groepen minderheden. Moslims, hindoes, katholieken, joden en mensen met lokale geloven. Ze leven zo al honderddertig jaar samen. Daar kunnen wij wat van leren.

Bij ons zijn die nieuwkomers, de etnische groepen en ook die religies, pas recent het land binnengekomen. We hadden een traditie van vooral witte christenen, om het zo maar eens te zeggen. De leiders van de verschillende godsdiensten daar, komen iedere maand bij elkaar en dat al veertig jaar lang. Niet om alles door elkaar te roeren en te zeggen: “Het is allemaal hetzelfde”, maar die hebben elkaar als persoon leren kennen en waarderen, en zijn vrienden van elkaar geworden. En daardoor is een soort basisvertrouwen ontstaan. Ook door die lange samenleving die er al is.

Als ik het terugvertaal naar ons: het is bij ons pas heel recent dat er in de onderbuik… dat er bij mensen angst is voor een andere cultuur en voor een ander soort taken en andere godsdiensten. Er is een angst voor mensen die moslim zijn, en omgekeerd. Natuurlijk zijn er populisten, die nemen die onderbuikgevoelens mee, maar we kunnen van de Surinamers leren dat als we wat meer vertrouwd zouden worden in de basis, maar ook in de structuren van de maatschappij, met elkaars godsdiensten… Overigens zonder het door elkaar te roeren, want daar ben ik helemaal niet voor. Daar is men in Suriname ook niet voor. Dat zou ook irreëel zijn, want daardoor verliest iedereen zijn eigen identiteit en is het wel bedreigend.’

U zegt: op hoog niveau, tussen de leiders van de godsdiensten in Suriname wordt regelmatig overlegd. Dat werkt. Hoe is dat in Nederland?

‘Zulk overleg is hier veel te weinig, ook omdat men al snel de neiging heeft om alles gelijk te schakelen. Dat is net weer helemaal niet de bedoeling. Je moet die identiteit juist respecteren. Maar niet alleen op hoog niveau, dat moet ook net zo goed in de parochie en in de buurt. Het zit in de hele maatschappij. Ik zie voor mezelf daarin een rol, doordat ik bijvoorbeeld binnenkort weer ergens op bezoek ga bij een moskee. En als er een nieuwjaarsreceptie in het bisschopshuis is, komen soms leiders van de moskee hiernaar toe. Het zijn nog maar incidentele momenten, nog, maar het heeft vooral een tekenwaarde; de bedoeling is dat andere mensen van de kerk op regionaal en plaatselijk niveau dat ook gaan doen. Contact opnemen met plekken in de maatschappij waar dat te weinig gebeurt.’

Als u nu een oproep zou kunnen doen aan uw achterban…

‘Je kunt niet alle problemen naar de katholieke kerk toeschuiven. Zonder al te veel distantie moeten we dat doen. En als de ander afwacht, moeten wij het initiatief nemen.’

U zegt: katholieken van Limburg: ‘Neem het initiatief’…

‘Ook de kerkstructuur. Dat kunnen individuele mensen heel makkelijk doen; dat men contact met de buren opneemt, maar ook vanuit parochies; dat men het als programmapunt opneemt dat men vanuit de diaconie, de zorg voor de mens - en daar horen de mensen bij die niet geïntegreerd zijn of die op de een of andere manier buiten de boot vallen… Om daar aandacht voor te hebben. Hoe ga je daar in de parochie mee om? Iedere parochie heeft zijn eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Dat moet elke parochie zelf bekijken.’

Dus u laat zich niet bang maken door allerlei militante stromingen in de islam?

‘Nee, helemaal niet.’

Die stromingen zijn er natuurlijk ook in het christendom?

‘Ja, maar toch van een heel andere aard.’

Nou, ik denk aan sommige dingen die in de Verenigde Staten gebeuren…

‘Dat heb je hier toch niet gezien, in het bisdom Roermond of wel? Daar moet u even reëel in zijn. Dat is nou het mooie van internet. Als een zuster in Mexico een kind een draai om de oren geeft, staat het ’s avonds bij ons op internet. En dan is het net of alle zusters overal kinderen draaien om de oren geven. Onzin. Daar moet je ook reëel in zijn. Dat geen Nederlands probleem; dat we hier protestanten of katholieken hebben die met bommen rondlopen. En je moet, als een paar dat wel doen, niet alle moslims over één kam scheren.’

