Archief voor de categorie 'Politiek & Media'

Henk Stultiens over het eeuwige gevecht tegen de verlaging

Fel het debat aangaan met Geert Wilders heeft geen enkele zin, zegt organisatiedeskundige Henk Stultiens uit Sittard. We praten met hem over statusbewegingen in het bedrijfsleven en in de politiek.

De verhoudingen tussen mensen veranderen voortdurend. Henk Stultiens noemt dit interactiestatus en heeft hiervoor samen met zijn broer Luuk een wetenschappelijk model ontwikkeld. Daarmee wordt expliciet en bespreekbaar gemaakt wat impliciet en voelbaar is.

Volgens dit model, dat is uitgewerkt in ‘Het fenomeen status’ uit 2004, hebben mensen onderling altijd vier keuzen – of ze zich hiervan bewust zijn of niet; zichzelf verhogen, de ander verhogen, zichzelf verlagen of de ander verlagen.

Zijn basisvoorbeeld om deze abstracte termen toe te lichten, kunnen we allemaal navoelen uit onze schooltijd. Stultiens onderscheidt de strenge leraar (altijd hoog), het watje (altijd laag) en de ideale leraar (die kan ’schakelen’ afhankelijk van wat het beste resultaat oplevert).

Fusie KLM en Air France

Welk gedrag je kiest is afhankelijk van het moment en wordt beïnvloed door vorming, de aanleg, de cultuur en de socaal-economische en / of de functiegebonden status. Evolutionair bezien is de drijfveer van mensen volgens dit model om statusverlaging te voorkomen (eerder dachten de broers aan het bereiken van statusverhoging).

Op basis van hun model voorspelden Luuk en Henk Stultiens in 2004 dat de zogenoemde bootcamps voor jongeren averechts werken. De geschiedenis gaf hen gelijk.

In 1999 ging het eerste Nederlandse Glen Mills kamp open in Wezep. Onderzoek toonde in 2007 aan het niet succesvoller was dan andere, ‘zachtere’ vormen van jeugdhulpverlening. Glenn Mills sloot medio 2009, geplaagd door schandalen. De methode wordt in Nederland niet meer gebruikt.

Ook voor bedrijven heeft het model een toegevoegde waarde. Bijvoorbeeld op het niveau van bedrijven en naties. Zo voorzagen de broers in hun boek dat de fusie tussen Air France en KLM, beklonken in september 2003, een moeilijk en langdurig proces zou worden; de nationale culturen en de bedrijfsculturen zijn te verschillend.

Ratten zijn niet echt

Een paar treden lager kan het concept interactiestatus ook veel verduidelijken. Bijvoorbeeld rattengedrag, zoals Joep Schrijvers dat in kaart heeft gebracht. ‘Ratten zijn bijzonder. Bijzonder doortrapt of misschien wel bijzonder goed aangepast. Het zijn mensen die verhogingen en verlagingen heel strategisch inzetten, maar doen voorkomen alsof dat niet zo is. Typisch voor een rat is dat de meeste statusverhogingen niet echt zijn en gebeuren op een andere plek dan waar ze thuishoren.’

Een medewerker die een rat is, verhoogt bijvoorbeeld mevrouw Janssen omdat hij zijn collega mevrouw Pietersen, die het compliment verdient, niet wil verhogen. Bijvoorbeeld om iets van mevrouw Janssen gedaan te krijgen.

Maar ook leiders kunnen ratten zijn: ‘In een bedrijf kreeg een medewerker in de jaarlijkse functioneringsgesprekken telkens complimenten. Wat bleek later: de leidinggevende had daarnaast een dossier aangelegd met kritiek en daar wist dat personeelslid niets van. Die leidinggevende was een rat.’

De reden voor dit achterbakse gedrag zou kunnen zijn dat de leidinggevende zich bedreigd voelde, vermoedt de Sittardse organisatiedokter, en statusverlaging in de toekomst wilde voorkomen. Andere varianten van rattengedrag zijn bijvoorbeeld het zich proberen toe te eigenen van successen van anderen en proberen mensen preventief eruit te werken.

‘Doe eens normaal man!’

In de politiek is het statusmodel eveneens toepasbaar, bijvoorbeeld op de beruchte doe-eens-normaal-confrontatie tussen VVD-premier Mark Rutte en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders.

‘Wat in die situatie gebeurde, is heel gecompliceerd’, zegt Henk Stultiens. ‘Wilders verlaagde Rutte, in lijn met de basisdynamiek van de PVV; anderverlaging. Daarna verlaagde Rutte terug met woorden, maar zijn houding en toon waren daarmee niet in overeenstemming. Het zijn overigens allebei “anderverlagers”, Rutte wat minder en Wilders wat meer.’

Uiteindelijk zei Geert Wilders dat hij het weer over de inhoud wilde hebben. Hij nam de regie terug of heeft hem nooit uit handen gegeven. Heeft Mark Rutte daarmee het onderspit gedolven?

‘Dat kun je zo niet zeggen. Er zijn heel veel zaken die een rol spelen. Het heeft onder meer te maken met de partijculturen, de interne partijpolitiek en natuurlijk de verhouding van de PVV als gedoogpartij tot het kabinet van VVD en CDA, waarvan Rutte vanuit zijn functie de baas is, en het feit dat Rutte over Wilders eigenlijk niets te zeggen heeft. Ook de persoonlijke relatie tussen Rutte en Wilders is van invloed.’

‘Ga niet vechten’

Wat had Mark Rutte moeten of kunnen doen?

‘We hebben vaak de neiging om de ander te vertellen wat hij moet doen. De ander pikt dat niet en voor je het weet ben je aan het vechten. Mijn advies: ga niet vechten. Anders gezegd: als je kiest voor (alleen) terugverlaging, kun je in een welles-nietes gevecht komen. Dat zag je nu gebeuren.

Wilders ging bij Rutte over een grens en dat had Rutte duidelijk aan kunnen geven. Het klinkt misschien raar, maar dat is een kleine zelfverlaging en die doet wonderen. Vervolgens had hij een keuze voor kunnen leggen: op deze manier wil ik het debat voeren, op die manier niet. De ander heeft een keuze en kan zich zonder gezichtsverlies terugtrekken. En dan consequent die grens handhaven – ziedaar: een leider.’

De ideale leraar als leider

Een ideale leider werkt situationeel en is “authentiek”, aldus Henk Stultiens. Hij of zij lijkt daarmee op leraar nummer drie. Of Mark Rutte zo’n leider is, valt moeilijk te beoordelen. Wel heeft de VVD’er schijnbaar bijgeleerd na het doe-eens-normaal-debat. Zo weigerde de premier later om het naar racisme neigende Polenmeldpunt van de PVV te veroordelen.

‘Ach, het is maar een website van één partij, laten we het niet groter maken dan het is’, was de boodschap. Mark Rutte nam daarmee een hogere positie in en verlaagde heel tactisch de PVV-website, niet de PVV of Geert Wilders – die hij hard nodig heeft.

De PVV gaat ondertussen gewoon door met anderverlagen, voorspelt Henk Stultiens. ‘Je kunt wachten op het volgende relletje. De vraag is alleen wie nu weer verlaagd gaat worden na de islamieten en de Oost-Europeanen.’

Gedrag moet congruent

PvdA-fractievoorzitter Job Cohen, in 2005 door Binnenlands Bestuur gekozen tot beste burgemeester van de laatste vijfentwintig jaar, heeft regelmatig met het PVV-schoolpleingedrag te maken gehad.

Cohen bleef in de Kamer tot op het laatst rustig en beleefd, ondanks herhaalde PVV-schofferingen. Hij liet zich niet meer verlagen zoals in het begin, maar slaagde er ook niet in of koos er niet voor om zichzelf te verhogen. Dat leverde hem veel kritiek op. ‘Bijt toch eens van je af’, zeiden veel PvdA’ers.

‘Maar’, zegt Henk Stultiens: ‘De vraag is of dat gedrag bij Job Cohen past. Niet iedereen kan alle communicatiestijlen (even goed) leren of in elke situatie toepassen. Als het niet jouw stijl is, val je uiteindelijk door de mand, ben je niet congruent en daardoor niet geloofwaardig.’

Op 20 februari 2012, vlak na dit interview, is Job Cohen opgestapt als fractievoorzitter van de PvdA. Hij komt niet meer terug in de Tweede Kamer.

Uitsluiting extremisten vrouwelijk

Communicatiestijlen kunnen meer vrouwelijk of mannelijk zijn. Henk Stultiens: ‘In de mannelijke stijl is jezelf verhogen en de ander verlagen wat dominanter aanwezig, in de vrouwelijk stijl jezelf verlagen en de ander verhogen.’

De communicatiestijl van Job Cohen is misschien meer vrouwelijk dan die van Geert Wilders en Mark Rutte, maar hierdoor eigenlijk typisch Nederlands; Nederland is volgens deskundigen een vrouwelijk land. Verklaart die zachtheid de neiging van de Tweede Kamer om, tot de tijd van Pim Fortuyn, het oude extreem-rechts met een cordon sanitaire aan te pakken, een uitsluitingsstrategie zoals vriendinnen die volgens u onderling toepassen?

‘Dat zou goed kunnen. In Duitsland is de cultuur weer anders. Daar zie je dus dat extreem-rechts altijd met geweld de kop wordt ingedrukt, waar dat in Nederland eerder wordt genegeerd.’

Het gelijk van Cohen

Als we het hebben over minderheden die als bedreigend worden ervaren: hoe zit het met de Marokkaanse jongens die in diverse steden op straat voor overlast zorgen; wat is de beste manier om met deze groepen om te gaan?

‘Deze jongeren, met name de Marokkaanse, zijn in een meer mannelijke cultuur opgevoed. Daarnaast hebben ze veel te maken met verlaging. Ze krijgen vaak verlaging op verlaging. Een repressieve aanpak werkt dan niet. Denk ook aan de bootcamps. Beter is om met deze jongeren het gesprek aan te gaan, ze een beetje te verhogen en jezelf een beetje te verlagen, maar wel duidelijke regels te stellen en daar altijd consequenties aan te verbinden.’

De combinatie van zacht en hard dus, die Job Cohen als burgemeester in Amsterdam voorstond, maar waarvan door de sneren van Geert Wilders vooral het ‘theedrinken’, de zachte aanpak, bij veel mensen is blijven hangen.

Een nationale ziekte

Sprekend over Amsterdam: uit onderzoek blijkt dat mensen, wereldwijd beschouwd, in Amsterdam het meest onvriendelijk zijn. Desondanks zien Nederlanders zichzelf vaak nog als vrij tolerant en wordt de Nederlandse cultuur gezien als vrouwelijk. Is de Nederlander schizofreen?

‘Wij doen in Nederland alsof er geen verschillen zijn. We zijn ons suf aan het tutoyeren; we zijn zo gelijk, eh gelijkwaardig. Er mogen ook geen verschillen zijn – denk aan het spreekwoordelijke maaiveld - maar ze zijn er wel. En dat levert spanningen op. Als de verschillen te groot worden, verzuren mensen, komen ze in verzet of doen ze niet meer mee.

In de Tour de France hebben ze daar overigens iets op bedacht. Als je dat zo ziet, zou je kunnen denken: er kan er maar één winnen, dus waarom doet de rest dan zoveel moeite? Nou, om de verlagingen kleiner te maken, hebben ze al die prijzen voor etappes, beklimmingen, afdalingen, de puntenklassementen en de beloningen voor dienstbaar gedrag. Zo heeft iedereen een grotere kans om wat te winnen.’

(Illustratie: Diablo)

Comments Off

admin op 16 March 2012 in Politiek & Media

Irak-ganger: ‘Ineens zat er een rood stipje op mijn borst’

Exact zeven jaar geleden werd hij in een bus Irak ingereden onder de beschuttende deken van de duisternis. Sergeant der eerste klasse Jeffrey Bont (26) uit Sittard blikt terug. Het verhaal van een Nederlandse militair in Irak.

‘Ik zocht het avontuur, wilde spannende dingen doen en leuk sporten, zoals klimmen, duiken of helikopter vliegen.’

Sinds zijn middelbareschooltijd wilde Jeffrey Bont het leger in, de helden uit zijn favoriete oorlogsfilms achterna. In 2002 kon hij zijn dromen, losjes gebaseerd op jaren tachtig films als “Platoon” en “Full Metal Jacket”, wekelijkheid laten worden; hij werd toegelaten tot het leger.

En het bleek allemaal niet zo te zijn als in de films: ‘Een heleboel dingen zijn functiegerelateerd; als je wilde leren om helikopters te vliegen, moest je naar de Luchtmobiele Brigade. Wilde je veel klimmen, dan moest je naar het Korps Commandotroepen. En had je interesse in tanks, dan werd het de cavalerie.’

Jeffrey Bont wilde ‘de echte actie’ en koos na zijn oriëntatiejaar, toen een Nederlandse pilot, voor de zandhazen, de troepen die als eerste voorwaarts moeten als er iets gebeurt. Hij haalde ondertussen ook het diploma Beveiligingsmedewerker. ‘Daarna was het veel oefenen op weg naar de eerste uitzending.’

Voor de Sittardenaar werd het Irak. Hoe is hij daarop voorbereid? ‘Extra schietoefeningen; schieten, daar moesten we beter in worden. En we oefenden contactprocedures; wat je moet doen als jouw wagen van voren, van achteren of van opzij wordt aangevallen of bedreigd.’

Hij werd opgeleid op de YPR-765 A1, een licht pantservoertuig, als boordschutter van het Oerlikon Contraves boordkanon (dat 25 mm granaten afvuurt) en het Browning .50 machinegeweer. Maar behalve voor techniek, was er ook aandacht voor de menselijke kant van de missie.

‘We kregen geleerd wat je ten aanzien van de bevolking wel en niet moet doen. Zo moet je mensen niet de linkerhand geven omdat ze zich daarmee afwassen als ze hun behoefte hebben gedaan. Dat is onrein.

Het is ook opgepast om je voetzolen naar ze toe te keren. En vrouwen spreek je niet rechtstreeks aan, dat is in die cultuur niet gebruikelijk. Als er echt wat gezegd moet worden, spreek je met de sjeik van het dorp. Dat praten met een sjeik, via een tolk, werd ook geoefend.’

Rare jongens, die Amerikanen

Jeffrey Bonts uitzending naar Irak was voorafgegaan door het nodige gesteggel, voor en na het Kamerbesluit in mei 2003. In Nederland was de vraag of we, zoals gebruikelijk, loyaal aan Amerika moesten blijven en de invasie met soldaten moesten ondersteunen. Spanje bijvoorbeeld, haakte af om politieke redenen.

Er kwam groen licht, maar er bleven vraagtekens vanwege het gedrag en de argumenten van de Amerikanen. In april 2004 bijvoorbeeld, doken geruchtmakende foto’s op uit de voormalige Abu Ghraib gevangenis, één van de vier militaire gevangenissen van de Amerikanen. Daarop is te zien hoe Amerikaanse militairen, onder wie een vrouw, sadistische spelletjes spelen met Iraakse gevangenen. Geen gedrag waar je als land mee geassocieerd wilt worden.

Dan waren er nog de argumenten om de Amerikanen en de Engelsen te helpen bij ‘de bevrijding van het Iraakse volk’. Er zouden massavernietigingswapens zijn (een bedreiging voor Amerika’s regionale bondgenoot Israël) en het regime van dictator Saddam Hoessein zou het internationale terrorisme steunen.

