Archief voor de categorie 'Boek & Meer'

Bibliorura-directeur Jeanine Deckers is gek op wilde projecten


De Bibliotheek Bibliorura heeft een nieuwe directeur: Jeanine Deckers. Geboren in Sevenum, uitgevlogen naar Amsterdam en nu weer geland op Limburgse bodem. Wij gingen bij haar op de koffie om kennis te maken.

Na 28 jaar in de culturele hoofdstad keerde ze onlangs terug naar het land van vlaai, muziek en schutterijen. Intussen heeft ze de eerste drie maanden erop zitten. Bevalt het een beetje in Remunj?

“Het bevalt me hier uitstekend. Mijn familie woont hier in de buurt en ik heb bij de bibliotheek prettige collega’s. Het is ook een mooie bibliotheek. Wel mis ik soms mijn vrienden in Amsterdam en het uitgaan, bijvoorbeeld toneelvoorstellingen bezoeken. Maar over het algemeen is het erg fijn om terug te zijn. De mensen zijn hier minder direct en minder gestrest. En ik had niet gedacht dat ik het zo leuk zou vinden om weer dialect te spreken.”

Jeanine Deckers is bibliothecaris en kunsthistoricus, maar zeker geen stoffig type. Anderen noemen haar ‘bijdehand, eigenwijs en aardig’. Op d’r blog betitelt ze zichzelf als ‘militante bibliothecaris’. Wat wil deze strijdlustige dame met de Roermondse bibliotheek?

“We hebben hier een prachtige bibliotheek met een mooie collectie. Zo hebben we enorm veel internationale kranten in de leeszaal. Ook hebben we een indrukwekkende collectie ‘Limburgensia’. Misschien niet zo groot als in Maastricht, maar erg goed en uitgebreid. En behalve de bibliotheek, zijn hier ook het Historiehuis en een brasserie gevestigd. Toch weten heel veel mensen dat niet. Dat is jammer, want de bieb is van en voor iedereen. Ook als je niet van lezen houdt, kun je hier terecht, bijvoorbeeld om de krant te lezen of te studeren. Het verhaal over wat we bieden moeten we beter en vaker vertellen.”

In een notitie, die aansluit bij het huidige beleid van Bibliorura, geeft ze aan dat laaggeletterdheid hoog op de agenda moet komen. Waarom is de bestrijding daarvan zo belangrijk en wat gaat zij daar concreet aan doen?

“Veel kinderen verlaten de basisschool met een fikse achterstand wat betreft begrijpend lezen. Zo’n achterstand haal je niet snel meer in. De Bibliotheek Bibliorura heeft een heel goed programma om samen met alle basisscholen laaggeletterdheid tegen te gaan. Zo bieden we kinderen betere kansen in hun leven. Verder zijn er veel ouderen die vroeger alleen de lagere school hebben afgerond. Dat was toen genoeg, nu niet meer. De samenleving is ontzettend ingewikkeld geworden. Die mensen gaan we ook helpen. Zo denken we na over een Taalpunt in Roermond waar jong en oud terecht kan met vragen over lezen, schrijven en taalonderwijs.”

In Noord- en Zuid-Holland ontwikkelde ze met succes een keten strandbibliotheken en bedacht de bibliotheek op Schiphol - de eerste vliegveldbibliotheek ter wereld. Heeft ze ook zulke wilde plannen voor Roermond en Roerdalen?
“Ik ben gek op wilde projecten, alleen heb ik nu nog niets op het oog. Ik ben overal voor in.”

Het is bij de nieuwe directeur overigens niet alleen innovatie wat de klok slaat. Zo is ze al twee decennia lid van het conservatieve Cuypersgenootschap. Dat is een landelijke club die onder meer vocht voor behoud van Cuypers’ Teekenschool in Roermond en Kolleg St. Ludwig in Vlodrop.

“Tijdens mijn studie architectuurgeschiedenis ben ik daar lid van geworden. Dit genootschap zet zich in voor behoud van bouwkundig erfgoed uit de negentiende en twintigste eeuw, vooral van na 1940. Dat ik nu, na al die jaren, terecht ben gekomen in de stad van Pierre Cuypers, maakt wonen en werken in Roermond voor mij natuurlijk nog specialer.”

De koffie is intussen op en het koekje verorberd. Tot slot een vraag om de nieuwe Bibliorura-directeur persoonlijk wat beter te leren kennen: wat is haar favoriete boek?

“Gebr. van Ted van Lieshout. Ik vind al zijn boeken erg goed. Gebr. gaat over een homoseksuele jongen die in de jaren zeventig in Eindhoven opgroeit met een broer die later zelfmoord pleegt. Het boek is een soort zoektocht van de hoofdpersoon in het verleden. Het gaat over zelfmoord en is zielig, maar tegelijkertijd erg om te lachen. Daarnaast is het heel mooi geschreven. Ik ben in dezelfde tijd opgegroeid, daardoor zijn veel dingen voor mij herkenbaar. Het is een heel bijzonder boek.”

[Afbeelding detail uit werk van Edward W. Camp]

Geen Reacties »

admin op 8 August 2016 in Boek & Meer

Jos Saes: “Bibliotheek meer nodig dan ooit”

Onlangs nam Jos Saes na veertig jaar afscheid als directeur van de Bibliotheek Bibliorura. Portret van een man die liever op de achtergrond blijft.

“Jos Saes, dat ìs de bibliotheek Roermond”, zegt een medewerkster die jarenlang nauw met hem heeft samengewerkt. Ze schetst Saes als een directeur met visie, open, eerlijk, direct en met oog voor de inhoud. “Geen groot ego, hij werkt liever in de luwte, maar wel iemand die altijd vocht voor zijn bibliotheek.”

In veertig jaar zag Jos Saes Roermond van ingedut plattelandsstadje uitgroeien tot internationale winkelmagneet. Sociaal-culturele, politieke en technologische veranderingen, verhuizingen, fusies en reorganisaties; het kwam op zijn pad. En hij heeft het allemaal overleefd.

Hij zag bestsellers fonkelen en verdwijnen, schrijvers komen en gaan, en trends opvlammen en uitdoven. Binnenkort draagt hij de organisatie met een gerust hart over aan zijn opvolgster. De organisatie is efficiënt, het team is hecht, er ligt een heldere en goed onderbouwde visie, en de Bibliotheek Bibliorura is goed ingebed in de maatschappij. Maar dat ging niet vanzelf.

De verhuizing in 2000 naar de Neerstraat was voor Jos Saes, die in 1980 directeur werd, professioneel het meest ingrijpend.

“In 1976, toen ik begon, zaten we samen met het CK-Theater in De Oranjerie. Tot Van der Valk erin wilde. Wij hadden een contract tot 2010. Bij de gemeente hebben we toen een nieuwe locatie en een noodhuisvesting bedongen; de voormalige RAM Garage aan het Wilhelminaplein, waar later de Action in heeft gezeten.

We kregen subsidie voor verhuizing naar de garage, maar voor de rest moesten we alles zelf uitzoeken. Ik zie ons nog door dat gebouw gaan om met krijt op de vloer aan te gegeven waar de internetaansluitingen moesten komen.

Gevecht om brasserie

De verhuizing naar de Neerstraat en de verbouwing zijn tien jaar voorbereid. Het zorgde voor felle maatschappelijke en politieke discussies, onder meer over het spreidingsbeleid en de maatschappelijke rol en functie van de bibliotheek.