Comments Off

admin op 22 March 2010 in Politiek & Media, Religie & Spiritueel

Klein vandalisme, zand erover

Vanochtend om kwart voor zeven kregen we een onplezierige verrassing. Iemand had over de volle lengte een kras in de lak gemaakt. Het is alledaags vandalisme dat tegenwoordig schijnbaar normaal wordt gevonden en daarom misschien hier eens wat meer aandacht verdient.

Als regelmatige kijker van CSI begon ik met aandachtig kijken, om vervolgens na te denken.

De anonieme krasser kwam, blijkens de dikte van de aanzetten en de uitloop ervan, uit het zuiden en liep naar het noorden, richting de straat die dwars op de onze is gelegen.

Geen van de andere auto’s in onze en de omliggende straten was bekrast, dus is er mogelijk een dader-slachtoffer-relatie, ook omdat de auto niet hinderlijk in de weg stond. Irritatie over de auto an sich mag dus worden uitgesloten.

Met andere woorden: misschien kennen wij deze persoon wel of kent hij ons en waarschijnlijk dan alleen van een afstand. (Ik geef onze vrienden en bekenden graag het voordeel van de twijfel over hun geestelijke gezondheid.)

De dader had enkele malen aangezet om de kras tot een lange streep te laten uitgroeien en was dus niet op de fiets; dat zou erg ingewikkeld zijn geweest (voorover gebogen fietsend, sturend en krassend) en niet zo’n rechte streep opleveren.

Blijft over: rolstoel, skateboard of lopend. Voor een rolstoel was de snelheid van krassen, afgaand op de sporen te snel. Een rolstoeler zou met een dergelijke gang een paar meter verderop van de stoep zijn gestuiterd. (Dit soort mensen wil zichzelf ook niets aandoen, voelt zich vaak door anderen aangedaan. Onwaarschijnlijk dus.)

Een dader op een skateboard zou kunnen, omdat er een hand-afdruk bij het begin staat. Mogelijk om steun te zoeken. (Een wandelaar hoeft niet te steunen voor het maken van een kras. Een wandelaar die slecht ter been is, bijvoorbeeld door een handicap en/of drank- of drugsgebruik, natuurlijk weer wel.)

Als hij lopend of met het skateboard was, dan is zijn actieradius beperkt. Voor grotere afstanden dan pak-em-beet twee kilometer, pak je tegenwoordig de fiets. (Skateboarders maken ook niet veel meters en het idee dat iemand van ver komt om hier een krasje te zetten, lijkt me absurd.)

De dader heeft tijdens de vernieling het slot geraakt. Dus heeft hij vermoedelijk impulsief maar, gezien, de mogelijke dader-slachtoffer-relatie, in de aard berekenend gehandeld. Anders gezegd: hij was het al langer van plan en op het moment van passeren, besloot hij ineens ertoe.

Argument: In deze impuls, en gehinderd door het donker (het is vermoedelijk vannacht gebeurd), heeft hij niet goed gekeken bij het aanzetten van de kras waar hij uitkwam. Als het idee tenminste was om maximale schade aan te richten (het slot is ongelakt en gehard dus geen beoogd doelwit).

Verder was de dader niet erg zelfverzekerd, want de kras zit niet aan de kant van de auto die vanuit huis te zien is.

De kras is gemaakt met een object met twee tandjes op de punt, als je kijkt naar de diverse aanzetten halverwege de zijkant van de auto. Het verniel-instrument zou heel goed een fietssleutel kunnen zijn, maar ook een huissleutel van een gangbaar type.

Als het een fietssleutel was, dan stond de fiets op dat moment ergens anders. Misschien wel thuis of bij relaties, binnen die straal van twee kilometer. De sleutel zou laksporen moeten bevatten.

De sleutel zat vermoedelijk aan een bos, omdat aan het begin van de vernieling, waar een hand tegen de auto is geduwd, dubbele krassporen te zien zijn, die enkele centimeters uit elkaar beginnen. (Een ring aan de rechterhand zou nooit zo hard, scherp en uitstekend zijn.)

Er vanuit gaand dat iemand die dit doet, niet veel moeite wil doen, door rugklachten te riskeren en voorovergebogen te werken - zie ook hierboven bij het gebruik van een fiets - had hij de dader een lengte van ongeveer 1.80 of kleiner.

