Archief voor de categorie 'Politiek & Media'

Jos Saes: “Bibliotheek meer nodig dan ooit”

Onlangs nam Jos Saes na veertig jaar afscheid als directeur van de Bibliotheek Bibliorura. Portret van een man die liever op de achtergrond blijft.

“Jos Saes, dat ìs de bibliotheek Roermond”, zegt een medewerkster die jarenlang nauw met hem heeft samengewerkt. Ze schetst Saes als een directeur met visie, open, eerlijk, direct en met oog voor de inhoud. “Geen groot ego, hij werkt liever in de luwte, maar wel iemand die altijd vocht voor zijn bibliotheek.”

In veertig jaar zag Jos Saes Roermond van ingedut plattelandsstadje uitgroeien tot internationale winkelmagneet. Sociaal-culturele, politieke en technologische veranderingen, verhuizingen, fusies en reorganisaties; het kwam op zijn pad. En hij heeft het allemaal overleefd.

Hij zag bestsellers fonkelen en verdwijnen, schrijvers komen en gaan, en trends opvlammen en uitdoven. Binnenkort draagt hij de organisatie met een gerust hart over aan zijn opvolgster. De organisatie is efficiënt, het team is hecht, er ligt een heldere en goed onderbouwde visie, en de Bibliotheek Bibliorura is goed ingebed in de maatschappij. Maar dat ging niet vanzelf.

De verhuizing in 2000 naar de Neerstraat was voor Jos Saes, die in 1980 directeur werd, professioneel het meest ingrijpend.

“In 1976, toen ik begon, zaten we samen met het CK-Theater in De Oranjerie. Tot Van der Valk erin wilde. Wij hadden een contract tot 2010. Bij de gemeente hebben we toen een nieuwe locatie en een noodhuisvesting bedongen; de voormalige RAM Garage aan het Wilhelminaplein, waar later de Action in heeft gezeten.

We kregen subsidie voor verhuizing naar de garage, maar voor de rest moesten we alles zelf uitzoeken. Ik zie ons nog door dat gebouw gaan om met krijt op de vloer aan te gegeven waar de internetaansluitingen moesten komen.

Gevecht om brasserie

De verhuizing naar de Neerstraat en de verbouwing zijn tien jaar voorbereid. Het zorgde voor felle maatschappelijke en politieke discussies, onder meer over het spreidingsbeleid en de maatschappelijke rol en functie van de bibliotheek.

De meningen over wat de bibliotheek zou kunnen zijn, veranderden in die periode gestaag. We werden door de gemeente steeds meer gezien als een zakelijke partner. Voor die tijd was het eerder een beetje als de bedeling.

Ik was adviseur van de gemeente voor dit gebouw, daardoor hebben we dingen kunnen realiseren die niet voorzien waren. Zo kwamen we erachter dat er een vergader-/tentoonstellingsruimte nodig was.

En we wilden een brasserie met terras. Dat is een heel gevecht geweest. Zoiets werd toen nog niet geassocieerd met een bibliotheek. Het was pas een jaar of tien later dat hippe boekwinkels koffiehoeken kregen.

Door de brasserie kwamen er later soms klachten als: ‘Als ik hier een boek zit te lezen, ruik ik het eten.’ Ik dacht dan: Wat maakt dat nou uit!

Voor de verbouwing hebben we zeker tien tekeningen op tafel gehad. Er waren dan ook nogal wat uitdagingen.

Het gebouw bestaat uit een gerenoveerde voorbouw met een nieuwe achterbouw. De achterbouw heeft geen directe verbinding met het straatniveau. De architect, Han Westelaken, heeft dit opgelost door de verdiepingen in de achterbouw los in de ruimte te plaatsen.

Gebouw van de bevolking

Het is nu een hartstikke mooi gebouw, en nog belangrijker: het is een gebouw van de bevolking. Je mag er ook gewoon praten, want er zijn hier genoeg luwteplekken voor als mensen stilte zoeken.

En iedereen is welkom, lid of geen lid. Ouderen lezen er de krant, studenten maken hier op de computer hun werkstukken, en soms zitten hier ook zwervers. Mijn insteek: je bent welkom als je je fatsoenlijk gedraagt. Wij willen niemand buitensluiten.

De bibliotheek was begin jaren ‘70 toch nog vooral een bibliotheek voor de gegoede burgerij. In de jaren ‘80 veranderde dat. Nu is de bibliotheek een ontmoetingsplaats voor iedereen op het kruispunt van kennis, contact en creativiteit. Daarnaast is er natuurlijk internet.

Maar ook dat is niet heilig. Met de opkomst van e-books en snel internet waren diverse politici overtuigd dat de bibliotheek overbodig was geworden. Dat is dus niet zo. Misschien is er door de enorme hoeveelheid beschikbare informatie juist nu wel meer behoefte dan ooit aan onderzoek, duiding en inspirerende locaties om samen te komen.

Neem bijvoorbeeld de geschiedenis. Veel jongeren denken: dat is voorbij, maar het leeft nog steeds. Dat merkten we bijvoorbeeld aan de belangstelling voor onze tentoonstelling over de tijd van Napoleon Bonaparte. Veel moderne staten zijn gebaseerd op inzichten uit die tijd.

Verder vervult de bibliotheek een belangrijke rol bij leesbevordering en het tegengaan van laaggeletterdheid. Dat doen we onder meer via ons succesvolle programma voor de schoolbibliotheken en de doorgaande leeslijn.

Lezen is leuk en nuttig. Het is een cruciale vaardigheid om je te kunnen redden in deze samenleving.

Ook het lezen van romans is daarbij belangrijk, dat weten veel mensen niet; daarvan ga je genuanceerder denken. Ook word je in romans geconfronteerd met een breed palet aan emoties en manieren om daarmee om te gaan. Zo kom je op een andere manier in het leven te staan.

Zelf houd ik van Russische schrijvers als Boris Pasternak en Ivan Boenin, mijn lievelingsschrijver. Een persoonlijke favoriet is ‘Portret van een man’ van Jens Christian Grøndahl, maar veel mensen vinden hem misschien niet zo bijzonder hahaha. Ik kan ook genieten van ‘Het verhaal van Ferrara’ van Giorgio Bassani. ‘De graaf van Montecristo’ van Alexandre Dumas vind ik ook een prachtig boek.”

Snijden in eigen vlees

Zo’n tien jaar na de verhuizing van de bibliotheek naar de Neerstraat, tussen 2010 tot 2013, ontstond een situatie die Jos Saes persoonlijk het meest heeft geraakt. Met het spreekwoordelijke gouden horloge in zicht, moest hij fors snijden in eigen vlees.

“Er was te weinig geld in de maatschappij. Roerdalen wilde de bibliotheken in de eigen gemeente sluiten, want het was te duur om ze open te houden. Zeker omdat de kwaliteitsvraag in een dorp dezelfde is als in de stad - daar vergissen mensen zich vaak in.

We hebben toen ingezet op de schoolbibliotheken en dat heeft achteraf heel goed uitgepakt. De bevolking was eerst hartstikke kwaad, maar de ontwikkelingen gaan door. Het is net als met de flappentap in de dorpen; iedereen vindt het vervelend dat hij verdwijnt, maar de meesten pinnen rechtstreeks bij de winkels in de stad.

Met onze organisatie moesten wij van ruim 40 naar ongeveer 20 medewerkers. Ik heb veel mensen moeten ontslaan en dat heeft er ingehakt. Ook persoonlijk. Niemand wil mensen ontslaan.

In die tijd heb ik een TIA gehad, een voorbijgaande beroerte. Bij het onderzoek bleek dat ik eerder al diverse herseninfarcten heb gehad. Het advies was om het rustig aan te doen.

Iedereen die zoiets meemaakt, gaat anders nadenken over wat hij wil. Je gaat anders leven.”

Jos Saes dacht aan de mooiste momenten in zijn leven. Zijn gezin, de mensen die hij heeft ontmoet. Over het belang van werk, zijn werk. Lekker eten en drinken. De bijzondere plaatsen die hij heeft bezocht, zoals het eiland Sark en zijn geliefde Frankrijk. En natuurlijk dacht hij aan de jaren die nog komen.

Marktpartijen hollen bieb uit

Ook professioneel maakte hij de balans op. In een notitie heeft hij laten beschrijven waar de Bibliotheek Bibliorura voor staat, wat de kansen en bedreigingen zijn, en hoe de beste strategie voor de toekomst eruit ziet. Het stuk heeft pamflettistische trekken en ademt een onverschrokken strijdbaarheid; tot hier en niet verder!

“Met deze notitie willen we het team, dat een onzekere periode achter de rug heeft, houvast geven voor de toekomst. Ook leggen we zo aan derden als de gemeente uit wat we doen en waarom dat toegevoegde waarde heeft, bijvoorbeeld in vergelijking met marktpartijen.

De marktpartijen die nu in de bibliotheekwereld opereren, geven je een ouderwetse bibliotheek terug. Dus zonder de complexe meerwaarde die wij bieden. Dan kan ook niet, want anders zouden zij geen winst maken. Ze melken een bestaand concept uit en daarna blijft de gemeenschap achter met het gat.