De meningen over wat de bibliotheek zou kunnen zijn, veranderden in die periode gestaag. We werden door de gemeente steeds meer gezien als een zakelijke partner. Voor die tijd was het eerder een beetje als de bedeling.

Ik was adviseur van de gemeente voor dit gebouw, daardoor hebben we dingen kunnen realiseren die niet voorzien waren. Zo kwamen we erachter dat er een vergader-/tentoonstellingsruimte nodig was.

En we wilden een brasserie met terras. Dat is een heel gevecht geweest. Zoiets werd toen nog niet geassocieerd met een bibliotheek. Het was pas een jaar of tien later dat hippe boekwinkels koffiehoeken kregen.

Door de brasserie kwamen er later soms klachten als: ‘Als ik hier een boek zit te lezen, ruik ik het eten.’ Ik dacht dan: Wat maakt dat nou uit!

Voor de verbouwing hebben we zeker tien tekeningen op tafel gehad. Er waren dan ook nogal wat uitdagingen.

Het gebouw bestaat uit een gerenoveerde voorbouw met een nieuwe achterbouw. De achterbouw heeft geen directe verbinding met het straatniveau. De architect, Han Westelaken, heeft dit opgelost door de verdiepingen in de achterbouw los in de ruimte te plaatsen.

Gebouw van de bevolking

Het is nu een hartstikke mooi gebouw, en nog belangrijker: het is een gebouw van de bevolking. Je mag er ook gewoon praten, want er zijn hier genoeg luwteplekken voor als mensen stilte zoeken.

En iedereen is welkom, lid of geen lid. Ouderen lezen er de krant, studenten maken hier op de computer hun werkstukken, en soms zitten hier ook zwervers. Mijn insteek: je bent welkom als je je fatsoenlijk gedraagt. Wij willen niemand buitensluiten.

De bibliotheek was begin jaren ‘70 toch nog vooral een bibliotheek voor de gegoede burgerij. In de jaren ‘80 veranderde dat. Nu is de bibliotheek een ontmoetingsplaats voor iedereen op het kruispunt van kennis, contact en creativiteit. Daarnaast is er natuurlijk internet.

Maar ook dat is niet heilig. Met de opkomst van e-books en snel internet waren diverse politici overtuigd dat de bibliotheek overbodig was geworden. Dat is dus niet zo. Misschien is er door de enorme hoeveelheid beschikbare informatie juist nu wel meer behoefte dan ooit aan onderzoek, duiding en inspirerende locaties om samen te komen.

Neem bijvoorbeeld de geschiedenis. Veel jongeren denken: dat is voorbij, maar het leeft nog steeds. Dat merkten we bijvoorbeeld aan de belangstelling voor onze tentoonstelling over de tijd van Napoleon Bonaparte. Veel moderne staten zijn gebaseerd op inzichten uit die tijd.

Verder vervult de bibliotheek een belangrijke rol bij leesbevordering en het tegengaan van laaggeletterdheid. Dat doen we onder meer via ons succesvolle programma voor de schoolbibliotheken en de doorgaande leeslijn.

Lezen is leuk en nuttig. Het is een cruciale vaardigheid om je te kunnen redden in deze samenleving.

Ook het lezen van romans is daarbij belangrijk, dat weten veel mensen niet; daarvan ga je genuanceerder denken. Ook word je in romans geconfronteerd met een breed palet aan emoties en manieren om daarmee om te gaan. Zo kom je op een andere manier in het leven te staan.

Zelf houd ik van Russische schrijvers als Boris Pasternak en Ivan Boenin, mijn lievelingsschrijver. Een persoonlijke favoriet is ‘Portret van een man’ van Jens Christian Grøndahl, maar veel mensen vinden hem misschien niet zo bijzonder hahaha. Ik kan ook genieten van ‘Het verhaal van Ferrara’ van Giorgio Bassani. ‘De graaf van Montecristo’ van Alexandre Dumas vind ik ook een prachtig boek.”

Snijden in eigen vlees

Zo’n tien jaar na de verhuizing van de bibliotheek naar de Neerstraat, tussen 2010 tot 2013, ontstond een situatie die Jos Saes persoonlijk het meest heeft geraakt. Met het spreekwoordelijke gouden horloge in zicht, moest hij fors snijden in eigen vlees.

“Er was te weinig geld in de maatschappij. Roerdalen wilde de bibliotheken in de eigen gemeente sluiten, want het was te duur om ze open te houden. Zeker omdat de kwaliteitsvraag in een dorp dezelfde is als in de stad - daar vergissen mensen zich vaak in.

We hebben toen ingezet op de schoolbibliotheken en dat heeft achteraf heel goed uitgepakt. De bevolking was eerst hartstikke kwaad, maar de ontwikkelingen gaan door. Het is net als met de flappentap in de dorpen; iedereen vindt het vervelend dat hij verdwijnt, maar de meesten pinnen rechtstreeks bij de winkels in de stad.

Met onze organisatie moesten wij van ruim 40 naar ongeveer 20 medewerkers. Ik heb veel mensen moeten ontslaan en dat heeft er ingehakt. Ook persoonlijk. Niemand wil mensen ontslaan.

In die tijd heb ik een TIA gehad, een voorbijgaande beroerte. Bij het onderzoek bleek dat ik eerder al diverse herseninfarcten heb gehad. Het advies was om het rustig aan te doen.

Iedereen die zoiets meemaakt, gaat anders nadenken over wat hij wil. Je gaat anders leven.”

Jos Saes dacht aan de mooiste momenten in zijn leven. Zijn gezin, de mensen die hij heeft ontmoet. Over het belang van werk, zijn werk. Lekker eten en drinken. De bijzondere plaatsen die hij heeft bezocht, zoals het eiland Sark en zijn geliefde Frankrijk. En natuurlijk dacht hij aan de jaren die nog komen.

Marktpartijen hollen bieb uit

Ook professioneel maakte hij de balans op. In een notitie heeft hij laten beschrijven waar de Bibliotheek Bibliorura voor staat, wat de kansen en bedreigingen zijn, en hoe de beste strategie voor de toekomst eruit ziet. Het stuk heeft pamflettistische trekken en ademt een onverschrokken strijdbaarheid; tot hier en niet verder!

“Met deze notitie willen we het team, dat een onzekere periode achter de rug heeft, houvast geven voor de toekomst. Ook leggen we zo aan derden als de gemeente uit wat we doen en waarom dat toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld in vergelijking met marktpartijen.

De marktpartijen die nu in de bibliotheekwereld opereren, geven je een ouderwetse bibliotheek terug. Dus zonder de complexe meerwaarde die wij bieden. Dan kan ook niet, want anders zouden zij geen winst maken. Ze melken een bestaand concept uit en daarna blijft de gemeenschap achter met het gat.

Dan hebben wij het in Roerdalen toch beter gedaan. Niet alleen zijn gemeente en scholen heel tevreden over het project met de schoolbibliotheken, we hebben ook voortdurend constructief overleg als ze iets willen veranderen. Dat is heel fijn. Ook in Roermond hebben we een uitstekende samenwerking met de gemeente.

Kortom: de organisatie is klaar voor de toekomst, en ik ben klaar om ermee op te houden. Wat ik ga doen als ik met pensioen ben? Het eerste half jaar ga ik helemaal niks doen hahaha.

Nou ja, mijn tuin uitbouwen; ik heb een cottage tuin. Engelse tuinen, die vind ik geweldig. Een tuin met vier geweldige lindenbomen erin, heb ik. Daar ga ik me heerlijk aan wijden. Daarna zie ik wel verder.”