(Ik ken mijn lengte en ben rechtop langs de auto gelopen, op de stoep, net als de dader, met de hand langs de krassen. Het verschil aftrekken leidt tot de maximale lengte, uitgaand van normale lichaamsverhoudingen.)

Reed hij op een skateboard, dan kan daar de hoogte van een skateboard van worden afgetrokken (de dader is dan maximaal ongeveer 1.65).

Aan de handafdruk te zien is hij rechts, hij gebruikte waarschijnlijk zijn schrijfhand bij het krassen. Deze rechterhand was behoorlijk vettig, gezien de grijze handafdruk en de twee vingerafdrukken bij het begin van de eerste kras.

Mogelijk had hij enige tijd daarvoor, het was vrijdagavond, een portie frites met iets erbij gegeten, bijvoorbeeld bij de lokale frituur (getuigen?), en wel met zijn handen.

De vingerafdrukken en de hand-afdruk laten zien dat zijn vettige handen niet groot of klein zijn, dus lijkt het niet om een kind of volwassene te gaan, maar om een puber. (Dat sluit ook aan bij het bekende: meestal zijn daders van dit soort vernielingen pubers. Al moet je het oneindige leger der aangepaste idioten natuurlijk nooit uitsluiten.)

De dader is vermoedelijk niet in het bezit van een auto. (Een auto-eigenaar die dit doet, lijkt me net zo onwaarschijnlijk als iemand met katten die gif voor katten strooit.)

We hebben nu dus het voorlopige daderprofiel: een impulsieve en enigszins angstige puber, kleiner dan 1.80 meter, die ons op afstand kent, waarschijnlijk op een afstand tot twee kilometer woont of regelmatig verblijft, ’s nachts door de omgeving loopt of skate, en in het bezit is van een behoorlijke sleutelbos.

Hij was in de nacht van vrijdag op zaterdag vermoedelijk onderweg naar een bekend adres in een straal van zo’n twee kilometer, had voor middernacht frites gegeten en (als hij niet op een skateboard reed) vermoedelijk alcohol gedronken.

Tot zover CSI Roermond. Nu is het wachten tot hij terugkomt naar de plek van het misdrijf, zoals dit soort mensen vaak schijnt te doen. Ze willen het resultaat van hun acties zien om erkend en herkend te worden. Maar goed, laten we niet voor de muziek uit lopen.

Het belooft een mooie dag te worden. Ideaal om buiten te werken. De schep en de hark staan al klaar. Straks lekker aan de slag. En dan daarna fijn met mijn vrienden een pilsje drinken in de tuin. Zand erover.

Nawoord

Vervolgens werd de komende twee weken nog een hele reeks auto’s in onze straat bekrast. De inschatting dat de eerste bekrassing plaatsvond in de nacht van vrijdag op zaterdag, bleek een misvatting. Zoals intussen duidelijk is geworden, zijn de daders twee basisschoolleerlingen die alle vernielingen vermoedelijk telkens na schooltijd hebben gepleegd. Verder heeft de hoofddader schijnbaar gewoon vette handen :- ). Intussen is de zaak in handen van de (kinder)politie gelegd.

Comments Off

admin op 20 March 2010 in Ongewoon & Anders

Wijkagent grotendeels afhankelijk van tipgevers


Onlangs stond in Dagblad De Limburger dat wijkagenten vaak, tegen de landelijke afspraken in, te veel worden ingezet voor andere werkzaamheden. Reden genoeg om Maikel Bomer, al bijna vijf jaar wijkagent van Hoogveld, eens aan zijn jasje te trekken voor het Wijkkrantje in Sittard. Komt hij nog wel toe aan het bewaken van de veiligheid in Hoogveld? Ja, zegt Bomer. Maar daarvoor is hij in toenemende mate afhankelijk van informatievoorziening door buurtbewoners en organisaties.

Als brigadier Maikel Bomer een pastoor was, had hij een behoorlijke grote parochie. Onder zijn verantwoordelijkheid vallen de inwoners van Limbrichterveld, inclusief Hoogveld, de medewerkers van de bedrijven op twee industrieterreinen, de gasten van De Geerhorst en de leerlingen en docenten van alle scholen in Limbrichterveld. In totaal zorgt hij voor voor de veiligheid en het ordelijk gedrag van zo’n 18.000 zielen. Daar heeft de sympathieke wijkagent plus minus twee dagen per week de tijd voor.

