Archief voor de categorie 'Boek & Meer'

Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Over ’s Hertogenbosch, Maria en de draak

’s Hertogenbosch is gebouwd rondom een Keltisch cultuscentrum, rekening houdend met de energielijnen in de stad. Dat stelt architect Jan van der Eerden in zijn boek “Een middeleeuwse stad vol gulden energie – Spirituele opgravingen in ’s Hertogenbosch en andere daarmee verbonden plaatsen” (Stichting Cultuurfonds ’s Hertogenbosch, 2012).

Het cultuscentrum bevond zich op de plaats op de Markt waar eerder het Puthuis en een marktkruis stonden. Deze krachtplek, een axis mundi, is gesitueerd op een krachtige van west naar oost lopende energielijn, een zogenoemd drakenpad, waar ook de drakenfontein naar verwijst, die de stad doorkruist.

De stichters van de stad hebben hiermee rekening gehouden, veronderstelt Jan van der Eerden. Net als met de twee andere energielijnen in de stad die samen een driehoek vormen waarvan de punten liggen op de drie belangrijkste pleinen. Verder zou een later aangepaste versie van een Romeins grondpatroon zijn gebruikt, een campus initialis, en de levensbloem, bekend uit de sacrale geometrie.

Daarnaast heeft de schrijver een door mensen gemaakte energiering rond de oude stad herontdekt die overeenkomt met de grens van de uitstraling van de axis mundi op de Markt. Deze “gouden ring” was bedoeld ter bescherming en werd waarschijnlijk jaarlijks bekrachtigd met een ommegang langs verschillende staties, vergelijkbaar met de Maria-ommegang in de binnenstad, die overigens voert langs de genoemde driehoek.

Niet alleen de positie van pleinen en straten, ook die van diverse Bossche gebouwen is te begrijpen vanuit de door hem gereconstrueerde energetische blauwdruk van de stad, betoogt Jan van der Eerden. Met name gebouwen uit de gotiek en de neogotiek; binnen die stromingen was veel aandacht voor sacrale geometrie en geomantie.

Hij verduidelijkt zijn verhaal met voorbeelden uit binnen- en buitenland, tekeningen en berekeningen, mythologieën, fragmenten uit alternatieve wereldopvattingen en observaties van paragnosten. Ook vertelt hij over zijn strijd voor het behoud van het architectonisch erfgoed in ’s Hertogenbosch. Dit alles maakt zijn betoog niet eenvoudig om te volgen, wel buitengewoon boeiend.

Wat opvalt in dit verband, als we de argumentatie van Jan van der Eerden goed begrijpen, is de grote rol die de in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, bekend van de gezworen leden de Zwanenbroeders, schijnbaar achter de schermen heeft gespeeld bij de ontwikkeling van ’s Hertogenbosch. Met gebruikmaking van de blauwdruk.

Door de bouw van de kathedraal in 1380, de “herontdekking” van een “wonderbeeld” van Maria een jaar later (sic) en een jaarlijkse Maria-ommegang (met een theatraal moment over Sint Joris en de draak bij de axis mundi) heeft de broederschap de stad via inkomsten uit pelgrimages en het stimuleren van bedrijvigheid een enorme economische, culturele en spirituele impuls gegeven. Honderden jaren lang.

De kathedraal, een ontwerp van een lid van de broederschap waarvan ook het Zwanenbroedershuis sinds 1483 op het drakenpad staat, was namelijk niet gelijk af. Er is nog tot 1529 aan gebouwd, een periode die grofweg samenvalt met de bloeiperiode van deze voor de verering van Maria opgerichte broederschap; tussen 1460 en 1530.

De realisatie van de gotische kathedraal was wat we nu een miljoenenproject zouden noemen. In die tijd telde de broederschap duizenden leden, onder wie heel machtige uit binnen- en buitenland. Dat zal niet geweest zijn vanwege de aflaten of het stimuleren van de lokale muziekcultuur. Het lijkt het erop dat de broederschap de club was om zaken te doen, met name in de (gotische) bouwwereld. De gotiek was toen erg populair.

Voor de gelovigen draaide alles om het “wonderbeeld” van Maria. Dat stond op de welddadige locatie waar het drakenpad de kathedraal doorkruist en eerder een beeld van Johannes de Doper een plek had gevonden. Maar, zoals in de kathedraal van Chartres, is er volgens Jan van der Eerden al gauw voor gekozen om een (zwarte) Maria de plaats te laten markeren waar de krachtige “hemelse” energie aan de aarde ontspringt als bron voor heling.

In 1629 werd het beeld weggehaald om politieke en wellicht ook spirituele en economische redenen; ’s Hertogenbosch was ingenomen door Frederik Hendrik. De ommegang werd afgeschaft en daarmee kwam de “motor” van de stad helemaal tot stilstand. Wat er gebeurde na de terugkomst in 1853 onderstreept de vermeende relatie tussen Maria-verering, pelgrimages, bedrijvigheid, bouwprojecten en de blauwdruk.

Al snel werd kathedraal weer een erg belangrijk pelgrimsoord. Maar wat pas echt een “mirakel” was: enkele tientallen jaren later raakte een nieuwe stroming in de architectuur in zwang, de neogotiek. Daarbij was ’s Hertogenbosch opnieuw één van de voorlopers, zoals eerder bij de (Brabantse) gotiek. En diverse toen gerealiseerde neogotische gebouwen passen binnen de blauwdruk, bijvoorbeeld de (verdwenen) Leonarduskerk.