Geen Reacties »

admin op 31 March 2016 in Boek & Meer, Politiek & Media

Expedities in de christelijke dating jungle

‘Man gezocht’ heet het boek van ‘HopefulGirl’, dat een tijdje geleden onverwacht in mijn bus lag (Ark Media, 2013). Het leek me een typisch vrouwenboek, in de trant van: “You Shopaholic, me Da Vinci Code”, maar de covertekst haalde me over: “Moet ik als een roofzuchtige oudere vrouw rond gaan loeren bij de studentenvereniging?”

De schrijfster van ‘Man Gezocht’ is een Britse die in een middelgrote stad ‘in de media’ werkt en leeft in een conservatief christelijk milieu, waarin haar kerk (’St. Cashmere’, de beschermheilige van de dure gebreide kleding) een belangrijke rol speelt.

Haar boek is gebaseerd op columns die ze schreef voor het christelijke Woman Alive Magazine, een blad ‘met een vaste column van een Wijze Moeder, diepgaande bijbelstudies over de beloften van God en praktisch advies om eenvoudiger te leven’.

En zo kom ik gelijk bij een belangrijk punt. Ik kan me voorstellen dat je als lezer van dat blad bij elk nummer uitkijkt naar de recente ervaringen van HopefulGirl in de christelijke dating jungle (”Wat heeft ze nu weer meegemaakt, guttegut”). Zet je die columns in een boek, dan is de beleving anders. Halverwege het boek had ik het eigenlijk wel gehad.

Dat de lust tot lezen me wat verging, komt niet door de belevenissen, maar door haar overdenkingen en afwegingen. Zo worden de mannen vaak als karikaturen neergezet, met name in de gevallen waarin er geen klik is. Hetis mogelijk dat zij allemaal van bordkarton zijn en aan elkaar hangen van complexen en frustraties, maar het lijkt er meer op dat de schrijfster dit doet om haar lieve – maar nogal beperkte - wereldbeeld te rechtvaardigen.

(De enige man bij wie ze dat niet doet, is TopBroer, die op een voetstuk staat en waar ze volgens mij stiekem de andere mannen aan afmeet.)

Aan haar wereldbeeld twijfelen, dat doet HopefulGirl bijna helemaal niet. Dat roept de vraag op: is zij zelf wel interessant genoeg? En dan gaat het niet over leeftijd en geverfd haar; mannen zijn echt meerdimensionale wezens - althans die zitten er zeker tussen. Maar bijvoorbeeld wat betreft geestelijke bagage, levenservaring en emotionele diepgang. (Met de humor zit het op papier wel goed).

Pas na zo’n twee jaar breekt voorzichtig het inzicht door dat ze misschien ook buiten haar christelijke cocon moet kijken voor ‘een gelijkwaardige partner’. En haar kinderwens, die biologisch druk op de ketel zet, moet ze daaraan blijven vasthouden en zo ja, waarom en voor wie? (In mei van het vierde jaar gaat ze hier pas over nadenken). Ook het idee van tien jaar leeftijdsverschil bij een stel wil maar niet indalen bij HopefulGirl.

Haar meningen en overtuigingen blijven onuitgewerkt - misschien wel omdat ze gesneden koek zijn voor haar doelgroep? Ook haar God komt niet goed uit de verf. Hij speelt meestal de rol van Grote Koppelaar: die christelijke modelman van haar, die komt er wel (en dan trouwen, kinderen en klaar – conform haar christelijke format). De grote vraag waarmee ik achterblijf, is dan ook: what makes her tick? Wat maakt haar aan het huilen, wat aan het lachen, hoe ziet haar vakantie eruit, waar wordt ze boos over, over welke mannen ligt ze in bed te fantaseren?

Toch valt er nog genoeg te beleven in dit boek. Al was het maar door de line up van mannen, die soms wel iets wegheeft van een freakshow. Neem bijvoorbeeld de zoeker die in zijn profiel schrijft: ‘Ik ben de laatste van mijn geslacht en heb geen stamhouder. Ik wil graag een mannelijke nakomeling verwekken die onze naam kan voortzetten, dus ik neem uitsluitend vruchtbare vrouwen in overweging. Verboden voor vrouwen in de overgang.’

Op een christelijk singlesfeest komt ze GemeneGijs tegen, een man die niet veel kwijt wil over zijn werk. In het groepje christenen waar HopefulGirl bij staat, geeft hij hints als: “Ik geef de hongerigen te eten, één voor één.” De hele groep denkt mee: ‘Een hulporganisatie wellicht? Nee. Na een half uur wisten we het antwoord uit hem los te krijgen. Hij werkt voor een supermarkt.’ En blijkt een engerd.

De huwelijksmarkt wordt bevolkt door jagers, mannelijke en vrouwelijke, leren we verder. Zo zijn er de wanhopige vrouwen, die ik maar even de poema’s noem: ‘Een vriend van me, die zelden meer een kerk van binnen ziet, zegt dat hij zich enorm ongemakkelijk voelde als hij door hongerig kijkende vrouwen werd opgezocht. “Ik wilde gewoon in alle rust van de dienst genieten”, zucht hij. (…) Het is nogal wat om te zien hoe mannelijke bezoekers subtiel worden belaagd door alleenstaande vrouwen, van wie de biologische klokken haast hoorbaar tikken.’

De mannelijke tegenhangers van de poema’s zijn de haaien: ‘Een haai is meestal in de vijftig, gescheiden en ziet het wel zitten (…) met een jongere, aantrekkelijkere vrouw. (…) Haaien zwemmen rondjes bij kerkelijke bijeenkomsten en tijdens het koffiedrinken, waarbij ze proberen een zwak vrouwtje te pakken te krijgen. Zodra ze een mogelijk slachtoffer hebben gevonden, proberen ze haar te scheiden van haar school. Ze worden overdreven aanhankelijk, komen te dichtbij staan en nodigen zichzelf uit om haar te komen helpen klussen.’

Voor de datende vrouwen heeft de schrijfster een lijstje met tips, bijvoorbeeld pleisters meenemen voor als nieuwe schoenen gaan knellen. ‘Niets verpest een date sneller dan dat je probeert te glimlachen terwijl er bloed langs je enkels omlaag sijpelt.’ Ook adviseert ze visitekaartjes (zodat er snel gegevens kunnen worden gewisseld zonder gepruts met pen en papiertjes) en een lijstje met gesprekspunten. ‘Als het gesprek doodbloedt, kun je even naar het toilet wegglippen, je aantekeningen erbij pakken en terugkomen met veel vragen om de boel weer op gang te krijgen’.

Voor mannen heeft ze een hilarisch lijstje met afknappers in de profielen: ‘Je ex-vrouw omschrijven als lui of smerig. Opscheppen over hoeveel je verdient of dat je tachtig keer kunt opdrukken. Doorlinken naar je blog waarop je vertelt hoe je de hele dag niet van het toilet af bent gekomen. Gebruikersnamen als GenieGozer en LekkereDirk. Beweren dat je er tien jaar jonger uitziet dat je bent. Dat bepalen wij wel.’

Dat lijstje heeft zelfs een tweede deel: ‘Topless op de foto. Het ziet er ijdel en wanhopig uit. Afgebeeld staan met je ex-vriendin of op een foto waaruit zij is weggeknipt. Nog erger, met haar gezicht uitgewist. Eng gewoon. Een groepsfoto plaatsen zonder uit te leggen wie jij bent. Het is geen grabbelton. Dreigend de lens in staren als een seriemoordenaar op een politiefoto. Frites en frikandellen in je mond proppen. Het lijkt misschien grappig maar het is niet aantrekkelijk.’

