Archief voor November 2007

Het Verkade-effect van Vastelaovend

Vasteloavend is een feest dat gevierd moet worden met passie en inlevingsvermogen. Vaak wordt het gezien als een gekerstend heidens omkeringsritueel. Na een zevental jaren intensief vieren in Roermond en Posterholt, en diverse kijkjes in de keuken in Sittard, denk ik dat het mogelijk is om een genuanceerder beeld te schetsen van het Rijnlandse carnaval: Vastelaovend met een Verkade-effect.

De carnavalsfeesten worden vaak gerelateerd aan de Saturnalia bij de Romeinen, een feest vergelijkbaar met ons vastelaovend, compleet met prins, optochten en drinkgelagen dat twee millennia geleden in heel Europa werd gevierd. Ook wordt het in verband gebracht met de bacchanalen die werden gehouden rondom de verering van Dionysius of Bacchus, de god van de vervoering. En met vruchtbaarheidsfeesten. Na tweeduizend jaar is carnaval in elk geval nog springlevend (en in Vlaanderen vanaf nu deels gesubsidieerd). Blijkbaar voldoet carnaval aan een tijdloze behoefte.

Vanuit de culturele antropologie wordt carnaval doorgaans gezien als een omkeringsritueel; de pauper wordt paus, de regent rebel en de koning knecht. Daarmee samenhangend is de veronderstelling dat de normen omtrent gewenst gedrag tijdens carnaval worden opgeschort. Dit laatste lijkt inderdaad zo te zijn, zeker voor de Hollander die op bezoek komt. Maar schijn bedriegt. En toch ook weer niet. Hoe zit de vork nu in de steel?

Rolomkering speelt zeker een rol, maar het is slechts één van de mechanismen. Op hoofdlijnen zie ik carnaval als het creëren van een tegenorde die met brede maatschappelijke instemming tijdelijk de bestaande orde vervangt. In deze nieuwe orde of structuur is veel vastgelegd in geschreven en ongeschreven regels, genaamd ‘de traditie’ – hoe kort die soms ook teruggaat in de tijd (lees The Invention of Tradition).

Binnen die tegenorde is, als in elke structuur/cultuur, ruimte voor nieuwe anti-structurerende/cultiverende krachten. Voor chaos binnen de nieuwe tegenorde. (Vergelijk ook de chaostheorie, die aantoont dat in schijnbare chaos vaste patronen optreden). Zo ontstaat een plaatje als de oude advertentie van Verkade met de in zichzelf herhaalde afbeeldingen: de huidige sociale orde met daarbinnen de carnavaleske tegenorde en daarbinnen weer een gespiegelde contrabeweging die de carnavaleske structuren ondermijnt et cetera.

Rolomkering speelt in diverse stadia een rol. Zo persifleert de prins de burgemeester, maar zijn er weer diverse individuele vastelaovendsvierders die prinsen parodiëren. Je komt ze vaak tegen, apezat, met een vettige steek dwars op hun hoofd, de Prins van Weetikveel. Gedacht vanuit de huidige sociale orde (kijk uit het raam) en vanuit de tegenorde (de wereld van vastaovend bobo’s die zichzelf heel serieus neemt) is dat laatste not done.

(Laat staan het persifleren van werkelijke machthebbers, als de Bushes en Bin Ladens van deze wereld, al kwam dat soort maatschappijkritiek in de jaren vijftig in Maastricht nog wel voor. Wat is daar eigenlijk op tegen? Zeker als het gaat om mensen die hun kop boven het maaiveld uitsteken? Dat is de gezonde dosis ironie en humor die de relativiteit van alles doet inzien en fundamentalistische extremisten van elke soort dan ook een enorme balk in het oog is. Die mensen hebben waarschijnlijk sowieso een schrikbarend tekort aan Vitamine H…).