Dan hebben wij het in Roerdalen toch beter gedaan. Niet alleen zijn gemeente en scholen heel tevreden over het project met de schoolbibliotheken, we hebben ook voortdurend constructief overleg als ze iets willen veranderen. Dat is heel fijn. Ook in Roermond hebben we een uitstekende samenwerking met de gemeente.

Kortom: de organisatie is klaar voor de toekomst, en ik ben klaar om ermee op te houden. Wat ik ga doen als ik met pensioen ben? Het eerste half jaar ga ik helemaal niks doen hahaha.

Nou ja, mijn tuin uitbouwen; ik heb een cottage tuin. Engelse tuinen, die vind ik geweldig. Een tuin met vier geweldige lindenbomen erin, heb ik. Daar ga ik me heerlijk aan wijden. Daarna zie ik wel verder.”

Geen Reacties »

admin op 31 March 2016 in Boek & Meer, Politiek & Media

Wantrouwen regeert niet, kortzichtigheid is koning

Mo Prins schreef onlangs voor de GPD het artikel “Wantrouwen Regeert”. Ik denk dat het wel meevalt en dat wij Nederlanders wat vaker onder onze kaasstolp uit moeten komen. Mijn opmerkingen heb ik gegoten in de vorm van een fictieve dialoog met de schrijfster.

MP: Wetenschappers spreken elkaar tegen.
JdW: Dat is inherent aan de wetenschap.
MP: En er zitten boeven tussen die frauderen.
JdW: Dat is zo in elke beroepsgroep.
MP: Voedingsproducenten spreken niet altijd de waarheid.
JdW: Dat is waar de leugen tegen de marketing schuurt. Niets nieuws. Denk aan Haarlemmer Olie.
MP: Politieke personen en partijen voeren niet precies uit wat ze beloven tijdens verkiezingen.
JdW: We leven niet in een dictatuur. Dit politieke stelsel, met coalities en compromissen, bestaat ook al een tijdje.
MP: Justitie maakt fouten.
JdW: Dat is zo in elke beroepsgroep.
MP: De financiële sector deugt niet.
JdW: De bank is een ondernemer. De rijken die geld in bruikleen geven worden daardoor rijker en de armen lenen daarvan en betalen zich zo armer. Zeker al sinds de vroege middeleeuwen.
MP: In de zorg worden fouten gemaakt en specialisten hebben verschillende meningen.
JdW: Fouten: Dat is zo in elke beroepsgroep. Meningen: Zie mijn eerdere opmerking over wetenschappers.
MP: Quote Piet-Hein Donner over vertrouwen.
JdW: Donner heeft het mis. Het verzekeringswezen en de maffia (vaak vergeleken met een familie) draaien juist om vertrouwen. We begrijpen de wereld achter de gepresenteerde cijfers niet en vertrouwen de verkoper (van verzekeringen). De maffia draait intern om vertrouwen (en angst).
MP: Er ontstaat een Droste-effect met controleurs vanwege het chronische wantrouwen.
JdW: Niets mis mee, zolang dat niet leidt tot een onwerkbare bureaucratie en/of een afschuifcultuur.
MP: Wantrouwen regeert.
JdW: Misschien. Als dat zo is, komt dat vermoedelijk doordat de burger het vertrouwen in zichzelf is kwijtgeraakt (door structurele en sociaal-culturele veranderingen en meer beschikbare informatie). Zelfvertrouwen lijkt me een voorwaarde voor het vertrouwen van anderen en dus voor een bevredigend sociaal leven. In wisselwerking groeit vervolgens het vertrouwen in jezelf en anderen.

Comments Off

admin op 6 January 2015 in Politiek & Media

‘Hoeveel ik ook van Booster houd, het blijft een auto’

Op de weg kunnen ze je bijna niet ontgaan, de gepimpte auto’s. Opgetuigd en opgevoerd, zijn ze vaak het resultaat van maanden en soms jaren werk van fervente autoliefhebbers als Cor Verhees uit Sittard.

Zolang er auto’s zijn, wordt eraan gesleuteld om ze sneller en / of mooier te maken. In Nederland is het tunen (sneller maken) en stylen (versieren) van auto’s intussen een verslavende hobby voor (tien)duizenden mensen, voornamelijk mannen.

Was vroeger een nieuwe set wieldoppen, andere spiegels, een sportstuur en een spoiler al heel wat, tegenwoordig gaan de meeste sleutelaars een stuk verder.

Een stadsauto of kleine middenklasser kan met cosmetische ingrepen uitgroeien tot een gestroomlijnd racemonster. Bijvoorbeeld met verbrede wielkasten, verlaging, kuipstoeltjes en / of een fraaie bumper.

Het stylen heeft ook invloed op de rijprestaties. Die kunnen worden verbeterd met bijvoorbeeld een luchtinlaat, chiptuning (de computergestuurde begrenzingen aanpassen), een sportuitlaat, een turbo en een achtervleugel.

Iemand die er alles vanaf weet, is Cor Verhees (45) uit Sittard. Zijn eerste project was een Ford Taunus. “Vijftien centimeter breder gemaakt aan elke kant. Hij moest afwijken van alle andere auto’s.” Werd, zoals Cor zegt, helemaal ‘ge-customized’.

En wel in het voortuintje van hun toenmalige woning in ‘t Veld in Roermond.

Toen volgde een Fiat Innocenti. “Die wilde ik ombouwen tot een pick-up met van die grote wielen; het moest een big foot worden.”

De Fiat eindigde net als de Ford op de sloop. “Als ik er geen lol meer aan heb, dan krijgt niemand er lol aan. De snijbrander erin, in vier stukken.”

De laatste jaren steekt Cor veel tijd in z’n omgebouwde Honda Civic (EJ2). En veel van z’n geld - naar eigen zeggen tienduizenden euro’s.

“Mensen denken wel eens: hoe komt hij aan zo’n dikke auto? Daar zijn behoorlijk wat vooroordelen over, hebben we gemerkt. Er waren hier in de wijk bijvoorbeeld mensen die dachten dat ik een dealer was. Dat stoort me.

Ik rook niet, ik drink niet en we gaan nooit met vakantie. Iedere cent die over is, gaat naar de auto. De auto is ook niet kapot als ik ermee bezig ben. Wanneer hij hier op de oprit staat met de motorkap omhoog, dan ben ik bezig om hem te tunen.”

Af is hij nooit, zo’n auto. Telkens zie je wel wat nieuws dat je wilt proberen of vervangen. “Ik heb nu acht jaar aan deze auto gewerkt en ik blijf eraan veranderen.”

Acht jaar aan één auto sleutelen, ‘alleen het dak en de motorkap zijn nog origineel’; hoe ver gaat dat, die liefde voor deze auto?

“Laatst liep ik naar hem toe. Gaf ‘m een tik op z’n kont: ‘Zo jongen, je wordt weer helemaal geschuurd’. Maar hoeveel ik ook van Booster houd, het is en blijft een auto.”

Jolanda (47) glimlacht. Ze zit afgewend op de bank, kent haar man door en door. Voor haar op de tafel ligt een bergje glimmertjes. Ze ‘pikt’ ze één voor één en doet ze in kleine potjes, kleur bij kleur. Ze is al twintig jaar samen met Cor, en is meegegroeid in zijn hobby. Niet zo vreemd dus, dat op een tafel in de keuken een handjevol kleppendeksels ligt te drogen – ge-airbrushed door Cor.

De gepimpte witte Honda CRZ voor de deur is van Jolanda. “Daar klussen we samen aan”, vertelt ze. “Toen mijn moeder overleed, mijn vader is al eerder gestorven, wilde ik van het geld van de erfenis van mijn ouders iets kopen dat blijvend is. Dat is deze Honda geworden.”

Cor: “En je hebt er de eerste dag ook gelijk een mooie prijs mee gewonnen tijdens een meeting.”
Dat was mooi, maar een grapje op z’n tijd moet ook kunnen, vindt Jolanda. “Toen Cor nog vrachtwagenchauffeur was, kwam hij op een dag thuis. Hij dacht: Hee, mijn auto staat andersom. Had ik de achterlampen verwisseld hahaha.”

Cor nam onlangs ‘wraak’, samen met zijn nieuwe werkgever, de eigenaar van een schadeherstelbedrijf. Jolanda: “Kom ik ’s ochtends naar beneden, heeft mijn auto ineens roze velgen!”
En? “Ik ben hem gelijk om de nek gevlogen.”

Cor: “Ze hebben weleens commentaar op mijn auto, zo van: ‘tupperware’ of ‘bumperbak’, maar zo’n VW Golfje trek ik er zo uit.

Staan we voor het stoplicht en dan zie je ze denken: die gaan we eens even smoken, het licht uit de ogen rijden. Maar als we dan gaan rijden, zijn zij de jankende partij.”