Aan welke 365 eisen de christelijke single mannen volgens de schrijfster wel moeten voldoen, dat lijstje kon ik zo snel niet terugvinden bij het schrijven van deze recensie. Gelukkig heet ze HopefulGirl, dat scheelt.

Comments Off

admin op 20 July 2013 in Boek & Meer

Leven vanuit het hart, hoe doe je dat eigenlijk?

Je hoort het vaak: van hoofd en buik naar het hart. Maar dat is niet zo eenvoudig, mede doordat volgens Jan den Boer emotie en gevoel vaak worden verward. Door training kan een deel van de emoties worden getransformeerd in gevoel en wordt leven vanuit het hart eenvoudiger. Hij schreef er een boek over: ‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ (De Driehoek, 2012).

Jan den Boer onderscheidt gevoel, emotie en denken op basis van de inzichten van neurowetenschapper Antonio Damasio, op wie hij sterk leunt. Deze meent dat emoties grotendeels onbewust zijn. Ze zijn vaak bigger than life en verbonden met ervaringen uit het verleden.

Gevoelens zijn vanuit innerlijke rust bewust waargenomen en daardoor getransformeerde emoties. Denken, ten slotte, is volgens Damasio uitsluitend reflectief, maar biedt ook ruimte voor intenties tot toekomstig gedrag; je kunt je gedrag niet direct sturen maar jezelf daartoe wel voor de langere termijn programmeren.

Jan den Boer is behalve door Damasio ook beïnvloed door het Tibetaans boeddhisme. Zo citeert hij Sogyal Rinpoche, die stelt dat pijn, angst en leed voortkomen uit ‘het hunkeren van de grijpende geest’ (al dan niet verdrongen begeerte die onrust veroorzaakt). Ook haalt hij Lama Yeshe aan, die poneert dat bewust waargenomen verlangen een bron van geluk kan zijn. Een andere boeddhist die hij opvoert is Tulku Lobsang Rinpoche. Deze gaat zelfs zover dat hij verlangen gelijkstelt aan verlichting, volgens Jan den Boer.

De vrije wil, waarvoor Damasio in weerwil van de populaire reductionistische neurowetenschappers speelruimte creëert door naast onbewuste ook bewuste emoties te benoemen, kunnen we volgens Jan den Boer door training steeds beter aanwenden om bij sterke emoties, gedachten en impulsen (het grijpen vanuit begeerte en het verlangen daarnaar) weloverwogen te kiezen. Bijvoorbeeld door verlangen bewust te beschouwen en er onthecht van te genieten, zoals Lama Yeshe en Tulku Lobsang Rinpoche adviseren.

Hiervoor is harttraining nodig. Een hulpmiddel daarbij, is om ons blikveld verbreden zodat de woeste hoge golven van het heftige moment verworden tot rimpelingen in de oceaan. Dit biedt overzicht, ruimte voor inzicht (via het lichaam) en leidt tot meer rust.

De schrijver creëert hiervoor een soort stille ruimte. Dit alchemistisch laboratorium, door hem stiltepunt genoemd, is gesitueerd in het zwaartepunt van emotie, gevoel en ratio. Van daaruit kunnen we beter onderscheiden op basis van onze getrainde intenties, waarbij Jan den Boer de voorkeur geeft aan de gevoelens van het hart (boven de buikgerelateerde onbewuste emoties en de hoofdgerelateerde reflectieve gedachten).

Veel van ons gedrag is niet te sturen, maar door deze training kunnen we volgens hem het werkgebied van de vrije wil vergroten en diens kracht versterken (mede door rationeel intenties te formuleren voor toekomstig gedrag) en daardoor leven vanuit het hart bevorderen.

‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ komt ook uit het hart. Dat merk je vooral in gedeelten waarin je de echo van persoonlijke ervaringen tussen de ‘neutrale’ regels hoort. Maar het is geschreven met het hoofd. En dat hoofd zat schijnbaar op dat moment te vol om duidelijke keuzes te maken wat betreft insteek, inhoud, vormen en opbouw.

Als lezer wil ik niet met de schrijver op reis, ik wil de mooie verhalen horen over zijn reis.

Is het een vertoog over een filosofisch systeem (waarvan ik hoop dat ik het hierboven goed heb samengevat) met als uitwerking de mogelijke maatschappelijke toepassingen (volgens het concept: hedendaagse wetenschap ontmoet oosterse filosofie)? Of is het een populair boek voor in mindfulness geïnteresseerden (met een beknopte beschrijving van de theorie en vooral veel tips, voorbeelden, oefeningen en ervaringen)?

Ik denk dat het begon als het één en uitgroeide tot geen van beide. Het boek wil te veel zijn voor te veel verschillende lezers. Dat is jammer, want hoe je omgaat met emoties en gevoelens is erg belangrijk in de omgang met anderen, zeker nu hufterigheid steeds meer terrein wint. De theorie en aanpak van Jan den Boer lijken daar een waardevolle bijdrage aan te kunnen leveren.

(Afbeelding gestolen bij pulpfactor.com).

Comments Off

admin op 18 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Shirdi Sai Baba, het best bewaarde geheim van India

Begin jaren negentig, India. Ver voor de mobiele telefoon gemeengoed is en het land economisch aan een globale opmars begint. Ik wacht op een trein die voorlopig niet komt en raak in gesprek met een Engelsman. Hij geeft me brood, ik geef hem een banaan. Hij is een leraar Engels uit Groot-Brittannië die speldjes van Sai Baba verkoopt om rond te komen. Niet de in 2011 overleden goeroe die in het westen bekend is, maar de eerste Sai Baba, die uit Shirdi.

De leraar vertelt en ik val van de ene verbazing in de andere. Er is wel eens geschreven dat mensen over honderd jaar niet zouden geloven dat Gandhi werkelijk heeft geleefd. Wel, dat zou je misschien wel met nog meer recht kunnen zeggen van Sai Baba van Shirdi, bedenk ik me, terwijl de leraar het ene na het andere verhaal oplepelt.

Sai Baba van Shirdi ging voorbij aan gebruiken en kasten, voelde zich als een vis in het water binnen zowel islam als hindoeïsme, en verrichtte vele tientallen wonderen om er leringen uit te (laten) trekken. Voor de toegewijden was hij een god, een wezen dat de mens overstijgt in kennis en kunde door het bereikte niveau van eenwording en inzicht (hij noemde zichzelf overigens nooit een god, wel “een nederige dienaar van God”).

Onder de indruk van de kleurrijke verhalen - en erg verbaasd dat ik nooit eerder van hem heb gehoord hoewel hij nog niet zo lang geleden heeft geleefd - koop ik van de leraar een munt met een afbeelding van Sai Baba van Shirdi. In de dagen die volgen, ga ik op zoek naar een Engelse biografie over deze uitzonderlijke man. Deze grote onbekende.

Een paar jaar later kom ik per toeval terecht bij de kleine man met de grote ronde bos kroeshaar die claimde zijn incarnatie te zijn; Satya Sai Baba in Puttaparthi. Mijn ervaring daar is onvergetelijk, ook al kende ik toen reeds de kritische artikelen en filmopnames, maar op de achtergrond bleef ‘de echte Sai Baba’ in mijn bewustzijn aanwezig.