Allemaal niet oké dus; rolomkering, vanuit de macht gedacht. Maar op een hoger niveau is het eigenlijk normaal, en misschien wel goed voor de dynamiek; alleen zo blijft een traditie levend (net als een cultuur, ook al geen afgeperkt geheel in ruimte en tijd) en kunnen dialogen leiden tot verdergaand wederzijds inzicht en toegenomen respect en acceptatie.

Het chaotische, anti-structurele element van carnaval, misschien wel het hart ervan, is de creatieve ruimte - die uiteindelijk puur individueel is - waar je weer kind kunt en durft te zijn, open en onbevangen. Als je conventies durft los te laten, is daar geen plaats meer voor uiterlijke status. De wereld wordt een speeltuin. Wie meedoet is blij, lief en een beetje zat, en wie niet meedoet of zit te klieren, telt niet mee. Zo simpel is dat.

Zo ben ik ooit verkleed als een engel door Roermond gevlogen, jaren voordat je daar pakjes voor kon kopen, gehuld in een vernaaid laken en getooid met een uitgekamde blonde markiezenpruik. Op een straathoek kwam ik ineens een vrouwelijke engel tegen. Lachend renden we op elkaar af voor een voorzichtige hug (let op de vleugeltjes): we waren gelukkig. Ik was gelijk helemaal verliefd, en haar een straat en een paar pilsjes verder alweer vergeten. (God, hoe heette ze ook alweer? - oh bier, oh bier, oh bier).

Een heerlijk moment, maar wel begrensd door onzichtbare regels, ditmaal geïnternaliseerde. En dat is precies waar het hier om draait, beste Hollanders die in Limburg te gast zijn. Om vrijheid in gebondenheid. Niet een totale normloosheid, al zal die natuurlijk net als altijd wel eens voorkomen. Dus zelfs op het laagste niveau, midden in die anti-structuur, komt opnieuw de structuur om de hoek kijken. Ziedaar het plaatje van Verkade.

Binnen dat plaatje is een aantal verfijndere patronen te onderscheiden. Het verdrinken van de Bacchus in Roermond en het verbranden van de heks en andere afscheidsrituelen staat officeel voor het eind van het feest. Dit gebruik draagt veel elementen in zich van het offeren van de zondebok volgens de opvattingen van René Girard. De zondebok, die als uitvloeisel van een cultuur waarin mimese voorop staat, in een uitspatting geofferd wordt om de sociale spanning te ontladen, bekleed met de zonden van de gemeenschap, en daarna heilig wordt verklaard.

De gang van zaken is bij het carnaval precies omgekeerd: In plaats van dat iedereen op elkaar gaat lijken en elkaars behoeften overneemt, wat leidt tot het oplopen van gewelddadige spanningen in een proces van mimese, is diversiteit juist het sleutelwoord. Verder wordt de zondebok al bij leven heilig verklaard door de carnavalisten en kijgt hij na het aftreden als prins of het verdrinken als bacchus juist een lagere in plaats van een hogere, hemelse status. Ook wordt de prins niet bedacht met de slechte zaken, maar juist met de goede, en al vanaf het begin. Het eind van het prinsschap is juist sociaal gezien een slechte zaak voor de gemeenschap. De wereld op zijn kop - Girard zou zich 180 graden draaien in zijn graf als hij het las.

Een tweede aspect is het kiezen van de rol die je wilt spelen in het carnaval. Je kunt kiezen voor een plek in de tegenorde, bijvoorbeeld als prins of als lid van een raad van elf, maar ook voor een rol in de vrije ruimte, de individualistische tegenhanger daarvan. Hier zijn de mogelijkheden onbeperkt. De keuze wordt hier op individueel niveau (in tegenstelling tot het structurele niveau) niet zozeer ingegeven een behoefte aan omkering, maar eerder door de behoefte om andere gedragingen uit te proberen.