In juli 2003 kwamen formeel de eerste Nederlandse soldaten aan in Irak. In oktober 2003 werd door de coalitie toegegeven dat er geen weapons of mass destruction waren gevonden. Dit verhaal was gebaseerd op flinterdunne informatie. (De beweerde band met Al Qaida, bedoeld om de 9/11-woede te gebruiken om steun te krijgen, is tot op heden ook nooit bewezen.)

Rond die tijd, oktober 2003, werd de “bevrijding” van Jessica Lynch in april 2003, destijds live via tv te volgen, ontmaskerd als een PR-actie van de Amerikaanse overheid / het Amerikaanse leger. Het was doorgestoken kaart; er was zelfs geen Irakees in de buurt geweest. Dat Jessica Lynch door Irakezen was verkracht, een verhaal ook bedoeld om woede op te wekken en draagvlak te creëren, bleek eveneens een verzinsel.

Het kabinet van Jan Peter Balkenende, met medeweten van de coalitiepartijen via de Commissie Stiekem, wist in mei 2003 dat het verhaal van de massavernietigingswapens onzin was. De eigen veiligheidsdienst had corrigerende informatie, maar die werd onder de pet gehouden.

De Tweede Kamer is in 2003 opzettelijk onjuist en onvolledig geïnformeerd, concludeerde de Commissie Davids dan ook in 2010. (Er zijn overigens aanwijzingen, via het VPRO-radioprogramma ARGOS, dat Nederland al voor mei 2003 special forces naar Irak heeft gestuurd.)

Relatief rustig gebied

De militaire trein in Irak denderde in 2004 gewoon door, gedreven door economische, politieke en militaire strategische belangen (olie en de verhoudingen in het Midden-Oosten). Ook Nederland zat op die trein.

De Nederlandse missie werd uitgevoerd als onderdeel van de Stabilisation Force Iraq. Vanwege de veiligheid van ‘onze jongens’, werden uit voorzorg zeventig commando’s aan de ongeveer elfhonderd soldaten toegevoegd.

Dat was geen overbodige luxe. In augustus 2004, drie maanden voordat Jeffrey Bont arriveerde, waren twee mortiergranaten afgevuurd op de Nederlandse basis Camp Smitty in de Zuid-Iraakse stad as-Samawah. Eerder raakte een Nederlandse patrouille in Rumaythah, ten noordoosten van die stad, betrokken bij een vuurgevecht. In beide gevallen vielen er geen doden of gewonden.

Toch was de situatie in het “Nederlandse” (woestijn)gebied naar militaire begrippen relatief rustig. Toen de Sittardenaar aankwam, werd vooral fel gevochten om Fallujah. In die stad waren in maart vier Blackwater USA-huurlingen door de straten waren gesleept en daarna aan een brug opgehangen.

De Amerikanen waren pissed en stuurden tien tot vijftienduizend soldaten die de stad vervolgens binnen enkele weken onder de naam “Operation Phantom Fury” hebben onderworpen. Twaalfhonderd opstandelingen / vrijheidsstrijders, achtendertig Amerikaanse en zes Iraakse militairen kwamen hierbij om.

Tien kogels in de bus

Van alle twaalfhonderd Nederlandse militairen die naar Irak zijn gingen, kwam tien procent rechtstreeks van de opleiding. Jeffrey Bont was één van hen. Hij was chauffeur, boordschutter en ging mee met het uitgestegen personeel; het grondteam.

Met zijn collega’s was hij ingevlogen in Koeweit, zoals de Amerikanen maanden geleden voor hen, die in Irak intussen al zo’n honderdtwintig operationele en veertien semi-permanente basissen hadden opgezet op locaties die voorheen door de Iraakse geheime dienst zijn gebruikt.

Er stond een personenbus op ze te wachten. ‘Onze spullen zaten onderin de bus, in het passagiersgedeelte hadden we alleen ons wapen met elk tien patronen – dat aantal zal iemand wel ooit bedacht hebben. Het is maar goed dat er niets is gebeurd, anders waren we zo door de munitie heen geweest. Gelukkig reden er wel andere auto’s naast de bus om ons te beschermen.

Bij een klein dorpje gingen we in het holst van de nacht de grens over en de volgende ochtend werden we wakker in Camp Smitty. Daar stonden allemaal prefabhuisjes. We hebben gelijk de muren versierd; helemaal volgeplakt met open wonden – een soldaat weet gelijk wat ik bedoel.’

Na de overdracht ging Jeffrey Bont met patrouilles in een voertuig op pad in de omgeving. Soms deden ze ook dorpen aan. Zoals bij alle bewegingen van de coalitietroepen waren de militairen altijd op hun hoede; behalve voor schutters ook voor geïmproviseerde explosieven (“bermbommen”).

Rood stipje op je borst

Eén van de meest indrukwekkende ervaringen van Jeffrey Bont in Irak, lijkt een scene uit één van de oorlogsfilms die hij als jongen graag keek. Alleen nu was het echt. ‘We reden in onze Jeep een dorp in om iemand op te sporen. Op een gegeven moment had ik een rood puntje op mijn borstkas. Het ging van de één naar de ander….’ [De laser-aanwijzer van een geweer.]

‘Dat was even spannend. We zijn gelijk gaan slingeren en hebben het groot licht aangezet om het ze moeilijk te maken. Daarna zijn we er op afgestormd, iedereen in het dorp uit bed gehaald, maar de dader hebben we niet gevonden.’

Op andere momenten vlogen de tracers hem om de oren, lichtsporen van kogels, en werd er dus echt geschoten. Jeffrey Bont: ‘Soms ook door leden van de Iraakse Nationale Garde die ons voor de verkeerden aanzagen.’ In een bepaald dorpje waren altijd problemen, herinnert de boomlange militair zich. ‘Maar we mochten in principe niets terug doen; alleen reageren als er gericht op ons werd geschoten.’

De Nederlanders waren er tijdens hun in totaal twintig maanden lange verblijf in Irak namelijk niet om te vechten. In die periode zijn door de Nederlanders ‘3360 veiligheidsfunctionarissen opgeleid’ , stelt het Ministerie van Defensie. ‘Daarnaast werkten de Nederlandse soldaten mee aan de humanitaire hulpverlening en de wederopbouw’.

Jeffrey Bont, de man die zelf in het Iraakse woestijnzand heeft rondgelopen, zegt hij net wat anders. Wat nuchterder: ‘Wij coachten daar de lokale politie en we hebben één keer [in de vijf maanden dat hij er zat] op een heel afgelegen locatie een watervoorziening aangelegd’. Maar dat was eigenlijk meer uit compassie.

In het algemeen lijken de Nederlanders in Irak door hun respectvolle en relatief ontspannen houding een goede indruk te hebben gemaakt bij de lokale bevolking. Ze waren in elk geval niet zo opgefokt als de Amerikanen en minder up tight dan de Britten die ze kwamen aflossen.

Jeffrey Bont: ‘Toen we weggingen, werden we opgevolgd door de Engelsen en daarna ontplofte er gelijk een aantal bommen langs de weg in ons gebied. De Engelsen hebben toch een andere manier om dingen aan te pakken.’

‘Ik had het avontuur wel gezien’

De overdracht aan de Britten was in maart 2005. Die maand vertrok de Sittardenaar uit Irak, waar hij een mooie tijd zegt te hebben gehad. Terug in Nederland stond de eerste missie naar Afghanistan op het punt om goedgekeurd te worden. Jeffrey Bont: ‘Ik had dat wel gewild, maar wilde ook niet langer wachten en ik besloot om hogerop te gaan. Ik had het met het avontuur eigenlijk wel gezien.’

Als onderofficier aan de Infanterieschool in Harskamp gaf hij les in zware wapens. ‘Mijn ervaring als boordschutter in Irak kwam me daarbij goed van pas’. In november vorig jaar werd hij in Oirschot rij-instructeur aan ‘de grootste rijschool van Europa’. Hij geeft er de reguliere B- en C-opleiding, aangevuld met terrein rijden, slippen, onderhoud en het opleggen van sneeuwkettingen.

Mist hij de actie niet? Is dit wel militair genoeg? Jeffrey Bont: ‘Het is een heel stuk minder militair, eigenlijk bijna niet. Maar gezien de thuissituatie, mijn vrouw is vijf maanden zwanger, en mijn behoefte aan een normaal sociaal leven, ben ik erg blij met deze baan.’

In Irak is het ondertussen al jaren onrustig, met name in 2006 was er een piek in het geweld. In 2010 leidden de eerste verkiezingen tot een regering van nationale eenheid. De Amerikaanse militairen, in wiens kielzog Jeffrey Bont in 2004 het land is binnengekomen, zouden eerst voor het eind van dit jaar allemaal zijn vertrokken.

Volgens de New York Times zijn er nu echter gesprekken gaande om een aantal troepen in 2012 te laten terugkeren; niet als bezetters maar als gasten – al dan niet onder de vlag van de NATO. Het broeit namelijk nog op diverse plaatsen in Irak.

De Koerden en de Soennieten zijn bang dat de Sjiieten (met steun uit Iran) de politiek willen gaan domineren. Aan de andere kant heeft de Iraakse overheid in november 2011 een groep van ruim zeshonderd vermeende coupplegers gearresteerd, bestaand uit militairen uit het voormalige leger en leden van de Ba’ath-partij van Saddam Hoessein. Dat zijn dan weer Soennieten.

De Irakezen zijn sinds 2003 dan wel bevrijd van Saddam Hoessein, stabiel is de situatie nog lang niet. Het avontuur van het democratische Irak is nog maar net begonnen.

Comments Off

admin op 12 November 2011 in Politiek & Media

Woont Hoogveld aan de voet van een chemische vulkaan?

De afgelopen maanden is in Sittard-Geleen behoorlijke onrust ontstaan over vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor. Hoewel het zwaartepunt van de discussie ligt bij Chemelot in Geleen, heeft ook de Sittardse wijk Hoogveld heeft ermee te maken. Ontsnappen de inwoners regelmatig aan een ramp van CNN-proporties of is dat zwaar overdreven?

Directe aanleiding was het aanvragen van een nieuwe milieuvergunning van ProRail voor het emplacement in Born, ook voor rangeren met en transport van gevaarlijke stoffen. Dit verzoek was eind 2008 al ingediend, maar de gemeente wilde meer informatie van de spoorgebruikers en die liet zo lang op zich wachten.

De Stadspartij van Sittard-Geleen en maatschappelijke organisaties protesteren tegen deze vergunning vanwege de veiligheid en de overlast voor omwonenden (geluidshinder, fijn stof).

De Stadspartij had eerder al geageerd tegen de plannen van Chemelot om meer gevaarlijke stoffen per spoor te vervoeren. Hierdoor zou de veiligheid van zeker zesduizend mensen in het geding zijn. Bij een ongeluk met LPG wonen zij in de dodelijke zone. Op internet vielen vanwege de LPG-wagons al termen als “rijdende bommen”.

2500 handtekeningen

Volgens Henk Bril, Senior Distribution Safety Expert bij SABIC, is dat een paniekverhaal, al kan een ramp niet geheel worden uitgesloten. SABIC is beeldbepalend op Chemelot en de grootste speler wat betreft transport van gevaarlijke stoffen in de Westelijke Mijnstreek.

Cijfers, plannen en maatregelen zouden volgens Henk Bril door critici op verkeerde wijze zijn gecombineerd, zodat onterecht het beeld ontstaat dat de mensen langs het spoor leven aan de voet van een chemische vulkaan.

In maart dit jaar werd het kookpunt bereikt. De Stadspartij had intussen ruim vijfentwintighonderd handtekeningen verzameld tegen het rijden en rangeren met gevaarlijke stoffen door en langs woonwijken.

Ironisch genoeg, kreeg SABIC drie maanden later van brancheorganisatie VNCI de Nederlandse Responsible Care Award, juist vanwege de voortrekkersrol wat betreft veilig transport via het spoor. En dat allemaal in het Jaar van de Chemie.

Twee sporen bij Hoogveld

Hoe zit het nu met Hoogveld, dat aan twee kanten wordt begrensd door rails? Aan de oostzijde van de wijk ligt een traject waarover vanaf Chemelot, via station Sittard, naar het noorden (gevaarlijke) stoffen worden vervoerd.

Dit gebeurt met name door SABIC (ex-DSM, in Saoedische handen), OCI Nitrogen (onderdeel van het Egyptische Orascom Construction Industries met daarin opgenomen het voormalige DSM Agro en DSM Melamine) en DSM.

Er vinden via station Sittard ook Chemelot-transporten naar het zuiden plaats, maar daar hebben de inwoners van Hoogveld niet direct mee te maken.

Van Sittard naar Born

Aan de zuidzijde van Hoogveld loopt een spoorlijntje dat vanaf station Sittard, tussen Hoogveld en Limbrichterveld, via het emplacement in Born, leidt naar de Rail Terminal Born (RTB) en Industrieterrein Holtum-Noord.

Via dat spoor zijn in 2010 jaar geen gevaarlijke stoffen vervoerd. ProRail telde in 2010 op het emplacement in Born 571 goederentreinen (’nul wagons met gevaarlijke stoffen’) en 122 ‘overige treinen (geen personenvervoer)’, aldus ProRail-woordvoerder René Vegter.

Actievoerders beweren dat voor 2010 wel gevaarlijke stoffen over dit traject zijn gegaan. ‘Eind vorige eeuw, in de tijd van DSM, voordat SABIC en OCI Nitrogen bestonden’, zegt Henk Bril, zijn over het spoor Sittard-Born inderdaad ‘heel sporadisch’ wagons met het giftige acrylnitril vervoerd (D3).

‘Maar dat is al jaren niet meer het geval. Tegenwoordig vervoeren we over dat spoor alleen nog brandbare vloeistoffen in zogenoemde bombes. Dat zijn geen tankwagons, maar platte wagens met daarop tanks van achtduizend liter. De brandbare vloeistoffen die erin zitten, aluminium alkylen, zijn hulpstoffen voor de productie van kunststoffen.

Deze transporten vinden sporadisch, één keer per maand / één keer per kwartaal, plaats en zelfs dat willen we afbouwen tot nul. Probleem is, dat deze stoffen in Duitsland niet via de weg mogen worden vervoerd, dus moet het per spoor. Verder vervoert SABIC geen gevaarlijke stoffen van of naar Born en al helemaal geen LPG; vanwege de veiligheid is dat niet verantwoord.’

Emplacement in Born

Ook DSM en OCI Nitrogen rijden niet met gevaarlijke stoffen over het spoor naar Born. Ze zijn dat naar eigen zeggen ook niet van plan, net zo min als SABIC, hoewel de opname van het traject in het Basisnet volgend jaar dat wel mogelijk maakt. Basisnet is binnen het Nederlandse spoorwegennet een reeks routes voor transport van gevaarlijke stoffen die vermoedelijk in 2012 wettelijk zal worden vastgelegd (er komt ook een Basisnet voor de weg en het water).

Henk Bril: ‘Het lijntje Sittard-Born is een zogenoemde grijze lijn. Dit betekent dat er nauwelijks vervoer van gevaarlijke stoffen is voorzien. En als dat gebeurt, moeten de risicocontouren op de spoorlijn blijven liggen.’