Gelukkig kan hij bijstand vragen van een collega, die overigens ook een heel groot aandachtsgebied heeft (Sanderbout, Thienbunder, Ophoven en de Kollenberg) en een team van twaalf agenten die bij incidenten kunnen worden ingezet. Bijvoorbeeld voor snelheidscontroles en overlast van jongeren. Als het echt nodig is, kunnen alle mensen van de basiseenheid Sittard-Born, vier teams in totaal, te hulp worden groepen.

Toch is er niet altijd voldoende menskracht. ,,Het verloop onder wijkagenten is naar mijn mening het grote probleem.” De baan van wijkagent wordt gezien als een ’springplaats’, vertelt Bomer. ,,Dat heeft als gevolg dat er veel mutaties zijn. Mensen willen hogerop of overplaatsing.” Hij erkent dat dit uiteraard niet goed is voor de continuïteit van de dienstverlening; iedere nieuwe wijkagent moet zich weer inwerken, bekendmaken en contact leggen of opnieuw aanhalen.

Springplaats

Een oplossing zou kunnen zijn om contracten voor een langere tijd aan te gaan, oppert de wijkagent. ,,Ik vind het in elk geval heel leuk om te doen.” Maar nu, na een relatief lange periode van vijf jaar op deze post, overweegt ook hij om een sprong hogerop te maken, bekent hij.

Een ander probleem is de onderbezetting. Zo is zijn collega wijkagent al langere tijd ziek. Wel is er een collega toegevoegd aan de school ‘Trevianum’. ,,De laatste tijd zijn er veel zieken. Waar moeten we de capaciteit vandaan halen?” Zijn taakstelling is om twee dagen per week aan de wijk Limbrichterveld te besteden, maar dat wordt volgens de wijkagent door de ziektes niet altijd gehaald.

Daarnaast is het zo, dat de wijkagent ook binnen de ingeplande uren kan worden ingezet voor andere taken, bijvoorbeeld noodhulp. Binnen het politiekorps wordt het probleem slim opgelost, legt Bomer uit, door het reguliere surveilleren (’straatdienst’) dan maar (deels) te doen in de wijk waar men wijkagent is. Zo kan een wijkagent alsnog genoeg tijd aan zijn of haar wijk besteden en tegelijkertijd de andere taken naar behoren doen. ,,Dat kan wel eens krampachtig zijn, inderdaad.”

Forensenwijk

Binnen zijn aandachtsgebied besteedt hij ongeveer twintig procent van zijn tijd aan Hoogveld, veertig procent aan Limbrichterveld en veertig procent aan de scholen, schat Maikel Bomer. In Hoogveld, over het algemeen een rustige forensenwijk, gebeurt niet zo veel. ,,Maar dat ik hier geen bal te doen zou hebben, wil ik niet zeggen.”

Drie burenruzies op een jaar is veel, af en toe is er een klein clubje jongeren waar mensen zich aan storen. Verder is er sprake van verkeersoverlast bij de basisschool in verband met het halen en brengen van kinderen.

,,Al twee jaar praten we met alle betrokken partijen, die overigens ook heel welwillend zijn, over een kiss-and-ride-strook bij de school. Een plaats waar ouders kinderen afzetten en weer weggaan, zodat de verkeersproblematiek voor en na de lesuren afneemt. De gemeente heeft echter andere prioriteiten gesteld. Het heeft natuurlijk ook met geld te maken. Er is nu al wel een stel varkensruggen geplaatst, maar dat is niet ideaal.”

Een belangrijk punt heeft te maken met de scholen, die toch bijna de helft van zijn tijd opslokken. ,,Er komen nu grote verkeersmaatregelen in Limbrichterveld die ervoor moeten zorgen dat de jongeren niet meer allemaal door Hoogveld fietsen.” Maar de grootste problemen van de jongeren doen zich vooral voor in Limbrichterveld, met name bij het winkelcentrum daar. Er is sprake van bekladding en winkeldiefstallen.

,,En er zijn wel eens vechtpartijen tussen de leerlingen. Zo staan er bij Leeuwenborgh Opleidingen nog wel eens leerlingen van het Da Capo College voor de poort.” Die willen dan vechten, geeft hij aan. Via een spreekuur op de scholen en preventieve controles moeten de incidenten binnen de groep van tienduizend jongeren tot een minimum worden beperkt.