Onlangs kwam Sai Baba uit Shirdi weer in mijn aandachtsveld door de Bollywood-film ‘Shirdi Sai‘ die vorig jaar is uitgekomen. Het is een prachtig en kleurrijk spektakel, compleet met de voor het genre typische dans, zang en aandoenlijke slechteriken (die nog niet tot het juiste inzicht zijn gekomen).

Tijdens het zoeken naar informatie over de film ontdekte ik dat er vorig jaar ook een boek over Sai Baba van Shirdi is uitgekomen, in het Nederlands nog wel. ‘Zeven Dagen Shirdi Sai‘ verscheen in 2012 bij Uitgeverij Tattwa in Olderbekoop. Deze vuistdikke Sai Baba ‘bijbel’ telt 480 pagina’s en is gebaseerd op de biografie ‘Sri Sai Satcharitra’ van ‘Hemadpant’, aangevuld met een groot aantal verhalen uit andere bronnen.

Het boek schetst een veelzijdig beeld van deze ’sadgoeroe’ (ware goeroe / verlichte leraar die leerlingen binnen zijn traditie inwijdt) dat niet aansluit bij het verwachtingspatroon dat veel westerlingen hebben van Indiase goeroes. Misschien is Sai Baba van Shirdi daardoor zo fascinerend.

Zo kon deze ware heilige indrukwekkend boos worden (schijnbaar om de voor dat doel gepersonaliseerde negatieve energieën op te nemen en te verslaan). Ook ging hij vaak in tegen religieuze en maatschappelijke voorschriften van zowel hindoes als moslims, meestal met het doel om achterliggende patronen in leringen en levens inzichtelijk te maken. Dit wordt zijn ‘goddelijk spel’ genoemd.

Sai Baba van Shirdi (1835-1918) had naar wereldlijke begrippen vrijwel niets; onder meer wat kleren, sandalen, een verzameling stenen pijpjes, een kleine maalsteen, een kookpot, een paar blikken om mee te bedelen en een heilige staf. Als kussen gebruikte hij een baksteen. Het geld dat hij de laatste jaren van zijn leven vroeg aan volgelingen, gaf hij vrijwel allemaal weg. Hij maakte geen onderscheid tussen mensen en was één met wat leeft, inclusief planten en dieren.

Over vijf jaar is het honderd jaar geleden dat deze heilige overleed (15 oktober 1918) en nog steeds is in India de herinnering aan hem springlevend. Hij heeft vele volgelingen (Shirdi is nu een bedevaartplaats met een sterk groeiende ‘relibusiness’ die dagelijks honderdduizend bezoekers zou trekken), maar buiten India is Shirdi Sai Baba nog steeds zo goed als onbekend. Daarmee is hij misschien wel het best bewaarde geheim van India.

De liefde voor Shirdi Sai Baba, die van zijn volgelingen volledige toewijding vroeg, wordt gevoed doordat hij grenzen oversteeg en misschien nog wel meer door de inspirerende levenslessen die hij mensen leerde. De hoogste tijd dus, om enkele van die verhalen aan te halen, zoals beschreven in ‘Zeven Dagen Shirdi Sai’.

Er zijn diverse verhalen waarin Sai Baba van Shirdi lijden en ziekte van gelovigen op zich neemt. Een voorbeeld: mevrouw Khaparde komt met haar zoontje Balwanth naar Shirdi. De tweede dag na aankomst krijgt de jongen koorts. Hij heeft overal builen op z’n lichaam. De moeder gaat wanhopig naar Sai Baba. Die toont haar vier rijpe gezwellen op zijn lijf, ze zo groot als eieren. Hij zegt: “Kijk hoe ik lijd voor mijn toegewijden.”

Een volgeling raakt de goeroe aan en wat blijkt: Sai Baba heeft hoge koorts. De moeder is ontzet. “Heeft de ziekte [de builenpest, die toen heerste] niet alleen mijn zoon te pakken, maar ook u? Wie zal u beschermen?” Sai Baba berispt haar voor haar kleine geloof en zij biedt haar excuses aan. Daarna zakt zijn koorts en bij terugkomst ontdekt mevrouw Khaparde dat de koorts en de builen bij Balwanth zijn verdwenen.

Ook staan er verhalen in het boek over mensen en dieren die ogenschijnlijk dood zijn en weer tot leven worden gewekt. Een mooie geschiedenis met een even grote epische kracht is die over Sai Baba’s strijd met behulp van zijn stok om een enorm zwaar onweer uit het dorp te verdrijven.

Een citaat: ‘Weer kwam er een hevige blikseminslag en weer sloeg Baba op de grond en vroeg de regengod om weg te gaan uit Shirdi. Dit gebeurde drie keer. Het was duidelijk een gevecht tussen twee reuzen, maar binnen enkele minuten legde de storm zich neer bij Baba’s verzoek om zijn terugtocht.’

De volgeling Jyotindra Tarkhad vraagt Sai Baba later wat er eigenlijk gebeurd is. Deze zegt: “Als mijn toegewijden in nood zijn, bid ik tot de Heer van het universum om zijn genade op hen te laten neerdalen, en de Heer schiet mij dan te hulp.”

Er staan te veel prachtige verhalen in om hier aan te halen. Een uitzondering maak ik graag voor de beschrijvingen van de ‘goddelijke clown’ Nanavalli. Deze maakte deel uit van de entourage van de heilige, had zichzelf de titel ‘Generaal van Sai Baba’s leger’ gegeven, liep soms naakt of in oude zakken rond, had slangen in zijn zakken en schorpioenen in zijn mond. Nanavalli had overduidelijk in zichzelf al veel grenzen geslecht.

Er zijn tijdgenoten die hem herinneren als moslim, maar ook veel die hem zagen als een brahmaan (een parallel met Sai Baba, die hij ‘mijn oom’ noemde). De meeste mensen beschouwden hem echter vooral als een gevaarlijke gek. (Jyotindra Tarkhad was één van de weinigen die Nanavalli zag als iemand die een intelligent spel vol apenstreken speelt om mensen tot inzicht te brengen.)

In de legendarisch geworden verhalen reageerde Nanavalli met explosieve acties om bepaalde structurele misstanden aan de kaak te stellen. Zo kwamen er vaak mensen naar Sai Baba die hem om materiële zaken vroegen. Een groep handelaren maakt het op een dag erg bont. Nanavalli loopt geërgerd naar voren en roept: “Fakir! Ik wil een grote boom die onmiddellijk geld voortbrengt. (…) Hij moet al geld geven op het moment dat hij ontkiemt.” Baba kalmeert hem en verzekert hem dat hij zijn verzoek zeker zal inwilligen. Nanavalli gaat daarop lachend weg.

Een andere keer maakt hij het nog bonter volgens veel mensen. Sai Baba heeft intussen een fraaie stoel gekregen als gevolg van de toenemende hulde door zijn groeiende bekendheid. Hij zit daarop als Nanavalli op een dag naar binnen stiert en tot afgrijzen van de aanwezigen van Sai Baba eist dat die opstaat zodat hij op de stoel van de goeroe kan zitten. Zo’n stoel is als een troon van en voor de allerhoogste, en z’n eis is dan ook ronduit schokkend.

Sommige toegewijden willen hem wegsleuren maar Sai Baba, die het innerlijk van Nanavalli kent, brengt hen tot bedaren. Nanavalli blijft even op de stoel van Sai Baba zitten en na een tijdje zegt hij: “Uitstekend, goed gedaan!” Daarna staat hij op en Sai Baba gaat weer zitten. Nanavalli knielt aan diens voeten en gaat daarna extatisch dansend weg; in de vorm van goddelijke gekte heeft hij weer een zeer geslaagde les gegeven.