Het zeer interessante en boeiende boek van Jan van der Eerden biedt een schat aan informatie en nodigt uit tot dit soort gevolgtrekkingen. Maar kloppen zijn conclusies ook? Of zijn ze het werk van een briljante “morosoof”, een geleerde dwaas, zoals Matthijs van Boxsel suggereert door de schrijver op te nemen in zijn in 2001 verschenen encyclopedie over dit onderwerp? Dat zou kunnen.

Veel waarschijnlijker is het, dat wij tegenwoordig niet meer het door en door religieuze, symbolische en magische wereldbeeld van de late middeleeuwers verstaan; de tekens niet meer kunnen lezen. En wat betreft het bestaan van energielijnen en krachtplaatsen: iemand die deze energie niet ervaart, zal daar nooit van kunnen worden overtuigd. Dat heeft niet te maken met ideologie of wetenschapsopvatting, maar met gevoeligheid.

Geen Reacties »

admin op 17 January 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Over de Rozenkruizers, een winterkoning en de wetenschap

De Rozenkruizersmanifesten deden begin zeventiende eeuw veel stof opwaaien in Europa. De allegorische verhalen over Christian Rosenkreutz propageren volgens Frances Yates een verlichte natuurwetenschap en godsdienstvrijheid, met de Palts onder bestuur van Frederik V als een ideale staat die hiervoor ruimte biedt en daarom steun verdient. Onlangs verscheen haar ‘De verlichting van het Rozenkruis’ uit 1972 in een erg fraaie editie bij Synthese.

Begin zeventiende eeuw zorgen de Reformatie en late Renaissance ervoor dat kleine groepjes mensen zich meer gaan richten op proefondervindelijk verkregen kennis dan op katholieke dogma’s over de werkelijkheid.

Deze natuurwetenschappers, sociale wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en filosofen doen hun werk noodgedwongen ondergronds vanwege de dominante invloed van de katholieke kerk, die het protestantisme als een dwaling ziet, sympathisanten daarmee in de ban doet en van vrijdenkers al helemaal niets moet hebben.

In de mysterieuze Rozenkruizersmanifesten krijgen deze “onzichtbaren” een anonieme stem die luid klinkt tot in de uithoeken van Europa. Met steun uit protestantse hoek en geïnspireerd door wetenschapper John Dee willen ze vernieuwing op wetenschappelijk, cultureel en politiek gebied.

Ze verpakken hun krachtige boodschap in leerzame allegorische vertellingen met theatrale elementen over de vermeende stichter Christian Rosenkreutz en hun genootschap - wellicht in der aard te vergelijken met het bij vrijmetselaars bekende toneelstuk over Hiram Abiff.

Dankzij de opkomst van de boekdrukkunst zorgen de geschriften van de Rozenkruizers voor behoorlijke onrust in ontwikkelde kringen en aan de westerse hoven. Ze vormen vooral een bedreiging voor het morele en intellectuele gezag van de katholieke kerk en daarnaast van de algehele stabiliteit in het mede op religieuze gronden verdeelde Europa.

Na een aantal jaren verdwijnen de Rozenkruizers in de stilte waaruit ze gekomen zijn ondanks dat er in Europa honderden reacties in druk verschijnen en de speculaties over de leden en de werkelijke doelstelling van het genootschap op het dieptepunt ronduit hysterische proporties aannemen.

De Jezuïeten van “de Antichrist” suggereren op het laatst zelfs dat zij de Rozenkruizers zijn, dat verborgen genootschap, schijnbaar op basis van de bekende katholieke tactiek: bedreigende invloeden inkapselen wanneer onderdrukken faalt.

De studie van Frances Yates verklaart wat zich achter de schermen afspeelde en waarom het stil bleef. Het heeft te maken met de politieke en religieuze verhoudingen in Europa en vooral met het mislukken van een heel inspirerend politiek experiment, waaraan in bedekte termen wordt gerefereerd.

Deze werken roepen niet alleen op tot een wetenschappelijke omwenteling, ze vertellen ook het succesverhaal van keurvorst Frederik V die daar in de Palts alle ruimte voor bood.

Het bestuur van Frederik V duurt van 1610 tot 1623. In die tijd vormen de protestantse Palts een staat met relatief grote godsdienstvrijheid waar verlichte wetenschap en cultuur floreren. Het indrukwekkende Kasteel Heidelberg is dan een toevluchtsoord en wetenschappelijke tempel voor diverse onzichtbaren.

De problemen beginnen als Frederik V in 1619 koning wordt van Bohemen, dat in 1618 in opstand was gekomen tegen de rooms-katholieke keizer Ferdinand II die zichzelf dat jaar tot koning had laten uitroepen.

Ferdinand II gaat Frederik V in 1620 een lesje leren en verslaat hem tijdens de slag bij De Witte Berg. Hoewel Frederik V lid is van de Protestantse Unie laten de Europese protestantse prinsen hem stikken als zijn schoonvader koning Jacobus I van Engeland, een opportunistische zwakkeling, hem niet te hulp schiet.

Dan is het gebeurd en valt de liberale droom, die als voorbeeld geldt voor onder meer het gebied Venetië, in stukken. De keurvorst vlucht naar Den Haag, waar hij eindigt aan de Kneuterdijk en vanwege het bestuur van Bohemen, dat één winter duurde, wordt herinnerd als de Winterkoning.