De Honda Civic had 102 pk en een motor van 1,5 liter, Booster heeft een motor van 2,2 liter en een vermogen van 230 pk. “Zelfs met een turbo, ik heb geen turbo, kunnen ze me vaak niet inhalen. Dat is nog nooit voorgekomen. Nou ja, laatst wel. Dat was een Porsche GT3. Maar het is geen schande om daarvan te verliezen.”

Soms gaan de reacties veel verder dan een onschuldig wedstrijdje optrekken. Vijf jaar geleden woonden ze in Maastricht. Daar gebeurde het.

“Eerst hebben ze de auto van Jolanda in de fik gestoken, die had toen een Opel Tigra. Een week later was die van mij aan de beurt. Zat net een nieuwe striping op. Helemaal total loss geslagen…”

Cor laat oude foto’s zien op de interactieve tv. “Jaloezie denk ik. Ik begrijp dat niet zo goed. Nu ben ik een stuk rustiger, maar reken maar dat ik toen een weekje met een honkbalknuppeltje door Heerlen heb gelopen.” (Waar de dader woonde.)

Jolanda: “De man die het gedaan heeft, wist hem steeds te ontwijken omdat hij door vrienden werd getipt.”

Cor: “We hadden met hem ook een betalingsregeling, maar dat is nu gestopt. Tja, van een kale kip kun je niet plukken.”

Het heeft hem toen diep geraakt. Cor kon wel janken, was woest. Zo veel werk, zo veel energie, zo veel liefde misschien ook wel. Uiteindelijk was het: rommel opruimen, tranen drogen en opnieuw beginnen.

Cor is nu voorzitter van Japanese Street Machines, een Nederlands-Belgische club voor Japanse auto’s. De club telt zesendertig leden, die regelmatig bij elkaar komen voor een meeting bij Gardenz in Geleen, en heeft 493 volgers op Facebook.

Waar komt die passie van Cor voor Japanse auto’s vandaan, de Honda in het bijzonder? “Het geluid, de motor, de vormgeving van de modellen die ze maken. Een Volkswagen is dan echt een blokkendoos.”

En wat is dat toch tussen die Honda- en VW-rijders? Cor: “Zij vinden ons Sjonnie’s. Maar zeg nou zelf, zijn wij Sjonnie’s? Wij vinden dat zij juist echte Sjonnie’s zijn; petjes op, gouden kettingen… Ach ja.”

Los van de voorkeur voor een merk, heb je ook verschillende soorten mensen in de scene. Cor heeft het over de showing off-types en de grease monkeys; mensen die vooral met een dikke bak willen pronken, of sleutelen en zoveel mogelijk zelf uitzoeken en bouwen – maar natuurlijk ook regelmatig de weg op gaan met je ride.

En dan is er nog het onderscheid tussen passie en poen; kopen / bij een bedrijf laten stylen en tunen of proberen bijna alles zelf te doen.

De kopers staan uiteraard lager in de pikorde en dat willen de bouwers weten ook. Op sommige gepimpte auto’s prijkt daarom trots de sticker: ‘Built not bought’.

“Vroeger was het heel anders, niet zoals nu; dat mensen heel veel onderdelen kopen. Al passen de meeste daarvan trouwens ook voor geen meter.

Van zo’n polyester kap maken ze er misschien driehonderd. Die liggen buiten op een stapel te drogen. De bovenste is goed, maar de onderste staat misschien aan beide kanten wel tien centimeter uit elkaar. Maar dat maakt de fabrikanten blijkbaar niks uit.

Maar goed, toen moest je je er veel meer in verdiepen. Hoe je dingen moest maken, en zo goedkoop mogelijk. Met pur en gips een model maken van polyester. Dan daar weer een afgietsel van maken en bij de auto wegsnijden waar het nieuwe stuk moest komen, bevestigen, bijwerken, lakken. Telkens een beetje. Als er weer geld was of als je weer wat tijd had.

Dat spreekt mij het meest aan. Als ik op een meeting een Ferrari en een Lamborghini zie, die zo gekocht zijn, dan heb ik ook veel meer respect voor die jongen die daar staat met zijn Toyota Starlet en er maandenlang aan heeft gestyled en getuned.”

Comments Off

admin op 21 January 2014 in Politiek & Media

Leven van de zon, kan dat?

Zonnepanelen zijn hot. Ze worden steeds goedkoper en de aanbieders schieten als paddenstoelen uit de grond. Moesten de pioniers nog diep in de buidel tasten om zelf elektriciteit op te wekken, tegenwoordig is de aanschaf van panelen voor steeds meer mensen betaalbaar.

De overheid stimuleert het terugdringen van het energieverbruik. De consument wil vooral een zo laag mogelijke energierekening, al zal het verlangen om de eigen ecologische ‘footprint’ te verkleinen soms ook een rol spelen.

Er zijn veel aanbieders en diverse systemen. Maar wat is het beste systeem in jouw situatie? Om te beginnen kijk je naar je locatie op aarde, die bepaalt het aantal zon uren.

Uit de ‘Bezonningsstudie’ van Arup voor de gemeente Rotterdam (2008) blijkt dat Nederland over een heel jaar gemiddeld vier uur en vierentwintig minuten zonlicht per dag heeft (zonder bewolking).
December telt de minste uren zon (1,5), juli de meeste (6,3). In totaal gaat het volgens dit onderzoek om gemiddeld 1572 uren zonlicht per jaar.

De verschillen binnen Nederland zijn aanzienlijk, zo heeft Texel twintig procent meer zon uren dan het oosten van het land. (Uiteraard produceert de installatie ook als het (licht) bewolkt is, zoals je onder een parasol ook bruin wordt, maar de ‘zon-instraling’ is dan minder.)

Ook van belang is de temperatuur. Bij lage temperaturen wordt meer energie opgewekt dan bij hogere, daardoor kan het zijn dat een koele dag in oktober meer elektriciteit oplevert dan een hete zomerdag. Het koelen van de panelen is daarom belangrijk, al drukt dat het rendement.

Verder wegen mee het beschikbare oppervlak, de hellingsrichting en de hellingshoek van het dak. In een ideale situatie is het dak nooit in de schaduw, staat gericht op het zuiden en heeft een hoek van 35 tot 36 graden. (Al is het verlies bij een andere hoek tussen de twintig en zestig graden slechts vijf procent per jaar, volgens Wikipedia).

Bij een plat dak wordt deze voor Nederland meest gunstige situatie nagebootst doordat de panelen in consoles worden geplaatst met dezelfde hellingsrichting en hellingshoek. Er zijn ook meedraaiende panelen verkrijgbaar, waarbij de hoek en richting worden aangepast aan de zonnestand.

Verder is het type paneel relevant. Er zijn drie typen: monokristallijne, polykristallijne en amorfe panelen.

Monokristallijne panelen bestaan uit één stuk en zijn duur in aanschaf, maar hebben wel het hoogste rendement. Ze zijn goed voor maximaal rendement bij een klein oppervlak.

Polykristallijne panelen bestaan uit meerdere cellen, zijn goedkoper dan monokristallijne panelen, maar hebben een lager rendement. Deze zijn goed voor een groot oppervlak.

Amorfe panelen zijn in verhouding erg goedkoop. Ze bevatten geen kristallen maar poeder en zijn daardoor erg buigzaam. Het rendement is echter een stuk lager dan van mono- en polykristallijne panelen.

Wat betreft het budget, is het goed om te weten dat je er niet bent met de aanschaf van de panelen. Daar komen nog kosten bij voor plaatsing (tenzij je het gedeeltelijk zelf doet, maar dat heeft mogelijk gevolgen voor verzekering en garantie), montagemateriaal (er komt bijvoorbeeld een aparte groep met aardlekschakelaar in de meterkast), bedrading en een omvormer. Optioneel is software om de data uit te lezen, op de computer en / of via een app.

En dan is er nog het onderhoud, waar (op termijn) mogelijk ook kosten mee gemoeid zijn. De panelen, die tussen de dertig en vijfenveertig jaar zouden meegaan, moeten regelmatig worden schoongemaakt (maar niet met kraanwater vanwege mogelijke kalkaanslag). Met name fijnstof zorgt ervoor dat de panelen niet optimaal functioneren.

De keuze voor een installatie wordt mede bepaald door de mate waarin je in je eigen elektriciteitsbehoefte wilt voorzien. Zo zijn er mensen die hun reguliere kosten geheel willen terugverdienen. De meesten kiezen volgens Wikipedia echter voor het terugverdienen van de helft.

Wat kost nou een ‘doorsnee installatie’, gesteld dat de locatie en de andere omstandigheden gunstig zijn?

Het rendement van de gehele installatie in ideale omstandigheden wordt omschreven in kWp (kilowattpiek). 1 kWp komt ongeveer overeen met 700 – 900 kWh per jaar.

Het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van een gemiddeld Nederlands huishouden in 2013 is 3.340 kWh (Nibud). Om die hoeveelheid energie geheel af te dekken, is (bij 1 kWp = 800 kWh) een installatie nodig van (minimaal) 4.175 kWp.