Het al zeker tien jaar oude verhaal, dat volgens Bomer vooral de ronde doet onder buurtbewoners en ouders, als zou op Leeuwenborgh Opleidingen en andere scholen in de wijk veel gedeald worden, verwijst hij naar het rijk der fabelen. ,,Dat is het grootste kierewiet verhaal dat er is.”

Tipgevers

,,Er is diverse malen onderzoek naar gedaan in samenwerking met maatschappelijke instanties. Natuurlijk wordt er wel eens gedeald, dat is overal. Maar er is geen structureel probleem waar acuut is aan gedaan moet worden. Bij Leeuwenborgh Opleidingen hebben ze laatst een controle gedaan met een drugshond en er is ook niets geconstateerd.”

Niet alleen voor dit soort onderzoekjes (’als ik in uniform bij die leerlingen kom, zeggen ze niks, en geef ze eens ongelijk’), maar voor veel meer zaken is de wijkagent in toenemende mate afhankelijk van buurtbewoners. ,,Dat zijn geen spionnen, maar mensen die mij mededelingen doen. Tipgevers. Die mensen weten veel meer, ze hebben betere ingangen dan ik. Het zijn mensen van verenigingen van eigenaren, huismeesters, mensen van wijkplatforms en gewone burgers. Hun bijdrage is heel waardevol.”

,,Vorige week hebben we in Limbricht een ’springer’ gehad gehad, een zelfdoding, op kerstavond nota bene. De vereniging van eigenaren van één van de flats heeft toen gezorgd voor een afzetting en geregeld dat niemand een blik kon werpen op die persoon. Dat was echt geweldig. Daar hebben ze later ook een mooi bloemetje voor gekregen.”

Ter aanvulling is de politie Limburg-Zuid nu bezig met onderzoek naar de mogelijkheden van politie-voluntairs, zoals die bijvoorbeeld in Roermond al een tijdje worden ingezet. Bomer: ,,We zijn nu bezig met de rekrutering, zodat ze stageplaatsen kunnen krijgen in de wijk. Hoe het precies wordt ingevuld is nog niet bekend. De belangrijkste vragen zijn: moeten ze uit de buurt komen, hoe moeten ze bereikbaar zijn (telefoon of portofoon) en moeten ze een uniform aan of niet. We verwachten daar heel veel van.”

Criminaliteitskaart

Maar ook de wijkagent zelf moet bereikbaar zijn, ondanks dat hij omgerekend maar drie uur en twaalf minuten per week voor Hoogveld heeft. Bij de redactie van het WijkKrantje komen regelmatig klachten hierover binnen. Is het niet een idee om vaker gebruik te maken van het WijkKrantje en bijvoorbeeld meer digitaal te communiceren, bijvoorbeeld via Twitter, zoals een wijkagent in Utrecht met succes doet? Of via Hyves?

Maikel Bomer: ,,De politie in Nederland heeft gekozen voor twee landelijke nummers om contact met de politie te krijgen, dus ook de wijkagent, zo kunnen ze de meldingen en aanvragen centraal beter reguleren, dus ik begrijp het ook wel. Maar voor mij is het niet altijd ideaal. En die stukjes in het WijkKrantje, dat kom ik niet altijd aan toe, eerlijk gezegd. Door beter samen te werken met maatschappelijke partners en tipgevers, kom ik als wijkagent toch aan de relevante informatie.”

De interactieve digitalisering verloopt voor het overige bij de politie niet zo snel, geeft Bomer aan. Hij legt als bewijs zijn mobiele telefoon op tafel: geen internet en geen camera. Terwijl dat heel handig zou zijn om snel zaken vast te leggen, erkent de brigadier. Wel wordt een initiatief voorbereidt om interactieve digitale interactie te bevorderen.

,, Er loopt nu een proef in de Randstad met kaarten op internet met hierop criminaliteitsgegevens waar bewoners kijken kijken wat er globaal in hun omgeving speelt. Daarbij wordt de medewerking van de burgers gevraagd. Afhankelijk van de resultaten daarvan, is het mogelijk dat dit ook in Limburg-Zuid word ingevoerd.”

Comments Off

admin op 16 March 2010 in Politiek & Media