ProRail, sinds 2005 de nationale railbeheerder, heeft een vergunning aangevraagd om jaarlijks maximaal zevenhonderd wagons met gevaarlijke stoffen toe te laten op dit stuk spoor en het Bornse emplacement. Het gaat om tweehonderd wagens met propaan (LPG), vijftig met ammoniak (giftig gas), vierhonderd met benzine en vijftig met acroleïne (zeer giftige vloeistof). Tussen het rangeerterrein in Born en Holtum-Noord mogen met deze vergunning maximaal zesenveertig bewegingen per etmaal plaatsvinden (bijna zeventienduizend per jaar).

Het gaat om dezelfde maximale hoeveelheden als toegestaan voor de Rail Terminal Born. De ruimte die de aangevraagde milieuvergunning biedt, hoeft echter niet te worden benut, zegt René Vegter: ‘Voor zover ik weet, zijn er geen kandidaten die interesse hebben in vervoer van gevaarlijke stoffen over dit traject’.

Langs uw achtertuin

Dan is er nog het andere spoor, aan de oostelijke kant van Hoogveld. Hierover gaan nu al transporten met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt als onderdeel van een koepelvergunning voor alle spoorvervoer van en naar Chemelot.

De Chemelot-bedrijven vervoerden volgens ProRail in 2010 ruim veertienduizend wagons met gevaarlijke stoffen over het spoor oostelijk van Hoogveld. Specifiek ging het om 7600 van categorie A (LPG), 2050 van categorie B2 (ammoniak), 950 van categorie C3 (benzine) en 3750 van categorie D3 (acrylonitril).

Wat kan er mis gaan?

Hoe gevaarlijk of veilig is het (toekomstige) vervoer van gevaarlijke stoffen? Hiervoor worden diverse risicoberekeningen gehanteerd. Simpel gezegd is de kans op overlijden voor omwonenden één op een miljoen per jaar (het plaatsgebonden risico). Daarnaast is er een factor die de kans op een ramp met meerdere doden aanduidt (het groepsrisico).

De soort stof is van grote invloed op het theoretische risico. LPG valt onder de hoogste risico-categorie (A). LPG kan door langdurige externe verhitting van de tank, bijvoorbeeld door een brandende vloeistof, omgezet worden in gas, waardoor de druk in de tank toeneemt. Dit zorgt uiteindelijk voor rupture (openscheuren) en via het vuur voor een explosie, CNN-waardig.

Denk aan een vuurbal met een straal tot honderdtachtig meter die in een fractie van een seconde een enorm krachtige drukgolf voortbrengt.

Het effect van zo’n ontploffing of Warme BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) is dat binnen een straal van tweehonderd meter iedereen sterft. Binnen de straal van de vuurbal wordt alle bebouwing verwoest. Op vierhonderdvijftig meter ben je theoretisch veilig, maar tot negenhonderd meter sneuvelen je ruiten.

Gelukkig zijn de tanks waarin LPG per trein wordt vervoerd, heel sterk. Zo is de kans volgens deskundigen klein dat ze lekken door ontsporing of aanrijding, zo is uit proeven en ongelukken gebleken. Er is zelfs een specialist die beweert dat een LPG-tank nog niet kapot gaat als er een vliegtuig op neerstort.

LPG en ammoniak

Een andere gevaarlijke stof, waarmee langs Hoogveld wordt gereden, is ammoniak. OCI Agro produceert jaarlijks een miljoen ton ammoniak, verwerkt het leeuwendeel daarvan op Chemelot, waar ook een opslag is, en vervoert de rest (volgens haar website) via tankwagens en goederentreinen naar locaties in Nederland, België, Duitsland en Noord-Frankrijk.

Ammoniakgas kan bij het vrijkomen ervan, zelfs als het gaat om kleine hoeveelheden, in een relatief groot gebied (tot meerdere kilometers bij grootschalige transporten en productielocaties) zorgen voor gewonden en doden (bij de bron). Vanwege de mogelijk grootschalige effecten bij een calamiteit wil het Rijk dat OCI Nitrogen alle ammoniak op Chemelot verwerkt.

Als het fout gaat

In de risicoberekening bij ammoniak wordt uitgegaan van een aantal deeltjes in de lucht dat binnen een bepaalde blootstellingstijd door inademing blijvende schade en soms de dood tot gevolg heeft. Gelukkig heeft ammoniak een stekende geur, zodat mensen snel gealarmeerd raken.

Bij de discussie over veiligheid gaat het vrijwel altijd over dit soort abstracte waarden die statistisch bezien niemand zorgen baren. De werkelijkheid blijkt soms echter niet in cijfers te vatten en dat verklaart de emotionele reacties.

Het meest recente voorbeeld is het ongeluk met een goederentrein 7 oktober in het achthonderd inwoners tellende Tiskilwa, in de Amerikaanse staat Illinois. Daarbij ontspoorden zesentwintig van de 131 wagons en explodeerden drie van de zeven tot negen wagons met ethanol (zes raakten in brand). Doordat het dorpje snel is geëvacueerd zijn er geen doden of gewonden gevallen.

Een voorbeeld in Europa is het ongeluk in juni 2009 in Viareggio, Toscane. De eerste wagon van een goederentrein ontspoorde, ook in het station, doordat een wielas brak. Een wagon met LPG kantelde en kwam terecht op een metalen paal, waardoor de twee centimeter dikke tankwand werd doorboord en het gas vrijkwam, dat vervolgens explodeerde via de hete uitlaat van een motorfiets. Daarna explodeerde een andere wagon met LPG. Nog vier wagons ontspoorden en kantelden, twee andere ontspoorden maar bleven overeind. Meerdere woningen werden geraakt door ontspoorde wagons.

De trieste balans: tweeëndertig doden, zesentwintig gewonden en honderd mensen dakloos.

Hetzelfde jaar gebeurden in Nederland drie ongelukken met goederentreinen; in Vleuten, bij Amsterdam-Zuiderpoort en bij Barendrecht.

Bij het laatste ongeluk botsten twee goederentreinen op elkaar. Een personentrein werd geraakt door brokstukken. De ketelwagens met aardgascondensaat in één van de goederentreinen bleven heel dankzij crashbuffers van SABIC, zodat een catastrofe is voorkomen.

Achteraf bezien, heeft de machinist van één goederentrein vermoedelijk een hartaanval gehad, waardoor hij uiteindelijk ‘door rood reed’. De machinist van de andere goederentrein raakte zwaargewond.

Veiligheid wordt beter

Naar aanleiding van met name het ongeluk in Barendrecht is er extra overheidsgeld voor een beter alarmsysteem gekomen dat machinisten corrigeert als ze dingen doen of nalaten die de veiligheid in gevaar brengen.

Het gaat simpel gezegd om het voorkomen van ‘door rood licht rijden’, dat volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid tussen 2000 en 2009 zorgde voor tweeëndertig Nederlandse spoorongelukken, met een sterke verdubbeling de laatste vijf jaar.

Ook zijn de leeftijd van het materieel, de indeling van de goederentreinen, de snelheid en het communicatiesysteem (dat in Barendrecht aanvankelijk faalde) ter discussie gesteld.

De palen, waarvan er één in Toscane zorgde voor het doorboren van een LPG-tank, worden overigens in Nederland sinds de jaren tachtig niet meer gebruikt, stelt Henk Bril.

Zijn bedrijf vervult binnen Nederland wat betreft spoorveiligheid een voortrekkersrol. SABIC vindt veiligheid belangrijk, net als goede sociale inbedding (people, planet, profit). Daarom heeft het onlangs via het SABIC Fonds, dat maatschappelijke initiatieven ondersteunt, voor twintig mille AED’s (reanimatie-kastjes) in de wijken van Sittard-Geleen laten plaatsen.

Wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen, plaatst SABIC intussen crashbuffers op alle wagons. Ook rijdt SABIC alleen nog met wagons jonger dan twintig jaar. Hiervoor heeft het bedrijf in juni de VNCI Responsible Care-prijs gekregen.

Lakse houding verandert

Opvallend genoeg waren deze veiligheidsverhogende maatregelen al veel eerder voorgesteld (in plaats van crashbuffers werd gesproken over kreukelzones), onder meer in ‘Ketenstudies ammoniak, chloor en LPG’ uit 2004 en de ‘Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen’ uit 2005.

De branche, de vervoerders, de railbeheerder en de overheid hadden tot voor kort schijnbaar niet veel haast om het transport van gevaarlijke stoffen echt veiliger te maken. Zo concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid in januari in haar rapport over ‘Barendrecht’:

“De spoorpartijen en de minister voeren (…) een ’rituele dans’ uit, waarbij de nadruk ligt op wat relatief gemakkelijk kan en niet op wat daadwerkelijk noodzakelijk is. (…) Spoorwegveiligheid krijgt met name aandacht nadat een ernstig voorval heeft plaatsgevonden”.

Volgens Henk Bril is het vervoer van gevaarlijke stoffen gebaseerd op regels van de Verenigde Naties en was er aanvankelijk internationaal weinig bijval voor deze (veiligheid maar ook kostenverhogende) maatregelen. Intussen lijkt het tij dus gekeerd.

Een maatregel die nog op stapel staat, is het in 2008 door de overkoepelende brancheorganisatie voor veilig transport, de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen, geopperde Warme BLEVE-vrij rijden. WBV-rijden houdt in dat de afstand tussen een wagon met brandbaar gas en één met een zeer brandbare vloeistof maximaal achttien meter bedraagt.

In december willen de Nederlandse chemiebedrijven, SABIC voorop, een convenant sluiten om alleen nog op deze manier te treinen met gevaarlijke stoffen. Henk Bril: ‘DSM had hierover al eerder afspraken gemaakt met de Nederlandse overheid.’

Meer gevaarlijke stoffen

Hoe ziet de toekomst er uit? Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor zal in Nederland sterk groeien. En daarmee ook het risico, ondanks de toegenomen veiligheidsmaatregelen, en mogelijk ook de overlast.

Chemelot mag vanaf volgend jaar, met het Basisnet, jaarlijks 15.900 wagons met brandbaar gas (LPG en butadieen) vervoeren en hoopt dat aantal in 2015 te realiseren. Daarvan rijden er 13.900 langs Hoogveld over de lijn met Roermond (en 3000 over de lijn Chemelot – Maastricht).

Langs Hoogveld rijden dan maximaal jaarlijks 3500 wagons met ammoniak (op een totaal van 5200), 6200 met zeer brandbare vloeistoffen, als methanol (daarnaast gaan er 400 van en naar Maastricht), en 5500 met acrolyonitril. (Er zit overlap in de cijfers doordat treinen naar het zuiden via Sittard, waar locs gewisseld worden, moeten omrijden. Jaarlijks zijn dat bijna dertigduizend wagons, grofweg zo’n acht treinen per dag.

Meer via spoor en water

De toename komt in het algemeen doordat vervoer per spoor steeds voordeliger wordt, afgezet tegen transport via de weg. Gemiddeld neemt het vervoer van (gevaarlijke) goederen per rail tot 2020 toe met zo’n vijf procent per jaar. In 2010 ging het volgens ProRail om veertig miljoen ton.

De overheid lijkt daarbij overigens sinds 2003 met haar schattingen achter de feiten aan te lopen. SABIC vervoerde in 2010 bijvoorbeeld 8000 wagons van categorie A (LPG), terwijl dat aantal in 2007 nog werd aangehouden als streefgetal voor 2020 (8040). Intussen is het aantal bijna verdubbeld.

Chemisch hart van Europa

Na 2020 wordt een toename met een factor 1,5 tot 2 voorzien. Henk Bril wil niet voorbij die magische grens kijken: ‘Tot 2020 heeft Chemelot hier, denk ik, genoeg aan. Uitbreiding van de vergunning is tot die tijd niet aan de orde’, zegt hij eerst. Na lezing van het concept artikel voegt hij daaraan toe: ‘Maar zeg nooit nooit’.

Want SABIC wil blijven groeien. Zo streeft het bedrijf ernaar om in 2020 wereldleider te zijn in de chemie. Chemelot wordt dan een centrale locatie in Europa die bijna geen gebruik meer maakt van vervoer via de weg (medio 2010 495.000 ton).

Vrijwel alles gaat dan via het spoor en het water (en pijpleidingen, de belangrijkste manier van transport). Dit scheelt tijd en geld, en zorgt voor kleinere milieu- en veiligheidsrisico’s.

Om die grote plannen waar te maken, wordt honderd miljoen geïnvesteerd in de modernisering van naftakraker NAK4 van SABIC en krijgt het Chemelot-terrein een (ook door externe vervoerders te gebruiken) railterminal voor wagons met (gevaarlijke) stoffen (tot 100.000 containers per jaar). De provincie betaalt mee aan deze Rail Terminal Chemelot (RTC). Verder zijn er (nog niet uitgekristalliseerde) plannen voor een zuidelijke ontsluiting, zodat treinen naar het zuiden niet via Sittard hoeven te gaan.

De gevolgen van deze ontwikkelingen voor de inwoners van Hoogveld zijn nog niet goed in te schatten. Zo is onduidelijk of de externe vervoerders met interesse in de RTC, behalve de haven van Stein, ook de lijn naar de Rail Terminal Born in hun plannen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen willen betrekken.

Comments Off

admin op 14 October 2011 in Politiek & Media

Drie vrienden en hun kabouters in een oude barrel naar Dakar

Het is een trip die voor velen een onvervulde jongensdroom zal blijven. Pieke Lebon, Maarten van Eert en Vincent van Goor gaan het doen; van Amsterdam naar Dakar, zevenduizend kilometer, in een oude Mercedesbus. Voor beter basisonderwijs in Gambia en natuurlijk voor de opwindende ervaring. Initiatiefnemer is Maarten van Eert uit Sittard.

Enthousiast gemaakt door een kennis die aan een eerdere tocht heeft meegedaan, besloot Maarten van Eert in oktober 2010 een balletje op te werpen bij een groepje vrienden; wie wil er mee? Een paar vielen af, Pieke Lebon en Vincent van Goor bleven over.

Ze kennen elkaar van het Trevianum, de school voor havo en vwo in Limbrichterveld. Veel ervaring in het lowbudget reizen hebben ze niet. Wat het meest in de buurt komt, is een rit die Maarten van Eert en Pieke Lebon ooit samen in een groepje van zes jongens met oude auto’s naar Zuid-Europa heeft gemaakt. Dat was toen een heel avontuur. Nu zeggen ze dat het stuk in Europa niet veel voorstelt: ‘Daar rijd je zo doorheen’. Het begint pas na de Grote Oversteek .

De drie vrienden rijden niet alleen, maar zijn onderdeel van een grote groep die een beproefd parcours aflegt via de Amsterdam-Dakar Challenge. Dat is een Nederlandse organisatie, in 2004 opgezet door Dakar-pionier Arthur Verheijen, die geld voor goede doelen inzamelt door mensen met oude auto’s naar exotische bestemmingen te laten rijden.

De auto’s worden ter plaatse verkocht en het geld, ook van sponsoren van de teams, gaat naar sociale projecten. Zo zou met ritten naar Dakar, Peking, Siberië, Bombay en de Rode Zee intussen al zo’n drie miljoen euro zijn ingezameld.

De drie Dakarridders, zoals ze zichzelf noemen, besloten om hun geld te geven aan Nice to Be Nice. Dit is een in Tilburg bij de Kamer van Koophandel ingeschreven stichting die de lokale bouw en financiering van scholen in Gambia ondersteunt.

Nice to be Nice helpt een basisschool in Tabokoto en kleuterscholen in Freetown Gunjur en Msisranding. Verder staat ze garant voor het onderwijs aan dertig kinderen – mocht hun sponsoring wegvallen. Ook brengt de stichting lesmaterialen naar Gambia.

