Het nieuwe leren en de PVC-methode

Sinds een aantal maanden ben ik parttime leraar en dat is even wennen. Sterker nog, het is een wereld apart. Mijn school is er eentje waar met een inspirerende visie op het bevorderen van de groei van leerlingen vraaggestuurd onderwijs wordt gegeven en het gebruik van computers belangrijk is.
Als onbevoegde bijwerker valt me na een tijdje wel al een aantal zaken op. Zo leidt puur vraaggestuurd onderwijs, bij onvoldoende sturing, tot oneindig gamen, klieren en kleuren. Er werd onlangs zelfs een keuzevak PS3 gegeven. Ik kan me wel voorstellen dat zoiets zinnig is, maar het is gewoon even wennen.
Als beginnend leraar viel mijn oog in dit verband onlangs op een heel aardig boek, dat eind vorig jaar is uitgekomen bij Aspekt: ‘Het nieuwe leren van de keizer’. Volgens professor Bob Smalhout, die het voorwoord verzorgde, heeft J. Jeronimoon (een pseudoniem) hiermee de Duivelsverzen van het onderwijs geschreven. Die heb ik nooit gelezen, maar dat zal voor een moslim wel net zo zijn als het lezen van Jan Wolkers in de pubertijd, als je protestants bent opgevoed.
Jeronimoon, dat doet me denken aan ‘meester’ Jeroen of Jheronimus Bosch, de schilder die in zijn werken via een carnavaleske optocht van gestoorde mensdieren eigenschappen in beeld bracht waar de gegoede burgerij in zijn vijftiende eeuw op neerkeek. Zoals kwaadaardigheid, dwaasheid, losbandigheid, goedgelovigheid, luiheid en bedelarij. Ook haalde hij uit naar de heersende klasse van die tijd, de adel, een constante bedreiging voor de burgerij (Bron: Wikipedia).
En zo gek is die vergelijking niet. Als je het boek leest, een verzameling van het web getrokken columns waar de spel- en typefouten soms nog inzitten, krijg je inderdaad een beeld van een dierentuin, geleid door graaierige en volgzame directies en managers (de nieuwe adel van het onderwijs) die ‘het vernielende leren’ hartstochtelijk belijden en ondertussen het onderwijs naar de afgrond voeren. Vooral door compententiegericht te leren (’compententiegericht punniken, competentiegericht wijnproeven, compententiegericht gras drogen’), alles af te stemmen op ‘leuk’ (anders is het ’saai’) en langdurige en onvergoede stages van leerlingen te ontwikkelen waar alleen het bedrijfsleven garen bij spint.
De man of vrouw op de werkvloer, nu coach, vroeger leraar geheten, zou er niet meer toe doen. Net als het opdoen van kennis; die is immers heel veranderlijk en altijd online te vinden. Leerlingen hoeven alleen maar te weten waar ze iets kunnen vinden en klaar is Kees. Of Khalid. Natuurlijk is dat onzinnig, want zonder een basis van kennis kunnen mensen nieuwe informatie niet goed wegen en selecteren omdat een betekenisvolle context ontbreekt. (Je kunt iemand leren autorijden, maar als hij de verkeersregels niet kent, is dat vragen om problemen). Bovendien moet je natuurlijk niet alles geloven wat je bij de slager hoort of op het web leest.
Het resultaat van deze visie op onderwijs, volgens de schrijver, is dat leerlingen tijdens de traditionele examens door de mand vallen: ‘De tafels stonden netjes gerangschikt volgens de voorschriften. (…) De examinandi waren al verbaasd over het moeten inleveren van telefoon, I-pod, mp3-speler en alle andere gadgets. De verbazing steeg ten top toen er werd medegedeeld dat iedereen voor de duur van het examen netjes aan zijn eigen tafel moest blijven zitten. Het was deze keer de bedoeling dat er niet werd samengewerkt. Ook mocht men niet aan de buurman vragen wat de oplossingen waren en op straffe van een nul, werd zelfs het overschrijven van een ander verboden. Het maken van “eilandjes” om met elkaar te overleggen was uit den boze en ten strengste verboden. Dat waren ze niet gewend, de multi-taskende Einsteins’ – een fijne sneer naar het boek ‘Generatie Einstein‘.
Naarmate de columns actueler worden, scherpt de schrijver zijn pen en laat hij in steeds vileinere bewoordingen zijn mening weten; elke dag gehaktdag. En met de nodige humor. Regelmatig heb ik hard moeten lachen, zoals eerder om Youp van het Hek, als hij in de jaren negentig de knutselende en frutselende managers op de hei op de korrel nam. Humor relativeert en verzacht de pijn, dat is bekend.
De schrijver veegt de vloer aan met alle sprituele inbreng in het onderwijs, net als met alle vormen van professionele (zelf)reflectie. Jammer, want - een deel - van de genoemde zaken zou een waardevolle aanvulling kunnen zijn - als de rest van het onderwijs maar zou werken. Het onderwijs dat hij beschrijft, wel te verstaan. Ik heb het gelukkig niet over mijn school, maar de school waar hij lesgeeft en in de MR zit. Onze schrijver is een ouderwetse lesboer, voor hem een geuzentitel voor een leraar in hart en nieren, die van al dit soort nieuwlichterijen niets moet hebben. Met name omdat ze volgens hem vaak het gevolg zijn van bezuinigingen, besparingen en het streven om de bureaucratie te vergroten, en - belangrijker nog - de leerling uiteindelijk niet ten goede komen.