In haar boek reconstrueert Frances Yates op scherpzinnige en originele wijze de bronnen voor het gedachtegoed achter de Rozenkruizermanifesten, waarvan de eerste gepubliceerd zijn in de hoogtijdagen van de Palts-tijd van Frederik V.

Duidelijk wordt, dat hier niet gaat om een marginaal esoterisch genootschap, maar om een groep wetenschappers die fictie gebruikten om hun omstreden denkbeelden te verspreiden, met de Palts als voorbeeld van een ideale, liberale staat - die steun verdient.

De broederschap van de Rozenkruizers zelf, als deze al bestond, telde waarschijnlijk slechts een handjevol mensen met goede contacten met protestantse drukkers, en was ogenschijnlijk aan dat doel ondergeschikt.

Uit haar studie blijkt ook dat de inspanningen van de Rozenkruizers niet moeten worden veronachtzaamd. Comenius is erdoor beïnvloed en later vormden “de onzichtbaren” zeer waarschijnlijk de inspiratie voor de befaamde Royal Society via diens schimmige voorloper “het onzichtbare college”.

Ondanks het mislukken van het politieke experiment in de Palts en in Bohemen, Praag was destijds een bruisend centrum van wetenschap en cultuur, hebben de historische Rozenkruizers schijnbaar zo hun belangrijkste doelstelling alsnog gehaald: de start van een nieuwe, proefondervindelijke manier van wetenschap bedrijven, voorbij de dogma’s van de katholieke kerk.

Elaine Pagels: Openbaring routekaart voor revolutie

Openbaring is vaak gebruikt voor diverse vormen van inlegkunde, onlangs nog in de Verenigde Staten, maar is geschreven als een verhuld anti-Romeins geschrift. Dat betoogt Elaine Pagels in het dit voorjaar bij Ten Have verschenen werk ‘Het vreemdste bijbelboek - Visioenen, voorspellingen en politiek in Openbaring’. Later werd het onder Romeinse invloed ingezet tegen de oorspronkelijke joodse volgelingen van Jezus.

Openbaring is rond 90 van onze jaartelling geschreven en moet worden gezien als “oorlogsliteratuur”, aldus Pagels, die de afgelopen decennia naam verwierf als een deskundige die de gnostische boeken uit Nag Hammadi voor een breed publiek toegankelijk maakte.

Een belangrijke reden voor het schrijven van het boek was de onderdrukking van de joodse opstand door de Romeinen in het jaar 66 en de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Deze revolte ontstond onder meer vanuit protest tegen de regeling van de overheersers dat het joodse geloof mocht worden gepraktiseerd mits ook de Romeinse goden, inclusief de keizer, werden geëerd, zodat de eenheid in het rijk niet werd ondermijnd.

De joodse schrijver van Openbaring wilde wraak na die bloedige gewelddadigheden, aldus Pagels, en schreef zijn boek als anti-Romeinse propaganda, als een soort routekaart voor een revolutie. Hij maakte daarbij gebruik van de Bijbelboeken Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël, én van recente ingrijpende gebeurtenissen, zoals de uitbarsting van de de Vesuvius in 79 van onze jaartelling.

Volgens Pagels staat deze ‘Johannes van Patmos’ hiermee in een lange profetische traditie die teruggaat tot oerverhalen over de draak (slang) uit Babylon die verslagen moet worden. Babylon is de grote overheersende macht. Eerst werd hiermee Egypte aangeduid, in Openbaring het Romeinse Rijk. Met het beroemde beest “666″ in Openbaring wordt Nero bedoeld.

Een andere element uit die drakentraditie komt ook terug, betoogt Pagels: hoop voor gelovigen die ‘heilig’ blijven in seksueel, sociaal en religieus opzicht; de schrijver richt zijn pijlen via de ‘haat van Jezus’ behalve op het Romeinse Rijk ook op de heidense volgelingen en apostelen van Paulus, zoals Ignatius, want het oorspronkelijke messias-geloof – zoals voortgezet door Jezus’ broer Jakobus in Jeruzalem - moest volgens hem wettisch joods blijven.

Maar de historie verliep anders en de Paulinistische gelovigen wonnen de strijd en stichtten op basis van het joodse geloof en de intussen in de verdrukking geraakte joodse messiasbeweging een nieuwe religie: het christendom, waarin onzuiverheden als huwelijken met niet-joden wel mogelijk waren. Ook de joodse besnijdenis van jongens was niet meer verplicht.

Interessant is vervolgens het enigszins complexe betoog waarin Pagels aantoont dat Openbaring later is gegijzeld door de laatste groep, die minder problemen had met de Romeinse overheersing. Het kwam zelfs in de canon terecht na de invoering van het katholieke christendom als staatsgodsdienst door Constantijn.

Vooraf werkte de keizer enkele tientallen jaren aan de voorbereiding van deze operatie, bedoeld om hervormingen door te voeren en het rijk te consolideren. Hij stond de nieuwe godsdienst toe die geen andere goden dan de eigen god wilde aanbidden, zag goedkeurend dat de hiërarchie van de katholieke kerk werd afgeleid van die in het Romeinse leger, stelde (katholieke) christenen vrij van belastingen en plaatste ze op strategische posities in zijn rijk. Constantijn nam zelfs enkele katholieke bisschoppen in staatsdienst, onder meer om graanschuren te beheren.