De grootste bron van inkomsten voor de Sittardse zandhappers, de bus, staat nu in Hoogveld bij Maarten van Eert op de stoep. Hij is opgeknapt met gedoneerde spullen en incarneert na de reis vermoedelijk als minibus, een soort groepstaxi. Zoals alle gebruikte auto’s heeft hij niet meer dan vijfhonderd euro mogen kosten.

Om alvast te oefenen met rijden in het rulle zand, hebben de mannen al een proefritje gemaakt op een stuk woeste grond bij Schipperskerk waar graafmachines bezig zijn om het terrein om te woelen. Het ging goed en de gesponsorde off road-banden bleken de belofte van de producent waar te maken - in elk geval toen de grond droog was.

Wel wordt de bus nog iets opgehoogd. De uitlaat verliezen is gauw gebeurd, zeker in de zandduinen, en een nieuwe vinden is daar niet altijd even gemakkelijk. Maarten van Eert: ‘We hoorden het verhaal van een team dat dit is overkomen en zij moesten eerst dertig kilometer naar een dorp rijden om een steigerbuis op te halen, daarna nog eens dertig kilometer om die pijp in een ander dorp eronder te laten lassen.’

Geld wordt verdiend met sponsoring, onder meer via reclame op de bus, een Mercedes Benz Vito uit 1997. De bus is intussen behoorlijk volgeplakt, al is er nog plaats voor extra sponsoren (vanaf 75 euro). Behalve met reclame, wordt geld verdiend met de verkoop van gipsen tuinkabouters voor 25 euro per stuk.

De kabouters hebben fantasierijke namen als Biologische Bert, Barrie de Bloemplukker en Sergio Schepper en, zo is de bedoeling, ze gaan allemaal mee naar Dakar. Onderweg worden foto’s gemaakt van elke gesponsorde kabouter op karakteristieke locaties - zoals met de kabouter in de film ‘Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’. Er zijn al enkele tientallen verkocht, maar er zijn nog beschikbaar.

Ook voeren ze onder meer een actie waarbij oude mobieltjes kunnen worden ingeleverd of verkocht. Voor de telefoons geeft sponsor GSM Loket geld. Dit bedrijf reviseert en recyclet oude mobiele telefoons, die daarna bijvoorbeeld worden doorverkocht naar Afrika.

Het is ook mogelijk om zelf je mobieltje via de site van de ridders te verkopen. In dat geval houden beide partijen er wat aan over. Hoeveel je aan de Dakarridders gunt, is uiteraard jouw zaak.

Voor geld willen de drie mannen vrij ver gaan. Zo bieden ze zelfs aan om naakt door de woestijn te rennen, uiteraard met foto’s als bewijs, als er maar genoeg wordt geboden. Een streefbedrag is er niet, dus dames ga naar www.dakar-ridders.nl en laat je creditcard wapperen!

De rit Amsterdam-Dakar voert de mannen via Marokko en Mauritanië naar Senegal en duurt tussen de negentien en drieëntwintig dagen. De bedoeling is dat de drie Hoogveldse Dakarridders in een groepje gaan rijden. Liefst met een 4 x4 erbij, voor het geval de ridders uit het zand moeten worden getrokken.

Bij de start krijgen ze een routekaart, een roadmap, en met een gps-ontvanger moeten ze van checkpoint naar checkpoint rijden. Onderling communiceren ze met bakkie’s en, als er verbinding is, met mobiele telefoons. Begeleiding is er niet, wel worden ze op cruciale plaatsen, zoals grensovergangen, opgewacht en geholpen door mensen van de organisatie.

Vanaf Marokko rijden ze over het strand en later volgt een stuk door de zandduinen. Daar worden de mannen van de jongens gescheiden bij de keuze voor de moeilijke of de makkelijke route. Uiteraard willen de Dakarridders de moeilijke route doen, de classic route, bezweren ze in koor. Maar zijn ze wel voldoende voorbereid op wat gaat komen? Zoals de titel van het bekende boek luidt: ‘Are you experienced?’.

De manager. Maarten van Eert is van huis uit leraar en nu personeelsmanager van een franchise onderneming die lesprogramma’s ontwikkelt over natuurwetenschappen en techniek. Scholen kunnen die aanschaffen, inclusief de begeleiding door ervaren instructeurs. Verder verzorgt het bedrijf naschoolse science clubs, verjaardagsfeestjes en evenementen.

De chauffeur. Pieke Lebon is planner bij een landelijke apotheekketen. Hij zorgt dat verpleegkundigen binnen de keten weten waar hun medicijnen naartoe moeten. Eerder was hij taxichauffeur en nu nog rijdt hij elke vrijdagnacht ergens in Limburg taxi – als hobby.

De bandenspecialist. Vincent van Goor heeft wat langer doorgestudeerd, onder meer in Groot- Brittannië, en houdt zich volgens zijn reisgenoten bezig met het ontwikkelen van banden bij een bekende bandenfirma. Daar is hij “virtueel bandentester”. Met behulp van computersimulaties berekent hij de verwachte prestaties op het gebied van grip, slijtage, duurzaamheid en rolweerstand.

Initiatiefnemer Maarten van Eert is vermoedelijk degene die zijn grenzen het verst gaat verleggen. ‘Ik houd graag de controle, maar ik ga de knop omzetten. Normaal wil ik weten hoe laat ik eet en hoe laat ik waar ben. Als we willen slapen, zoeken we straks gewoon een parkeerplaats en slapen dan in onze voortent. En ja, dan kan het voorkomen dat we drie dagen niet douchen, maar goed, iedereen stinkt dan.’

De voortent van een camper of caravan is er overigens nog niet, als we medio juni met ze spreken. Zo zijn er nog veel meer spullen nodig. Benzine bijvoorbeeld, anders gaat het hele feest niet door. En als het kan, zou een koelkastje voor een paar blikken bier ook welkom zijn.

Dan nog een belangrijk punt: Er zijn teams die met het sponsorgeld ook de vlucht terug betalen, maar de mannen uit Hoogveld doen dat principieel niet. ‘Voor ons is het een soort vakantie, waar het goede doel ook wat aan heeft. Dus dat betalen we zelf, het kost ons een paar duizend euro per man, zodat het meeste geld gaat naar het onderwijs in Gambia.’

Op 5 november vertrekken de drie avonturiers vanuit Amsterdam. De verwachting is dat het wel goed met ze komt; het percentage uitvallers is al jaren heel laag. Maar of alle kabouters de heenreis overleven, zodat ze vanuit Afrika in pakketjes kunnen worden teruggestuurd naar de sponsoren?

(dit stuk is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 7 July 2011 in Ongewoon & Anders, Politiek & Media

‘Kanker is erg, maar je hoeft er niet minder plezier om te hebben’

Samen 24 uur lopen tegen kanker op 28 en 29 mei in Roermond, Sportpark De Wijher. Heeft dat zin? Ja, zegt survivor Linda Naus (56) uit Reuver. Om ervaringen te delen, de doden te herdenken, geld in te zamelen én te merken dat we allemaal samen zijn. Persoonlijk wil ze kanker graag beter bespreekbaar maken.

Kanker confronteert, kanker zweert. Kanker ontsiert, kanker kliert. Eén op de drie in Nederland krijgt de gevreesde ziekte, toch is erover praten niet gebruikelijk Alsof je je moet schamen voor iets dat je overkomt.

Er zijn zelfs nog mensen die fluisteren over ‘K’, zoals haar moeder in 1975, toen bleek dat ze de ziekte onder de leden had. Ze overleed eraan toen Linda Naus nog jong was. Zelf kreeg de Reuverse in 1998 kanker. Ze ging de medische molen in, moest een borst afstaan en kon daarmee erger voorkomen.

Erover praten helpt, zegt ze. Vanaf het zonnige terras in haar achtertuin doet ze haar verhaal: “Het was alsof ik in een sneltrein zat en op bepaalde stations gebeurde dit of dat. Later had ik pas tijd om na te denken. Het heeft me veranderd, ja. Ik ben anders gaan leven. Ik leef nu en niet voor morgen.”

Zoals bij veel andere patiënten, leidde het ook tot een nieuwe jaartelling; ‘zoveel jaar na Kanker’, als in ‘na Christus’. “Iemand zei laatst tegen me: ‘Ik zit al in jaar dertien’. Dat zette me toch aan het denken.” Want ondanks de diepe acceptatie en haar blakende gezondheid heeft ze nog steeds de ‘angel van de angst’; hoe lang heb ik nog, komt het terug?

Behalve bij haar gezin en het Herstel & Balans-revalidatieprogramma, vond ze indertijd steun bij Borstkankervereniging Nederland. Bijvoorbeeld met betrekking tot de chronische vermoeidheid, de fysieke beperkingen door lymfoedeem, de concentratieproblemen en het geheugenverlies door de chemotherapie. “Ik heb heel lang naar woorden moeten zoeken voor ik weer woorden had.”

Ook haar zelfbeeld kwam er aan de orde. Kaalheid wordt gecamoufleerd met een pruik, een geamputeerde borst met een externe prothese. Toch ben je niet meer dezelfde en voor veel vrouwen, met name jongere, is dat ontwrichtend. Nog los van kwesties als erfelijkheid en kinderen.

Linda Naus bekeek het verstandelijk, zo kon en kan ze het een plaats geven: “Ik was drieënveertig, had al een man en kinderen; die borst had zijn functie gehad. Ik was ook blij dat hij eraf was; daar ga ik dus niet meer dood aan.”

Hoewel ze tijdens haar ziekte de bodem van de put heeft gezien, stralen haar ogen en heeft ze een opgewekte lach. “Het is bij onze vereniging ook niet alleen kommer en kwel”, haast ze zich om te zeggen. “We lachen veel. Er worden ook grapjes gemaakt, al kan niet iedereen daarmee omgaan. Kanker is verschrikkelijk, maar je hoeft er geen dag minder plezier om te hebben.”

Toen het erop leek dat de kanker voorlopig niet meer terugkwam, ging de hemel open; Linda Naus mocht nog even hier op aarde blijven. Dat euforische gevoel heeft ze opnieuw gehad tijdens de inspirerende manifestatie Samenloop voor Hoop, 2008 in Roermond.

Met vele honderden anderen liep ze als survivor mee om ervaringen te delen én om een statement te maken: er is hoop, er is leven na kanker. Mogelijk zelfs een redelijk lang en goed leven - kanker wordt steeds vaker een chronische ziekte dankzij de voortschrijdende wetenschap. Andere mensen liepen mee om geld in te zamelen, juist voor zulk onderzoek.

Tijdens de tweede editie, die 28 mei om 16.00 uur begint, is ze vanzelfsprekend van de partij. Met haar gebruikelijke esprit en innerlijke veerkracht. Ze is geen passief slachtoffer, maar iemand die ervoor kiest om actief van het leven te genieten. Onder meer door te sporten.

Tijdens de revalidatie begonnen met rennen, is ze nooit meer gestopt. In 2007 liep ze een dochter en haar schoondochter eruit met hardlopen tijdens de Nijmeegse Marikenloop. Zaterdag deed ze mee aan de Kragten Avondloop in Herten. “Lekker gelopen, onder de drieëntwintig minuten.”

Iedereen kan haar aanspreken tijdens de Samenloop voor Hoop, natuurlijk. “Vroeger, in de K-tijd, was er veel angst door het taboe. Nu schrijven mensen het vaak anoniem van zich af op internet, maar dan moet je het uiteindelijk toch in je eentje oplossen. Dat is niet makkelijk en ik gun iedereen de mogelijkheid om het anders te doen.”

(Geschreven voor de Trompetter namens Samenloop voor Hoop.)

Comments Off

admin op 23 May 2011 in Politiek & Media

Plan bomenkap Hoogveld in ijskast door buurtbewoners

Opnieuw is er opschudding in de Sittardse wijk Hoogveld over bomenkap en de vergunning daarvoor. Het gaat om het rooien van struiken en bomen in drie waterbuffers aan de Tungristraat, het Petroniuspad en de Eburonenstraat, samen 1,3 hectare. Het lijkt alsof de gemeente Sittard-Geleen te voortvarend reageert en zich daarbij niet aan de eigen vergunningaanvraag houdt. Voorlopig ligt alles voor onbepaalde tijd stil door twee buurtbewoners die naar de bestuursrechter stapten.

Begin maart had de kap moeten beginnen. Een paar dagen eerder, 28 februari, stuurde de gemeente een brief aan omwonenden van alle drie de buffers: door een storing aan het gemaal is er stinkend slib in de buffers gevormd, dat zorgt voor overlast van omwonenden en daarom moet het slib worden weggehaald. En met het slib, het groen. ‘De beplanting moeten we helemaal weghalen’, schrijft de wijkcoördinator van stadsdeel 4.

Langs het Petroniuspad staan twee rijen beplanting, deze wordt doorgetrokken tot achter hele talud achter alle buffers. Maar niet langs de Eburonenstraat en de Tungristraat, zo vervolgt de brief, ‘omdat achter de begroeiing van de buffers (zich) de fruitbomen van de pompgemalen bevinden.’

Juriste Manon Muris kijkt vanuit haar woning op de buffer aan de Tungristraat. Ze was verbaasd over de brief; ze volgt de gemeentelijke publicaties op de voet, onder meer vanwege de geluids- en stankoverlast van biomassacentrale BES en de aanleg van een ongelijkvloerse kruising in de Hasseltsebaan-Dr. Nolenslaan. Hoe heeft ze dit kunnen missen? Ze speurde in de gemeentelijke mededelingen van de afgelopen maanden.

Wat bleek? De vergunningsaanvraag had er inderdaad in gestaan, op 20 oktober 2010, maar heel klein, zonder -straat of wijknaam (wel met perceelnummers) en voor een leek volstrekt onduidelijk: ‘Omvormen beheer van 12.838 m2 houtopstand op percelen STD00 T 1695, T 01586, K 03276, K 03440 i.v.m. ontwikkelingen op percelen. T.b.v. beheer, werking en hydraulogisch profiel van de regenwaterbuffers is het noodzakelijk dat de wilgenopslag in de genoemde buffers wordt afgezet.’

Manon Muris vermoedt dat deze cryptische omschrijving geen toeval is, gezien de commotie in 2008 over de massale bomenkap op de aarden wal rond Hoogveld en de illegale kap later dat jaar van bomen aan het spoor. ,,Ik heb veel publicaties van Sittard-Geleen bestudeerd, van de maanden ervoor en erna, maar er was er geen zoals deze. In alle andere publicaties wordt de locatie aangeduid met adressen in plaats van met perceelnummers.”

Ze vroeg de vergunningaanvraag op. In dit formulier (voor een kapvergunning) staat éénmaal aangevinkt dat er wel en tweemaal dat er geen kapvergunning nodig is. Het stukje over ‘boom/bomen’ is niet ingevuld. Wel aangevinkt is ‘houtopstand’. Die wordt op een andere manier beheerd, belooft de vergunning (’omvormen beheer’).

In de toelichting staat: ‘De wilgenopslag in de buffers wordt afgezet. De aanwezige boomvormende wilgen zullen worden geknot. De aanwezige stobben worden niet gerooid zodat deze opnieuw kunnen uitlopen.’ In gewoon Nederlands: de wilgenstruiken worden met wortel en tak verwijderd, maar de wilgenbomen worden gesnoeid. En dat, terwijl in de brief aan de bewoners duidelijk staat: alles eruit.