Met in maart 2013 een gemiddelde prijs van 1,5 euro per kWp (Wikipedia), kost dit hele systeem (geïnstalleerd en inclusief btw) in theorie 6.262,5 euro.

De terugverdientijd van een complete installatie is tegenwoordig tussen de vijf en negen jaar. Vijf jaar geleden was dat nog tien tot twintig jaar.

De kortere terugverdientijd komt door de dalende prijzen vanwege technische innovaties, de marktwerking en (tot voor kort) de beschikbaarheid van diverse subsidies.

Veel van deze subsidiepotjes, die de aanschaf van zonnepanelen erg hebben bevorderd, zijn nu leeg. In augustus 2013 bleek bijvoorbeeld dat de bodem van het potje van Economische Zaken bereikt is.
Uit die EZ-pot, beheerd door Agentschap NL, is in 2012 en 2013 ruim 50 miljoen aan subsidie verstrekt aan ruim 90.000 aanvragers. Particuliere woningbezitters kregen 650 euro.

De provincie Limburg had de LES-regeling, met 1.000 euro subsidie voor particuliere woningbezitters. Die pot van 5,6 miljoen raakte al in november 2012 leeg. Ruim 7.000 huiseigenaren hebben een bijdrage ontvangen.

Tot 1 mei 2014 biedt Limburg een duurzaamheidslening van het Limburgs Energie Fonds (LEF) met een rente die drie procent lager is dan de actuele rente. Volgens een woordvoerster van de provincie is er voor huiseigenaren nog ‘ruim een miljoen euro’ beschikbaar (september 2013).

Als je installatie is terugverdiend, kan er winst worden gemaakt (de kosten voor onderhoud en verzekering even buiten beschouwing gelaten). Dat is mogelijk als je meer opwekt dan je verbruikt en het overschot verkoopt. Op dit moment gaat het dan vooral om verkoop aan je eigen energiebedrijf, maar wellicht in de toekomst ook om levering aan derden.

Verwacht echter niet dat je hier snel rijk van wordt. Zelf opgewekte elektriciteit wordt nu door energiebedrijven ingekocht voor (minder dan) de helft van wat ze er zelf voor vragen (Wikipedia). Daarbij is onduidelijk hoe de prijzen van elektriciteit zich zullen ontwikkelen.

Ondanks de onzekerheid in de elektriciteitsmarkt en de terugloop aan subsidies is de verwachting van specialisten dat steeds meer mensen de komende jaren zonnepanelen zullen aanschaffen. Dit komt onder meer door technische innovaties (panelen krijgen een hoger rendement) en door de marktwerking (de prijzen dalen door een toename van het aantal aanbieders).

Comments Off

admin op 2 December 2013 in Politiek & Media

Krasse knarren op de barricaden om servicekosten

Een groep senioren in een flat aan de Cavaleriestraat in Sittard voert actie vanwege de voortdurend toenemende servicekosten. Intussen heeft de verhuurder toegezegd dat er maatregelen worden genomen.

Het zijn law and order-types, met samen bijna een eeuw ervaring bij marine, leger, marechaussee en politie. Klaas Nuiver en Bert Lauffer zijn ook niet meer de jongsten, respectievelijk vierenzeventig en tachtig jaar. Geen types die je op de barricaden zou verwachten. Toch staan ze daar nu, want volgens hen maakt hun huurbaas, DOS Vastgoedmanagement in Maastricht, er een potje van. En dat al een aantal jaren.

Nuiver en Lauffer hebben al jaren elk een appartement in een wooncomplex van DOS aan de Cavaleriestraat, een belegging van de Stichting Pensioenfonds voor Tandtechniek. Ze winden zich met name op over de voortdurend stijgende servicekosten (vaste kosten plus naheffingen). In de vrijwel identieke buurflat zouden de bedragen lager zijn, en het onderhoud en beheer stukken beter, net als de communicatie met de huurders.

“In 2009 hebben we gevraagd om een gesprek”, foetert Klaas Nuiver. “Dat kwam er steeds niet. Veel vijven en zessen en toen bleek dat de contactpersoon ziek was. Daarna zijn we er achteraan blijven gaan, maar op een gegeven moment hoefde het van ons ook niet meer.”

Met de laatste naheffing was de maat vol. Nuiver: “We hebben het gevoel dat we op een ordinaire manier getild worden met de servicekosten.” De actievoerders stuurden met in totaal zeventien medebewoners een boze brief met handtekeningenlijst, maar hebben vervolgens naar eigen zeggen niets meer gehoord. Ze willen een gesprek in hun flat met DOS Vastgoedmanagement. Met een heldere uitleg over de servicekosten en de naheffingen, en discussie over het verbeteren van diverse andere zaken, zoals de inspraak.

Nuiver: “Ze denken zeker: Die oudjes daar, die betalen dat wel, maar die oudjes betalen dat niet! Je wordt uitgekleed waar je bij staat en je kunt er geen flikker aan doen. Voor dit jaar is mijn vakantiegeld naar de kloten!” Lauffer: “Veel mensen zitten hier met een AOW-uitkering en een pensioen, die schrikken zich telkens rot van die verhogingen.” Nuiver: “Als het binnenkort niet wordt opgelost, dan smeer ik ‘m!”

Voor zover na te gaan, waren de maandelijkse servicekosten in 2009 40 euro, en in 2010, 2011 en 2012 55 euro. Op 1 juli 2013 gingen de servicekosten omhoog naar 65 euro per maand. Dat is een stijging van ruim zestig procent in vijf jaar. In 2010 moest 137,5 euro aan naheffing worden betaald, het jaar erop 65,77 euro, in 2012 13,20 euro en in 2013 (over 2012) 328,03 euro. De laatste naheffing viel in juni op de mat.

DOS verklaart de laatste naheffing in een brief van 12 juni 2013 met de hogere elektriciteitskosten. De oorzaak daarvan: Essent zou over 2012 voor het eerst de werkelijke meterstanden hebben aangehouden. ‘Dit in tegenstelling tot voorgaande jaren, waarin het verbruik was gebaseerd op geschatte meterstanden.’

Uit het aan de brief toegevoegde overzicht blijkt dat voor gemeenschappelijk elektriciteitsgebruik voor het hele wooncomplex in 2012 3.000 euro was begroot. De werkelijke kosten waren dat jaar 9.867,81 euro. Ruim drie keer zoveel. Voor 2013 is 5.800 euro begroot, en de vraag is of dat genoeg is.

De brief raakte een open zenuw. Elektriciteit was namelijk eerder ook al een kwestie, maar dan op een andere manier, vertelt Nuiver: “We hebben ons in 2009 hard gemaakt voor een meter met twee tarieven; voor dag- en nachtstroom. Dat kwam er maar niet van, dat moesten we zelf maar met Essent regelen. Ze deden daar helemaal geen moeite voor. Dus hebben we heel lang ’s nachts dagstroom betaald.”

De beide actievoerders leggen een aantal rekeningen op tafel van volgens hen vergelijkbare woningen in aanpalende complexen. (Onbekend is of Essent daar vanaf 2009 wel de werkelijke meterstanden heeft gebruikt. Essent heeft niet gereageerd op onze vragen.)

Hoewel vergelijken lastig is, doordat de benodigde informatie niet compleet is, wordt de indruk bevestigd dat de buren bij een vergelijkbare huur minder servicekosten betalen en soms zelfs geld terugkrijgen (zoals in 2009 en 2010).

Accountmanager Luc Moonen van DOS Vastgoedmanagement in Maastricht over de voortdurende stijging van de servicekosten: “Servicekosten van nieuwe gebouwen zijn lastig in te schatten. Het liefst zet je die in begin laag om huurders te trekken. Als je te hoog zit en ze krijgen aan het eind van het jaar geld terug, dan krijg je de klacht dat ze geen rente over het teveel betaalde bedrag hebben ontvangen.

Er zijn in het algemeen vaak misverstanden over de servicekosten. Het zijn kosten die we wettelijk moeten heffen en we berekenen die één op één door. Het is niet zo dat we er op uit zijn om de huurders zo hoog mogelijke servicekosten in rekening te brengen.

Het probleem lijkt vooral veroorzaakt te zijn door de elektriciteit. Het pensioenfonds heeft nu akkoord gegeven om slimme meters te plaatsen die door het energiebedrijf op afstand kunnen worden uitgelezen. Zo moet dit probleem in de toekomst worden voorkomen.” (De slimme meters waren al eerder per e-mail bij Nuiver en Lauffer aangekondigd door DOS, en wel enkele uren nadat wij om een reactie hadden gevraagd.)

Wat betreft de vergelijking van de huren en servicekosten met die van naburige gebouwen: “Vergelijken is heel erg moeilijk. Wij hebben bijvoorbeeld een complex met drie ingangen, drie liften en drie trappenhuizen waarvan de elektriciteitskosten per segment worden bijgehouden. Daar zie je gemakkelijk verschillen van vijf tot tien euro per maand. Dat komt door de manier waarop de huurders ermee omgaan. Hoe vaak ze de lift gebruiken bijvoorbeeld. Ook als het gaat om verlichting zijn er verschillen; zitten er schemerschakelaars in of bewegingsdetectoren? Dat is allemaal van invloed.”