De rol voor Openbaring leek uitgespeeld, maar het tegendeel bleek het geval. Het rebelse boek was dankzij de verhullende vorm ideaal voor meerdere interpretaties. Voortgekomen uit het hart van de Jezus-traditie, werd het vanaf dat moment gebruikt om niet-katholieke christelijke groepen te demoniseren, onder meer de joodse messianistische groep waartoe ‘Johannes van Patmos’ zich waarschijnlijk rekenende.

Was Nero voor de schrijver ervan nog “het beest 666″, diens opvolger Constantijn kon vanwege grote wereldlijke macht op alle steun rekenen van de winnende katholieke factie. Het Romeinse rijk werd gekerstend en het joodse messiasgeloof geromaniseerd. Sindsdien is de joodse messias een gevangene van de Romeinse draak.

‘Mijn oog staat open voor de schoonheid van jouw gelaat’

‘Vorst der vorsten, schenker van innerlijke kracht, was ik maar een ster die in het wentelend hemelgewelf het stof van jouw voorportaal kust’. Een fragment van Ghazal 12 van Hafez van Sjirãz (1320-1390) van wie onlangs in vertaling van Sipko A. den Boer een beknopte bloemlezing is uitgekomen onder de titel ‘De Kroeg van Hafez’ (Synthese, 2012).

Hafez is een dode dichter die in Iran bij velen in de harten leeft. Een groot aantal Iraniërs heeft een exemplaar van zijn ‘Diwãn’ thuis, vanwege de schoonheid en voor waarzeggerij; zijn werk is doordrenkt van Koranteksten.

Hij wordt de Shakespeare van de Perzische literatuur genoemd. Er is echter een belangrijk verschil. Shakespeare kun je vrij goed lezen zonder kennis van alle verwijzingen naar bestaande personen en hun verhalen, bij Hafez is het ontbreken van een passend referentiekader van veel grotere invloed.

Een rondgang op internet leert dat het vertalen van Hafez vaak is uitgemond in herschrijven; bijna de enige manier om de magie zonder talloze voetnoten over te dragen aan westerse lezers. Dat zorgde geregeld voor de nodige opschudding, met name binnen literaire kringen.

En inderdaad, hoe fraai sommige teksten ook zijn, pas na uitleg van de beeldtaal en de vele (con)tekstuele verwijzingen (meestal naar de Koran, die de dichter uit z’n hoofd kende) komen de meeste van deze bloemen in onze taal tot volle bloei.

Over de dwarse dichter die ze schreef, is niet veel bekend. Hafez volgde het smalle esoterische pad binnen de islam, waardoor reizigers zoals hij vaak in conflict komen met de culturele conventies; gevuld en bezeten als ze zijn van hun streven naar heilige eenheid.

Hafez was daarin authentiek en consequent, omdat hij zelfs publiekelijk de hypocrisie binnen de toenmalige soefi orthodoxie hekelde. Hierdoor raakte hij overigens bijna aan de bedelstaf. Pas aan het eind van zijn leven vond hij weer een mecenas die hem wilde steunen.

Hij schrijft vooral over de (problemen rond de) mystieke eenwording met de geliefde, een thema dat we ook tegenkomen bij Roemi. Hafez gebruikt hiervoor alledaagse beelden, bijvoorbeeld van vrouwen, wijn en het wijnhuis.

Islamitische puriteinen zijn ervan overtuigd dat dit altijd zuivere beeldspraak is, maar als nieuwe lezer ben ik niet gelijk overtuigd. Het lijkt me niet uit te sluiten dat Hafez wel degelijk (eens) heeft geproefd van vrouwen en wijn.

Neem dit fragment uit Ghazal 22: ‘Bezweet, beschonken, met verwarde lokken, lachende mond, het hemd gescheurd, oden zingend, een bokaal in de hand, met smachtende ogen, uit op ruzie en met lippen vol verwijt, kwam ze gisteren in het holst van de nacht zitten aan mijn bed.’

Enkele beschrijvingen zijn zelfs licht erotisch. Denk aan het hierboven aangehaalde fragment uit Ghazal 12 over het kussen van het voorportaal. Het woord ‘voorportaal’ doet denken aan de voorhof van de joodse tempel, de entree tot de plaats van heilige vereniging.

Daarentegen toont hij verderop in deze Ghazal dat het in dit liefdesgedicht in wezen gaat om een uitnodiging aan het onuitspreekbare: ‘Kom je bij ons voorbij, til dan je kleed op, waaraan geen stof of bloed kleeft’; de uitgenodigde is op, maar niet van deze aarde.

Hafez’ gedichten, afgaand op de selectie in deze bundel, lopen daarnaast over van de wijn. Ook dat zal vaak symbolisch bedoeld zijn, met het hart als de kelk, maar opnieuw is er twijfel. Zo lijkt de dichter zich soms echt te verdedigen voor zijn ‘dronken’ gedrag. En in Ghazal 41 schrijft hij: ‘De kruiken bruisen en borrelen van dronkenschap, en de wijn erin is echt en niet symbolisch’.

‘De Kroeg van Hafez’ laat ons kennismaken met het bijzondere werk van Hafez, dat, in tegenstelling tot het meer universele van Roemi, vanwege culturele beperkingen niet eenvoudig kan worden ontsloten. De uitleg in de inleiding is daarbij onontbeerlijk.

Gelukkig staan er ook zinnen in die je direct kunnen raken, zoals deze uit, alweer, Ghazal 12: ‘Als een valk ben ik voor alle werelden geblinddoekt – mijn oog staat alleen open voor de schoonheid van jouw gelaat’. Dat je niet weet waar het oog en de valk voor staan, doet er dan even niet toe.