In ‘Zeven dagen Shirdi Sai’ worden de markante gebeurtenissen in het leven van de goeroe verteld, aangevuld met thematische hoofdstukken, bijvoorbeeld toegespitst op geld, leringen, bescherming en alwetendheid. Hierdoor schetst het boek een goed beeld van wat Sai Baba van Shirdi leerde door één te zijn met elk leven, ongeacht plaats en tijd, en vanuit een diepe compassie in te grijpen en/of te verduidelijken. Het zijn verhalen die je bijblijven. Soms zelfs meer dan twintig jaar.

Comments Off

admin op 8 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Over ’s Hertogenbosch, Maria en de draak

’s Hertogenbosch is gebouwd rondom een Keltisch cultuscentrum, rekening houdend met de energielijnen in de stad. Dat stelt architect Jan van der Eerden in zijn boek “Een middeleeuwse stad vol gulden energie – Spirituele opgravingen in ’s Hertogenbosch en andere daarmee verbonden plaatsen” (Stichting Cultuurfonds ’s Hertogenbosch, 2012).

Het cultuscentrum bevond zich op de plaats op de Markt waar eerder het Puthuis en een marktkruis stonden. Deze krachtplek, een axis mundi, is gesitueerd op een krachtige van west naar oost lopende energielijn, een zogenoemd drakenpad, waar ook de drakenfontein naar verwijst, die de stad doorkruist.

De stichters van de stad hebben hiermee rekening gehouden, veronderstelt Jan van der Eerden. Net als met de twee andere energielijnen in de stad die samen een driehoek vormen waarvan de punten liggen op de drie belangrijkste pleinen. Verder zou een later aangepaste versie van een Romeins grondpatroon zijn gebruikt, een campus initialis, en de levensbloem, bekend uit de sacrale geometrie.

Daarnaast heeft de schrijver een door mensen gemaakte energiering rond de oude stad herontdekt die overeenkomt met de grens van de uitstraling van de axis mundi op de Markt. Deze “gouden ring” was bedoeld ter bescherming en werd waarschijnlijk jaarlijks bekrachtigd met een ommegang langs verschillende staties, vergelijkbaar met de Maria-ommegang in de binnenstad, die overigens voert langs de genoemde driehoek.

Niet alleen de positie van pleinen en straten, ook die van diverse Bossche gebouwen is te begrijpen vanuit de door hem gereconstrueerde energetische blauwdruk van de stad, betoogt Jan van der Eerden. Met name gebouwen uit de gotiek en de neogotiek; binnen die stromingen was veel aandacht voor sacrale geometrie en geomantie.

Hij verduidelijkt zijn verhaal met voorbeelden uit binnen- en buitenland, tekeningen en berekeningen, mythologieën, fragmenten uit alternatieve wereldopvattingen en observaties van paragnosten. Ook vertelt hij over zijn strijd voor het behoud van het architectonisch erfgoed in ’s Hertogenbosch. Dit alles maakt zijn betoog niet eenvoudig om te volgen, wel buitengewoon boeiend.

Wat opvalt in dit verband, als we de argumentatie van Jan van der Eerden goed begrijpen, is de grote rol die de in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, bekend van de gezworen leden de Zwanenbroeders, schijnbaar achter de schermen heeft gespeeld bij de ontwikkeling van ’s Hertogenbosch. Met gebruikmaking van de blauwdruk.

Door de bouw van de kathedraal in 1380, de “herontdekking” van een “wonderbeeld” van Maria een jaar later (sic) en een jaarlijkse Maria-ommegang (met een theatraal moment over Sint Joris en de draak bij de axis mundi) heeft de broederschap de stad via inkomsten uit pelgrimages en het stimuleren van bedrijvigheid een enorme economische, culturele en spirituele impuls gegeven. Honderden jaren lang.

De kathedraal, een ontwerp van een lid van de broederschap waarvan ook het Zwanenbroedershuis sinds 1483 op het drakenpad staat, was namelijk niet gelijk af. Er is nog tot 1529 aan gebouwd, een periode die grofweg samenvalt met de bloeiperiode van deze voor de verering van Maria opgerichte broederschap; tussen 1460 en 1530.

De realisatie van de gotische kathedraal was wat we nu een miljoenenproject zouden noemen. In die tijd telde de broederschap duizenden leden, onder wie heel machtige uit binnen- en buitenland. Dat zal niet geweest zijn vanwege de aflaten of het stimuleren van de lokale muziekcultuur. Het lijkt het erop dat de broederschap de club was om zaken te doen, met name in de (gotische) bouwwereld. De gotiek was toen erg populair.

Voor de gelovigen draaide alles om het “wonderbeeld” van Maria. Dat stond op de welddadige locatie waar het drakenpad de kathedraal doorkruist en eerder een beeld van Johannes de Doper een plek had gevonden. Maar, zoals in de kathedraal van Chartres, is er volgens Jan van der Eerden al gauw voor gekozen om een (zwarte) Maria de plaats te laten markeren waar de krachtige “hemelse” energie aan de aarde ontspringt als bron voor heling.

In 1629 werd het beeld weggehaald om politieke en wellicht ook spirituele en economische redenen; ’s Hertogenbosch was ingenomen door Frederik Hendrik. De ommegang werd afgeschaft en daarmee kwam de “motor” van de stad helemaal tot stilstand. Wat er gebeurde na de terugkomst in 1853 onderstreept de vermeende relatie tussen Maria-verering, pelgrimages, bedrijvigheid, bouwprojecten en de blauwdruk.

Al snel werd kathedraal weer een erg belangrijk pelgrimsoord. Maar wat pas echt een “mirakel” was: enkele tientallen jaren later raakte een nieuwe stroming in de architectuur in zwang, de neogotiek. Daarbij was ’s Hertogenbosch opnieuw één van de voorlopers, zoals eerder bij de (Brabantse) gotiek. En diverse toen gerealiseerde neogotische gebouwen passen binnen de blauwdruk, bijvoorbeeld de (verdwenen) Leonarduskerk.

Het zeer interessante en boeiende boek van Jan van der Eerden biedt een schat aan informatie en nodigt uit tot dit soort gevolgtrekkingen. Maar kloppen zijn conclusies ook? Of zijn ze het werk van een briljante “morosoof”, een geleerde dwaas, zoals Matthijs van Boxsel suggereert door de schrijver op te nemen in zijn in 2001 verschenen encyclopedie over dit onderwerp? Dat zou kunnen.

Veel waarschijnlijker is het, dat wij tegenwoordig niet meer het door en door religieuze, symbolische en magische wereldbeeld van de late middeleeuwers verstaan; de tekens niet meer kunnen lezen. En wat betreft het bestaan van energielijnen en krachtplaatsen: iemand die deze energie niet ervaart, zal daar nooit van kunnen worden overtuigd. Dat heeft niet te maken met ideologie of wetenschapsopvatting, maar met gevoeligheid.

Comments Off

admin op 17 January 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Over de Rozenkruizers, een winterkoning en de wetenschap

De Rozenkruizersmanifesten deden begin zeventiende eeuw veel stof opwaaien in Europa. De allegorische verhalen over Christian Rosenkreutz propageren volgens Frances Yates een verlichte natuurwetenschap en godsdienstvrijheid, met de Palts onder bestuur van Frederik V als een ideale staat die hiervoor ruimte biedt en daarom steun verdient. Onlangs verscheen haar ‘De verlichting van het Rozenkruis’ uit 1972 in een erg fraaie editie bij Synthese.