In de kapvergunning, 21 december 2010 door het college verleend en 28 december verzonden, staat dat er op de locatie van het te kappen groen andere ontwikkelingen gaan plaatsvinden. Welke is een raadsel (voor zover bekend blijven het waterbuffers). Opvallender is dat er geen herplantplicht wordt opgelegd. Dus het doortrekken van een deel van de beplanting, zoals in de brief aan de bewoners aangekondigd, is vrijwillig. De gemeente kan er zo weer van afzien.

Het vertrouwen van Manon Muris werd er begin maart niet groter op door enkele schoonheidsfoutjes in de aanvraag. Zo wordt volgens haar naar de verkeerde versie van de Algemene Plaatselijke Verordening verwezen. Ook wordt gesteld dat het gaat om natuurlijke aanwas, dat is in de krant nog eens herhaald. Terwijl bijvoorbeeld voor haar huis in de buffer een boom staat, met de steunpaaltjes en de (halfvergane) rubbers er nog aan: duidelijk aanplant.

Ze diende met haar vriend Marco Costongs een bezwaarschrift in en vroeg bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening om de kapprocedure per direct stil te leggen (een bezwaarschrift heeft daarop geen invloed). Een dag voor het bestuursrechterlijk ‘kort geding’ op 18 maart in Maastricht, belde de gemeente: of ze het verzoek aan de rechtbank wilde intrekken onder de voorwaarden dat er niet gekapt wordt tot de kapvergunning definitief is en haar bezwaar inhoudelijk behandeld wordt. Daar kon ze zich in vinden.

Het moment van de vergunningverlening bepaalt de start van de bezwaartermijn, legt ze uit. Eigenlijk was ze nu met haar bezwaar te laat, maar haar argument over de cryptische publicatie van de vergunningverlening sneedt hout; ‘daar stond nog minder in dan in de bekend gemaakte aanvraag voor de vergunning’. Door de onduidelijkheid moest het bezwaar wel inhoudelijk behandeld worden, stelt de juriste.

Nu is de kap voor onbepaalde tijd uitgesteld in afwachting van het advies van de commissie bezwaar- en beroep aan het college. Het zou wel een half jaar kunnen duren voordat de commissie uitspraak doet, aldus een gemeentelijke woordvoerder in de krant.

De juriste uit Hoogveld wil dat de vergunning niet wordt verleend en als dat onverhoopt wel gebeurt, bepleit ze herplant. Uitdunning is in laatste instantie ook een optie.,,Een vraag is of er genoeg rekening is gehouden met de natuur- en milieuwaarden. Zo hebben we hier in de buffer een groene specht gefotografeerd, een vogel die op de rode lijst van bedreigde dieren staat. Dat zou wel eens van invloed kunnen zijn op het besluit. Ook is van belang of de landschappelijke waarde voldoende is onderzocht.” Daarnaast heeft de begroeide buffer een geluidwerende werking, aldus Manon Muris. ,,Maar de hoofdvraag is of het slib ook kan worden weggehaald zonder dat (alle) begroeiing eruit moet. Wij denken van niet.”

De gemeente voert als argument aan dat het gemaal stuk is gegaan; daar is alles mee begonnen. In het eerste krantenbericht wordt door de gemeente gesuggereerd dat dit éénmaal is gebeurd. Navraag bij Sittard-Geleen, over defecten de afgelopen vijf jaar, levert de informatie op dat het gemaal in 2010 tussen 17 maart en 29 juni twaalf keer kapot is geweest. Of de begroeiing in (alle drie) buffers daarvan de oorzaak is geweest, bijvoorbeeld door drijvend groenafval, is onbekend. Het gemaal is intussen gerepareerd.

Terugkijkend lijkt het volgende te zijn gebeurd: het gemaal ging om onbekende reden herhaaldelijk stuk, daardoor kwam er meer slib dan anders in de buffer aan de Eburonenstraat terecht. Dat zorgde ter plaatse voor stankoverlast. (Alleen door mensen in die straat is volgens de gemeentewoordvoerder geklaagd.) In reactie daarop heeft de gemeente besloten niet alleen het slib in die buffer te verwijderen, maar het slib in alle drie de buffers (en het groen dat erin staat geheel weg te halen, in strijd met de eigen vergunningaanvraag).

In de vijf jaar dat ze aan de Tungristraat woont. is het slib-niveau in ‘haar’ buffer volgens Manon Muris ogenschijnlijk niet toegenomen. En van stankoverlast is nooit sprake geweest. (Of dat aan het Petroniuspad wel speelde, is onbekend).

De crux zit hem in de communicatie. De gemeentelijke woordvoerder stelt eerst dat er eenduidig is gecommuniceerd (’er is geen verschil’). Later draait hij bij: ‘In de vergunningaanvraag komt het woord snoeien niet voor. Er staat wel dat de aanwezige wilgen worden geknot en dat de stobben blijven staan en weer kunnen uitlopen. Dit was oorspronkelijk de bedoeling, bijvoorbeeld langs het Petroniuspad. Op dit moment wordt hier opnieuw naar gekeken.’

Na de krantenberichten over de bomenkap, kondigde de gemeente per e-mail aan at er een informatiebijeenkomst komt. De datum is nog niet bekend, maar Manon Muris, die bij een andere gemeente zelf bezwaarschriften afhandelt, vindt het vreemd.

,,Een voorlichtingsavond beleggen terwijl de bezwaarprocedure nog loopt, heel merkwaardig. De gemeente lijkt ervan overtuigd dat de kap gewoon kan doorgaan. De uitslag van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie staat blijkbaar al vast.”

Overigens is de bezwaarmaakster zelf niet uitgenodigd voor de avond. Ze moest het horen van een buurman die eerder bij wijze van protest posters met kruizen aan de bomen in de buffer voor hun deur had opgehangen (deze zijn intussen verwijderd). Hij had wel een e-mail gekregen.

Het is niet voor het eerst dat bomenkap de gemoederen verhit in Hoogveld. Eind 2008 meldde het WijkKrantje dat spoorbeheerder ProRail zonder vergunning zestien bomen had laten kappen bij het spoor. Dit onder het mom dat het struiken waren. De vergunning werd later door Sittard-Geleen met terugwerkende kracht verleend in de vorm van een noodkapvergunning.

In maart dat jaar was de gemeente zelf de fout in gegaan door ‘miscommunicatie’ in het stadhuis. Toen sneuvelden in een massale kap zeker duizend bomen, sommige met een diameter van dertig centimeter, op de aarden wal rondom Hoogveld. Volgens de gemeente ging het om ‘een reguliere snoei- en opschoonbeurt van het struikgewas.’ Hiervoor zou geen vergunning nodig zijn geweest.

(dit artikel is geschreven voor het Wijkkrantje)

Comments Off

admin op 26 April 2011 in Politiek & Media

Laura Ndukwana laat bloemen bloeien op onwaarschijnlijke plaatsen

Als er een soort mini-Nobelprijs zou bestaan, dan was Laura Ndukwana (40) een ideale kandidaat. Vanuit het Gugulethu township van Kaapstad vecht deze krachtige en inspirerende vrouw om te voorkomen dat er weer een generatie jonge zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen verloren gaat door drank, drugs, (huiselijk) geweld, moord, verkrachting en/of HIV.

Met haar bijzondere project de Breakfast Club, dat draait om eten in ruil voor de verplichting om onderwijs te volgen, schept ze voor jonge kinderen de voorwaarden voor structurele verandering en opent ze voor hen de deur naar een andere toekomst. Intussen heeft ze al vierenveertig kinderen in haar programma (gehad) en zeven ervan studeren in het buitenland.

Laura Ndukwana wil niet langs de kantlijn staan van het leven waarin ze is opgegroeid. Dat is een bewuste keuze; haar bestaan, met een bachelorgraad in sociale wetenschappen op zak, had heel anders kunnen zijn. Met een veilig huis uptown en een goed betaalde baan, zoals ze die ook een tijdje heeft gehad op de marketingafdeling van een multinational, ver van de deprimerende omstandigheden waarmee ze nu dagelijks wordt geconfronteerd. Net als haar vriendinnen in de stad die banen hebben in de advocatuur, bij de overheid of in de journalistiek.

Ze vecht een ongelijke strijd. Haar bijna onvermoeibare geloof in verbetering brengt ze met passie, humor en daadkracht in stelling tegen de alom tegenwoordige en keiharde realiteit, die gevoed wordt door de extreme sociale ongelijkheid. Met name tussen de arme zwarten en kleurlingen in de townships en de welgestelde blanken die aan de andere kant van de stad leven in met stroomhekken, honden en gewapende beveiligingsdiensten afgegrendelde groene paradijzen. De zwarten en kleurlingen werken er als tuinman, nanny, huishoudelijke hulp, schoonmaker of bewaker.

Bijna elke stad heeft een township. In totaal wonen ongeveer zo’n acht miljoen Zuid-Afrikanen in zulke wijken. Kaapstad heeft meerdere townships met samen naar schatting twee miljoen inwoners. Townships kennen vaak een driedeling: een klein welvarend deel met vrij ruime betonnen huizen (het ‘Beverly Hills-deel’, zoals Laura Ndukwana dat noemt), een normaal deel en een verkrot deel. De situatie in de slechtste delen, die vaak illegaal zijn gebouwd, is misschien wel één van de ergste ter wereld.

De woningen zijn slechts enkele vierkante meters groot, gebouwd op aangestampte grond en opgetrokken uit planken en golfplaten. Sanitaire voorzieningen en stromend water zijn vaak niet aanwezig. Als het flink regent, moeten alle bewoners van zulke delen worden ontruimd; dan verandert zo’n wijk in een modderpoel. Ook zijn er regelmatig branden door illegaal afgetapte stroom van de lage palen met stroomkabels die op veel plaatsen boven de kleurig geverfde krotten uitsteken.

De armoedige behuizingen weerspiegelen de sociale omstandigheden. In Gugulethu, net als in veel andere townships, is bijna zestig procent van de mannen werkloos, vertelt Laura Ndukwana, die Nelson Mandela (’we hebben zijn visie verkwanseld’) en Moeder Teresa, ook een pionier in de sloppenwijken, als haar grote voorbeelden ziet.

Veel mensen, ook vrouwen en pubers, zijn verslaafd aan het vaak zelf gebrouwen bier dat op de hoek van elke straat te koop is via getraliede cafés of shebeens. (Voor tien rand, ongeveer een euro, krijg je een gevuld verfblik van een paar liter met deze dubieuze witte soep.) Verder wordt aanvullend drugs gebruikt om de dagelijkse omstandigheden te vergeten.

De wijdverspreide alcoholverslaving, waaraan volgens Laura Ndukwana vaak ook het kindergeld van 250 rand per maand wordt gespendeerd, maakt het moeilijk om de vicieuze cirkel van het leven in de townships te doorbreken. ,,Ik zie zo wanneer het pay day is, daar heb ik geen kalender voor nodig; dan is iedereen dronken en viert feest. Soms wordt de drank op krediet verstrekt. Dan gaan de mensen op zo’n dag met hun betaalpas en iemand van een café naar een bank en kunnen ze hun geld gelijk weer afgeven.”

Alcoholverslaving en langdurige en massale werkloosheid zorgen enerzijds voor lethargie, anderzijds voor frustratie en agressie. Het aantal moorden is bijvoorbeeld zorgwekkend hoog. In Gugulethu, met vermoedelijk ruim driehonderdvijftigduizend inwoners, zijn de laatste vijf jaar zevenhonderd mensen vermoord volgens het South African Institute of Race Relations in The Guardian van november 2010. Onder (zwarte) mannen in Zuid-Afrika is de kans acht keer zo groot als wereldwijd gemiddeld om gewelddadig om het leven te komen. In 2007-2008 ging het om ruim achttienduizend gevallen, aldus de Medical Research Counsel (MRC) van Zuid-Afrika in november 2009.

Vaak worden de daders door de gemeenschap beschermd, dus de politie - die zelf geteisterd wordt door corruptie - kan niet effectief optreden. Veel moorden zijn vuurwapen gerelateerd, mede door het machismo en het lage zelfbeeld van de bewuste mannen, waarbij geweld en wapenbezit de mannelijkheid moeten versterken; een ‘echte man’ is dominant en (seksueel) gewelddadig.

Het percentage moorden op vrouwen is zes keer zo hoog als wereldwijd gemiddeld. Deze worden door mannen gepleegd. In veel gevallen komen de moorden voort uit huiselijk geweld, waar bijna helft van de vrouwen mee te maken heeft volgens de MRC-cijfers.

Laura Ndukwana heeft het zelf meegemaakt: ,,Vorig jaar december heb ik een familielid moeten begraven. Ze was in elkaar geslagen door haar man en halfdood op het spoor gelegd, zodat de trein, die door ons township gaat, het kon afmaken.” Zelfs voor iemand als zij, die de mensen, het gebied en de problemen van binnen en van buiten kent, was dat een hele klap.

In het dagelijks leven is ze onder meer een gerenommeerde township tour guide. Ze ontwikkelt en steunt diverse sociale projecten, maar focust op jonge kinderen - een vergeten doelgroep volgens haar. ,,De overheid richt zich met werkgelegenheidsprojecten op kortetermijndoelen. Laat ze maar figuurtjes met kraaltjes maken en die verkopen aan toeristen, dan is er inkomen.

Maar als een man zo duizend rand per maand verdient, en het wordt gelijk opgedronken, wat lost het dan op? Nu al zijn twee generaties verloren; de kinderen en de ouderen blijven over. Met veertig ben je hier al heel oud, de gemiddelde levensverwachting is vijftig jaar. De ouderen kun je niet meer veranderen - een oude boom moet je niet meer verplanten - daarom steun ik de kinderen.”

De meeste kinderen in de townships worden buitenechtelijk geboren. Een deel is vanaf de geboorte alcohol verslaafd of HIV geïnfecteerd. Opgevoed door familieleden, is de kans op misbruik en verwaarlozing groot.

Verkrachting is aan de orde van de dag. Een derde van de meisjes onder de achttien heeft te maken met seksuele agressie (van ongewenste intimiteiten tot verkrachting), vaak door verwanten. Vijftien procent van de meisjes die aangifte doen van verkrachting is jonger dan twaalf jaar. Alweer volgens cijfers van de MRC uit 2009. De daders zijn vrijwel altijd zwarte mannen.

De oorzaak schuilt in de omstandigheden en in het heersende beeld van mannelijkheid onder deze mannen (dat gepaard gaat met homofobie en ‘corrigerende verkrachtingen’ van lesbiennes). Een vrouw nemen tegen haar wil, past in dat plaatje. Eén op de vier ondervraagde mannen gaf in het MRC-onderzoek toe dat hij verkracht had en zestig procent van de jongens ouder dan elf denkt dat verkrachting niets met geweld te maken heeft.

De werkelijkheid kon nog wel eens wranger zijn dan de gegevens van de MRC doen vrezen. In een artikel in The Independent van mei 2010, waarin Childline South Africa wordt aangehaald, stelt men dat kinderverkrachting landelijk tweehonderdduizend keer per jaar voorkomt. ‘In tachtig procent daarvan gaat het om slachtoffers jonger dan dertien.’

Het uiteenlopen van de schattingen is niet zo vreemd. In 2002 bleek uit onderzoek dat slechts één op de negen overlevende slachtoffers van verkrachting aangifte doet. Volgens de politie, aangehaald in The Guardian van november 2010, is in 2009 van ruim achtenzestigduizend seksuele misdrijven aangifte gedaan. Als het aangiftepercentage gelijk is gebleven, zou het in werkelijkheid gaan om zeshonderdtwaalfduizend seksuele misdrijven per jaar.

De verkrachtingen, al dan niet onder invloed van alcohol (rond pay day is er telkens een piek, volgens Laura Ndukwana), zorgen voor een snelle verspreiding van HIV (Zuid-Afrika heeft met 5,7 miljoen het hoogste aantal HIV-geïnfecteerden en Aids-patiënten te wereld. In townships zou één op de vier inwoners geïnfecteerd zijn). Ook komen mede hierdoor veel kinderzwangerschappen voor. Daarnaast zorgen alcoholverslaving en armoede onder pubermeisjes soms voor prostitutie, aldus Laura Ndukwana. ,,Zie je die meisjes? Die zijn alcohol verslaafd, nu al. Voor driehonderd rand doen ze alles voor je.”

Van het wereldkampioenschap voetbal, in 2010 in Zuid-Afrika gehouden, had ze hoge verwachtingen. Met name voor de ondernemingen in de townships, zo vertelde ze eind 2009 in Ke Nako, een mededelingenblad van de FIFA. Op diverse trapveldjes in Kaapstad zie je nu teams spelen en trainen, soms in shirtjes van Ajax Capetown. Maar, los van de paar overgebleven fufuzela’s die nog op straat worden verkocht, heeft het kampioenschap in de arme delen ogenschijnlijk geen sporen achtergelaten. ,,Intussen is duidelijk dat het, voor de mensen hier althans, niet veel heeft opgeleverd.”

Met haar warme persoonlijkheid, goede sociale inbedding en door de mogelijkheid tot afstandelijke beschouwing via haar opleiding sociale wetenschappen, ziet Laura Ndukwana de problemen pijnlijk scherp. Begin dit jaar werd het haar even teveel. Ze wilde ermee stoppen. Waarom zou ze hier blijven terwijl ze ook in de stad kon wonen onder veel betere omstandigheden? ,,We leven hier als slaven!” Als vrouw alleen, haar man stierf vijf jaar geleden door een auto-ongeluk, haar zoon studeert in de VS, heeft ze het niet makkelijk. ,,Ik word hier door sommige mensen gezien als een gekke oude vrouw.” Ze vermande zich, vond onder meer steun in haar nog immer voortdurende opleiding tot sangoma (traditioneel genezer) en koos voor haar ideaal: werken aan een beter Zuid-Afrika voor iedereen en zeker voor de mensen in de townships.

Een belangrijk initiatief hiertoe is de Breakfast Club, die ze samen met achtentwintig andere vrouwen runt. Het idee is simpel. Om te zorgen dat de kinderen genoeg te eten krijgen (vaak is er geen geld voor, onder meer door het drankgebruik) en de ouders / verzorgers te stimuleren om hen naar school te sturen, biedt deze club de kinderen elke morgen een ontbijt aan. Het voedsel bestaat uit wat overblijft van het ontbijt in locale restaurants. ,,Als voorwaarde stel ik dat ze geen enkele schooldag mogen missen en ik wil al hun rapporten zien.”

Discipline is het toverwoord. En het werkt. Intussen heeft ze vierenveertig kinderen in het programma (gehad) en een klein aantal van hen studeert intussen in het hoger onderwijs. Mede dankzij buitenlandse sponsoren, vaak particulieren. Maar het blijft lastig. Zo is er een jongen die opera studeert dankzij buitenlandse steun, maar die intussen twee meisjes zwanger heeft gemaakt. ,,Je kunt de kinderen wel uit het township halen, maar het is heel moeilijk om het township uit de kinderen te halen.”

Daarnaast is het zo dat mensen wel geld en goederen geven voor dit prachtige en succesvolle project - en dat is heel mooi - maar wat ze net zo hard of misschien wel meer nodig heeft is vrijwilligers die taken kunnen overnemen, tijd willen investeren, de handen uit de mouwen steken en de organisatie kunnen bestendigen. Want, erkent ze, het draait nu voornamelijk om haar. Als Laura Ndukwana onverhoopt wat gebeurt, is de kans aanzienlijk dat de continuïteit in gevaar komt.

Bij het zien van de handvol vertederende buurtkinderen van de Breakfast Club die tijdens het gesprek ronddartelen en aan haar hangen als aan een moeder, weet ze weer waarvoor ze het doet. Voor wie, beter gezegd. Dan verschijnt er een brede glimlach op haar gezicht en straalt ze hartverwarmend, deze zwarte engel uit Gugulethu, vol energie om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

Want ze doet nog veel meer. Zo zette ze naast de Breakfast Club ook de Women’s Savings Club op, een spaarfonds voor vrouwen waar elke maand geld wordt ingelegd zodat locale vrouwen in geval van nood hiermee kunnen worden ondersteund. En dan heeft ze nog haar jazzclub aan huis, het Thuthuka Jazz Cafe dat in 1998 is gestart als een soort sportkantine. Er zijn diverse optredens, ook van de vrouwenband waar ze zelf deel van uitmaakt.

Haar eigenlijke baan is tour guide, daar is ze twaalf jaar geleden mee begonnen. In haar oude witte Mercedes rijdt ze kleine gezelschappen rond en bezoekt met hen bijvoorbeeld een basisschooltje, een expositie over de historie van de townships, een krottenwijk en historisch belangrijke plaatsen. Laura Ndukwana vertelt open, gedetailleerd en vol passie en ze kent veel mensen ter plaatse. Op diverse plaatsen gaan de handen bij wijze van begroeting omhoog als ze passeert of moet er via het omlaag gedraaide raam even worden bijgepraat.

Binnen de townships worden haar drijfveren niet altijd begrepen, ook doordat veel mensen (begrijpelijkerwijs, gezien hun omstandigheden) vooral gericht zijn op de korte termijn. Haar afwijkend hoge opleiding, het relatief grote betonnen huis waarin ze woont (twee fraai uitgebouwde garages, voor het westerse oog) en de andere levensfilosofie maken de acceptatie van haar township toerisme er in haar eigen gemeenschap niet gemakkelijker op.

,,Het is geen aapjes kijken en ook niet geld verdienen aan het leed van een ander!” Ze doet het om toeristen en Zuid-Afrikanen van buiten de townships bewust te maken zodat de sociaal-economische situatie op langere termijn structureel kan veranderen, stelt Laura Ndukwana. ,,Misschien niet meer in mijn leven, wie weet hoe oud ik hier word, onder deze omstandigheden, maar dan heb ik er wel alles aan gedaan om het mogelijk te maken.”

Het informeren over wat er gebeurt in de township, zoals zij doet, is heel belangrijk. Zwarten & kleurlingen en blanken leven grotendeels in twee afgesloten werelden. De komst van het ANC-regime, dat te maken heeft met diverse corruptieschandalen (onder meer een aanklacht vanwege verkrachting in 2005 en diverse beschuldigingen van corruptie tegen president Jacob Zuma), heeft de situatie niet verbeterd, vinden veel inwoners van de townships. Ook onder het blanke deel van de bevolking is er veel kritiek. Aan beide kanten van het hek heerst angst en (meestal latente) agressie, met een paar vaak racistische extremisten bij elke partij.

De Rainbow Nation, zoals Nelson Mandela die zich voorstelde, is nog ver weg. Maar Laura Ndukwana werkt eraan. Met haar inspanningen past ze schijnbaar in een traditie die begon met de publicatie in 1890 van het boek ‘How the other half lives’. Dit onthullende werk over de sloppenwijken van New York van journalist Jacob Riis was destijds een eye opener voor de welgestelde ‘andere helft’, die geen idee had van de doffe kant van de glimmende welvaartsmedaille. Enkele jaren daarvoor was in Londen het eerste slum toerisme van de grond gekomen.

Als je het boek leest, zijn de overeenkomsten frappant en de beschrijvingen van de sociale omstandigheden klinken soms verrassend actueel. Ook Jacob Riis focust op de jonge kinderen. Hij schrijft: ‘Het redden van de kinderen is de sleutel tot het probleem van stedelijke armoede. Zo kan het karakter op goede wijze worden gevormd, want om de kinderen later te veranderen, dat is een hopeloze taak.’ Het zijn woorden die Laura Ndukwana gezegd had kunnen hebben. Met haar inzet en liefde voor de jonge kinderen in de townships laat ze bloemen bloeien op de meest onwaarschijnlijke plaatsen.

(een ingekorte versie van dit artikel verscheen op kaapstadmagazine.nl en in Ode)

Comments Off

admin op 14 April 2011 in Politiek & Media

Nederlandse politiemissie in Afghanistan wacht zware taak

Afghanistan is een gebied waar veel buitenlandse mogendheden hun militaire tanden op hebben stuk gebeten. Dat dreigt nu ook te gebeuren met de geallieerde NATO-eenheden onder aanvoering van de VS. In hun voetsporen deed ook Nederland herhaaldelijk mee aan diverse missies, maar het draagvlak hiervoor lijkt af te nemen. Nu is een nieuwe missie gepland, een politiemissie. Die kon wel eens een stuk lastiger worden dan menigeen denkt.

Ironisch genoeg is er internationaal, ook in de VS, toenemende steun voor de opbouwmissies, waar die eerder door de Amerikanen niet zo werden gewaardeerd. De hoge militaire bazen van dat land zouden aanvankelijk vooral geïnteresseerd zijn in ‘body counts’, zo blijkt uit stukken die WikiLeaks eerder publiceerde.

De komende militaire missie is bedoeld om politieagenten op te leiden, zo heeft GroenLinks in de Tweede Kamer bedongen door gebruik te maken van de verschoven stemverhoudingen. Maar specialisten zeggen dat het ‘gewoon’ oorlog is in Afghanistan en dat politieagent zijn daar, wel even wat anders is dan in Nederland.

Oorlogsverslaggever Arnold Karskens citeerde in januari een Duitse militair, nu in Kunduz verantwoordelijk voor het opleiden van inheemse politieagenten. Deze zei heel cynisch: ‘Als ze maar een checkpoint overleven’; de rekruten zijn slecht getraind en een groot deel overleeft niet lang. In de drie maanden ervoor waren er in Kunduz al tachtig omgekomen.

Daarom wil de lokale politietop in Kunduz liefst dat nieuwe agenten niet alleen leren schieten, maar hoe ze zich moeten beschermen tegen zelfmoordenaars en hoe ze moeten omgaan met mortieren en pantservoertuigen. De Duitse en vermoedelijk ook de Nederlandse opleiders willen daar niet aan, dus lijkt een aanzienlijk aantal nieuwe agenten, gelokt door eten en 260 dollar per maand, een wisse dood tegemoet te gaan.

Gevaarlijk kat-en-muisspel

Om meer te weten te komen over de situatie in Afghanistan, spreken we met Patrick van den Burg, onderofficier bij de pantsergenie. Hij heeft drie International Security Assistance Force (ISAF) missies in Afghanistan afgerond (2003: Kabul; 2006-2007: Deh Rawood, 2009: Tarin Kowt). Daarvoor werkte hij als militair in Bosnië (2001-2002) en Kosovo (2002-2003).

Van den Burg woont in Sittard en geeft momenteel les aan onderofficieren op het Opleidings- en Trainingscentrum Genie in Vught. Tijdens de laatste uitzending in 2009, als onderdeel van de 413e Pantsergeniecompagnie uit Oirschot, was hij verantwoordelijk voor de opsporing van de beruchte bermbommen.

Dit zijn, anders dan de naam doet vermoeden, vaak in de weg begraven geïmproviseerde bommen, al zitten ze soms ook in stenen muurtjes om de schade te vergroten. Ze kunnen op afstand worden ontstoken of werken met drukplaten. Het meest worden ze gevonden in te doorkruisen rivierbeddingen, omdat grondverzet daar lastig te zien is. Verder waren er de zelfmoordenaars met springstoffen waar de Sittardenaar rekening mee moest houden.

Regelmatig kwam hij ook in steden die de meesten van ons alleen van het journaal en uit de kranten kennen. Vaak was dat als onderdeel van een transport waarvoor hij dan deels verantwoordelijk was. In een voortdurend kat-en-muisspel met de bommenleggers, die hij op den duur herkende aan hun favoriete werkwijze, moest hij de veiligheid waarborgen van soms wel driehonderd soldaten en ruim honderd voertuigen tegen bermbommen en eventueel daaraan gekoppelde hinderlagen.

De bommenleggers waren vaak lokale boertjes, vertelt hij. Ongeschoold en zwaar onder druk gezet door de Taliban om de bommen te plaatsen en te bedienen. Zo werden burgers gedwongen mee te vechten.

Ironisch genoeg, hebben de op NATO-militairen gerichte bermbommen ook veel burgerslachtoffers geëist. Het zou volgens Amerikaanse militaire gegevens, gepubliceerd via WikiLeaks, in de periode 2004 tot 2009 gaan om zeker tweeduizend burgers. Daarvan bestond overigens een deel uit bommenleggers die de dupe werden van hun eigen acties.

Voordat een colonne vertrok, werd de route bekeken met stafkaarten, films, satellietfoto’s, foto’s die eerder tijdens de route vanaf de grond waren gemaakt, soms aangevuld met informatie van informanten ter plaatse. Op basis daarvan ontwikkelde Patrick van den Burg met ‘militaire precisie’ scenario’s voor potentiële knelpunten en in het geval daar een aanslag zou plaatsvinden. Via een powerpoint-presentatie werd vervolgens de staf gebriefd zodat iedereen wist wanneer, waar wat te verwachten was.

In die gevallen dat er wat gebeurde of er een serieuze dreiging was, ging de vooraan mee rijdende pantsergenist op onderzoek uit en verliet de Quick Reaction Force het konvooi om bedreigingen binnen een kwartier ongedaan te maken. Tegenstanders werden opgespoord en indien nodig uitgeschakeld.

Als een bom een konvooi stillegt zijn de militairen - die exact hun weg vervolgen juist vanwege de bermbommen - namelijk een makkelijk doelwit voor sluipschutters en mensen met raketten. Zeker in kloven en passen waar je vrijwel geen uitwijkmogelijkheden hebt.

Raketaanval Kamp Holland

Onder zijn dienst zijn er gelukkig geen ongelukken geweest tijdens de verplaatsingen. Toch was er in april 2009 een incident dat hem nog lang zal heugen. Kamp Holland bij Tarin Kowt werd rond die tijd regelmatig vanuit een vast punt bij het bergdorpje Sayyed Dan met raketten bestookt. Op 6 april raakte een raket doel. Hij sloeg in tussen de containerbunkers waaruit het kamp is opgebouwd.

Patrick van den Burg stond op minder dan een steenworp afstand. Hij bleef, zoals altijd, ontspannen en handelde op routine. ,,Er zijn toen vijf gewonden bij gevallen en één jongen is overleden. Daar zat ik vijftien meter vanaf. Ik zat net aan de goede kant van de wal, om de hoek van de container. Die klap neem je mee en doelmatig ga je handelen.

Hee, die klap komt je bekend voor, dat is niet goed, en je gaat naar binnen. Automatisch zijn we weer naar buiten gegaan, hebben we die jongens opgehaald, die jongens zijn bij ons naar binnen gebracht. Die zijn medisch verzorgd en later naar het ziekenhuis vervoerd. Daar heb ik ook aan deelgenomen. Het gaat in een waas voorbij, automatisch gaat het klik; emoties uit, en handelen. Dat is het voordeel van trainen, trainen, trainen.