Maria Felling, van bezetene tot reinigend medium

Bij Petiet, die andere uitgeverij van spirituele boeken, verscheen dit jaar ‘Opdracht van een Engel’ van Maria Felling. Het autobiografische boek gaat over een vrouw wiens leven een hel was tot ze succesvol werd in haar gevecht tegen entiteiten en negatieve energieën. Roy Martina, een bekende holistisch werkende arts met uitstekende reguliere getuigschriften, schreef het voorwoord.

De verschrikkelijke geschiedenis van Maria Felling begint met een seance bij haar ouders thuis. Het is 1944, we zijn in Nederland. Maria Felling kijkt stiekem toe en voelt dat een ‘man’ bezit van haar neemt, een schimmige gestalte wel te verstaan. Hij stapt als het ware haar lichaam binnen. Meteen daarna hoort ze een stem in haar hoofd: ‘Zo, nu heb ik je’.

‘Vanaf dat moment nam mijn leven het scenario van een horrorfilm aan.’ Haar stiefbroer begint haar stelselmatig te misbruiken en te martelen. De schrijfster wordt hierdoor woest op de hele wereld en wil niet meer aangeraakt worden. Haar moeder, onkundig van het misbruik, noemt haar wild en onhandelbaar. Ze wordt gezien als een zwakzinnige.

De ellende gaat door; ze wordt verkracht door een buurjongen, regelmatig onzedelijk betast door de vriend van haar zus en op school getreiterd door drie meisjes die zelfs sigaretten op haar lichaam uitdrukken. Tijdens een stage wordt ze door een vriend van de familie onzedelijk betast.

Psychisch zit de schrijfster vervolgens jarenlang op de bodem van de put. Overdag is ze volledig geblokkeerd, willoos, ze wordt gek van de negatieve stemmen in haar hoofd en het lijkt of elk sprankeltje zonlicht in haar leven is gedoofd. ’s avonds voelt het voor haar alsof entiteiten regelmatig seksueel bezit van haar nemen; ze is nooit vrij, heeft nooit rust, geen privacy en kan niet genieten.

Ogenschijnlijk doordat ze veel in het grensgebied tussen bewustzijnstoestanden verblijft, de gesteldheid waarin dit soort fenomenen veel voorkomen, ervaart ze in Venetië en Rome, tijdens een reisje met christenjongeren, flarden van eerdere levens.

Thuis gaat het gewone leven door. Ze wordt gemolesteerd door twee jongens, die haar het plezier in het paardrijden bijna vergallen. Door een incident, waarbij ze mogelijk onbewust haar eigen situatie gespiegeld ziet; een duivels ogende jongen mishandelt een prachtig paard als niemand kijkt, stopt ze tijdelijk met paardrijden.

Positieve en negatieve ervaringen wisselen elkaar af. Zo wordt Maria Felling hulp in de huishouding in een normaal gezin, ze krijgt zelfs pianoles en de goede tijden lijken aangebroken. Tot de man en vrouw een ongeluk krijgen; einde verhaal.

Op haar vijfentwintigste geeft ze paardrijles in een manege. Daar ziet ze weer de verschijning van de seance in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het wandelen met haar paard Bonnie ontmoet ze illustrator Anton Pieck en Lex Goudsmit. Ze waardeert dit korte moment, waarin ze met normaal respect wordt bejegend.

Haar paranormale vermogens ontwikkelen zich geleidelijk. Zo heeft ze op haar zesentwintigste een paard dat ze met haar gedachten kan sturen. Maar voor man-vrouw relaties heeft ze nog steeds een antenne waarmee het op z’n zachtst gezegd behelpen is.

Ze ontmoet een man, de eerste die ze in seksueel opzicht vertrouwt, een man zonder vaste verblijfplaats en met wisselende inkomsten. Het wordt niets en later blijkt hij haar te hebben bedrogen met een vrouw die intussen zwanger is. Vrienden zetten een contactadvertentie en een half jaar later is ze getrouwd en zwanger, maar de demonische stemmen in haar hoofd blijven.

Zo is ze ervan overtuigd dat haar pasgeboren kind dood is door het triomfantelijke gelach in haar hoofd. Ze gelooft pas het tegendeel als ze het perfect gezonde kind in haar armen neemt. Deze dochter wordt jaren later ’s nachts gillend wakker en vertelt over schimmen en deuren die zonder oorzaak opengaan. Bij logerende vriendinnen van haar dochter wordt aan de haren getrokken en het voelt alsof er muizen over hun lichaam lopen.

In haar hoofd is het nog steeds een duivels strafkamp, al helpt meezingen met de muziek uit de film ‘Jesus Christ Superstar’ om de stemmen te onderdrukken. Na de scheiding van haar man ligt ze zes weken plat, naar eigen zeggen doordat de entiteiten willen laten zien wie de baas is.

Volgens haar worden de entiteiten aangevoerd door de Strijders van de Duisternis die het opnemen tegen de Strijders van het Licht. Dit aan de hand van een inzicht over de strijd in een Kathaars dorp in de twaalfde eeuw. De aanvoerder van de zwart geklede bad guys is de man die ze voor het eerst zag tijdens de seance. Hij heeft haar destijds vervloekt, daarvan is ze overtuigd.