Begin zeventiende eeuw zorgen de Reformatie en late Renaissance ervoor dat kleine groepjes mensen zich meer gaan richten op proefondervindelijk verkregen kennis dan op katholieke dogma’s over de werkelijkheid.

Deze natuurwetenschappers, sociale wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en filosofen doen hun werk noodgedwongen ondergronds vanwege de dominante invloed van de katholieke kerk, die het protestantisme als een dwaling ziet, sympathisanten daarmee in de ban doet en van vrijdenkers al helemaal niets moet hebben.

In de mysterieuze Rozenkruizersmanifesten krijgen deze “onzichtbaren” een anonieme stem die luid klinkt tot in de uithoeken van Europa. Met steun uit protestantse hoek en geïnspireerd door wetenschapper John Dee willen ze vernieuwing op wetenschappelijk, cultureel en politiek gebied.

Ze verpakken hun krachtige boodschap in leerzame allegorische vertellingen met theatrale elementen over de vermeende stichter Christian Rosenkreutz en hun genootschap - wellicht in der aard te vergelijken met het bij vrijmetselaars bekende toneelstuk over Hiram Abiff.

Dankzij de opkomst van de boekdrukkunst zorgen de geschriften van de Rozenkruizers voor behoorlijke onrust in ontwikkelde kringen en aan de westerse hoven. Ze vormen vooral een bedreiging voor het morele en intellectuele gezag van de katholieke kerk en daarnaast van de algehele stabiliteit in het mede op religieuze gronden verdeelde Europa.

Na een aantal jaren verdwijnen de Rozenkruizers in de stilte waaruit ze gekomen zijn ondanks dat er in Europa honderden reacties in druk verschijnen en de speculaties over de leden en de werkelijke doelstelling van het genootschap op het dieptepunt ronduit hysterische proporties aannemen.

De Jezuïeten van “de Antichrist” suggereren op het laatst zelfs dat zij de Rozenkruizers zijn, dat verborgen genootschap, schijnbaar op basis van de bekende katholieke tactiek: bedreigende invloeden inkapselen wanneer onderdrukken faalt.

De studie van Frances Yates verklaart wat zich achter de schermen afspeelde en waarom het stil bleef. Het heeft te maken met de politieke en religieuze verhoudingen in Europa en vooral met het mislukken van een heel inspirerend politiek experiment, waaraan in bedekte termen wordt gerefereerd.

Deze werken roepen niet alleen op tot een wetenschappelijke omwenteling, ze vertellen ook het succesverhaal van keurvorst Frederik V die daar in de Palts alle ruimte voor bood.

Het bestuur van Frederik V duurt van 1610 tot 1623. In die tijd vormen de protestantse Palts een staat met relatief grote godsdienstvrijheid waar verlichte wetenschap en cultuur floreren. Het indrukwekkende Kasteel Heidelberg is dan een toevluchtsoord en wetenschappelijke tempel voor diverse onzichtbaren.

De problemen beginnen als Frederik V in 1619 koning wordt van Bohemen, dat in 1618 in opstand was gekomen tegen de rooms-katholieke keizer Ferdinand II die zichzelf dat jaar tot koning had laten uitroepen.

Ferdinand II gaat Frederik V in 1620 een lesje leren en verslaat hem tijdens de slag bij De Witte Berg. Hoewel Frederik V lid is van de Protestantse Unie laten de Europese protestantse prinsen hem stikken als zijn schoonvader koning Jacobus I van Engeland, een opportunistische zwakkeling, hem niet te hulp schiet.

Dan is het gebeurd en valt de liberale droom, die als voorbeeld geldt voor onder meer het gebied Venetië, in stukken. De keurvorst vlucht naar Den Haag, waar hij eindigt aan de Kneuterdijk en vanwege het bestuur van Bohemen, dat één winter duurde, wordt herinnerd als de Winterkoning.

In haar boek reconstrueert Frances Yates op scherpzinnige en originele wijze de bronnen voor het gedachtegoed achter de Rozenkruizermanifesten, waarvan de eerste gepubliceerd zijn in de hoogtijdagen van de Palts-tijd van Frederik V.

Duidelijk wordt, dat hier niet gaat om een marginaal esoterisch genootschap, maar om een groep wetenschappers die fictie gebruikten om hun omstreden denkbeelden te verspreiden, met de Palts als voorbeeld van een ideale, liberale staat - die steun verdient.

De broederschap van de Rozenkruizers zelf, als deze al bestond, telde waarschijnlijk slechts een handjevol mensen met goede contacten met protestantse drukkers, en was ogenschijnlijk aan dat doel ondergeschikt.

Uit haar studie blijkt ook dat de inspanningen van de Rozenkruizers niet moeten worden veronachtzaamd. Comenius is erdoor beïnvloed en later vormden “de onzichtbaren” zeer waarschijnlijk de inspiratie voor de befaamde Royal Society via diens schimmige voorloper “het onzichtbare college”.

Ondanks het mislukken van het politieke experiment in de Palts en in Bohemen, Praag was destijds een bruisend centrum van wetenschap en cultuur, hebben de historische Rozenkruizers schijnbaar zo hun belangrijkste doelstelling alsnog gehaald: de start van een nieuwe, proefondervindelijke manier van wetenschap bedrijven, voorbij de dogma’s van de katholieke kerk.

Comments Off

admin op 31 July 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Elaine Pagels: Openbaring routekaart voor revolutie

Openbaring is vaak gebruikt voor diverse vormen van inlegkunde, onlangs nog in de Verenigde Staten, maar is geschreven als een verhuld anti-Romeins geschrift. Dat betoogt Elaine Pagels in het dit voorjaar bij Ten Have verschenen werk ‘Het vreemdste bijbelboek - Visioenen, voorspellingen en politiek in Openbaring’. Later werd het onder Romeinse invloed ingezet tegen de oorspronkelijke joodse volgelingen van Jezus.

Openbaring is rond 90 van onze jaartelling geschreven en moet worden gezien als “oorlogsliteratuur”, aldus Pagels, die de afgelopen decennia naam verwierf als een deskundige die de gnostische boeken uit Nag Hammadi voor een breed publiek toegankelijk maakte.

Een belangrijke reden voor het schrijven van het boek was de onderdrukking van de joodse opstand door de Romeinen in het jaar 66 en de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Deze revolte ontstond onder meer vanuit protest tegen de regeling van de overheersers dat het joodse geloof mocht worden gepraktiseerd mits ook de Romeinse goden, inclusief de keizer, werden geëerd, zodat de eenheid in het rijk niet werd ondermijnd.

De joodse schrijver van Openbaring wilde wraak na die bloedige gewelddadigheden, aldus Pagels, en schreef zijn boek als anti-Romeinse propaganda, als een soort routekaart voor een revolutie. Hij maakte daarbij gebruik van de Bijbelboeken Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël, én van recente ingrijpende gebeurtenissen, zoals de uitbarsting van de de Vesuvius in 79 van onze jaartelling.

Volgens Pagels staat deze ‘Johannes van Patmos’ hiermee in een lange profetische traditie die teruggaat tot oerverhalen over de draak (slang) uit Babylon die verslagen moet worden. Babylon is de grote overheersende macht. Eerst werd hiermee Egypte aangeduid, in Openbaring het Romeinse Rijk. Met het beroemde beest “666″ in Openbaring wordt Nero bedoeld.