Ik heb er ook geen naweeën van gehad. Sommige andere collega’s wel. Een vrouwelijke collega van mij is nu nog aan het revalideren. Heel snel was er een maatschappelijk werker bij aanwezig, zodat mensen even stoom konden afblazen. Daarna werd het ook goed opgepakt. Dat is nu heel goed bij Defensie. Na afloop van de missie zijn we voor recuperatie en debriefing naar Kreta geweest, dat is gebruikelijk; om bij te komen. Even de veren schudden voor we weer naar Nederland gingen.”

De Wereldomroep meldde na het voorval dat de Nederlandse soldaten er eerder niet in waren geslaagd om de rakettenman, een zekere Mullah Qasim, en zijn kameraden te pakken te krijgen. Ondanks alle geavanceerde technologie die hen ter beschikking stond en tips die binnenkwamen als er weer een raket door hem was afgeschoten.

Patrick van den Burg: ,,Er liggen vijftienhonderd man, allemaal ondergebracht in door dikke grindwallen beschermde containers. Dat is dus een groot gebied, dat moeilijk te beveiligen is. Dat kan niet. Wat doen die lui? Die hebben zo’n raket en die gaan ze heel primitief ontsteken en dan richten ze hem uit de losse pols; die kant moet hij ongeveer op gaan. Dit is ook een toevalstreffer geweest. We kunnen ze wel opsporen, maar vaak doen ze er een heel erg lange lont aan - het is een soort vuurpijl - en zien we hem pas komen als hij vertrekt. Dan is de dader al gevlogen.”

Nadat de raket was ingeslagen is een klopjacht gehouden op de hoofddader, aldus de Wereldomroep: ‘Het aanpakken van dit gebied werd in alle haast prioriteit en de jacht op de daders werd geopend. Mullah Qasim wordt eind mei “op de vlucht” gedood door de Australiërs.’

Samenwerking inlichtingendiensten

Op dat moment werd ‘on the ground’ goed samengewerkt. Op hogere niveaus ging er mogelijk rond die tijd - en zeker in de voorgaande jaren – het nodige mis. The Guardian citeert in maart 2009 via WikiLeaks uit een vertrouwelijk rapport uit 2008 van het RAND instituut dat mede gebaseerd is op interviews met hoge Nederlandse militairen. Daar staat in dat tussen de kopstukken van het Australische en Nederlandse leger ‘intens wantrouwen’ heerste. En hun collega’s bij de VS weigerden om militaire inlichtingen te delen met andere geallieerden.

In Kamp Holland waren dertien verschillende geheime diensten uit diverse landen actief die nauwelijks samenwerkten. Een Nederlandse luitenant, Niels Verhoef, gaf in het onderzoek aan dat het combineren van de informatie heel waardevol was geweest. Hij zei: ‘Eén inlichtingendienst wist bijvoorbeeld de locatie van een fabriek waar geïmproviseerde explosieven werden gemaakt en wij zijn er drie maanden langs gereden.’ Dit soort explosieven, Improviced Explosive Devices (IED) in vaktermen, is waar Patrick van den Burg zich mee bezighoudt.

,,Niet samenwerken tussen de diensten, daar weet ik in dit geval niks van. Maar het klinkt me niet onbekend in de oren. Dat is echt overal. Vooral de Amerikanen hebben er een handje van de poot strak te houden. Persoonlijk weet ik daar niets van, dat speelt niet op de werkvloer, dat is vooral op astraal niveau; de sfeer van de generaal en de kolonels, niet de werkvloer. Je hoort natuurlijk wel de verhalen in de wandelgangen, via de verwarmingsbuizen, maar details ken ik daar niet van.”

,,Ik heb het de laatste missie eigenlijk behoorlijk meegemaakt; dat ik gewoon geen info kreeg. Zoals al zei, deed ik de konvooi-operaties in Uruzgan. Op een gegeven moment was er een konvooi gepland naar Kandahar. Alle info van de grens tot Kandahar had ik. De info van de grens van Kandahar tot onze eindbestemming in Kandahar, daarover kreeg ik bijna geen informatie.

Ik moest, zoals altijd, een analyse maken van de route en dat doe je aan de hand van de informatie die je krijgt. Bijvoorbeeld ook over incidenten die er recentelijk geweest zijn. En over dat deel kreeg ik toen heel weinig informatie.”

Hij zegt het niet, maar de implicaties zijn duidelijk: doordat deze strategisch belangrijke informatie vanuit het hoofdkwartier in Kandahar niet werd verstrekt, heeft het Nederlandse konvooi die dag een onnodig hoog veiligheidsrisico gelopen. En dat terwijl rond die tijd (20 maart) een bermbom even buiten Kandahar zorgde voor vier doden en acht gewonden onder Canadese militairen.

Amerika had destijds te weinig mankracht voor goed militair management van Kandahar, stelt The Washington Post. Maar bondgenoten zouden toch als eerste gesteund moeten worden, hoor je Patrick van den Burg denken.

Politiemissie grote uitdaging

De nieuwe Nederlands missie voor Afghanistan is eind januari voorbereid tijdens het Strategic International Afghan National Police (ANP) Development Symposium op de NATO-basis in Brunssum. Na vervolgens de nodige discussie in de Tweede Kamer, werd besloten dat er 545 mensen worden gestuurd voor een opbouwmissie. Dit zou een breuk zijn met de eerdere missies. Op de website van de basis in Brunssum wordt dan ook nadrukkelijk gemeld dat de laatste Nederlands militair Afghanistan begin februari dit jaar heeft verlaten.

Nederland levert 225 politietrainers. Zij gaan naar de plattelandsprovincie Kunduz en naar de hoofdstad Kabul. Als het nodig is, moeten ze de agenten-in-opleiding van de Afghan National Police (ANP) ook beschermen. Aanvullend zijn er 125 ‘ondersteunende militairen’ bij die dat klaarblijkelijk full time doen. Dus er zijn zeker 350 militairen die mogen terugvechten als dat nodig is.

De rest van de missie bestaat uit specialisten, waarvan de taken niet bekend zijn, en 120 man ondersteunend personeel. En alles wordt beschermd door het Duitse leger, dat het in de regio voor het zeggen heeft bij de geallieerde troepen.

Op de site van de Allied Joint Force Command in Brunssum staan klinkende cijfers. Het afgelopen jaar zouden in heel Afghanistan 9.900 Afghaanse agenten zijn opgeleid en er zouden nu 14.000 aan het programma deelnemen. Daarbij zijn intussen 568 inheemse instructeurs betrokken.

Een een meer genuanceerd beeld komt naar voren uit een achtergrondartikel uit de New York Review of Books van 13 januari. Volgens journalist Ahmed Rashid zijn er nu 109.100 politiemensen in Afghanistan en 134.000 Afghaanse veiligheidstroepen. Hij schrijft dat het personeel van het Afghaanse leger jaarlijks een uitvalspercentage heeft van 24 procent (’the attrition rate’). 86 procent van de soldaten is ongeschoold en drugsgebruik is een wijdverspreid probleem.

Ahmed Rashid: ‘Met de Aghaanse politie is het zelfs nog erger. (…) Dat wordt geteisterd door basale incompetentie, analfabetisme en corruptie, waardoor het creëren van een politiemacht een gigantisch probleem vormt. Hoewel 80 procent van de eenheden samenwerkt met NATO-eenheden, is geen enkele Afghaanse eenheid in staat om in het veld zelfstandig te functioneren. Afghaanse troepen zijn alleen in Kabul de baas, maar voornamelijk doordat er een aanzienlijke krijgsmacht van de NATO aanwezig is.’

Het lijkt er dus op dat de Nederlandse militairen in Afghanistan een behoorlijke uitdaging te wachten staat. Voor Patrick van den Burg is het nu even genoeg. Hij gaat dit keer niet mee en concentreert zich liever op zijn werk als docent om alle kennis en ervaring over te dragen. En natuurlijk op zijn gezin. Want zijn vrouw en kinderen hebben hem, met vijf missies, al veel te vaak en veel te lang moeten missen.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje in Sittard.)

Comments Off

admin op 13 February 2011 in Politiek & Media

Stadsvos: urban legend of toekomstbeeld?

De vos wordt steeds vaker in stedelijk gebied gesignaleerd. Staat de stadsvos voor de deur? Of is het een urban legend waarvoor vrijwel elke onderbouwing ontbreekt? En hoe gevaarlijk en schadelijk is de vos eigenlijk?

In juni was er commotie rond een vos die een paar keer op bezoek kwam in het zwembad in Meerssen. Ook in Roermond, Nijmegen en in Den Haag zijn de afgelopen paar jaar diverse malen vossen in verstedelijkt gebied waargenomen.

Het kan zijn dat de vos bezig is aan een opmars naar verstedelijkt gebied omdat hij vlucht voor jagers in het buitengebied. Een andere en waarschijnlijk meer plausibele uitleg, is dat er steeds meer gebouwd wordt in het gebied van de vos, waardoor de vos vaker in stedelijke gebieden wordt gezien; de territoria van de mens en de vos gaan (meer) overlappen.

Uit zenderstudies, waarbij vossen met een peilzendertje worden uitgerust om hun bewegingen te volgen, blijkt echter dat vossen stedelijk gebied meestal mijden. De waarnemingen van stadsvossen de afgelopen jaren, die waarschijnlijk mede komen door een extra alertheid op basis van aandacht in de media, zouden dan incidenten zijn. Maar er zijn cijfers uit Den Haag die op het tegendeel lijken te wijzen.

In een zenderstudie in 2000 naar vossen in het duingebied Meijendel, bij Den Haag en Wassenaar, werden relatief veel vossen in stedelijk gebied waargenomen, aldus dr. Femmie Kraaijeveld-Smit. Zij is beleidsmedewerker in het wild levende dieren van de landelijke Dierenbescherming in Amsterdam.

Cijfers van de Dierenambulance in Den Haag wijzen erop dat in 2008 en 2009 het grootste aantal vossen sinds 1992 werden opgehaald (respectievelijk 50 en 37 stuks per jaar). ,,Het is niet duidelijk op basis van deze cijfers of mensen ook meer vossen in stedelijk gebied waarnemen, maar waarschijnlijk is er wel een verband”, stelt Henny Greven van Dierenbescherming Den Haag.

Toch lijkt het wat te voorbarig om te concluderen dat de stadsvos aan een snelle opmars bezig. Als het al gaat om een werkelijke ontwikkeling, dan is het vermoedelijk een zeer geleidelijke die tientallen jaren in beslag neemt.

De eerste meldingen van vossen in randstedelijke gebieden in Nederland dateren van eind jaren tachtig, begin jaren negentig. Toen kwamen vossen regelmatig in het nieuws doordat ze het in diverse landsdelen gemunt hadden op sier-eenden in de tuinen van particulieren. Ook hier geldt dat een reeks incidenten via de media snel kunnen uitgroeien tot een structureel verschijnsel. Tegenwoordig lees je bijna nooit meer iets over door vossen gemolesteerde sier-eenden.

In het buitenland speelt het verschijnsel van de stadsvos al langer. Steden als Brussel, en in mindere mate Gent, hebben sinds enkele jaren een zekere vossenpopulatie. Met name in Brussel speelt het probleem. Daar is enkele weken geleden nog een vos uit een groot winkelcentrum verwijderd.

In Groot-Brittannië, waar de eerste meldingen dateren uit de jaren dertig, zijn sinds de jaren zeventig maar liefst veertig steden met stadsvossen. Dit onderstreept de veronderstelling dat het gaat om een langzame ontwikkeling die (deels) gekoppeld is aan de verstedelijking.

Vossen worden alom gevreesd vanwege de verhalen die over hen de ronde doen. Met name het roofgedrag (gericht op kippen en weidevogels) wordt veel genoemd. Sinds medio vorige eeuw kwam daarbij de angst voor hondsdolheid, een ziekte die ook voor mensen gevaarlijk is.

Om deze redenen - en om het aantal vossen vanwege het ontbreken van een natuurlijke vijand in omvang te beheersen - worden jaarlijks in Nederland zo’n twintigduizend vossen afgeschoten. Desondanks neemt de populatie licht toe, blijkt uit gegevens van de Wildbeheereenheden (WBE’s) uit 2008 en het Compendium voor de Leefomgeving.

Femmie Kraaijeveld-Smit: ,,Dat is interessant, aangezien vossen tot 2002 bejaagd mochten worden, daarna heel even niet, maar sinds 2005 – onder bepaalde voorwaarden – weer wel en er sinds die tijd eigenlijk alleen maar vossen bij zijn gekomen. Met andere woorden; afschot leidt niet tot een afname in aantal”, iets wat diverse wetenschappelijke studies al meermaals hebben aangetoond.

Als voornaamste reden voor afschot wordt het tegengaan van de roof van kippen en weidevogels genoemd, stelt Femmie Kraaijeveld-Smit. ,,Het is maar zeer de vraag of dit echt wel zo werkt.

Weidevogels staan onder druk door nog veel meer dingen dan vossen; veel andere soorten roofdieren, veranderingen in agrarische werkwijzen, zoals het verlagen van de waterstand en te vroeg maaien en de klimaatverandering (het wordt in Nederland te warm en te nat). Alleen de vos weghalen gaat de grutto niet redden.”

Frederik Thoelen, bioloog van het Vlaamse Natuurhulpcentrum in Opglabbeek: ,,Vaak wordt aangehaald dat vossen zorgen voor een enorme afname van weidevogels en zeldzame zoogdieren als bijvoorbeeld hamsters. Uit wetenschappelijk gestaafd onderzoek blijkt dit heel goed mee te vallen, en zijn de problemen absoluut niet zo groot als (meestal door jagers) beweerd wordt.”

Met het bloeddorstige karakter van het dier valt het volgens hem ook wel mee: ,,Vossen zouden voor hun plezier kippen doodbijten. Deze bewering is uiteraard fout. Vossen zijn roofdieren die, net als alle andere dieren, willen overleven. Wanneer ze in een slecht beveiligd kippenhok terecht komen, gebeurt het vaak dat ze alle kippen doodbijten.

Dit heeft niets te maken met bloeddorstigheid, maar met het feit dat de dieren vluchtgedrag vertonen, waardoor de vos ze instinctief gaat afmaken, iets dat bekend staat als “surplus-killing”. Bovendien is dit makkelijk te vangen voedsel waar de vos een hele tijd mee verder kan. Het zou stom zijn om hier niet van te profiteren.”

Dus voor het redden van de grutto hoeven we de vos niet af te schieten. En voor houders van kippen is het zaak om te zorgen voor een goed hok, met stevig gaas en tegels er omheen, dan is de vos ook geen probleem. ,,Dit zijn de enige doeltreffende oplossingen”, aldus de Vlaamse bioloog.

,,Stel dat de jagers negenennegentig van de honderd vossen afschieten en die ene overblijvende vos passeert een slecht kippenhok, dan zal die vos evengoed de kippen pakken. (…) We vinden het jammer dat jagers altijd de oplossing zien in schieten, terwijl er diervriendelijkere en efficiëntere alternatieven zijn.”

De vos brengt tegenwoordig wel een ander gevaar met zich mee, aldus Femmie Kraaijeveld-Smit. ,,De vossen in het oostelijk deel van Nederland, dus ook in Limburg, kunnen een lintworm met zich meedragen die op de lange termijn (vijftien jaar) dodelijk kan zijn. Dit verschijnsel verplaatst zich geleidelijk naar het westen.”

Toch is er geen reden tot paniek: ,,Eet geen ongewassen fruit en groente dat laag bij de grond wordt geteeld. En was je handen als je in de tuin hebt gewerkt of draag handschoenen.”