Carnaval is op dit chaotiche niveau leven in een mythisch bewustzijn. Mythen weerspiegelen de invulling en de historie van de huidige sociale orde en leggen uit waarom alternatieve gedragingen niet gewenst zijn. In het mythische carnavalsbewustzijn wordt het verkennen van alle gedragingen, reguliere en alternatieve, aangemoedigd. Carnavalisten verkennen de vrije ruimte en proberen andere rollen uit of bendenken zelf rollen. Veel carnavalisten spelen hun rol ook met verve, voor hun plezier en/of omdat ze daar behoefte aan hebben. (Kijk ook hier).

Ze spelen geen non om de nonnen belachelijk te maken, maar vanuit de behoefte die rol eens te proberen. Of de rol van duivel of van man of vrouw, bijvoorbeeld. Een paar jaar geleden zijn we met drie vrienden op stap geweest als twee rechts-liberale politici, van wie eentje al dood is, met een vervaarlijk ogende body guard als begeleiding. We hebben het spel met verve gespeeld, al zeg ik het zelf, inclusief het opplakken van verkiezingsposters, het uitdelen van flyers en het praten met onze kiezers op straat. Lekker tegen de optocht in, je eigen ding doen. Geweldig. Als je eenmaal die creatieve vrijheid hebt geproefd, wil je niets anders meer.

Comments Off

admin op 28 November 2007 in Ongewoon & Anders

Vrij PGB-geld afschaffen en controle verscherpen

De laatste tijd wordt er veel geschreven over het misbruik van en de onduidelijkheid omtrent PGB-gelden. Er blijkt inderdaad nogal wat loos. Zo zijn er diverse thuiszorgorganisaties die zelf geld in hun zak steken. Verder is er veel verwarring, met name bij psychisch en sociaal beperkte gebruikers, over de vraag wat nou wel en niet met het geld mag. Tot slot is er het verantwoordingsvrije bedrag van 1,5 procent van het jaarinkomen dat wordt ingezet voor heel veel leuke dingen en daarnaast ook nog wel eens voor zorg. Dan zou er nog met het wel te verantwoorden bedrag worden gesjoemeld door (medewerkers van) instellingen, zo wordt gefluisterd.

Om te beginnen met de organisaties die winst maken met zorggelden door onderaannemers in te huren. Dat was vorig jaar al bekend. Het zou dan gaan om 66 tot 100 miljoen per jaar, geld dat wordt bespaard door te werken met onderaannemers voor de bemiddeling, die uiteraard een stuk goedkoper zijn. Een kwestie van slim inkopen. Ook het misbruik van de PGB-regeling was al voorzien. En wel al in 2004. In artikelen uit de afgelopen jaren en een fraai stel overheidsrapporten uit 2004 en van T11 blijkt dat het ministerie toen al wist dat de keuze om de verantwoordelijkheid voor het vrij besteedbare bedrag primair bij de gebruikers te leggen, het risico op misbruik in de hand werkt.

Nou is natuurlijk niet iedere PGB-gebruiker een fraudeur, gelukkig niet. Het aanvragen is soms al een crime. Maar er zijn wel aanwijzingen dat er wordt geknoeid. Zie ook hier. Verzekeraar CZ in Tilburg, dat nu toeziet op de PGB-gelden, heeft er geen bewijzen voor, maar denkt dat het wel voorkomt. ,,Het wordt ze wel makkelijk gemaakt.” Veel groter dan het aantal sjoemelaars is waarschijnlijk de groep mensen die niet kan omgaan met de grote verantwoordelijkheid die ze in dit systeem krijgen en vervolgens door financieel wanbeheer in de visieuze schuldencirkel terecht dreigen te komen waaraan ook niet-gehandicapten zich vaak slechts met grote moeite kunnen ontworstelen. Hoe komt dat? Het PGB-bedrag wordt meestal eens per jaar overgemaakt en daarna is het aan de cliënt om maandelijks te gaan budgetteren als een volleerd accountant. Ik geef het je te doen, zeker als veel ‘gewone’ dingen al heel moeilijk zijn.