De actievoerders willen nu een gesprek in hun flat, al kan Lauffer zich wel vinden in de reactie van DOS. Voor meer duidelijkheid over de kosten(ontwikkeling) èn om te praten over andere kwesties. Zo hebben ze vragen over het groenonderhoud. Nuiver: “Is het hartje winter, ligt er een pak sneeuw, gaan ze hier het gras maaien. Dat is raar. Maar dat komt wel terug in onze servicekosten!” Luc Moonen: “Of er een gesprek komt met de actievoerders, daar doe ik geen mededelingen over. Dat is iets dat we willen regelen met de huurders.”

Comments Off

admin op 24 October 2013 in Politiek & Media

Erwin Dorst, van de schaduwen in de spotlights

Erwin Dorst, de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid, woont in Sittard. Ik sprak met hem over zijn nieuwe baan, zijn leven bij de special forces en over z’n werk op Schiphol. “Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder.”

Een heel correcte man die zijn kinderen van school haalt, die je vriendelijk gedag zegt en die soms in de supermarkt voor je in de rij staat met een mandje boodschappen. Elk jaar gaat hij een aantal weken met vakantie naar het buitenland, verder niets bijzonders. Dat is hoe de mensen in de buurt hem zouden beschrijven op alle plaatsen waar hij de afgelopen jaren heeft gewoond.

Voor z’n werk zit Erwin Dorst (37) ondertussen als peletonscommandant van de mariniers in conflictgebieden als Bosnië (2002) en Irak (2003), zorgt bij de marechaussee (KMar) voor de beveiliging van de ambassadeur in Libanon (2006) en schaduwt en arresteert in Nederland zware criminelen (2006-2010). Vervolgens is hij medeverantwoordelijk voor de beveiliging van Schiphol (2010-2012).

De afgelopen jaren leefde hij ‘in de schaduwen’. Een interview afgeven en op de foto gaan is dan ook even wennen. Maar goed, het hoort bij zijn nieuwe baan; vanaf november 2012 is hij de nieuwe brigadecommandant van de Marechaussee Limburg Zuid.

Zijn nieuwe functie biedt diverse uitdagingen, mede gezien de recente discussies over het verdelen van taken tussen politie, leger en marechaussee om efficiënt werken te bevorderen. En dan is er nog de Limburgse politiek met een eigen agenda, bijvoorbeeld in verband met de drugsoverlast in Maastricht. Maar eerst spreken we over zijn verleden – voor zover hij daarover mag praten.

Na tien maanden als peletonscommandant van de mariniers in Doorn, vertrekt Erwin Dorst in 2001 voor een jaar naar Curaçao. Terug in Doorn, intussen opgeklommen tot eerste luitenant, volgt uitzending naar Bosnië en Irak. Vervolgens wordt hij plaatsvervangend hoofd inlichtingen van het eerste mariniersbataljon in Doorn.

Tussen de opdrachten door, volgt hij de ene na de andere cursus en opleiding. Bijzonder was zijn jungle-training in 2004. “Dat was de tijd waarin Nederland bijna geen jungle-trainingen in Suriname deed, omdat dat tot spanningen zou kunnen leiden. Het verhaal ging dat bij het Surinaamse bewind de vrees bestond dat wij de heer Bouterse zouden komen ophalen.” (Desi Bouterse is in 2000 in Nederland bij verstek veroordeeld tot elf jaar wegens cocaïnesmokkel.)

Met een andere marinier komt Erwin Dorst daarom terecht in kamp Szuts in Frans-Guyana, bij het Vreemdelingenlegioen. “Legionairs stellen weinig vragen, doen wat opgedragen wordt. Het was een officiersopleiding, toch deden de militairen van het Legioen exact wat de commandant zei. Dat irriteerde me een beetje. Nederlandse officieren worden ook betaald om na te denken. Toch heb ik heel prettig met ze gewerkt. Het zijn heel professionele militairen.

De legionairs die ik ontmoette, kwamen veelal uit oorlogsgebieden, bijvoorbeeld uit voormalig Joegoslavië. In eigen land hebben ze gevochten, daar is de strijd over. Misschien hebben ze er iets opgebouwd of er een tic gekregen, en dan kiezen ze voor het Legioen, schijnbaar om hun leven als strijder voort te zetten.

De jungle-training was mooi, maar vreselijk zwaar. Niet zoals in de films. Anders gezegd: in de jungle, daar horen wij niet thuis. Het is een beetje als klimmen boven de zevenduizend meter; je gaat dood, maar als je goed voor jezelf zorgt, kun je dat proces enigszins vertragen.”

Hij leefde twee maanden ‘in het bos’, werd ’s nachts door een naburige kolonie brulapen uit z’n slaap gehouden en stond oog-in-oog met gifkikkers, gifslangen en spinnen. Tijdens een week survival lag hij ’s nachts uren stil op de grond. “Dan weet je dat er van alles over je heen kruipt. Dat doet wel iets met je.” Toch kijkt hij met plezier terug op deze bijzondere ervaring.

Vier jaar zit Erwin Dorst vervolgens bij de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Bij deze elite van de Nederlandse special forces was hij commandant van een arrestatieteam en vervolgens van een observatieteam.

“Arrestatieteams zijn gespecialiseerd in geweldsuitoefening. Ze richten zich op de aanhouding van zware criminelen en op technisch moeilijke aanhoudingen, zoals wanneer een verdachte in een auto voor de grens moet worden gestopt of zich ophoudt in een gebarricadeerd pand.

Het belangrijkste wapen van arrestatieteams is de verrassing. De aanhoudingen verlopen daarom heel snel en gaan soms ook met het nodige geweld gepaard. Voor het publiek is niet altijd goed te begrijpen wat er gebeurt, maar het kan niet anders.”

Observatieteams hebben dezelfde doelgroepen en verzamelen ter ondersteuning van de recherche bewijslast voor aanhoudingen. “Wij hielden ons niet bezig met ‘tappen’, maar met ‘fysieke observatie’; wat doet iemand tijdens zijn dag? Als hij van A naar B gaat, hoe doet hij dat en wat doet hij daar en hoe lang blijf hij daar? – dat soort zaken.”

Ook werden inkijkoperaties uitgevoerd. “Stel we vermoeden dat er een partij verdovende middelen in een loods ligt. Dan ga je naar binnen om te kijken, maar zonder dat het opvalt.

Als die drugs wordt aangetroffen, kun je niet meer de andere kant opkijken en moet je dus handelen. We hebben in Nederland een namelijk ‘doorlaatverbod’, mede door de IRT-affaire.

Vanuit de opsporing zou je wel eens een kleinere vis willen laten gaan ten behoeve van het grotere belang, want de grote vissen hebben de financiële middelen om steeds weer nieuwe kleine visjes in te schakelen, maar dat mag dus niet.”

Tijdens zijn BSB-tijd, in juli 2006, wordt hij vanwege zijn achtergrond bij de mariniers detachementscommandant van een bijzondere spoedoperatie in Libanon; de beveiliging van de ambassadeur in Beiroet.

Israël is op dat moment in oorlog met de in Zuid-Libanon actieve Hezbollah en heeft de Libische infrastructuur bestookt, waardoor de wegen naar Syrië en (vanaf 13 juli) ook de nationale luchthaven onbruikbaar zijn geworden. De internationale spanning loopt hoog op, er wordt gevreesd voor oorlog in het Midden-Oosten, en evacuatie van de ongeveer zevenhonderd Nederlandse burgers wordt noodzakelijk geacht.

Die operatie wordt, behalve door de vernielde infrastructuur en de Israelische bombardementen, bemoeilijkt doordat de toenmalige ambassadeur Gerard Jan van Epen vakantie viert in Nederland.

Zaterdag 15 juli krijgen de Nederlanders in Libanon, die via sms op de hoogte worden gehouden, van de ambassade bericht dat de evacuatie 17 juli plaatsvindt. Er zijn die maandag drie evacuaties van in totaal driehonderdvijftig Nederlanders, die met tien bussen vanuit Noord-Libanon naar Aleppo (Syrië) reizen, om van daaruit koers te zetten naar Nederland.

Die dag ook, vertrekt de ambassadeur vanuit Nederland richting Damascus. Hij probeert over land Beiroet te bereiken. Nadat Van Epen daar is aangekomen, arriveert het beveiligingsteam van Erwin Dorst – hoewel het misschien handiger was geweest om de ambassadeur met dat team mee te sturen.

“Wij zijn in burger Libanon binnengekomen. Een helicopter van de Engelsen heeft ons vanaf Cyprus naar Beiroet gevlogen en ons daar op de kade afgezet. De uitrusting en bewapening hadden we onopvallend bij ons. Na aankomst hebben we auto’s gehuurd en zijn we langzaam onze beveiligingsmissie gaan draaien.

Dit alles vergde goede voorbereiding en afstemming, met de helicopterpiloot, maar ook ter plaatse, want we moesten dwars door de stad. Het was een relatief hachelijke situatie, want we hadden niet één-twee-drie het land uitgekund.”

Vanaf mei 2010 is majoor Erwin Dorst plaatsvervangend brigadecommandant van de politie en beveiliging op Schiphol. Hij arriveert in een periode, waarin de beveiliging van de luchthaven onderwerp is van felle discussies.

Journalist Alberto Stegeman stopte in februari 2008 een nepbom in een passagiersvliegtuig. In januari 2009 bleek vervolgens uit een rapport van het KMar Expertisecentrum Luchtvaart (uit september 2008) dat de beveiliging op Schiphol kwetsbaar is doordat medewerkers, met name bij de douane, zijn vervangen door elektronische systemen. Ook zou er te weinig capaciteit zijn om criminaliteit en terrorisme aan te pakken.

Erwin Dorst: “Schiphol behoort tot de veiligste luchthavens van de wereld. Schiphol is een economische lifeline voor Nederland, dus als er wat gebeurt, is het gelijk voorpaginanieuws. Dat maakte ons werk heel lastig, want alles dat je deed, werd uitvergroot.

De incidenten die in de media komen, zoals rond Stegeman, vertekenen het beeld. Stegeman heeft als een soort klokkenluider een aantal zwaktes blootgelegd, maar het is niet zo dat Schiphol één grote gatenkaas is.

De beveiliging van Schiphol is een ketenverantwoordelijkheid. Daarbij gaat het om het spanningsveld tussen gebruiksvriendelijkheid (het economisch belang) en veiligheid. Honderd procent veilig, dat kan niet. Het is een complex geheel, een stad op een postzegel

Er was destijds ook kritiek op het particuliere beveiligingsbedrijf, maar over het algemeen doen de particuliere beveiligers op Schiphol het hartstikke goed, enkele rotte appels daargelaten.”

Is de luchthaven in de periode dat hij er werkte veiliger geworden? “Er werken achttienhonderd marechaussees op Schiphol, van wie vijfhonderd bij ‘mijn’ brigade. Binnen die club, met de rest heb ik me niet bemoeid, zijn processen verbeterd en dingen veranderd, maar om nu te zeggen: het is opeens veiliger geworden - nee, dat kan ik niet zeggen.”

In november 2012 krijgt hij het commando van KMar Limburg Zuid. Een uitdagende functie in een internationeel speelveld, waarin ook de politiek een rol speelt. Zo is de brigade sinds kort zijdelings betrokken bij het bestrijden van drugscriminaliteit in Maastricht - al is dat niet één van haar taken.

“Recent was er overleg tussen onder anderen de burgemeester van Maastricht en de minister van Veiligheid en Justitie. Toen heeft de marechausse gezegd: ‘Binnen de kaders van onze taakstelling willen wij ondersteuning bieden, met name in Maastricht.’ Het gaat dan om georganiseerde wietteelt.

Ik zal dat kort toelichten. Het lokale drugsbeleid in Maastricht drukt de handel in softdrugs de straten in. Softdrugsthematiek is vaak gekoppeld aan harddrugsthematiek. Hard- en softdrugs vallen onder de de nationale politie, maar harddrugscriminaliteit is al snel grensoverschrijdend. En grensoverschrijdende criminaliteit is onderdeel van onze portefeuille.

Wij hebben aan de grens echter niet de bevoegdheden van de politie (waar we uiteraard wel mee samenwerken). Wij staan als Mobiel Toezicht Veiligheid bij de grens om de Vreemdelingenwet te handhaven en ter voorkoming en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit. Het gaat dan om drugscriminaliteit, mensensmokkel en -handel, illegaal verblijf, identiteitsfraude en het witwassen van crimineel geld. We letten ook op gezochte personen en op signalen van mogelijk terrorisme. Daarbij zijn we alleen bevoegd tot toezicht op de inreis, niet op de uitreis.

Ook is onze capaciteit beperkt. Als brigade hebben wij diverse taken, zoals de grensbewaking op Maastricht Aachen Airport. We leveren ook de militaire politie voor het Joint Force Command in Brunssum. Mobiel Toezicht Veiligheid doe ik feitelijk met restcapaciteit.

Dus waar volgens sommigen voor de regio het grootste belang ligt – dat is afhankelijk van wie je het vraagt - en waar voor ons de grootste boeven te pakken zijn, ben ik continu aan het schuiven met mijn relatief beperkte capaciteit. Ik zou het liefst meer mensen inzetten op de grens, zowel op hoofd- als op B-wegen.

Verder is ons grenstoezicht beperkt in tijd en aantal. De uitdaging is om er te staan op de momenten dat er iets te halen valt. Dat is mogelijk doordat we heel gericht te werk gaan. Daar is onze de organisatie ook op ingericht. Vroeger hadden we veel indianen en weinig chiefs, nu hebben we veel chiefs (onder anderen mensen die informatie verzamelen) en heel weinig indianen (militairen die de uitvoering verzorgen).

Voor een goede informatiepositie werken we verder met relevante partijen samen in het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), dat in Limburg is opgehangen aan de gemeente Maastricht. Wij hebben daarbij als speerpunten mensenhandel en -smokkel en georganiseerde wietteelt. Die samenwerking functioneert heel goed.”

Intussen staat Erwin Dorst alweer bijna een jaar aan het roer van KMar Limburg Zuid, een functie die hij wat betreft verantwoordelijkheid en de bevoegdheid om te straffen vergelijkt met die van kapitein op een schip. Hoe ziet hij zijn organisatie en zijn eigen plek daarin, ook met het oog op de toekomst?

“Ik wil een goed team en geen eenheidsworst. Liefst een rariteitenkabinet, waarbij iedereen wordt gewaardeerd om zijn vaardigheden en capaciteiten. Die capaciteiten wil ik op basis van de juiste informatie op de juiste tijd op de juiste plek brengen.

Tot nu toe bevalt het me uitstekend. Ik ben een leider en ik ben ondernemend; ik ben geen manager. En hoewel ik natuurlijk mijn bevelen moet opvolgen, ben ik niet bij uitstek een volgzaam type. Ik ben nogal een eigengereide, eigenwijze donder. En dan past zo’n functie heel goed.”

Relativerend: “Je krijgt natuurlijk ook een hoop gezeik. Het gezeik van honderdvijftig mensen is voor mij. Je hebt een trechter, daar wordt allerlei ellende in gegooid, en onderaan die trechter, daar zit ik. Dat is niet altijd leuk, maar het hoort erbij. En dat vind je mooi of dat vind je niet mooi.”

Hij glimlacht. De tekst op zijn polsbandje, een souvenir van twee keer de Alp d’HuZes, spreekt boekdelen: ‘Opgeven is geen optie’. Voor Erwin Dorst is elk probleem een uitdaging.

Dit artikel is in augustus 2013 geschreven voor Hét Wijkkrantje.

Comments Off

admin op 14 September 2013 in Politiek & Media

Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Comments Off

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media

Hobbyisten in hulpverlening

Naar aanleiding van een mislukt project in Kaapstad vroeg ik me af hoe succesvol Particuliere Initiatieven eigenlijk zijn. Ik denk dat ze professioneler moeten gaan werken, ook in het belang van de lokale partners.

De droom was om bij een township in Kaapstad een groentetuin op te zetten waar leerlingen konden tuinieren en leren omgaan met de aarde en met elkaar. Het project, opgezet samen met een lokale school, zou na enkele maanden zelfvoorzienend zijn.

Uiteindelijk is de investeerder, een Nederlandse vastgoedmiljonair, afgehaakt. Hij heeft geen cent betaald en zegt dat de lokale initiatiefneemster hem verkeerd begrepen heeft. Zij zegt op haar beurt dat ze een jaar aan het lijntje is gehouden.

Uit hun e-mailverkeer blijkt het volgende. Rond Kerst 2011 presenteert de initiatiefneemster de investeerder een plan plus een begroting. Volgens haar zegt hij mondeling toe de benodigde 70.000 rand te financieren, 6.067 euro, maar de miljonair ontkent dat bij navraag in november 2012.

Na een ingewikkelde zoektocht, die de eerste helft van 2012 in beslag neemt, wordt een geschikt stuk grond gevonden. De miljonair komt echter niet over de brug. Ook niet als er een stichting wordt opgericht en een verklaring komt van de school dat de grond tot medio 2017 gratis kan worden gebruikt.

In september 2012 schrijft hij dat ‘het geld is gereserveerd’, maar dat hij meer eigen initiatief wil zien. Medio oktober wordt de tuin met een groep vrijwilligers in grote lijnen ingericht. Aangepaste begroting: 75.300 rand.

De miljonair reageert verbaasd. Hij zou hebben toegezegd 18.000 rand te betalen. ‘Dit is niet wat we hebben afgesproken!’ Sindsdien is er geen contact meer geweest en ligt de tuin er verlaten bij.