Hilarisch in elk geval, is zijn confrontatie in de meeluisterende lerarenkamer, herstel koffieruimte, met de mevrouw van de 360 graden feedback. Hij vult deze spiegeltest in en wat blijkt: hij heeft inzicht en is daarnaast ‘de intelligentste, de beste, de sympathiekste, de meest ondernemende, de meest spirituele en de energiekste, maar ook nog behept met uitzonderlijke eigenschappen zoals daar zijn tact, empathie, geduld, positief ingesteld, inspirerend, loyaal, extravert, eerlijk, gevoel voor humor, spontaan, origineel en kunstzinnig’.
De vrouw ontploft. Hij maakte alles belachelijk, dat kon zomaar niet! Hoe heeft ze de test dan samengesteld? ‘Ze beweerde iets in de zin van “binnen het concept van de zelfreflectie staat elke score op zichzelf en staat voor een overeenkomstig energetisch potentieel, als een grondpatroon dat werkzaam is op de verschillende niveaus van het bestaan.” Jheronimus, bekwaam met onderzoekstechnieken, veegt vervolgens de vloer met haar aan via kritische vragen over het wetenschappelijk gehalte van haar test. ‘Ze had me de rug toegedraaid en zag alle collega’s minzaam glimlachen. Woedend beende ze de koffiekamer uit en sloot zich op in de toiletten. De enige plaats waar deze vragenlijstjes horen.’
Daarnaast moeten de nieuwe managers, de nieuwe adelen, het veelvuldig ontgelden. In de ogen van Jheronimus vaak mensen met minimale onderwijservaring, vaak niet gehinderd door management-ervaring en veelal verblind door hun streven naar een eigen parkeerplaats en een hoger inkomen. ‘De manier waarop zij het compententiegericht onderwijs adoreren, aanbidden, propageren en toepassen bezorgt mij rode bulten en varissen (spataderen, JdW), ik ben allergisch voor welke vorm van fundamentalisme ook. (…) Zij zijn het die onze leerlingen en studenten bewieroken, op het paard tillen, fantastisch vinden en heel competent als diezelfde leerling of student tijdens een presentatie of prestatie niet verder komt dan het uitstoten van lucht, wel of niet gebakken.’
Ook komisch is zijn beschrijving van het feedbacken, op de beschreven school blijkbaar een voornaam onderdeel van de liturgie van het nieuwe leren. Aan het eind van de dag vindt iedereen het wel goed, zijn de onderlinge oordelen mild, maar op maandagochtend gaan leerlingen elkaar al feedbackend afslachten, meer in reactie op persoonlijke verhoudingen dan op de te beoordelen inspanning. ‘De jonge dame die in het weekend een blauwtje heeft gelopen bij de stoere macho uit dezelfde klas neemt tijdens het feedbacken haar zoete wraak. Ze fikt de presentatie en de stoere macho verbaal tot op zijn veters af en de met gif gevulde woordenstroom stopt met de magische uitspraak “en dit was mijn feedback”. Haar vriendinnetjes, allen in de afgelopen weken afgewezen of bedrogen door de stoere macho, doen daar nog een schepje bovenop zodat het lijdend voorwerp zich de eerste weken geen illusie moet maken omtrent een nieuwe verovering.’
Hij spreekt verder over de ‘debilisering van het vmbo’ en het afzakken van het mbo; de vakkennis is zwaar onder de maat zodat het bedrijfsleven wanhopig steeds hoger (lager) opgeleide mensen inzet en de mensen op de onderste onderwijstrede de dupe zijn en ook nog moeten concurreren met vakmensen uit bijvoorbeeld Oost-Europa. ‘Als ze dan toch nog onverwacht werkeloos worden, doordat de economie inzakt of een Hongaarse, Bulgaarse, Letse, Poolse of Duitse werkkracht goedkoper is en meer vakkennis heeft dan een certificaat samenwerken, googlen, vergaderen, reflecteren, feedbacken en lullen-uit-de-nek, is de boot aan.’
Van Dale, die dikke, speelt in op het gekelderde onderwijsniveau (overigens ook te zien in het hoger onderwijs; er zijn genoeg collega universitaire masters die nog ‘pupils’ zijn in mijn ogen) met de introductie van een dun woordenboekje in stripvorm (zoals de Luchtmobiele Brigade jaren geleden al instructie is gaan geven met strips, omdat die rottige lange teksten te moeilijk waren). Jheronimus: ‘Had Einstein ook zo’n plaatjesboek? En Van het Reve, Gezelle, Elsschot, Bomans?’
De verontwaardiging van de schrijver komt voort uit z’n passie en betrokkenheid. Het onderwijs dondert in elkaar en iedereen staat erbij en kijkt er niet eens naar – dat idee. Zou het zo’n vaart lopen? Ik hoop het niet. Anders gaan we van een samenleving met merendeels burgers, weer naar een samenleving met minder lagen: adelen en boeren/buitenlui. Ook al wonen ze dan nu vrijwel allemaal in de steden.
Tot slot nog een relativerende anekdote: Een docent techniek, ook een zij-instromer, bij wie ik eens op bezoek was om me te verdiepen in het lesgeven, gaf me een goede tip. Hij ze: ‘Ik werk volgens de PVC-methode, dat werkt heel goed.’ Ik reageerde met een glazige blik – weet ik veel welke pedagogisch-didactische methode dat nu weer is? Hij glimlachte en haalde een korte plastic buis vanachter z’n rug te voorschijn. De boodschap: hij staat niet voor geweld - dat was een grapje - maar voor ouderwets, gedegen onderwijs zoals dat tien, vijftien jaar geleden nog bestond. Af en toe een plagend tikje, af en toe een aai over de bol of een grapje en de inhoud is waar het om draait. De leerlingen staan in de rij om bij hem techniek te mogen leren.

admin op 22 March 2009 in Boek & Meer, Politiek & Media