Dan is er het verantwoordingsvrije bedrag dat nu nog per jaar maximaal 2500 euro bedraagt. Naar aanleiding van alarmerende verhalen wordt daar dus iets aan gedaan (het wordt verlaagd naar maximaal 1250 euro en heet nu het bestedingsvrije bedrag, net als onder de vorige PGB-regeling), maar dat lijkt vooral een cosmetische ingreep. Bij CZ stelt de verantwoordelijke voor de controles, dat het beter is om het bedrag te verlagen naar 250 euro. ,,1250 euro vind ik nog teveel.” Maar waarom voor dit bedrag niet gewoon ook een verantwoording vragen? Als onze beperkte cliënt al een hele administratie moet voeren, kan dit er toch ook nog wel bij.

Verder wordt in de zorgsector gefluisterd dat het wel te verantwoorden PGB-geld de inzet is van fraude. Bij CZ is hiervan niets bekend. Hoe zou dat in zijn werk gaan? Stel u krijgt een PGB toegewezen. Ik kom langs, drink als hulpverlener van een instantie of als particulier gezellig een kopje koffie en leg vervolgens mijn kaarten op tafel. Als u nu een handtekening zet dat ik een aantal keren bij u op bezoek geweest om te werken voor het PGB-geld, krijgt u een leuk deel van het bedrag dat ik u op papier in rekening breng. Is dat geen mooie deal?

U heeft uw zorg gehad, op papier dan, en bent nog eens een leuk bedrag rijker dat u anders niet kon uitgeven. Ideaal voor u: direct geld met minimale risico’s. Als hardwerkende zorgfraudeur kom ik niet alleen bij u. Daarnaast heb ik natuurlijk nog een fiks aantal adresjes, waardoor ik, met smaak genietend van de koffie die ik overal krijg, toch een leuk inkomen blij elkaar sprokkel. Sterker nog, misschien werk ik wel voor een zorginstelling die mensen in huizen plaatst en deze vorm van zorghuisjesmelken gestructureerd toepast.

Harde bewijzen voor dit soort praktijken zijn er niet, maar vaak geldt: waar rook is, is vuur. Mij lijkt het verstandig om de controles op het gebruik van de PGB-gelden te verscherpen. Dat stelt ook de woordvoerder van CZ. En het niet te verantwoorden PGB-geld af te schaffen. Als je van de overheid geld krijgt moet je de rechten hierop aantonen, als bij een uitkering, of het vrije gebruik ervan verantwoorden. Anders gezegd: in ons land, dat van regeltjes en hekjes aan elkaar hangt, moet iedereen elke scheet verantwoorden: in welke onderbroek, de kleur en de geur. Waarom dan niet in dit geval? Die nieuwe verantwoordingsplicht zou voor sommige mensen op vrijwillige basis kunnen worden overgedragen aan instanties die op hun beurt goed moeten worden gecontroleerd. Zorg is een serieuze zaak. Laten we het dan ook serieus aanpakken.

Comments Off

admin op 15 November 2007 in Politiek & Media

Als de dingen een verhaal krijgen of omgekeerd

Voor mij is alles dat oud is boeiend. Het begon met het zoeken naar pijpenkoppen uit de zeventiende eeuw op de Friese velden waar nu het nieuwe voetbalstadion van Heerenveen staat. De fascinatie is gebleven, mede door de Indiana Jones-films uit mijn jeugd, die ik nog steeds graag terugkijk.

Dr. Jones was jarenlang de meest bekende archeoloog die ik ken. Hij maakt het vakgebied spannend, je ziet hem ook nooit urenlang met kwastjes en krabbertjes prutsen, en hij komt op voor de goede zaak.

Maar ook Indy komt ook regelmatig in de verleiding, is het niet vanwege een prachtige vondst die hij koestert en voor zichzelf wil houden, dan wel door een verleidelijke en intelligente vrouw die zijn pad kruist (idem). Uiteindelijk doet hij altijd het juiste; kiest voor de wetenschap en niet voor de poen en voor de democratie en niet voor het fascisme. En voor de juiste vrouw.

Toen ik begin twintig was, heb ik ooit op een Grieks eilandje een bijzondere vondst gedaan. Nou ja, zo ongeveer. Ik voelde me een beetje Indiana Jones, balancerend op het onzichtbare pad boven de afgrond. Een ethische afgrond, dat voelde ik wel.

Op dat eiland was een monument voor Johannes de Evangelist. Op de weg er naartoe lagen stenen kisten van heiligen van een paar honderd na het begin van de jaartelling. Sommige lang geleden opengebroken door vandalen. Dat maakte me nieuwsgierig; het zou toch niet zo zijn dat er nog wat in lag?

Zonnebril af en turen. Niets te zien. Zaklampje erbij. Wat is dat? Even snel mijn arm erin als niemand kijkt. En ineens had ik twee botfragmenten in mijn hand, helemaal onder de oude spinnenwebben, waarvan het eerste stuk al snel verkruimelde.

Dat was mijn Indiana Jones-momentje. Het vervolg is minder fraai. Ik heb het botje, een stuk scheenbeen, weken later gewikkeld in handdoeken als een ordinaire grafrover twee keer door de douane gesmokkeld. Met het zweet op m’n rug en klamme handjes.

Een kwajongensstreek. Nu zou ik zoiets misschien niet meer doen.

Na het Griekse avontuur kreeg ik nog enkele malen te maken met archeologische opgravingen. Tijdens een liftvakantie door België en Frankrijk werd ik eens meegenomen door een jong stel universitaire docenten. Ze vertelden dat ze in een dorpje vlakbij met een groep studenten een stuk Romeinse weg met een begraafplaats aan het blootleggen waren.

Ik was enthousiast en in mijn steenkolen Frans vertelde ik dat ik culturele antropologie studeerde. Ze hadden aan een half woord genoeg. En hoewel ik er niet van overtuigd waren dat we elkaar helemaal begrepen, ging ik met ze mee. Reuze benieuwd uiteraard.

Ik werd uitgenodigd om mee te werken. Dat liet ik me geen twee keer vragen. Dus zat ik even later met kwastjes, een bakje met water en een schepje in de Franse grond te krabben. Eerst mocht ik een antieke pot met een diameter van zo’n 25 cm uitgraven die verticaal in de grond was geplaatst, vervolgens was het tijd voor het echte werk.

Toen was het de beurt aan een oude Romein. Hij lag hier al vele eeuwen te rusten en werd die dag met de nodige aandacht en respect door mij aan de oppervlakte gebracht. De schedel was ingeslagen of ingezakt, een lastig karweitje, waarbij ik in overleg de schedel niet heb uitgehold om verder verval te voorkomen.

De grote opgave was echter de ruggengraat, een verfijnd apparaat waarbij alle werveltjes voorzichtig moesten worden schoongemaakt. Een precies klusje, want te veel geweld zou de losse botten van hun plaats halen. Dat mocht natuurlijk niet gebeuren voordat alles goed in kaart was gebracht.

Op het moment dat ik bijna klaar was, na anderhalve dag, kwamen ze filmen namens de universiteit. Of ik voor de camera kon schatten hoe oud de persoon in kwestie was? Ik had geen idee, riep maar wat. Ze waren ontzet.

Ik een antropoloog en dan niet eens de leeftijd kunnen schatten? Vervolgens uitgelegd dat ik me als cultureel antropoloog bezig hield met hedendaagse exotische culturen. Met name de religie en mythologie, verwantschapssystemen en politieke en economische structuren van inheemse niet-westerse culturen. Niet met opgravingen, dat doen bij ons archeologen.

Er werd via via iemand bijgehaald die een beetje Engels sprak. Toen werd het ze duidelijk. Een misverstand, maar goed, het was wel mijn eerste zelfstandige opgraving en hij was eigenlijk best goed gegaan, zowel wat betreft de fraaie pot als de Romein. Dat kon niemand ontkennen.

Een aantal jaren geleden was ik tijdens een rugzakvakantie op reis door Egypte, Jordanië en Israël. Ook daar is genoeg ouds dat nog afgestoft en beschreven kan worden. In Jeruzalem, vlakbij de Russisch-orthodoxe kerk zag ik in een verlaten achterafsteegje een oude deur open staan. Ik zag een oude trap die stijl naar beneden voerde.

Ik stond net op het punt om te gaan kijken, toen er een man aankwam die vroeg wat ik wilde. Ik was razend benieuwd om te weten wat daaronder te zien was. Hij legde me het uit en ik mocht gaan kijken, bij wijze van hoge uitzondering.

De trap ging enkele tientallen meters naar beneden om uit te komen in een grot met daarin een strandje en een soort mini-meertje van een handvol vierkante meters, vermoedelijk verbonden met een oude stroom of bron onder de millennia oude stad. Heel bijzonder.

Later interviewde ik in Limburg voor diverse lokale media archeologen die met verschillende projecten bezig waren. Ook bezocht ik een uiteenlopende opgravingen in het buitenland. En elke keer weer voel ik het oude enthousiasme als de verhalen concrete onderbouwing krijgen of omgekeerd dingen de inspiratie vormen voor nieuwe verhalen.

Comments Off

admin op 13 November 2007 in Ongewoon & Anders

Service met een gouden randje van de ANWB

Soms wordt je plezierig verrast door de mensen die je tegenkomt. Dat zijn heerlijke momenten die hoop en inspiratie bieden. Het maakt het leven mooi. Onlangs liet mijn auto het afweten. Net op het moment dat we na veel haast- en vliegwerk op weg waren naar een heerlijk diner bij vrienden. Natuurlijk de ANWB gebeld, de club die me in het verleden al diverse malen in het zuiden heeft geholpen. De man die ik ditmaal trof, verraste me met zijn uitstekende service.

Slepen was de enige oplossing, gaf hij aan. Nu heb ik een ontzettende hekel aan opgesleept worden. Het zal er wel mee te maken hebben dat ik zelf de touwtjes in handen wil hebben en met een incident enkele jaren geleden. Toen werd ik door mijn schoonbroer opgesleept, onder meer een stuk over de A2. Tijdens het rijden had ik het koude zweet al op de rug staan en bij het Ei van Sint Joost ging het mis. Eén verkeerde reactie, een keiharde klap en daar reed ik het gras op. De gelaste ring voor het opslepen was afgebroken en de sleepkabel had als een zweep door de lucht geknald.

,,Geen probleem”, zei de ANWB-meneer. ,,Hier heeft u de sleutels van mijn bus, ik rijd wel in uw auto.” Dus reed ik vervolgens in die grote gele dieselbus van Roermond naar het service station van De Wegenwacht in Maasbracht. Het was geen jongensdroom, maar wel een leuke ervaring. Daar ging de wagen op de brug en al snel had hij in de smiezen wat er mis was. Zoals zijn collega’s, legde ook deze medewerker me precies uit wat er aan de hand was – ik vind dat fantastisch, zo heb ik in de loop der jaren steeds meer geleerd over hoe een auto in elkaar zit. Het zegt ook iets over het vakmanschap en de liefde voor hun vak.

Vanwege zijn diensten konden we mijn auto de volgende dag komen halen. Geen probleem. De opluchting was al groot dat de schade beperkt was gebleven. De ANWB-medewerker zou bellen wanneer de auto klaar was. De volgende dag verstreek en het telefoontje kwam niet. Geen nood, dan haalden we de auto wel een dag later. Intussen zaten we in een gezellig restaurantje aan De Roerkade in Roermond te eten met onze nieuwe buren. Daar ging de mobiele; of we thuis waren, want onze helper wilde de sleutel graag komen afleveren. Kon ik gelijk de reparatie betalen.