Oude fouten

Mislukte particuliere initiatieven (PI’s) als dit, zijn koren op de molen van mensen die stellen dat ontwikkelingssamenwerking aan professionals moet worden overgelaten en dat meer transparantie noodzakelijk is.

Particuliere initiatieven zouden in veel gevallen ‘fouten’ van tientallen jaren geleden herhalen - al zijn er ook andere geluiden. Zo is de hulp volgens Marcia Luyten vaak niet vraag- maar aanbodgestuurd en zorgt zo voor directe afhankelijkheid. De hobby-hulpverlener onderschat verder zijn partner(s) en gaat deze daarom bij alles vertellen hoe het moet. Vanwege de fondsenwerving stelt hij de doelgroep voor als zielig en hulpbehoevend. Door de kleinschaligheid en de afhankelijkheid van personen is de continuïteit ook vaak een probleem.

Lau Schulpen, op wiens werk zij zich mede baseert, stelt dat particuliere initiatieven te weinig investeren in kennisopbouw bij de lokale bevolking en onvoldoende samenwerken met andere organisaties, ter plaatse en in Nederland – bij het laatste zijn recent kanttekeningen geplaatst. Monitoring, evaluatie en transparantie zijn ook vaak onder de maat, volgens Schulpen.

Help de helpers

Onder meer hierom bieden veel grote organisaties voor ontwikkelingssamenwerking PI’s begeleiding en / of financiering. Zoals Cordaid, Oxfam-Novib, Impulsis en Wilde Ganzen. Verder zijn er enkele adviesbureaus actief, met in dezelfde vijver belangenorganisatie Partin en de NCDO-gemeenschap Myworld.nl.

Tussen 2001 en 2004 hebben 1200 PI’s bij de toenmalige grote organisaties een subsidieverzoek ingediend. (Meer recente cijfers zijn me niet bekend.) Partin heeft 202 leden (februari 2013) en Myworld.nl 1700 gebruikers (oktober 2012). Dus met naar schatting tussen de 6.400 en 15.000 PI’s in Nederland, Myworld.nl houdt het op 8.000, wordt op z’n hoogst de helft bereikt.

Daarbij is de vraag of alle PI’s wel willen ‘professionaliseren’. Veel van hen vinden dat ze efficiënter werken dan grote organisaties door een kleine overhead en korte lijnen. Hulp van grote organisaties, met vaak allerlei ‘lastige’ voorwaarden, lijkt dan niet noodzakelijk.

In de samenleving kunnen PI’s op veel draagvlak rekenen, en wel op grond van ongeveer dezelfde argumenten. Met name dat er ‘minder aan de strijkstok blijft hangen’, wordt veel genoemd. Onderzoek wijst uit dat maar liefst 37 procent van de Nederlanders PI’s geschikt vindt om ontwikkelingssamenwerking uit te voeren, waar 45 procent kiest voor grote, professionele organisaties.

Ondernemend

De overheid wil PI’s in de toekomst meer ruimte geven en pleit binnen ontwikkelingssamenwerking voor meer resultaatgerichtheid. Deze ‘managementaanpak’ kan rekenen op steun van veel Nederlanders, maar er schuilt eveneens een gevaar in.

Zo geeft Willem Elbers aan dat bijvoorbeeld ICCO voor haar geldgevers nu meetbare projectdoelen moet stellen en alles moet controleren, ook bij de partners. Terwijl die organisatie, in lijn met het huidige denken in ontwikkelingssamenwerking, liefst een zelfstandige, ondernemende houding bij lokale partners wil bevorderen.

Verder wekt deze aanpak de illusie van beheersbaarheid, vindt Jack van Ham, onder meer oud-directeur van ICCO en het Nederlandse Rode Kruis. Hij zegt desgevraagd: “In Nederland faalt twee derde van de starters, daar is het met projecten niet anders. Alleen de frustratie is groter. Het idee heerst dat je in ontwikkelingssamenwerking niet mag falen, maar in de praktijk is het trial and error.”

Volwaardige relatie

PI’s hebben dus een positief zelfbeeld en een goed imago, maar werken in structureel opzicht niet optimaal. Daarom is het wenselijk dat ze (verder) professionaliseren in visie en werkwijze, en daarbij inzien dat falen een reële optie is, ook met meer management sturing.

Omdat op dit moment in die gewenste professionaliseringsslag maar een klein deel van de PI’s wordt bereikt, zou, zoals Ewout Irrgang eerder voorstelde, een Nederlandse tegenhanger van de Charity Commission kunnen worden ingesteld.

Deze Britse toezichthouder richt zich op registratie, transparantie, accountability en monitoring. Deze organisatie gaat daarmee verder dan het CBF, waarvan de onafhankelijkheid te betwijfelen valt, en de Goede Doelen Monitor, die zich vooral baseren op door organisaties zelf aangedragen informatie.

Zo’n instelling is goed voor de transparantie naar donateurs van PI’s, maar brengt bovenal het aangaan van een volwaardige relatie met de lokale partners dichterbij - al dan niet vanuit de idee van ‘gemeenschappelijk eigenbelang’.

De initiatiefneemster van het educatieve project in Kaapstad heeft na het mislukken in haar gemeenschap te maken gehad met ‘agressie en uitsluiting’. Ze wordt ervan beschuldigd het beloofde geld in eigen zak te hebben gestoken en durft niet terug naar de tuin. De vastgoedmiljonair weigert verder ieder commentaar.

Dit artikel verscheen eerder als opiniestuk op myworld.nl. Intussen is de initiatiefneemster op kleine schaal een educatief tuintje begonnen, dat onlangs is geopend.

Comments Off

admin op 19 March 2013 in Politiek & Media

Zakendoen in Rusland wordt makkelijker en aantrekkelijker

Toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO) maakt het voor Nederlandse bedrijven veel aantrekkelijker om in Rusland zaken te doen. Dat zegt Annemarie Destrée, Marktadviseur Rusland van AgentschapNL.

‘De douaneprocedures worden versoepeld. Verder kunnen Russische bedrijven veel Europese consumentengoederen en voedingsmiddelen tegen lagere invoerrechten importeren’, aldus Annemarie Destrée.

Dat is goed nieuws voor Nederlandse ondernemers. Rusland wordt nu al gezien als het vijfde beste land ter wereld om te investeren en zal naar verwachting in 2040 met de andere BRIC-landen de G6 overvleugelen als mondiale economische factor.

Het biedt de voordelen van nabijheid, in drie uur zit je in Moskou, en veel meer hoger opgeleid technisch personeel ten opzichte van China. Verder is Rusland de grootste olie en graan producerende natie ter wereld en heeft het een sterk groeiende middenklasse van 21 miljoen mensen die de roebels wil laten rollen voor steeds meer luxe.

Terwijl de Europese markten sinds 2008 praktisch op hun gat liggen, bruist en borrelt het in het land van de matroesjka’s van de ondernemingslust. Rusland kent al tien jaar een gemiddelde groei van zeven procent. Dit jaar wordt met name een toename verwacht in de verwerkingsindustrie, de landbouw, de farmaceutische industrie en de medische branche.

De positieve cijfers ontstaan door de gestegen export van grondstoffen en meer buitenlandse joint ventures die hun vruchten afwerpen. Op dit moment exporteert het Nederlandse bedrijfsleven jaarlijks al voor zo’n zes miljard euro naar Rusland. Naar verwachting zal de handel tussen beide landen door de Russische toetreding tot de WHO verder toenemen.

Door de aangepaste regels over en weer, wordt het eenvoudiger om in Rusland succesvol te zijn. Voorwaarde is wel, dat je zorgt voor goede voorbereiding en rekening houdt met de Russische zakencultuur. Na gemiddeld twee jaar investeren in een persoonlijke zakenrelatie - altijd via een businesspartner ter plaatse - kan er concreet meer verdiend worden dan elders.

Het grootste gevaar voor Rusland is dan ook niet de veel genoemde criminaliteit of corruptie, die in de media vaak wordt overdreven en door de overheid sterk is ingedamd, maar dat het land haar eigen kapitalistische succes niet kan bijbenen.

Concreet is er in Rusland behoefte aan toeleveranciers en nog meer aan hoogwaardige partnerships, bijvoorbeeld met het Nederlandse bedrijfsleven, gericht op expertise en technologie om de sectoren energie, landbouw, IT, elektronica, infrastructuur en logistiek te optimaliseren.

Denk aan verlichting en verwarming van steden, de aanleg van (spoor)wegen en de productie van halffabricaten, bijvoorbeeld voor de automotive branche – Rusland is ’s werelds grootste afzetmarkt voor auto’s en heeft in het zuidelijke Oeral-gebied een reusachtige smidse die het Roergebied doet verbleken.

Voor Nederlandse bedrijven zijn er veel kansen, onder meer door aan te sluiten bij het Russische mkb. In 2010 waren er in Rusland, inclusief zelfstandigen, ruim 5,5 miljoen kleine tot middelgrote bedrijven actief. Veel ondernemers in Nederland hebben echter nog enige schroom om zich in het grote Rusland te wagen.