Zelf hoort ze uiteraard bij de witten. In die tijd is ze onder behandeling van Lady of the Light Jomanda, het omstreden medium dat healing vanuit de achterkamertjes naar de wereld van de showbizz heeft gebracht. Haar behandelingen helpen uiteindelijk onvoldoende om de welgeteld achtentwintig entiteiten te verbannen.

Na Jomanda wordt een hele reeks ‘mindere goden’ ingeschakeld. Vaak ontsteekt Maria Felling in een oer-boosheid als iemand haar wil helpen, waarbij de grens tussen haar woede en bezetenheid niet altijd duidelijk is. Een ingeschakelde healer, tijdens een sessie die door enkele entiteiten bezeten, wordt er zelfs bang van.

Een trance-medium en een pastoor concluderen dat Maria Felling de fenomenen zelf produceert (een conclusie die veel psychiaters trekken bij internationaal onderzoek naar katholieke gevallen van vermeende bezetenheid); het zijn onverwerkte emoties. Ze blijven samen een nacht in het huis van de schrijfster, vallen in slaap en worden wakker als de schrijfster midden in de kamer staat. De kamer is een ravage.

Een aantal nachten later ziet Maria Felling in een spiegel in plaats van zichzelf een prachtige man van bovenaardse schoonheid. Ze hoort de naam ‘Raphaël’ en concludeert dit is de aartsengel Raphaël. De hoge engel neemt haar in zeven nachtelijke uitstapjes mee naar de bron van goddelijke energie, maar de strijd is nog niet gestreden. Zo wordt een therapeute, die goed werk doet, nog door de patiënt aangevallen als deze is overgenomen door haar tegenstrever, de leider van de Strijders van de Duisternis.

Later wordt deze man onder leiding van de aartsengel, die een steeds belangrijker rol gaat spelen in het leven en de heelwording van Maria Felling, meegenomen naar het licht. Maar daarmee is de ellende van alle andere zwarte entiteiten, naar haar overtuiging afkomstig van mensen uit vorige levens die een reden zouden hebben om haar te haten, nog niet voorbij.

De aartsengel leert haar een techniek om de negativiteit te verwijderen. Maria Felling roept eerst alle negativiteit in haar wezen, zodat haar aura helemaal zwart wordt. Daarna wordt er een zuil van licht in haar geplaatst, van de kruinchakra naar beneden, waarin het kwaad gevangen raakt.

Als al die negativiteit niet kan vluchten, een proces waarbij het medium fysiek en psychisch wordt geradbraakt, volgt overgave. Tot slot begeleidt ze de entiteiten onder begeleiding van de aartsengel met de meest liefdevolle gedachten naar het licht. Dit soort reinigingen voert Maria Felling nu regelmatig uit en behalve bij personen ook bij woningen.

‘Opdracht van een Engel’ maakt grote indruk door het levensverhaal (later wordt de schrijfster ook nog blind), maar bovenal zet het aan tot nadenken over bezetenheid en entiteiten. Vanuit psychiatrische en theologische hoek is hier de laatste jaren al wat meer over gepubliceerd (met name in het Engelse taalgebied). Het boek is een waardevolle aanvulling hierop, doordat het vanuit de patiënt is geschreven, aantoont dat er altijd een uitweg is en bevestigt dat persoonlijke belevingen en overtuigingen fundamentele bouwstenen zijn van onze werkelijkheid. Een aanrader voor psychiaters, psychologen, pastoors en paranormaal genezers.

(Afbeelding van Asterion’s Occult Art)

Geen Reacties »

admin op 20 December 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: open, bescheiden, en niet heel veel anders dan de meeste mensen die jij kent (een fuck up).

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Geen Reacties »

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Niemand is wie hij lijkt in ‘Honor knows no borders’

Er zijn verhalen die je in grote lijnen bijblijven, zelfs na jaren. Vaak raken ze op kleine schaal aan universele thema’s als liefde, dood, waarheid en vertrouwen en maken daardoor meer indruk dan de grote verhalen die er het decor voor vormen. Het verhaal van Tom, een joodse jongen in het door bombardementen geteisterde Londen van de Tweede Wereldoorlog, is zo’n vertelling. Het is de rode draad in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer (iUniverse, 2010).

Net als de andere verhalen in dit boek gaat dat van Tom over eer, een term die vaak misbruikt wordt omwille van politieke ideeën en persoonlijk gewin. In het kort: Tom vindt in een vernietigd woonhuis een Duitse piloot, een vijand dus, maar deze vijand lijkt heel vriendelijk. Van het spaarzame eten dat er is, legt Tom telkens wat opzij om zijn nieuwe vriend te helpen vluchten zodat deze bij zijn zieke vrouw kan zijn.

Maar niet alles is wat het lijkt en dat geldt ook voor de thematisch gespiegelde verhalen die John Sharer rondom het verhaal van Tom heeft geweven. Zo komen we het boek binnen via een krijgsgevangenenkamp van de geallieerden in Noord-Afrika. Daar horen we het verhaal van een Duitser die claimt een joodse familie te hebben gered. De naspeuringen leiden onder meer naar Groot-Brittannië waar de kleine Tom zich bevindt, maar pas aan het eind komen alle draden samen.

Het aantrekkelijke van dit boek is dat er voortdurend gespeeld wordt met begrippen als goed en slecht, vriend en vijand, dader en slachtoffer. En dat geldt ook buiten het kader van deze debuutroman. Zo schrijft John Sharer dat antisemitisme (en daaraan gerelateerd geweld door fascistische groepen) in het Londen van de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid was. Dat wist ik niet, wel dat bijvoorbeeld de nazi eugenetica in de VS werd toegejuicht. Naast eer, kennen blijkbaar ook veel andere ideeën geen grenzen.

Verder krijg je een goed beeld van het leven van een jongen in het Londen in die tijd. De schrijver was zelf jong in de Tweede Wereldoorlog en put soms duidelijk uit zijn ervaringen. Bijvoorbeeld als hij vol passie vertelt over ‘conkers’, een populair kinderspel in Groot-Brittannië waarbij kinderen elkaars kastanje stuk slaan, of over het zoeken naar bomscherven in half ingestorte huizen. Of over ’s nachts in een verduisterde stad thuis blijven en niet, zoals vrijwel iedereen, naar een schuilkelder vluchten als er een bommendeken boven de stad wordt afgeworpen.

De structuur zit goed in elkaar, waardoor het boek tot het eind toe boeit. De ontknoping in het krijgsgevangenenkamp is mooi bedacht, maar onwaarschijnlijk. Dat is jammer, omdat de rest van het boek de indruk wekt dat het wel echt gebeurd zou kunnen zijn. ‘Honor knows no borders’ is een fijn boek om een paar avonden mee op de bank te kruipen. Geen hoogstaande literatuur, gewoon lekker even eruit. Met af en toe prachtige zinnen, zoals deze: ‘While Hitler was blamed for most things, it did not appear to be his fault that nobody cleaned the rubbish dump behind the flats frequently enough (…).’

Geen Reacties »

admin op 22 November 2011 in Boek & Meer

Bij psychiater Nick Blaser spelen de cliënten met blokken

In de werkruimte van een psychotherapeut zag ik jaren geleden tot mijn verbazing een koets met zes paarden ervoor. Van Playmobil. De therapeut legde me uit dat hij hiermee cliënten lessen leert over onder meer (on)bewuste drijfveren, emoties en de ratio. Belangrijke vragen zijn dan: wie zit er op de bok en wat of wie zit er in de koets en waar gaat het allemaal naar toe?

Dit prachtige verhaal schoot me te binnen bij het lezen van ‘In en om mij – Grenzen stellen door systeemopstellingen’ van de Nick Blaser (Synthese, 2011). Blaser is onder meer psychiater en psychotherapeut. In zijn boek combineert hij systeem- of familie-opstellingen met Mentalisatie Bevorderende Therapie (MBT) (denk ook aan het gebruik van poppen bij misbruikzaken). Blaser gebruikt blokken uit de blokkendoos.

Het voordeel van de aanpak van Blaser ten opzichte van therapie met opstellingen is duidelijk; er is geen groepje mensen meer nodig, slechts een zak met blokken. Het ogenschijnlijke nadeel; anderen worden gereduceerd tot persoonlijke ervaringen, waar bij familie-opstellingen via empathie energetische inductie plaatsvindt, die een mogelijk een meer intense en zeker een meer complexe interactie mogelijk maakt.

Van zulk een minder grote impact is echter geen sprake, afgaand op de voorbeelden in het boek. Er wordt iets meer empathie en fantasie gevraagd en voor sommige cliënten is dat in het begin wennen, maar meestal gaan ze daarna al snel in de magie van Blaser geloven.

(Blijkbaar is het zo dat het oplossen van problemen vooral te maken heeft met perceptie en de oplossing schuilt in het opnieuw beschrijven van je zelf en je relaties met anderen. Je zou ook kunnen denken dat de aanpak van Blaser meer psychotherapeutisch is, dan gebaseerd op opstellingen met mensen.)

In zijn boek geeft Blaser een telkens een case-beschrijving en een analyse achteraf van in totaal tien gevallen waarin zijn aanpak (grotendeels) heeft gewerkt. Centraal is het begrip grensbepaling in relatie tot grensoverschrijdend gedrag. Alle cliënten plaatsen de ik-figuur, een cilinder met een door een pijltje op de kop bepaalde kijkrichting, in een ruimtelijk bouwwerk dat als geheel hun identiteit verbeeldt.

Liggende blokjes vormen de grens, die vaak voorzien is van diverse gaten waardoor de buitenwereld met de binnenwereld is verbonden (als een huis dat gemakkelijk te betreden is door een dief in de nacht). Door andere actoren in en om dat veld te plaatsen worden op basis van therapeutische interventies (typische) interacties beleefd.

Het verhaal van één cliënte, Roos, vind ik bijzonder. Dit is een interessante casus, volgens mij exemplarisch voor wat ‘hoog sensitieve’ mensen ervaren, en ook veel beginnende spirituele therapeuten die onvoldoende met grensbepaling bezig zijn, het probleem bij de ander laten, en zich vooral richten op het stimuleren van hun ontvankelijkheid (en hun gesprekstechnieken).

Roos krijgt bezoek en deze persoon laat ‘iets belastends’ bij haar achter. De eerste reactie van Roos is om dat belastende eruit te werken. Daarna krijgt ze wroeging (wie weet waar het dan (on)terecht komt) en besluit het terug te geven aan degene die haar dit negatieve cadeautje heeft gegeven. (’We kunnen niet alleen gevoelens, maar ook ervaringen, beelden en meningen, opdrachten en verantwoordelijkheden retourneren’, schrijft Blaser op bladzijde 109.)

Ze houdt het belastende voorlopig bij zich, want ze ervaart dat als minder erg dan het onder ogen zien haar eigen gekwetstheid (zielenpijn). Bovendien zou ze zich erachter kunnen verstoppen (zoals anderen op Romantische wijze achter het ‘wereldleed’ dat in zijn totaliteit voor één persoon niet oplosbaar is en eigen problemen altijd in de schaduw stelt).

Het bij zich houden van het belastende, geeft volgens Blaser aan dat Rosa haar grens niet duidelijk is. Dit kan samengaan met het idealistische geloof dat mensen elkaars grenzen altijd respecteren of dat zouden moeten doen, zoals bij Roos. Vaker nog, volgens de schrijver, komt het voor in combinatie met een aangeleerde houding om aardig voor iedereen te willen zijn (de behoefte om te ‘pleasen’).

Kortom: mensen nemen negatieve energie (de ‘imprint’) van anderen soms over als een vorm van sociaal wenselijk gedrag en als excuus om (in relaties met anderen) niet zichzelf te hoeven zijn (en de ander eventueel echt te kunnen helpen door het onderscheid, de grens, tussen ik en de ander duidelijk en vooral bewust te stellen).

Beter is het om met toestemming in de ruimte van de ander de gevoelens van de ander te ervaren, stelt Blaser. Dat is fysiek merkbaar. Of – en dat heeft zijn voorkeur - om vanuit de eigen gevoelsruimte de gevoelens van jezelf en van de ander tegelijk te beleven, bijvoorbeeld door te spiegelen (via onze ’spiegelneuronen’) tot dit is bereikt.

Dit laatste, dat pas mogelijk is na bewust zijn van je zelf, onder meer je eigen gevoelens, gedachten en drijfveren, is volgens Blaser echt een vorm van respectvol kijken. En dat is heel wat anders dan bij een ander op de bok gaan zitten, toelaten dat een ander dat bij jou doet of jouw boze paard aan het span van een ander z’n koets hangen, om het voorbeeld uit het begin nog eens aan te halen.

Geen Reacties »

admin op 31 October 2011 in Boek & Meer

Geertje Couwenbergh: een goede schrijver is een goede lover

Recent verscheen bij Ankh Hermes ‘Zin – Lust in je leven door schrijven’ van Geertje Couwenbergh. Ze geeft in haar boek een berg bruikbare schrijftips (met bronvermelding) en brengt deze helder, vrolijk en met de nodige vonken en spetters.

Als schrijver moet je volgens boeddhiste Geertje Couwenbergh ‘bewoest’ zijn. Dat wil zeggen: blijven hangen, staan of liggen in een situatie die confronteert, irriteert, charmeert of desintegreert, om maar eens wat te noemen. Bewust worden van het onverdachte zijn. Proef het leven in alle facetten en schrijf erover. Zo krijg je weer zin. Ga in geen geval wachten op inspiratie. Die klopt altijd een paar deuren verderop aan, nooit bij jou. Ook een verstopt doucheputje kan inspiratie geven om weer te schrijven.

‘De grootste uitdaging is om midden in een verslonsd huis en dichtslibbend leven een bord met aangekoekte etensresten een armlengte weg te schuiven, er een kladblok neer te leggen, en te schrijven. Hoe moeilijk en ranzig het ook is. Als je namelijk midden in de imperfectie van je leven kan schrijven dan creëer je een relatie met imperfectie zelf. Met alles wat onaf, aangekoekt en imperfect is in jezelf. En ik garandeer je dat precies deze relatie de meeste waardevolle in je leven is.’ (blz. 66)

‘Dezelfde eigenschappen die je een goede schrijver maken, maken je een goede lover’, schrijft ze. ‘Ze vereisen totale zintuiglijke aandacht. Om goed te doen moet je leren luisteren, aanraken, voelen, ruiken en reageren. Allebei kennen ze de creatieve spanning van inspiratie, actie, hoogtepunt en afname. Beide schudden je wakker, brengen je in het hier-en-nu. Je gebruikt je hele wezen: van het puntje van je tenen tot in je haarwortels, je angsten en dromen.’ (blz 83)

Om energie op te doen en nieuwe werelden te verkennen struint ze regelmatig op erotische sites (wie niet). Ze noemt er zelfs eentje in haar boek. Dat past binnen het (zelf)onderzoek dat ze (als schrijver en boeddhist) noodzakelijk vindt; kijken waar de lotusbloem zijn voeding haalt, die donkere poel van het onbewuste waarin angsten en verlangens het toneel vormen voor duistere fantasieën die gesublimeerd of uitgeleefd moeten worden. De naam van haar twitter-account, TheKinkyBuddhst, is wat dat betreft veelbetekenend.

Schrijven is hardcore, omdat je jezelf onder ogen moet komen, zegt Geertje Couwenbergh: ‘Wie schrijft komt onvermijdelijk op het punt waar je wilt stoppen. (…) Precies daar besef je namelijk dat je niet wegkomt door alleen je linkerhersenhelft te geven aan het schrijven. Dat het alleen maar werkt als je je ingewanden, demonen, nagelriemen, hartkamers en hersenstam inlevert. Dat maakt schrijven – en leven – als je het goed doet hardcore.’ (…) Schrijven betekent verder gaan dan je denkt dat je kunt.’ Ik heb nu al zin in haar erotische verhalen.

Geen Reacties »

admin op 19 September 2011 in Boek & Meer