,,Eh, dat kan, maar we zitten nu in de stad te eten in een café-restaurant bij de Steenen Brug.” ,,Vraag eens of hij niet hier naartoe kan komen”, zei mijn vriendin met een gekke slag en al een paar wijntjes achter de kiezen. Dat was goed. En zo kwam het, dat ik net voor het dessert even de Steenen Brug overstak en op de Roerkade als een volleerd drugsdealer mijn zaken met de ANWB afrondde. Ik heb de man natuurlijk nog uitgenodigd voor een borrel, maar met een glimlach werd dat verzoek afgewimpeld. Hij moest ongetwijfeld weer naar een ander die met pech langs de kant stond te wachten op een reddende engel van De Wegenwacht.

Comments Off

admin op 12 November 2007 in Ongewoon & Anders

Een bijna-meteoriet als aanjager van dromen

Steentjes zoeken, is verdwalen in je verbeelding. Je laten meevoeren naar prehistorische tijden, verre kusten, mensen die allang dood zijn en ook liefde, verdriet en blijdschap hebben gekend. Of ze nu in spreekwoordelijke berenvellen rondliepen of in de Franse tijd hun weg probeerden te vinden in het leven.

Ik denk dan altijd: wie heeft dit steentje eerder in handen gehad en het misschien bewaard of met een glimlach terzijde gelegd? Weggegooid misschien, over het water, in een wedstrijdje tussen kinderen; wie krijgt het hem verst terwijl hij rakelings over het water scheert, af en toe opvliegend, om tot slot ergens weg te zinken in vergetelheid.

De laatste tijd ben ik weer steentjes aan het zoeken. Tijdens het wandelen met de hond is het een heerlijke bezigheid. Het is het cultiveren van een zekere afwezigheid, een concentratie op het nietswaardige, het onbetekenende en onbetekende.

Een dromerig zwerven door de tijd, gedachten en geschiedenissen waar je misschien ooit, in een vorig leven, iets mee te maken zou kunnen hebben gehad. Aan één van de plassen bij Ool zie je me soms struinen terwijl op de achtergrond bulldozers en vrachtwagens hun nuttige werk voor weetikveel aan het uitvoeren zijn. Heerlijk zinloos, nutteloos en bijna gewichtsloos. Altijd op zoek, naar een verborgen schat, naar een bijzonder verhaal.

In mijn jeugd kon ik me daar dagen mee vermaken. In de perkjes bij de flats bij ons in de buurt, waar restanten cokes en grind tussen de rozen terecht waren gekomen. Ook kon je mij in die tijd aantreffen, volledig verdiept in mezelf, terwijl ik het grind op een oprit in de buurt stukje bij beetje afstroopte. Helemaal geconcentreerd verloor ik de tijd en al mijn besognes, die toen ongetwijfeld heel belangrijk waren, maar waarvan nu niet veel meer rest dan een vage gewaarwording, een geur of een gevoel.

Het is verslavend om er zo niet te zijn, je te laten meevoeren in je gedachten of juist helemaal niets meer te denken - voor mij een uitdaging - en alleen vol verwondering en bewondering steentjes te bekijken, in je hand te nemen, schoon te maken, te wegen en er soms zelfs aan te ruiken. Nog steeds ken ik de geur van kiezels en van ijzerhoudende steentjes.

Onlangs kreeg ik van mijn ouders een blikje terug, opgedolven op hun zolder, met daarin mijn grootste schatten uit mijn vroege steentijd. Er zat bijvoorbeeld een steen in die ik vroeger altijd vond lijken op een vissenkop, compleet met een wit cirkeltje waar dan het oog had gezeten. Een andere steen was in mijn levendige fantasie toch vrijwel zeker een prehistorisch zakmes geweest.

Ook nu nog, schuimend langs de opgewaaide witte koppen aan de oever van de plassen bij Ool, heb ik alweer een paar keer een oeroud stuk snijgereedschap in m’n hand gehad. Dat beeld ik mij dan in. Toch heb ik ze vrijwel altijd weer teruggelegd, die stenen. In mijn hoofd heb ik ze gevonden en ervan genoten, is dat niet genoeg? Alleen de echt bijzondere exemplaren neem ik mee en bewaar ik.

Alles mooi op zijn manier. De ene steen is prachtig gepolijst door oneindig klatsend water, de andere heeft een rare vorm, een groenige, rozige of blauwige kleur, is voorzien van ragfijne roze aders of is prachtig doormidden gespleten, zodat je het zuivere bruine of witte hart kunt bewonderen.

Samengeperste historie, soms in de vorm van een bot of een druppel of een ornamentje van een fictieve gotische kerk. Of zo’ns teen heeft een willekeurige, grillige vorm die de schoonheid van de natuurlijke orde weerspiegelt, bijgeslepen door de jarenlange waterslag.

Sinds een jaar heb ik me via internet wat verdiept in de kruimels van kometen en de magie van meteorieten. Je kunt ze kopen op eBay, de grote en mooie stukken tegen forse bedragen, maar zelf een stukje van een komeet of een meteoriet vinden is natuurlijk veel leuker. Er zijn diverse vindplaatsen op de wereld, helaas niet echt naast de deur, en daar zijn ook prachtige boeken over - waarvan ik er nog eens eentje moet kopen.

Het zijn stukjes steen uit de ruimte die niet alleen een ongelooflijke tijd, maar ook een onbevattelijke ruimte hebben doorkruist om hier met veel geweld hun stempel op het aardoppervlak achter te laten, soms groot en met voor de mensen fatale gevolgen, veel vaker klein en slechts bij toeval ’s nachts opgemerkt, als lichte strepen aan de hemel.

Deze stukjes prikkelen mijn verbeelding. Ze maken me bescheiden omdat ze een verbinding symboliseren met het heelal, dat grote (n)iets vol donkere materie, dat de energiestromen op aarde bepaalt. Zowel wat betreft het water als de kern van onze aarde, en misschien ook wel ons gedrag door de magnetische werking tussen de hemellichamen en de eeuwige duisternis, de prima materia, die ons zodanig omringt dat we haar niet kunnen zien.

Het zijn stukjes uit een andere dimensie waarvan we nog maar heel weinig weten. Ik vermoed wel eens dat het heelal misschien tot oneindigheid gebogen is. Of zou het toch blijven uitdijen, zoals sommige wetenschappers denken, en kijken wij met een te traag begrip naar een film die misschien al afgelopen is?

U raadt het al: ik heb onlangs iets gevonden dat lijkt op een meteoriet. Ja, en ik ben blij. En daarom ook zo lyrisch. De kans is natuurlijk klein dat een meteoriet lang geleden in het gebied rond het huidige Roermond is ingeslagen en vervolgens door tientallen jaren van afgravingen en waterstromingen juist vandaag door de klokkende branding naar mij toe is komen rollen. Maar die kans is er. En ook al is er straks iemand die de foto bij dit verhaal ziet en al gelijk weet dat het iets anders is, ik heb mijn meteoriet. In elk geval voor vandaag.

Ik heb hem met heet water schoongemaakt en op mijn werkkamer annex kantoor een mooi plaatsje gegeven. Mocht het toch een gewoon bijzonder steentje blijken te zijn, dan is de kans groot dat hij over onbepaalde tijd, net als honderden andere steentjes voor hem, op een dag wordt teruggegeven aan de natuur. Het zou toch fantastisch zijn als iemand dit steentje over 2000 jaar weer vindt, bijvoorbeeld tijdens een archeologische onderwater-expeditie voor de kust van Roermond, en dan mijmert waar dat steentje allemaal geweest is en wie het in handen heeft gehad?

Comments Off

admin op 2 November 2007 in Ongewoon & Anders