‘Dat is nergens voor nodig’, verzekert Robert Nahon, senior consultant van Venster naar Rusland. Deze in Uden gevestigde organisatie functioneert al jarenlang in het verlengde van semi-overheidsorganisaties als succesvolle matchmaker voor Nederlandse en Russische bedrijven, onderwijsinstellingen, overheden en NGO’s.

‘Met goede voorbereiding en begeleiding liggen er in Rusland gouden kansen voor actieve, innovatieve en creatieve ondernemers.’ Intussen heeft al menig Nederlandse bedrijf via zijn organisatie in Rusland waardevolle contacten gelegd en effectief business gerealiseerd. Vele honderden namen deel aan de symposia en seminars die Venster naar Rusland tien keer per jaar verzorgt.

Robert Nahon: ‘Ons geheim? Wij kennen Rusland van binnenuit, zijn er al jaren actief, van Moskou tot Vladivostok, denken als ondernemers, werken bilateraal en beschikken over een uitgebreid netwerk van betrouwbare partners in heel Rusland. Dat laatste is van onschatbare waarde, want zonder capabele lokale mensen kom je er niet.’

Comments Off

admin op 27 April 2012 in Politiek & Media

Oost-Europese gaatjesboorders al jaren actief in Hoogveld

In de Sittardse wijk Hoogveld zijn al ruim twee jaar gaatjesboorders actief. Volgens de politie zeker vanaf september 2011. Vermoedelijk gaat het om een Oost-Europese bende.

Het zijn inbrekers die zich binnen een paar vooraf uitgekozen straten richten op contanten en snel verkoopbare spullen zoals laptops. Ze komen vaak binnen over de schutting en breken in via deuren in de achterpui.

Met een handboor of accuboor boren ze gaatjes in kozijnen of deuren om vervolgens met een ijzerdraadje en een magneetje de sleutel aan de binnenkant om te draaien. Dit is de handelswijze van zogenoemde gaatjesboorders.

Op 8 maart dit jaar waren in Hoogveld op deze manier drie woningen het doelwit; aan de Romeinseweg en aan de Liviusstraat. In één geval mislukte de inbraak. Bij de twee overige twee woningen zijn de inbrekers er vandoor gegaan met geld en waardevolle spullen.

Knuffelbeer in de tuin

Een gedupeerde van de Liviusstraat: ‘Ik zag ineens een gaatje in de tuindeur. Toen zei ik tegen mijn vrouw: “Schrik niet, maar het zou wel eens kunnen dat er vannacht bij ons ingebroken is.” Behalve het gaatje, met een doorsnee van een centimeter, was er niet veel te zien. Ze hadden alles keurig opgeruimd en pas later merkten we wat er allemaal weg was.

De laptop is verdwenen, mijn zonnebril, en al het geld is uit onze portefeuilles gehaald, maar de pasjes hebben ze laten zitten. Zelfs het buitenlandse geld, dat ik in een apart vakje bewaar als herinnering aan onze reizen, hebben ze meegenomen, ook al is het niet veel waard.

Toen de politie weg, was kwamen vonden we achter in de tuin onze spaarpot, stukgeslagen. Die hadden we nog niet gemist. Ernaast lag de beer van één van onze dochters; waarschijnlijk gebruikt om het geluid te dempen.’

Het stel is niet van slag door de inbraak, die ze ongeveer 650 euro armer heeft gemaakt. ‘Het wordt allemaal gedekt door de verzekering, toch blijft het heel vervelend. Vreemd ook, dat we niets hebben gehoord, terwijl ze waarschijnlijk ’s nachts bij ons over de schutting zijn geklommen.’

De inbraak 11 maart bij de WonenPlus-woongemeenschap voor verstandelijk gehandicapten aan de Brauningerstraat leidde tot meer commotie. Hier werden twee daders gezien rond kwart voor vier ’s nachts. Op het moment dat de politie verscheen, vluchten ze te voet en lieten een laptop en een geldkistje achter. Net als hun vluchtauto, een grijze, in het Duitse Bunde gestolen Audi A4.

Er waren drie laptops weg

In november en december waren er soortgelijke inbraken. In december braken gaatjesboorders in bij woningen aan de Deversstraat, de Tunnelweg, de Smithlaan en de Andersonstraat. Deze straten vormen een aaneengesloten gebied dat de tuinen van buiten afsluit. Via een leegstaand huis werd dit groene hart binnengedrongen en konden de inbrekers vervolgens rustig hun doelwitten kiezen.

‘’s Ochtends ging ik brood snijden om mee te nemen naar mijn werk en toen in de kamer keek, zag ik een schilderij, dat stond tegen de bank’, vertelt een gedupeerde, wonend aan de Deverstraat. ‘En een dressoir, dat normaal tegen de muur staat, was ook verplaatst. Er waren drie laptops weg die we de avond ervoor niet hadden opgeborgen. Met de schade aan de deur hadden we zo’n drieduizend euro aan kosten.’

Twee dagen later was het raak bij twee woningen in Biddlestraat: ‘Ik sprak in die tijd een buurtbewoner waar twee jaar geleden ook al was ingebroken door gaatjesboorders. De politieagent die bij hem op bezoek is geweest, zei dat het gaat om een Oost-Europese bende met Hongaarse en Bulgaarse leden.’

Oost-Europese bende

De politie Limburg Zuid constateert dat er in Zuid-Limburg zeker vanaf september 2011 serie-inbraken plaatsvinden door gaatjesboorders. ‘Dit is ook in Hoogveld het geval’, aldus een woordvoerder. Vermoedelijk gaat het hier, net als in Noord- en Midden-Limburg, om Oost-Europese bendes.

Zorgt dit voor een toename van het aantal inbraken? In 2011 werd in Sittard-Geleen 480 keer ingebroken, in 2010 gebeurde dat 372 keer; een toename van 22,5 procent. Over een langere periode bezien, blijken 2010 en 2011 voor Sittard-Geleen echter jaren van in verhouding weinig inbraken.

Van 2006 tot en met 2009 is in de gemeente respectievelijk 504, 619, 643 en 612 keer ingebroken in woningen, aldus de Kadernota Integrale Veiligheid Sittard-Geleen 2011-2014. De afgelopen vijf jaar vonden in Sittard-Geleen dus gemiddeld 545 inbraken per jaar plaats. Daarbij lijkt het aantal inbraken vanaf oktober 2011 weer toe te nemen.

Inbraakcijfers sinds januari 2010 voor de wijk Limbrichterveld, waar Hoogveld deel van uitmaakt, laten inderdaad een sterke stijging zien. In 2010 waren er 5 inbraken en 8 pogingen daartoe (samen 13), in 2011 waren die aantallen respectievelijk 12 en 15 (samen 27). In de eerste vier maanden van dit jaar waren er 3 inbraken en 5 pogingen, samen 8 incidenten; zestig procent van het aantal inbraken en pogingen in heel 2010.

Topmaanden waren maart (5 inbraken en pogingen), oktober (4 inbraken en pogingen) en december 2011 (6 inbraken en pogingen) en maart 2012 (6 inbraken en pogingen).

Particuliere beveiliging

Wat kunnen de inwoners van Hoogveld doen om de kans op inbraken door gaatjesboorders te verkleinen? ‘Sleutels verwijderen en deur- en raamhefboompjes met een slot te gebruiken. Een buitenlamp plaatsen helpt ook’, meldt de politie in het kader van algemene voorlichting, ‘want inbrekers houden van het donker. Ook is het verstandig om waardevolle spullen niet in het zicht te leggen.’

Preventie en toezicht kunnen ook collectief worden opgepakt. Bij de gemeente wordt hierover al nagedacht, zo bleek begin dit jaar. ‘We zouden mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt of vrijwilligers kunnen inzetten voor stad- en wijktoezicht’, opperde wethouder Pieter Meekels tijdens het Werkatelier Limbrichterveld-Hoogveld in januari.

Een andere, wat onorthodoxe mogelijkheid is om collectief een beveiligings- of bewakingsbedrijf in te huren. Dat is overigens alleen effectief als er een geïntegreerd plan van aanpak komt, aldus de directeuren van twee Limburgse bedrijven in de veiligheidsbranche die liever niet met naam genoemd willen worden.

Eens per week een jaar lang laten surveilleren in Hoogveld kost naar schatting van één bedrijf ongeveer 32.500 euro. Bij zo’n 1100 woningen komt dat neer op 29 euro per woning per jaar / 8 cent per woning per dag. Via afspraken met stadstoezicht en de politie en cameratoezicht zouden die kosten kunnen worden verlaagd.

Als de verwachte ontwikkelingen doorzetten, is het een oplossing die zeker het overwegen waard is. Vooral ook omdat politie en justitie nog maar weinig zicht hebben op deze bendes, die overigens los staan van de reguliere arbeidsmigranten uit Oost-Europa die in ons land werken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje en 15 april aangepast op basis van extra informatie van de Politie Limburg Zuid.)

Comments Off

admin op 30 March 2012 in Politiek & Media