Maar wat als je een vos tegenkomt? ,,De deskundigen zijn er niet over uit hoe de overdracht van vos naar mens precies verloopt. Ik was laatst op een congres waar gezegd werd dat dit advies, handen wassen, nergens op gebaseerd is. Eén specialist dacht dat de route vos - hond – mens veel waarschijnlijker is. Dus dat de transmissie vooral voorkomen kan worden door niet te veel te knuffelen met je hond en niet in aanraking te komen met zijn uitwerpselen. Eerlijk gezegd klinkt dit advies ook logischer. Het is aangetoond dat honden de worm bij zich dragen. Daarbij komt ook nog eens dat een groot percentage van de mensen dat besmet raakt niet eens ziek wordt (ze zijn immuun).”

In Vlaanderen komt deze lintworm bij vossen overigens niet voor. Bij een screening van tweehonderd vossen in 2007 en 2008 werd deze parasiet bij geen enkele onderzochte vos gevonden. De reden hiervan is onduidelijk. Toch blijkt waakzaamheid natuurlijk altijd geboden.

In Limburg zijn met name in Zuid-Limburg veel vossenburchten geteld tijdens de nationale inventarisatie van de Wildbeheereenheden in 2008. Deze vossenpopulatie hoort met nog drie andere in het zuidoosten tot de grootste in Nederland.

Het gedrag van de Limburgse vossen, zoals het exemplaar dat afgelopen zomer een paar keer een bezoek bracht aan het zwembad in Meersssen, is tussen 2005 en 2006 met zenders onderzocht door vossendeskundige J. Mulder. Hij voerde eerder het hierboven aangehaalde onderzoek uit naar het voorkomen van vossen in de duinen bij Den Haag.

Mulder volgde in Zuid-Limburg vijf vossen met een zender in het kader van onderzoek naar de korenwolf. Op basis hiervan schatte hij dat er in het kerngebied in Zuid-Limburg ongeveer vier vossen per vierkante kilometer voorkomen. In dat gebied vinden 1,5 worpen per jaar plaats met gemiddeld uit 5,1 jongen. De gemiddelde grootte van het leefgebied is 65 vierkante kilometer.

Opvallend was dat alle gevolgde vossen de bebouwde kom meden. Bij afwezigheid van verdere meldingen van vossen in stedelijk gebied sinds afgelopen zomer, ligt het dan ook voor de hand om te veronderstellen dat de jonge ‘zwembadvos’ in Meerssen een verdwaalde avonturier was. Of was het toch de voorbode van een invasie aan stadsvossen? De tijd zal het leren.

Argumenten tegen de vossenjacht:

Vossen vangen woelmuizen die meer economische schade aanbrengen dan de vos.
Het doden van een vos leidt tot een aanzuigende werking van andere vossen en daarmee tot verspreiding van ziekten.
Hondsdolheid, waarvan de vos een overbrenger is, kan in Nederland via vaccinatie effectief worden bestreden.
Kippenhouders kunnen hun dieren met een goed hok beschermen.
Vossen doden in een natuurlijke omgeving niet meer prooidieren dan ze nodig hebben.
Jacht op vossen door mensen is onnatuurlijk en verstoort het ecosysteem.
Er zijn veel meer factoren dan vossen die de weidevogels bedreigen.
De vos staat aan de top van de voedselpiramide en heeft in Nederland geen natuurlijke vijand. De lynx en de wolf zullen incidenteel een vos pakken, maar het verkeer zorgt voor meer slachtoffers.
Bij afwezigheid van een natuurlijke vijand bepaalt de hoeveelheid prooidieren, ziekten en nestgelegenheid de omvang van de populatie vossen.

Argumenten voor de vossenjacht:

Vossen kunnen allerlei ziektes met zich meedragen, zoals hondsdolheid en lintwormen.
De vos doodt meer dieren dan hij nodig heeft als voedselvoorziening. Denk aan weidevogels, kippen, konijnen en fazanten.
De afschot van vossen beschermt weidevogels.
De menselijke jager vervangt de natuurlijke vijanden van de vos, namelijk de wolf en de lynx. Daardoor blijft de populatie op peil.

(Dit verhaal verscheen in het blad van Dierenbescherming Limburg)

Comments Off

admin op 5 November 2010 in Politiek & Media

Dromend van dierenwelzijn zie ik…

Dierenbescherming Limburg realiseert samen met zakelijke en sociale partners een in Nederland uniek centrum voor dierenwelzijn (DWC). Dat centrum van ongeveer 7 miljoen euro is gepland vlakbij Kasteel Limbricht, op een spreekwoordelijke steenworp afstand van de Sittardse wijk Hoogveld.

Het concept is doordacht en vernieuwend, maar niet iedereen is even enthousiast over de voorgenomen locatie. De gemeenteraad beslist binnenkort over wijziging van het bestemmingplan. De coalitie is voor, de oppositie tegen. Diverse maatschappelijke organisaties hebben al een ‘njet’ laten horen. Het actiecomité DWC NEE kondigde onlangs aan om tot bij de Raad van State te strijden tegen de komst van het centrum. Er zou sprake zijn van onbehoorlijk bestuur.

De bouw van het centrum, een one stop shop-project op een terrein ter grootte van enkele voetbalvelden, start in 2011. Althans, dat is de bedoeling. Er zijn al diverse grote marktpartijen die zich als partner aan het innovatieve centrum hebben verbonden, zoals diervoerdergigant Royal Canin en supermarktketen Albert Heijn. Ook onderwijsinstellingen als het Citaverde College, de Hogere Agrarische School en de Universiteit van Wageningen hebben zich al gecommitteerd. Met DSM worden op dit moment serieuze gesprekken gevoerd en ook iemand als gedeputeerde Noël Lebens is enthousiast over het concept van het DWC, al is hij niet gelukkig met de voorgenomen locatie. Hij voorziet een spin off die een positieve weerslag heeft op de regio Sittard-Geleen en Limburg als geheel.

Cradle-to-cradle

In het centrum, te bouwen volgens het cradle-to-cradle principe, wordt synergie bereikt door diverse partijen samen te brengen rond het thema dierenwelzijn. Zo komen er opvangfaciliteiten, wordt er hoogwaardige medische zorg geboden en is voorzien in onderzoeks- en voorlichtingsprogramma’s voor verbetering van het dierenwelzijn. De organisatie erachter wordt gerund als een middelgrote onderneming. Is dat niet vreemd voor de dierenbescherming? Nee, vindt projectleider Reineke Hameleers, tevens directeur van Dierenbescherming Limburg: ,,We zijn als dierenbescherming een ideële instelling. Maar als je zo’n groot en ambitieus centrum wilt opzetten, moet je het professioneel doen of je moet het niet doen. En de eventuele meeropbrengst van het centrum gaat naar activiteiten waarvoor we anders als vrijwilligersorganisatie niet genoeg geld zouden hebben.”

Berlijn als voorbeeld

Aan de basis ligt een businessplan, gebaseerd op uitgebreid marktonderzoek. ,,Een belangrijke inspiratiebron is een dierencentrum in Berlijn, dat in 1999 voor omgerekend voor 60 miljoen euro is gerealiseerd. Het is gebaseerd op het one stop shop-idee en er is heel vernieuwende architectuur toegepast, dat willen wij ook.” Aanvullend is onderzoek gedaan naar centra in Engeland en Amerika, vertelt de projectleider. Het multifunctionele concept blijkt daar ook goed te werken.
De voorbereiding is illustratief voor de zakelijke werkwijze van Reineke Hameleers: ,,We gaan ons project ook heel professioneel aanvliegen. De realisatie wordt op dit moment voorbereid via vier deelprojecten, geleid door een stuurgroep waarin diverse disciplines vertegenwoordig zijn.”

‘Dit is mijn droom’

Zelf zorgt ze voor de coördinatie. De organisatiedeskundige is bevlogen en ondernemend. Reineke Hameleers: ,,Het is mijn droom, mijn ambitie om dit centrum waar te maken. Toen we hiermee begonnen, waren er binnen de dierenbescherming genoeg mensen die zeiden: ‘Het klinkt geweldig, maar is dit allemaal niet wat te hoog gegrepen voor ons?’ Als je ziet hoe ver we nu zijn, durf ik rustig te zeggen: We kunnen het en gaan het dierenwelzijnscentrum samen met onze partners tot een succes maken!”

Tegenstand groeit

Niet iedereen is zo positief. Tijdens een informatiebijeenkomst in het gemeenschapshuis van Limbricht op 6 september, georganiseerd door het dorpsplatform, bleek dat er behoorlijke weerstand is. De vertegenwoordigers van Dierenbescherming Limburg en Grontmij kregen het toen en ook op latere bijeenkomsten zwaar te verduren. Zo is daar bijvoorbeeld het Actiecomité DWC NEE!, dat vreest voor overlast van geluid (opvang van honden en katten op tweehonderd meter van de bebouwde kom) en verkeersoverlast (met name van verkeer uit het zuiden door de kern Limbricht en veel verkeersbewegingen in het weekend). Voor dat laatste is de voorgestelde verbreding van de Allee met grastegels geen echte oplossing, zegt woordvoerder Reinier Voogd. Ook zou met de komst van dit centrum de eeuwenoude en cultuurhistorisch waardevolle omgeving met Kasteel Limbricht en het Salviuskerkje worden aangetast, vindt het actiecomité.
Andere bezwaarmakers zijn de Stichting Graetheide, Cavia-opvang Limbricht, Vereniging Probus, de Heemkundevereniging, Dierenopvang Westelijke Mijnstreek, Stichting Milieufederatie Limburg, IVN Born en Land van Swentibold. Verder hebben nog krap zeshonderd huishoudens uit Limbricht via een enquête aangegeven tegen te zijn.

‘Wat Limbricht wil’

De politiek is verdeeld. De oppositie in Sittard-Geleen is niet enthousiast. D66, de SP, de SGB, de VVD, Trots en TON hebben zich tegen het plan uitgesproken, overigens met ongeveer dezelfde argumenten als het twaalfkoppige comité. De coalitie is voor, maar wethouder Pieter Meekels, die namens het GOB in het college zit, houdt een slag om de arm. Hij zou 12 oktober hebben gezegd tijdens een bijeenkomst van het dorpsplatform dat als de bevolking van Limbricht tegen is, het DWC niet aan de Allee komt.

Reinier Voogd gaat met zijn comité sowieso actie ondernemen: ,,De gemeentelijke procedure is in strijd met de wet gevoerd. Volgens ons is sprake van onbehoorlijk bestuur en wij zijn als comité bereid om elk besluit tot bij de Raad van State aan te vechten.” Het comité vindt onder meer dat de gemeente niet zorgvuldig is geweest door de bevolking pas heel laat te informeren en doordat een aantal alternatieve locaties onvoldoende zou zijn onderzocht. Ook zou er geen brede en eerlijke belangenafweging zijn gemaakt bij de besluitvorming.

Veelgestelde vragen

,,De vraag is: waarom willen ze het centrum nu juist hier bouwen? Ze hadden op veel plekken in Limburg terecht gekund! Bovendien hadden ze beter vooraf overleg met de bevolking kunnen voeren. We hebben de woordvoerster van Dierenbescherming Limburg ook meerdere malen uitgenodigd, ook voor de tv, maar ze komt gewoon nooit”, aldus Reinier Voogd van het comité. ,,Ook op onze vragen wordt geen antwoord gegeven.” Volgens Saskia Thijssen, woordvoerster van Dierenbescherming Limburg, wordt overleg gevoerd met de gemeente. Daarnaast is er overleg met Dorpsplatform Lömmerich en met de voor dit project op advies van het Dorpsplatform door Dierenbescherming Limburg geformeerde klankbordgroep. ,,Dat is voldoende omdat deze organisaties een goede vertegenwoordiging van de bevolking vormen.”

Met het Actiecomité DWC NEE! is geen contact. Volgens Saskia Thijssen zijn veel van de bezwaren van het comité gebaseerd op ‘onvoldoende kennis van zaken’. In dat kader verwijst ze naar de projectwebsite en het kopje ‘veelgestelde vragen’ op die site. Maar of het comité hierdoor overtuigd raakt? Het comité is strijdvaardig en geeft in een recente nieuwsbrief, naast tal van inhoudelijke argumenten, zelfs een persoonlijke steek onder water richting Reineke Hameleers: ‘Laat de droom van een enkeling niet de nachtmerrie van velen worden!’ Het is duidelijk: de handschoenen zijn uit. De strijd om het DWC bij Limbricht, met als inzet cultuurlandschap en dierenwelzijn, is nu echt begonnen.

NAWOORD

Onder druk van het brede maatschappelijk protest heeft het college medio november eieren voor haar geld gekozen. De procedure voor de vestiging van het DWC aan de Allee werd beëindigd. ‘Het Dierenwelzijnscentrum Limburg komt in het gebied tussen Kasteel Limbricht en Kasteel Wolfrath’, aldus het college in een persbericht. ‘Een aantal beschikbare locaties wordt op dit moment onder de loep genomen. Uiterlijk begin volgend jaar wordt de nieuwe locatie bekendgemaakt.’
Het actiecomité reageerde verheugd. Voorzitter Rob den Rooijen, per mail: ‘Wij zijn zeer blij met dit besluit. De argumentatie voor het besluit is heel helder, namelijk het ontbrekende draagvlak bij de inwoners van Limbricht. Hieruit blijkt des te meer dat eendracht macht maakt. De enige reden dat we geslaagd zijn in onze missie is dat we als inwoners van Limbricht ons verenigd hebben en een duidelijke vuist hebben gemaakt richting de gemeente en Dierenbescherming.’

Niet om de argumenten

Het protest was effectief omdat het krachtig was, niet vanwege de inhoudelijke argumenten, stelt het college. ‘De ruim tweehonderd inspraakreacties die de afgelopen tijd zijn binnengekomen hebben inhoudelijk niet of nauwelijks argumenten opgeleverd om de locatie aan de Allee af te wijzen. Het college meent dat via een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing het dierenwelzijnscentrum ook in de cultuurhistorische omgeving van kasteel Limbricht tot zijn recht had kunnen komen. Ook de toename van het verkeer zou aanvaardbaar zijn en geluid en stankoverlast viel er niet te verwachten. Maar de impact van het gebrek aan draagvlak is voor het college en de Dierenbescherming de belangrijkste reden geweest om gezamenlijk te besluiten de procedure te beëindigen.’

Krokodillentranen

Rob den Rooijen van het actiecomité: ‘We willen nogmaals benadrukken dat wij niets tegen het DWC of de Dierenbescherming als zodanig hebben, maar puur hebben geageerd tegen de vestiging op deze locatie. We betreuren het wel dat vroege signalen over mogelijke negatieve gevolgen voor de inwoners door de gemeente in de wind zijn geslagen. Eveneens betreuren wij het dat de Dierenbescherming geen lering heeft getrokken uit het traject in de Gemeente Stein waar precies hetzelfde gebeurd is en zij nu dus krokodillentranen huilt. Het hele verhaal heeft zowel de gemeente als de Dierenbescherming als ons zelf heel veel tijd en ook geld gekost dat beter op een andere manier besteed had kunnen worden. Met name in het geval van de Dierenbescherming. Maar ja, het zij zo en wij hopen dat een ezel zich niet drie keer aan dezelfde steen stoot. Wij zullen de verdere ontwikkelingen op de voet blijven volgen.’

Comments Off

admin op 29 October 2010 in Politiek & Media