Een andere element uit die drakentraditie komt ook terug, betoogt Pagels: hoop voor gelovigen die ‘heilig’ blijven in seksueel, sociaal en religieus opzicht; de schrijver richt zijn pijlen via de ‘haat van Jezus’ behalve op het Romeinse Rijk ook op de heidense volgelingen en apostelen van Paulus, zoals Ignatius, want het oorspronkelijke messias-geloof – zoals voortgezet door Jezus’ broer Jakobus in Jeruzalem - moest volgens hem wettisch joods blijven.

Maar de historie verliep anders en de Paulinistische gelovigen wonnen de strijd en stichtten op basis van het joodse geloof en de intussen in de verdrukking geraakte joodse messiasbeweging een nieuwe religie: het christendom, waarin onzuiverheden als huwelijken met niet-joden wel mogelijk waren. Ook de joodse besnijdenis van jongens was niet meer verplicht.

Interessant is vervolgens het enigszins complexe betoog waarin Pagels aantoont dat Openbaring later is gegijzeld door de laatste groep, die minder problemen had met de Romeinse overheersing. Het kwam zelfs in de canon terecht na de invoering van het katholieke christendom als staatsgodsdienst door Constantijn.

Vooraf werkte de keizer enkele tientallen jaren aan de voorbereiding van deze operatie, bedoeld om hervormingen door te voeren en het rijk te consolideren. Hij stond de nieuwe godsdienst toe die geen andere goden dan de eigen god wilde aanbidden, zag goedkeurend dat de hiërarchie van de katholieke kerk werd afgeleid van die in het Romeinse leger, stelde (katholieke) christenen vrij van belastingen en plaatste ze op strategische posities in zijn rijk. Constantijn nam zelfs enkele katholieke bisschoppen in staatsdienst, onder meer om graanschuren te beheren.

De rol voor Openbaring leek uitgespeeld, maar het tegendeel bleek het geval. Het rebelse boek was dankzij de verhullende vorm ideaal voor meerdere interpretaties. Voortgekomen uit het hart van de Jezus-traditie, werd het vanaf dat moment gebruikt om niet-katholieke christelijke groepen te demoniseren, onder meer de joodse messianistische groep waartoe ‘Johannes van Patmos’ zich waarschijnlijk rekenende.

Was Nero voor de schrijver ervan nog “het beest 666″, diens opvolger Constantijn kon vanwege grote wereldlijke macht op alle steun rekenen van de winnende katholieke factie. Het Romeinse rijk werd gekerstend en het joodse messiasgeloof geromaniseerd. Sindsdien is de joodse messias een gevangene van de Romeinse draak.

Comments Off

admin op 15 July 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

‘Mijn oog staat open voor de schoonheid van jouw gelaat’

‘Vorst der vorsten, schenker van innerlijke kracht, was ik maar een ster die in het wentelend hemelgewelf het stof van jouw voorportaal kust’. Een fragment van Ghazal 12 van Hafez van Sjirãz (1320-1390) van wie onlangs in vertaling van Sipko A. den Boer een beknopte bloemlezing is uitgekomen onder de titel ‘De Kroeg van Hafez’ (Synthese, 2012).

Hafez is een dode dichter die in Iran bij velen in de harten leeft. Een groot aantal Iraniërs heeft een exemplaar van zijn ‘Diwãn’ thuis, vanwege de schoonheid en voor waarzeggerij; zijn werk is doordrenkt van Koranteksten.

Hij wordt de Shakespeare van de Perzische literatuur genoemd. Er is echter een belangrijk verschil. Shakespeare kun je vrij goed lezen zonder kennis van alle verwijzingen naar bestaande personen en hun verhalen, bij Hafez is het ontbreken van een passend referentiekader van veel grotere invloed.

Een rondgang op internet leert dat het vertalen van Hafez vaak is uitgemond in herschrijven; bijna de enige manier om de magie zonder talloze voetnoten over te dragen aan westerse lezers. Dat zorgde geregeld voor de nodige opschudding, met name binnen literaire kringen.

En inderdaad, hoe fraai sommige teksten ook zijn, pas na uitleg van de beeldtaal en de vele (con)tekstuele verwijzingen (meestal naar de Koran, die de dichter uit z’n hoofd kende) komen de meeste van deze bloemen in onze taal tot volle bloei.

Over de dwarse dichter die ze schreef, is niet veel bekend. Hafez volgde het smalle esoterische pad binnen de islam, waardoor reizigers zoals hij vaak in conflict komen met de culturele conventies; gevuld en bezeten als ze zijn van hun streven naar heilige eenheid.

Hafez was daarin authentiek en consequent, omdat hij zelfs publiekelijk de hypocrisie binnen de toenmalige soefi orthodoxie hekelde. Hierdoor raakte hij overigens bijna aan de bedelstaf. Pas aan het eind van zijn leven vond hij weer een mecenas die hem wilde steunen.

Hij schrijft vooral over de (problemen rond de) mystieke eenwording met de geliefde, een thema dat we ook tegenkomen bij Roemi. Hafez gebruikt hiervoor alledaagse beelden, bijvoorbeeld van vrouwen, wijn en het wijnhuis.

Islamitische puriteinen zijn ervan overtuigd dat dit altijd zuivere beeldspraak is, maar als nieuwe lezer ben ik niet gelijk overtuigd. Het lijkt me niet uit te sluiten dat Hafez wel degelijk (eens) heeft geproefd van vrouwen en wijn.

Neem dit fragment uit Ghazal 22: ‘Bezweet, beschonken, met verwarde lokken, lachende mond, het hemd gescheurd, oden zingend, een bokaal in de hand, met smachtende ogen, uit op ruzie en met lippen vol verwijt, kwam ze gisteren in het holst van de nacht zitten aan mijn bed.’

Enkele beschrijvingen zijn zelfs licht erotisch. Denk aan het hierboven aangehaalde fragment uit Ghazal 12 over het kussen van het voorportaal. Het woord ‘voorportaal’ doet denken aan de voorhof van de joodse tempel, de entree tot de plaats van heilige vereniging.

Daarentegen toont hij verderop in deze Ghazal dat het in dit liefdesgedicht in wezen gaat om een uitnodiging aan het onuitspreekbare: ‘Kom je bij ons voorbij, til dan je kleed op, waaraan geen stof of bloed kleeft’; de uitgenodigde is op, maar niet van deze aarde.

Hafez’ gedichten, afgaand op de selectie in deze bundel, lopen daarnaast over van de wijn. Ook dat zal vaak symbolisch bedoeld zijn, met het hart als de kelk, maar opnieuw is er twijfel. Zo lijkt de dichter zich soms echt te verdedigen voor zijn ‘dronken’ gedrag. En in Ghazal 41 schrijft hij: ‘De kruiken bruisen en borrelen van dronkenschap, en de wijn erin is echt en niet symbolisch’.

‘De Kroeg van Hafez’ laat ons kennismaken met het bijzondere werk van Hafez, dat, in tegenstelling tot het meer universele van Roemi, vanwege culturele beperkingen niet eenvoudig kan worden ontsloten. De uitleg in de inleiding is daarbij onontbeerlijk.

Gelukkig staan er ook zinnen in die je direct kunnen raken, zoals deze uit, alweer, Ghazal 12: ‘Als een valk ben ik voor alle werelden geblinddoekt – mijn oog staat alleen open voor de schoonheid van jouw gelaat’. Dat je niet weet waar het oog en de valk voor staan, doet er dan even niet toe.

Comments Off

admin op 5 May 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel