Archief voor de categorie 'Religie & Spiritueel'

‘Mijn oog staat open voor de schoonheid van jouw gelaat’

‘Vorst der vorsten, schenker van innerlijke kracht, was ik maar een ster die in het wentelend hemelgewelf het stof van jouw voorportaal kust’. Een fragment van Ghazal 12 van Hafez van Sjirãz (1320-1390) van wie onlangs in vertaling van Sipko A. den Boer een beknopte bloemlezing is uitgekomen onder de titel ‘De Kroeg van Hafez’ (Synthese, 2012).

Hafez is een dode dichter die in Iran bij velen in de harten leeft. Een groot aantal Iraniërs heeft een exemplaar van zijn ‘Diwãn’ thuis, vanwege de schoonheid en voor waarzeggerij; zijn werk is doordrenkt van Koranteksten.

Hij wordt de Shakespeare van de Perzische literatuur genoemd. Er is echter een belangrijk verschil. Shakespeare kun je vrij goed lezen zonder kennis van alle verwijzingen naar bestaande personen en hun verhalen, bij Hafez is het ontbreken van een passend referentiekader van veel grotere invloed.

Een rondgang op internet leert dat het vertalen van Hafez vaak is uitgemond in herschrijven; bijna de enige manier om de magie zonder talloze voetnoten over te dragen aan westerse lezers. Dat zorgde geregeld voor de nodige opschudding, met name binnen literaire kringen.

En inderdaad, hoe fraai sommige teksten ook zijn, pas na uitleg van de beeldtaal en de vele (con)tekstuele verwijzingen (meestal naar de Koran, die de dichter uit z’n hoofd kende) komen de meeste van deze bloemen in onze taal tot volle bloei.

Over de dwarse dichter die ze schreef, is niet veel bekend. Hafez volgde het smalle esoterische pad binnen de islam, waardoor reizigers zoals hij vaak in conflict komen met de culturele conventies; gevuld en bezeten als ze zijn van hun streven naar heilige eenheid.

Hafez was daarin authentiek en consequent, omdat hij zelfs publiekelijk de hypocrisie binnen de toenmalige soefi orthodoxie hekelde. Hierdoor raakte hij overigens bijna aan de bedelstaf. Pas aan het eind van zijn leven vond hij weer een mecenas die hem wilde steunen.

Hij schrijft vooral over de (problemen rond de) mystieke eenwording met de geliefde, een thema dat we ook tegenkomen bij Roemi. Hafez gebruikt hiervoor alledaagse beelden, bijvoorbeeld van vrouwen, wijn en het wijnhuis.

Islamitische puriteinen zijn ervan overtuigd dat dit altijd zuivere beeldspraak is, maar als nieuwe lezer ben ik niet gelijk overtuigd. Het lijkt me niet uit te sluiten dat Hafez wel degelijk (eens) heeft geproefd van vrouwen en wijn.

Neem dit fragment uit Ghazal 22: ‘Bezweet, beschonken, met verwarde lokken, lachende mond, het hemd gescheurd, oden zingend, een bokaal in de hand, met smachtende ogen, uit op ruzie en met lippen vol verwijt, kwam ze gisteren in het holst van de nacht zitten aan mijn bed.’

Enkele beschrijvingen zijn zelfs licht erotisch. Denk aan het hierboven aangehaalde fragment uit Ghazal 12 over het kussen van het voorportaal. Het woord ‘voorportaal’ doet denken aan de voorhof van de joodse tempel, de entree tot de plaats van heilige vereniging.

Daarentegen toont hij verderop in deze Ghazal dat het in dit liefdesgedicht in wezen gaat om een uitnodiging aan het onuitspreekbare: ‘Kom je bij ons voorbij, til dan je kleed op, waaraan geen stof of bloed kleeft’; de uitgenodigde is op, maar niet van deze aarde.

Hafez’ gedichten, afgaand op de selectie in deze bundel, lopen daarnaast over van de wijn. Ook dat zal vaak symbolisch bedoeld zijn, met het hart als de kelk, maar opnieuw is er twijfel. Zo lijkt de dichter zich soms echt te verdedigen voor zijn ‘dronken’ gedrag. En in Ghazal 41 schrijft hij: ‘De kruiken bruisen en borrelen van dronkenschap, en de wijn erin is echt en niet symbolisch’.

‘De Kroeg van Hafez’ laat ons kennismaken met het bijzondere werk van Hafez, dat, in tegenstelling tot het meer universele van Roemi, vanwege culturele beperkingen niet eenvoudig kan worden ontsloten. De uitleg in de inleiding is daarbij onontbeerlijk.

Gelukkig staan er ook zinnen in die je direct kunnen raken, zoals deze uit, alweer, Ghazal 12: ‘Als een valk ben ik voor alle werelden geblinddoekt – mijn oog staat alleen open voor de schoonheid van jouw gelaat’. Dat je niet weet waar het oog en de valk voor staan, doet er dan even niet toe.

Comments Off

admin op 5 May 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Maria Felling, van bezetene tot reinigend medium

Bij Petiet, die andere uitgeverij van spirituele boeken, verscheen dit jaar ‘Opdracht van een Engel’ van Maria Felling. Het autobiografische boek gaat over een vrouw wiens leven een hel was tot ze succesvol werd in haar gevecht tegen entiteiten en negatieve energieën. Roy Martina, een bekende holistisch werkende arts met uitstekende reguliere getuigschriften, schreef het voorwoord.

De verschrikkelijke geschiedenis van Maria Felling begint met een seance bij haar ouders thuis. Het is 1944, we zijn in Nederland. Maria Felling kijkt stiekem toe en voelt dat een ‘man’ bezit van haar neemt, een schimmige gestalte wel te verstaan. Hij stapt als het ware haar lichaam binnen. Meteen daarna hoort ze een stem in haar hoofd: ‘Zo, nu heb ik je’.

‘Vanaf dat moment nam mijn leven het scenario van een horrorfilm aan.’ Haar stiefbroer begint haar stelselmatig te misbruiken en te martelen. De schrijfster wordt hierdoor woest op de hele wereld en wil niet meer aangeraakt worden. Haar moeder, onkundig van het misbruik, noemt haar wild en onhandelbaar. Ze wordt gezien als een zwakzinnige.

De ellende gaat door; ze wordt verkracht door een buurjongen, regelmatig onzedelijk betast door de vriend van haar zus en op school getreiterd door drie meisjes die zelfs sigaretten op haar lichaam uitdrukken. Tijdens een stage wordt ze door een vriend van de familie onzedelijk betast.

Psychisch zit de schrijfster vervolgens jarenlang op de bodem van de put. Overdag is ze volledig geblokkeerd, willoos, ze wordt gek van de negatieve stemmen in haar hoofd en het lijkt of elk sprankeltje zonlicht in haar leven is gedoofd. ’s avonds voelt het voor haar alsof entiteiten regelmatig seksueel bezit van haar nemen; ze is nooit vrij, heeft nooit rust, geen privacy en kan niet genieten.

Ogenschijnlijk doordat ze veel in het grensgebied tussen bewustzijnstoestanden verblijft, de gesteldheid waarin dit soort fenomenen veel voorkomen, ervaart ze in Venetië en Rome, tijdens een reisje met christenjongeren, flarden van eerdere levens.

Thuis gaat het gewone leven door. Ze wordt gemolesteerd door twee jongens, die haar het plezier in het paardrijden bijna vergallen. Door een incident, waarbij ze mogelijk onbewust haar eigen situatie gespiegeld ziet; een duivels ogende jongen mishandelt een prachtig paard als niemand kijkt, stopt ze tijdelijk met paardrijden.

Positieve en negatieve ervaringen wisselen elkaar af. Zo wordt Maria Felling hulp in de huishouding in een normaal gezin, ze krijgt zelfs pianoles en de goede tijden lijken aangebroken. Tot de man en vrouw een ongeluk krijgen; einde verhaal.

Op haar vijfentwintigste geeft ze paardrijles in een manege. Daar ziet ze weer de verschijning van de seance in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het wandelen met haar paard Bonnie ontmoet ze illustrator Anton Pieck en Lex Goudsmit. Ze waardeert dit korte moment, waarin ze met normaal respect wordt bejegend.

Haar paranormale vermogens ontwikkelen zich geleidelijk. Zo heeft ze op haar zesentwintigste een paard dat ze met haar gedachten kan sturen. Maar voor man-vrouw relaties heeft ze nog steeds een antenne waarmee het op z’n zachtst gezegd behelpen is.

Ze ontmoet een man, de eerste die ze in seksueel opzicht vertrouwt, een man zonder vaste verblijfplaats en met wisselende inkomsten. Het wordt niets en later blijkt hij haar te hebben bedrogen met een vrouw die intussen zwanger is. Vrienden zetten een contactadvertentie en een half jaar later is ze getrouwd en zwanger, maar de demonische stemmen in haar hoofd blijven.

Zo is ze ervan overtuigd dat haar pasgeboren kind dood is door het triomfantelijke gelach in haar hoofd. Ze gelooft pas het tegendeel als ze het perfect gezonde kind in haar armen neemt. Deze dochter wordt jaren later ’s nachts gillend wakker en vertelt over schimmen en deuren die zonder oorzaak opengaan. Bij logerende vriendinnen van haar dochter wordt aan de haren getrokken en het voelt alsof er muizen over hun lichaam lopen.

In haar hoofd is het nog steeds een duivels strafkamp, al helpt meezingen met de muziek uit de film ‘Jesus Christ Superstar’ om de stemmen te onderdrukken. Na de scheiding van haar man ligt ze zes weken plat, naar eigen zeggen doordat de entiteiten willen laten zien wie de baas is.

Volgens haar worden de entiteiten aangevoerd door de Strijders van de Duisternis die het opnemen tegen de Strijders van het Licht. Dit aan de hand van een inzicht over de strijd in een Kathaars dorp in de twaalfde eeuw. De aanvoerder van de zwart geklede bad guys is de man die ze voor het eerst zag tijdens de seance. Hij heeft haar destijds vervloekt, daarvan is ze overtuigd.

Zelf hoort ze uiteraard bij de witten. In die tijd is ze onder behandeling van Lady of the Light Jomanda, het omstreden medium dat healing vanuit de achterkamertjes naar de wereld van de showbizz heeft gebracht. Haar behandelingen helpen uiteindelijk onvoldoende om de welgeteld achtentwintig entiteiten te verbannen.

Na Jomanda wordt een hele reeks ‘mindere goden’ ingeschakeld. Vaak ontsteekt Maria Felling in een oer-boosheid als iemand haar wil helpen, waarbij de grens tussen haar woede en bezetenheid niet altijd duidelijk is. Een ingeschakelde healer, tijdens een sessie die door enkele entiteiten bezeten, wordt er zelfs bang van.

Een trance-medium en een pastoor concluderen dat Maria Felling de fenomenen zelf produceert (een conclusie die veel psychiaters trekken bij internationaal onderzoek naar katholieke gevallen van vermeende bezetenheid); het zijn onverwerkte emoties. Ze blijven samen een nacht in het huis van de schrijfster, vallen in slaap en worden wakker als de schrijfster midden in de kamer staat. De kamer is een ravage.

Een aantal nachten later ziet Maria Felling in een spiegel in plaats van zichzelf een prachtige man van bovenaardse schoonheid. Ze hoort de naam ‘Raphaël’ en concludeert dit is de aartsengel Raphaël. De hoge engel neemt haar in zeven nachtelijke uitstapjes mee naar de bron van goddelijke energie, maar de strijd is nog niet gestreden. Zo wordt een therapeute, die goed werk doet, nog door de patiënt aangevallen als deze is overgenomen door haar tegenstrever, de leider van de Strijders van de Duisternis.

Later wordt deze man onder leiding van de aartsengel, die een steeds belangrijker rol gaat spelen in het leven en de heelwording van Maria Felling, meegenomen naar het licht. Maar daarmee is de ellende van alle andere zwarte entiteiten, naar haar overtuiging afkomstig van mensen uit vorige levens die een reden zouden hebben om haar te haten, nog niet voorbij.

De aartsengel leert haar een techniek om de negativiteit te verwijderen. Maria Felling roept eerst alle negativiteit in haar wezen, zodat haar aura helemaal zwart wordt. Daarna wordt er een zuil van licht in haar geplaatst, van de kruinchakra naar beneden, waarin het kwaad gevangen raakt.

Als al die negativiteit niet kan vluchten, een proces waarbij het medium fysiek en psychisch wordt geradbraakt, volgt overgave. Tot slot begeleidt ze de entiteiten onder begeleiding van de aartsengel met de meest liefdevolle gedachten naar het licht. Dit soort reinigingen voert Maria Felling nu regelmatig uit en behalve bij personen ook bij woningen.

‘Opdracht van een Engel’ maakt grote indruk door het levensverhaal (later wordt de schrijfster ook nog blind), maar bovenal zet het aan tot nadenken over bezetenheid en entiteiten. Vanuit psychiatrische en theologische hoek is hier de laatste jaren al wat meer over gepubliceerd (met name in het Engelse taalgebied). Het boek is een waardevolle aanvulling hierop, doordat het vanuit de patiënt is geschreven, aantoont dat er altijd een uitweg is en bevestigt dat persoonlijke belevingen en overtuigingen fundamentele bouwstenen zijn van onze werkelijkheid. Een aanrader voor psychiaters, psychologen, pastoors en paranormaal genezers.

(Afbeelding van Asterion’s Occult Art)

Comments Off

admin op 20 December 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: een fuck up.

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Comments Off

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Comments Off

admin op 6 November 2011 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Thierry Salmerons ezelboek leert ons onbevreesd naakt zijn

Handboeken over hoe je gelukkig kunt worden zijn niet aan te slepen. Vaak verdwijnen ze snel naar de ramsj als de volgende trend zich heeft aangediend om de geluk-shoppers voor even tevreden te stellen. ‘De mens is een god… vermomd als ezel’ van Thierry Salmeron en Yann Christophe (Petiet, 2011) stijgt hier bovenuit en verdient een ander lot.

In de ’spirituele’ wereld, in elk geval door mensen die zichzelf spiritueel noemen, wordt gestolen bij het leven. Van de doorleefde inzichten van anderen is vrij makkelijk een eigen merk chocolade te maken. Een paar therapieën doorroeren en het resultaat gieten in een nieuwe mal voor chocoladerepen, een pakkende wikkel er omheen, de marketingmachine laten draaien en klaar is je nieuwe spirituele tussendoortje. Boekenplanken worden zo vol getypt.

Gelukkig zijn er ook andere mensen, die ik hier van harte bij u aanbeveel. Wat ze gemeenschappelijk hebben, om maar eens de auto metafoor te gebruiken, is dat ze de nodige ’spirituele’ kilometers op de teller hebben, vaak hebben ze ook al de nodige ongelukken achter de rug, en dat ze weten hoe de motor werkt. En dat is meestal heel eenvoudig, net als hun innerlijk leven, dat kan worden beschreven als een onbevreesd naakt zijn. Je kunt er zelfs geen religie van maken. (Dat gaat meestal ook fout.)

De Fransman Thierry Salmeron is iemand die de verpakking kwijt is en tot de essentie van de chocolade weet door te doordringen, die soms aan de oppervlakte ligt. Zijn verhaal, opgeschreven samen met Yann Christophe, is zo eenvoudig, dat zijn boekje wereldwijd commercieel waarschijnlijk geen groot succes zal zijn. Ondanks de vertalingen. We zijn ook meer op de Amerikaanse cultuur gericht, waar Eckhart Tolle al een groot marktaandeel heeft.

Maar het is vooral de grote helderheid, die mensen vermoedelijk zal weerhouden om ermee aan de slag te gaan. Was het een boek van drie delen met samen duizend pagina’s, liefst met eigen terminologie, en gepresenteerd als semiwetenschappelijk, dan ging het waarschijnlijk beter. Zoiets biedt alle ruimte om het bos in te duiken zonder een boom te zien, de boom te zien. En dat is heel fijn, want heerlijk verdovend; u kunt er zo lekker spiritueel bij wegdromen.

Ik kan op dit punt in mijn bespreking de essentie van dit boekje heel goed samenvatten, en daar een prachtig verhaal van maken, maar dat ga ik niet doen. Want dan denkt u misschien: ‘O, dat weten we al. Zo zijn we al. Zo leven wij al’. En dat is nu net wat de schrijvers ernstig betwijfelen, en vooral bij mensen die zichzelf heel spiritueel vinden. In plaats daarvan ga ik hieronder een paar fragmenten aanhalen om u een beetje te prikkelen.

‘In werkelijkheid is er geen verleden, geen toekomst, dus geen geschiedenis, geen bestaan van een kleine, gelukkige of ongelukkige persoon met een naam, een beroep enzovoorts. Dat alles is tot in details bedacht om in het leven te kunnen functioneren, maar het bestaat niet echt. Je bent zo bang voor de leegte, voor het niets, dat je geest tijd heeft gecreëerd om het te vullen.’ (pagina 44)

‘De geest is blind en slechts een instrument van het Leven. Maar hij denkt dat hij alles kan weten, begrijpen en controleren. De geest houdt zich alleen met zijn eigen belangen bezig, maar begrijpt de dingen lang niet altijd. Daar wordt hij gek van en dus laat hij jou geloven dat een situatie slecht, goed of oneerlijk is.’ (pagina 48)

‘Wij zijn “dienaren”. De “geest” hoort dat niet graag want hij is bang om overheerst te worden en zijn individuele vrijheid te verliezen. Maar op de dag dat je de weg kruist van iemand die begrepen heeft dat hij dienaar is en dus het leven dient, zul je hem niet snel vergeten. Je bent gewend mensen te zien die slechts hun persoonlijke belangen nastreven. (…) Het Leven is precies het tegenovergestelde en wat daaruit voortvloeit is perfect, het tegenovergestelde van wat we vandaag de dag op Aarde doen.’ (pagina 100)

Dit boekje zou ik met gemak inruilen voor meters ’spirituele’ boeken die sowieso beter bomen hadden kunnen blijven. Aan de andere kant: nu maken ze ook deel uit van het bos. Het commerciële spirituele bos. Zo niet ‘De mens is een god… vermomd als ezel’.

Comments Off

admin op 6 September 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Tadao Yamaguchi: ‘Geen slechte reiki, wel incomplete vormen’

Onlangs bezocht de wereldberoemde reikileraar Tadao Yamaguchi Nederland. Hij is de oprichter van de twaalfduizend studenten tellende internationale Jikiden-school voor traditionele reiki.

Tadao Yamaguchi (1955, Kyoto) interesseerde het aanvankelijk helemaal niet zoveel hoe reiki is ontstaan. Hij had reiki van zijn moeder geleerd en heeft er veel baat bij. Net als veel anderen. Maar omdat hij één van de weinige nog levende leraren is die in de lijn van overdracht dicht staat bij grondlegger Mikao Usui, krijgt hij vaak vragen over het verleden. Ironisch gezien, draait reiki juist om het hier en nu.

Onlangs was hij in Nederland voor een lezing over zijn school, Jikiden Reiki Kenkyukai. Wij spraken met hem over zijn methode en uiteraard over de reiki-geschiedenis. Het interview begon gelijk goed. Wat blijkt: er liggen nog enkele onbekende documenten uit de jaren twintig te wachten op publicatie!

Tadao Yamaguchi: ‘Het gaat om stukken die zijn gebruikt door bij Mikao Usui opgeleide leraren en die door de Gakkai aan mij ter beschikking zijn gesteld.’ De Gakkai is het oorspronkelijke reikigenootschap van Mikao Usui.

De datum van publicatie is nog onbekend en, ernaar gevraagd, lijkt Tadao Yamaguchi er ook geen haast mee te hebben. Frank Arjava Petter, een bekende reikimaster die bij het gesprek aanwezig is, verzucht: ‘Ik heb negen boeken over de reiki-historie geschreven, ik vind het nu ook wel goed zo.’

Of deze documenten veel nieuws bevatten, is de vraag. Toch zijn ze belangrijk om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de oorsprong van reiki. Al was het maar om het verstrekken van onjuiste & onvolledige informatie en sektarisch denken, als eerder bij de Reiki Alliantie, te voorkomen.

Op zoek naar de bron

Binnen de Gakkai (voluit Shin Shin Kaizen Usui Reiki Ryōhō Gakkai) is de levende traditie nog in min of meer originele vorm beschikbaar. Het is echter een besloten vereniging, volgens Frank Arjava Petter enigszins vergelijkbaar met een vrijmetselaarsloge, waarvan de ongeveer driehonderd leden uitsluitend elkaar behandelen. Veel informatie komt er niet naar buiten.

Dit komt ook doordat het publiekelijk adverteren met of het praktiseren van reiki sinds WOII (mogelijk aanvankelijk vanwege banden met de vredesbeweging) strafbaar is in Japan. ‘Zelfs nu nog ga je in Japan de gevangenis in als ze je pakken’, lacht Frank Arjava Petter, ooit student nummer tien van Tadao Yamaguchi en nu Jikiden Reiki Dai Shihan.

Om deze reden, zijn we voor informatie over de authentieke methoden, behalve op enkele spaarzame documenten, aangewezen op mensen als Tadao Yamaguchi, die teruggrijpen op de pre-Gakkai periode. Naast Jikiden Reiki Kenkyukai, de school die hij met moeder Chiyoko Yamaguchi oprichtte, zijn er overigens nog de Reidō Reiki Gakkai (deze leringen zijn volgens Wikipedia bijna identiek aan die in de Gakkai) en de Kōmyō Reiki Kai (opgericht door een leerling van de moeder van Tadao Yamaguchi).

Tadao Yamaguchi leerde reiki via zijn moeder, die in opleiding was bij Chujiro Hayashi, een leerling van Mikao Usui die diens methode met toestemming vereenvoudigde. Tadao Yamaguchi stelt op zijn site dat Chujiro Hayashi als arts ‘bepaalde accenten legde’, bijvoorbeeld door het massage-onderdeel uit te werken.

De variant van Chujiro Hayashi, maar dan sterk versimpeld, aangepast aan de Amerikaanse situatie na WOII en aanvankelijk aangevuld met diverse fraaie verzinsels, is de westerse reiki zoals die nu wereldwijd door miljoenen wordt gepraktiseerd (Usui Reiki Shiki Ryh).

Sensei hield van sake

In een buurthuis in Hoensbroek, Limburg, zijn vandaag zo’n vijftig mensen uit het hele land bijeen gekomen om Tadao Yamaguchi te ontmoeten, een levende link met het verleden. Eerst zal Frank Arjava Petter vertellen over zijn jarenlange reiki-onderzoek. Via foto’s laat hij de exotische namen en plaatsen, die we kennen uit zijn boeken, tot leven komen.

We zien ondergelopen rijstvelden, halfhoge bergen en de tempel waar Mikao Usui zijn basisopleiding kreeg – er was geen school in het dorp waar hij opgroeide. ‘En in dit huis heeft Mikao Usui een groot deel van zijn jeugd doorgebracht.’ We kijken samen naar een lage houten winkel met achterliggend woonhuis.

Frank Arjava Petter, die al jaren reiki-reizen naar Japan organiseert, plaatst alles met humor in perspectief. We zien een foto van een groot bedrijf. ‘Mikao Usui komt uit een familie die eeuwenlang een sake-brouwerij heeft gehad, zoals deze. Dus nu weten we ook wat er onder de bult zit, die zich op de foto’s onder zijn gewaad aftekent’; de sensei hield wel van een glaasje.

Byosen belangrijkst

Daarna is het de beurt aan Tadao Yamaguchi. De man op wie we allemaal gewacht hebben, blijkt opvallend onopvallend. Door tientallen jaren beoefening heeft hij een buitengewone gevoeligheid, ook op afstand. Byosen, het snel en verfijnd waarnemen van energetische knelpunten van verschillende intensiteit, blijkt het onderwerp van zijn voordracht.

‘Iemand met meer ervaring heeft ook geen sterkere energie dan een beginneling, het verschil zit hem in het waarnemen van byosen. Hoe meer ervaring, hoe sneller en nauwkeurig verschillende knelpunten kunnen worden vastgesteld. Zonder het ervaren van byosen, is het geven van reiki als vissen in het donker’. Wat behandelaars en cliënten verder ervaren, bijvoorbeeld temperatuurwisselingen, is persoonlijk en niet van belang, aldus Tadao Yamaguchi.

Hij vindt het belangrijk om dit soort informatie te delen, ook om misverstanden te voorkomen. Nadat hij medio jaren negentig via westerse reikileraren voor het eerst hoorde over het bestaan en de sterke groei van reiki in het westen (via de Reiki Alliantie), richtte Tadao Yamaguchi in 1999 het Jikiden Reiki Kenkyukai op.

Het doel is om reiki vanuit ‘directe overlevering’ (Jikiden) te onderwijzen. Ter aanvulling zal op termijn ook een dvd met privé-opnames verschijnen waarop zijn moeder haar verhaal vertelt. Intussen telt de Jikiden-school van moeder en zoon Yamaguchi wereldwijd al zo’n twaalfduizend studenten, onder wie diverse leraren die mogen lesgeven in de ‘pure reiki methode’.

Alle reiki is goed

Tadao Yamaguchi: ‘Er is zijn geen slechte vormen van reiki. Wel zijn er vormen die niet compleet zijn. Daardoor zeggen sommige mensen dat reiki niet werkt. Dat is onterecht.’ Zo is bijvoorbeeld de behandeltijd bij sommige scholen te kort om veel effect te sorteren. Zelf behandelt hij mensen sinds 1965, voornamelijk op het hoofd en minimaal zestig tot negentig minuten per sessie.

Belangrijk bij reiki is je het veel doet en dat de behandelingen lang duren en regelmatig plaatsvinden, geeft hij aan. Tijdens zijn lezing geeft hij het voorbeeld van een vrouw die al genoteerd stond voor een operatie vanwege ernstig nierfalen.

Door deze cliënt bijna een half jaar dagelijks en langdurig te behandelen, bleek een operatie uiteindelijk niet meer nodig. ‘Haar (serum creatinine) waarde daalde van 5.9 tot 2.9.’ (Rond waarde 6 treedt uitval van de nieren op.) Tadao Yamaguchi: ‘Dat is toch een wonder!’

Wereldwijd hebben intussen ruim achthonderd soorten reiki het licht gezien, voortgekomen uit individuele inzichten, pragmatische behoeften en/of marketing-overwegingen. Binnen de ‘traditionele Japanse reiki’ zijn, zoals hierboven aangehaald, ook diverse scholen actief.

Verandering lijkt een constante, ondanks de behoudzucht. Is de stichter van het Jikiden Reiki Kenkyukai niet bang dat één van zijn leraren straks met eigen aanpassingen of met een eigen school komt? Eerder deed een student van zijn moeder dat al. Tadao Yamaguchi glimlacht: ‘Ik vertrouw erop dat het niet gebeurt’.

Comments Off

admin op 7 July 2011 in Religie & Spiritueel

Katharen dichter bij Jezus dan de kerk van Constantijn

Over de katharen, in hun eigen woorden de bon hommes, doen veel romantische verhalen de ronde. Na lezing van het onlangs herdrukte boek ‘Katharen en de val van Montségur’ van de filosoof Bram Moerland (Synthese, 2011) blijf je als lezer achter met diep respect voor deze goede mensen. En met een pijnlijk scherp inzicht in de systematische vernietiging van andersdenkenden en hun werken door de rooms-katholieke kerk, al vanaf de beginjaren.

De katharen hadden een visie, die verrassend genoeg veel lijkt op die in de hedendaagse buitenkerkelijke spiritualiteit. Die visie kwam ongeveer hierop neer: Vanuit inzicht in de goddelijke kern van de ander, en door individuele vrijmaking van morele dwang, kan een mens komen tot ‘zelfverlossing’ – al gebruikten ze dat woord zelf niet.

Vóór die bevrijding zijn mensen het contact met hun ware zelf of innerlijk weten kwijt. Die toestand wordt slaap, blindheid of dood genoemd. Het is een toestand van angst, gebaseerd op begeerte en het streven naar macht. Het opheffen is als een opwekking uit de dood; weten wie je bent en wat je bestemming is. Dan treed je het hemelse koninkrijk binnen.

Jahweh, de boze god van het Oude Testament, werd door gnostici gezien als een leugen. Hij is arrogant, onbetrouwbaar en wraakzuchtig en in staat tegenspraak met alles waar Jezus voor stond, dus kan hij ook niet diens vader zijn. Zonde, straffen en lijden passen voor hen ook niet in dat liefdevolle plaatje.

Lijden kent ook geen hoger doel of diepere oorzaak, zoals het Oude Testament suggereert, stellen de katharen, net als veel andere gnostici. In confrontatie met lijden zijn een diepere oorzaak of een hoger doel niet belangrijk, er is maar één antwoord en dat is compassie of naastenliefde.

Jahweh was voor de katharen de god van het kwaad, met als kenmerken geweld, onderdrukking en angst. Daar tegenover stond hun god van het goede, met liefde, vrede en gerechtigheid als eigenschappen. De katharen zagen de rooms-katholieke kerk als werktuig van de god van het kwaad.

Het goede nieuws: gelukkig bestaat dat rijk van het kwaad slechts in onze verbeelding, in de schaduwwereld, net als Jahweh. Daarbij geldt: aan de vruchten herkent men de boom. Wat je doet, bepaalt tot welke wereld je hoort; die van de angst (de katholieke kerk) of die van de naastenliefde (die van de bon hommes).

Volgens gnostici als de katharen heeft in het vroege christendom een stroming de macht gegrepen die Jezus in verband bracht met de oudtestamentische messiasverwachting en met het bijbehorende godsbeeld. De mede door bisschop Irenaeus hiertoe in elkaar getimmerde verzoeningsleer was een theologisch lapmiddel.

De verzoeningsleer komt hierop neer: Jezus is gestorven voor onze zonden, die ontstonden doordat Adam van de boom van goed en kwaad had gegeten. Nee, zeggen de katharen, Jezus is iemand die mensen herinnert aan hun ware aard, van bewust zijn, hen inspireert tot het ware leven.

Het bekeringsverhaal van Paulus in de bijbel spreekt boekdelen; het ging om het ervaren van Christus in de geest. En Jezus is een leraar die mensen op de juiste weg wijst. Kerkvader Origenes zei eerder: ‘Zeggen dat de Christus is gekruisigd, is onderricht voor kleuters’.

Toch werd dat, met de Synode van Nicea in 325, mede onder invloed van de Romeinse keizer Constantijn, het centrale verhaal van het intussen geïnstitutionaliseerde christendom. Een andere kerkvader, Augustinus, rechtvaardigde theologisch het geweld dat vervolgens structureel tegen andersdenkenden werd ingezet.

Om te beginnen werden diverse vroege aanhangers van de Jezus-beweging, inclusief vermoedelijk familieleden van Jezus, de dupe. Daarna waren de Ierse christenen, de eerste christenen van Europa, aan de beurt. Ze hadden een bloeiend geloof dat goed geïntegreerd was met de oudere Keltische overtuigingen en spiritualiteit.

Volgens Bram Moerland hadden ze - nog veel belangrijker - een enorm positieve invloed op de culturele ontwikkeling van heel Europa, al wordt dat vaak onderbelicht door historische vertekeningen. Zo is Ierland niet gekerstend door (de latere Sint) Patrick, die even kort voet aan wal zette; dat was al lang voordien gebeurd, stelt de schrijver.

Ook het verhaal van (de latere Sint) Bonifatius verdient een kanttekening. Deze Roomse afgezant, die leefde in de achtste eeuw, had in West-Europa de opdracht om de reeds door de Ieren gekerstende gebieden onder Romeins kerkelijk bestuur te brengen. Hij deed dat op doortrapte wijze en is uiteindelijk als tempelschenner door Friezen vermoord (volgens Bram Moerland bij Utrecht en niet bij Dokkum – het was in elk geval in Frisia).

Voor Europa was de ‘herkerstening’ van de Ierse christenen een enorme stap terug. Het zou nog tot ongeveer het jaar duizend duren voordat de volgende verlichtingsbeweging opkwam, ditmaal in Zuid-Frankrijk; de bon hommes oftewel de katharen (ketters), zoals wij ze aanvankelijk uit de kerkelijke procesverslagen hebben leren kennen.

Met de theologische tandem Irenaeus-Augustinus als tweesnijdend zwaard, gewed door nieuwe heiligen uit hun eigen tijd, werd de kathaarse beweging zo’n tweehonderd jaar na haar opkomst met wortel en tak uitgeroeid. Het was een etnische genocide op een beweging die nu door veel onderzoekers wordt beschouwd als historisch én qua inhoud voortvloeiend uit het vroege christendom.

Recent onderzoek toont aan dat deze stroming, die onder meer de zegen door handoplegging kende, ooit wijd verbreid was in geheel Europa en het Nabije-Oosten. Het was de ondergrondse stroom die, volgens getuigenissen uit processen, ‘vanaf de tijd der martelaren’ onder meer in Griekenland was blijven voorbestaan.

Maar bijvoorbeeld ook bij de Bogomielen in Bulgarije, die hun afkomst terug voerden op de nu vaak negatief afgeschilderde apostel Paulus (mea culpa), en bij de Paulicianen in Turkije. ‘Van de Paulicianen is bekend dat ze Jezus niet als een God beschouwden.’

In de bloeiperiode van de katharen vond op de grens met Spanje een belangrijke en vredevolle culturele uitwisseling plaats met de Moren. Zo werden Joodse, Islamitische en Latijnse denkbeelden opnieuw geïntroduceerd in Europa, bewaard gebleven door islamitische geleerden (het was de gouden eeuw van de islam) toen de kerk deze uit alle macht probeerde te vernietigen.

De hoofse cultuur deed opgang, met de ridderlijke idealen, romantische liefde en de liefde voor minnezangen, poëzie en filosofie. Kortom: het was een verfijnde, open, internationale atmosfeer die in weinig te vergelijken was met de bekrompen kerkelijke doctrines die Europa in de honderden jaren daarvoor de duisternis hadden ingeleid. (Hierdoor beïnvloed ontstond binnen de kerk ook een meer verlichte stroming).

Deze lichtende beweging, die later werd opgevolgd door de Renaissance, kon door de kerk niet worden getolereerd. Bekende christenpredikers luidden het bloedige einde in. Bernardus van Clairvaux ging polshoogte nemen. Hij werd met de rug aangekeken en schreef daarna het gemeentebestuur van Toulouse: ‘Daarom, dierbaren, vervolgt hen, neemt hun goederen in beslag’.

Ook de latere ‘heilige’ Dominicus ging op onderzoek. Deze concludeerde: ‘Waar de zegen faalt, zal een stevig eind hout slagen. (…) Zo zal de macht van het geweld slagen, waar de milde dwang der overreding niet heeft mogen baten.’

Uiteraard in een complex samenspel van religieuze en wereldlijke verhoudingen, werden zo de kiemen gelegd voor de corrigerende en koloniale veldtochten van het roomse ‘Rijk van het Kwaad’. Een belangrijke drijfveer om mee te doen, was de pauselijke volmacht om de landgoederen van de verdreven ‘ketters’ in bezit te nemen; kerk, kapitaal en wereldlijke kracht gingen zoals altijd uitstekend samen.

Het vlot geschreven boek van Bram Moerland biedt een overzicht van actueel onderzoek en ontrafelt oude fabels, vaak gebaseerd op door marteling verkregen procesverslagen van de inquisitie. Zo krijgen de bon hommes een stralend en aansprekend gezicht. Deze mensen waren naar leer en leven ook geen ketters, maar mensen die vermoedelijk dichterbij Jezus stonden dan de kerk van Constantijn ooit is geweest.

(Foto: Rubin Vicinte)

Comments Off

admin op 26 June 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Zuid-Afrikaanse sjamaan heeft spilfunctie in zwarte cultuur

Tijdens het wereldkampioenschap voetbal in 2010 deden toekomstvoorspellers goede zaken. Naast Inktvis Paul, die verrassend goede resultaten boekte, waren het vooral de sjamanen van Zuid-Afrika, de sangoma, die het nieuws haalden. Er zijn zo’n driehonderdduizend in Zuid-Afrika. Ik bezocht er onlangs één in een township van Kaapstad.

De gids loodst me met haar tweedehands auto door één van de townships van Kaapstad. Het is een doolhof van kleurige huisjes van hout, doeken en golfplaten, in de drukbevolkte stukken met elkaar verbonden door naamloze zandpaadjes. De bewoners kijken met vragende en soms verwijtende ogen naar de blanke bezoeker. De sociaal-economische omstandigheden van de voornamelijk zwarte bevolking hier zijn slecht en blanken worden vooral geassocieerd met geld.

Als we uitstappen, blijkt de sangoma enkele tientallen meters verderop te wonen. Bij een ongemarkeerde woning wordt de doek, die als deur dient, opzij geschoven. De schoenen moeten uit. In de eenvoudig ingerichte wachtruimte, waar ook een koelkast staat te snorren, begroet ik de vrouw van de sangoma. Ze roept als ik kan komen. Vooraf had de gids instructies gegeven. De belangrijkste: geen rechtstreekse vragen aan de sangoma.

De gids en ik zitten geknield op een rij aan de rand van de kleine behandelruimte. Op de vloer zit wijdbeens de sangoma, een man van naar schatting achter in de vijftig. Hij glimlacht vriendelijk en uitnodigend. Achter hem allerlei hulpmiddelen. Potjes met kruiden, doeken, omwikkelde stafjes die zijn status uitdrukken, de staart van een dier, en tal van op het eerste zicht niet gelijk te herleiden spullen.

Een sangoma houdt zich bezig met genezen via kruiden, waarzeggen en adviseren. Hij of zij geneest bijvoorbeeld psychosen, hoofdpijn, buik- schouder en nekpijnen. Daarnaast worden de sjamanen ingezet voor het terugvinden van verloren vee, het beschermen van krijgers (en sporters) en het afweren van hekserij. Ook is het hun taak om geschiedenis, kosmologie en mythen over te dragen. Sangomas zijn erg gerespecteerd vanwege hun samenbindende functie; ze zijn de psychologen, sociaal-werkers en genezers van hun gemeenschap.

Na een innerlijke roeping door een voorouder, die vaak gepaard gaat met een fysieke en mentale crisis, kan de opleiding bij een ervaren sangoma beginnen. Deze duurt jaren en is, behalve op de vakinhoudelijke zaken, gericht op het aanleren van nederigheid en respect (voor anderen, de voorouders, de leermeesters en de sangoma’s van de eigen lijn). Soms stuurt een sangoma zijn leerling lange tijd van kastje naar de muur. Het ritueel slachten van dieren markeert in alle gevallen de overgangsmomenten tijdens de opleiding. Met het dierenbloed wordt de band met de voorouders bekrachtigd.

Deze sangoma wordt vooral geconsulteerd voor voorspellingen, met name wat betreft werk en relaties. Hij gebruikt daarvoor botjes die hij op de grond gooit, maar de voorouders bepalen hoe ze liggen. Zij beschermen en leiden de levenden en kunnen worden gevraagd om advies over genezing en het oplossen van sociale en spirituele problemen. Daarnaast spelen ‘nature spirits’ een rol. Zij zijn vaak aan een locatie gebonden, bijvoorbeeld een rivier, heuvel, waterval of grot. De vooroudergeesten zijn soms ook verbonden met zulke locaties, afhankelijk van wie ze zijn. Daar kunnen ze dan ook het best worden geraadpleegd.

De kennis en ervaring van een sangoma wordt mondeling en één op één overgeleverd. Het verbod op sangoma’s onder het Apartheidsregime zorgde dat de traditionele genezers dreigden te verdwijnen. Met de komst van het ANC werd het weer mogelijk voor sangoma’s om openlijk te praktiseren. Nu dreigt een ander probleem, legt ‘onze’ sangoma uit. Hun positie komt onder druk door de verbreiding van de westerse medische wetenschap. Desondanks raadpleegt tachtig procent van de zwarte bevolking nog steeds gemiddeld drie keer per jaar een sangoma.

De discussie in Zuid-Afrika is nu of de traditionele geneesmethoden als aanvulling op de westerse kunnen dienen. Daar is onlangs een conferentie over geweest met reguliere specialisten en traditionele genezers, vertelt de sangoma. De westerse medische wetenschap heeft in elk geval interesse in de gebruikte natuurlijke ingrediënten om er nieuwe medicijnen van te maken.

Een hieraan gekoppeld probleem is volgens hem dat veel sangoma’s bang zijn om hun voorheen geheime kennis kwijt te raken. Ook de globalisering speelt een rol. De zoon van zijn vrouw volgt nu een opleiding traditionele Chinese geneeskunde, onder meer met aandacht voor acupunctuur. Voor zijn moeder een onbegrijpelijke zaak.

Dan is het tijd voor het gooien van de botjes (’throwing of the bones’). In werkelijkheid zijn het niet alleen (soms met metalen draad omwikkelde) botjes, maar ook schelpen, steentjes, muntjes en andere zaken. Allen vertegenwoordigen ze personen (als een moeder), typen (als een dief), dingen of gebeurtenissen. De betekenis van elk token staat vast. Zo vertegenwoordigt een grote schelp het heersende principe dat alles in het leven van de cliënt bestuurt.

Tijdens zijn uitleg wijst de sjamaan de relevante tokens aan. Om zijn pols zitten bandjes met gekleurde kralen, veel wit en rood. Elke kleur heeft een betekenis. De belangrijkste kleuren (zwart, rood en wit) verwijzen naar fasen van het innerlijke veranderingsproces.

Gebarend stelt de sangoma dat ik thuis geen auto heb. Dat klopt. Ik heb ook nooit een auto gehad. Dat klopt niet. De moeder van mijn moeder is heel belangrijk voor mij geweest, zegt hij dan. Ze beschermt en begeleidt me. Zij heeft ervoor gezorgd dat ik de sterke man ben geworden die ik nu ben. Verder zegt hij dat ik nooit problemen in mijn leven heb gehad.

Als ik wil weten hoe hij dat ziet, legt hij via de gids geduldig uit welke ‘botjes’ waarvoor staan. En hoe de verhouding is. Er is uiteraard nog veel meer te vertellen, maar fatsoenshalve moeten we na een tijdje afronden. Een normaal consult is volgens de gids twintig minuten en we hebben er nu, overigens op herhaald aandringen van de sangoma om meer vragen te stellen, zeker een uur gezeten.

Een regulier consult kost bij deze sangoma driehonderd rand, ongeveer dertig euro, een bedrag dat door de meeste inwoners van de townships in termijnen wordt betaald. Ik moet het, zonder naar hem te kijken, voor hem op het kleed smijten en gelijk vertrekken – dit om te voorkomen dat hij zijn nederigheid verliest, legt de gids uit.

Het voelt onbeschoft, maar als dat gebruikelijk is? Ik smijt de briefjes zo nonchalant mogelijk voor hem neer. Kijk hem aan en bedank hem dan toch maar even. Dat leidt tot gelach; onbedoeld heb ik de belangrijkste gedragsregel overtreden. Buiten heeft de tijd eventjes stilgestaan. De zon geselt het uitgestrekte township.

Comments Off

admin op 3 May 2011 in Religie & Spiritueel

Overzichtswerk: Mohammed in traditie woestijnvaders

De laatste twintig jaar wordt informatie over de diverse religieuze en spirituele stromingen wereldwijd in rap tempo voor de leek ontsloten. Het boek ‘Westerse esoterie en oosterse wijsheid – De esoterische traditie door de eeuwen heen’ (Ankh Hermes, 2010) is daarbij een bruikbare wegwijzer. Er valt veel in te ontdekken, bijvoorbeeld over Mohammed.

Bij de aankondiging van de publicatie werd inzicht in de samenhang tussen de belangrijkste religieuze stromingen, personen en onderwerpen beloofd. Ik verwachtte dan ook een doorwrochte en goed leesbare analyse waarin diverse lijnen op ingenieuze wijze verbonden zijn. Een boek dat de verschillende losse draadjes weeft tot een fraai wandkleed met op elkaar ingrijpende patronen van menselijke ervaringen met elkaar en met het hogere.

Die hooggespannen verwachting kwam niet helemaal uit. Het is meer een lappendeken geworden, een soort encyclopedie met overigens heel interessante bijdragen. Bij nader inzien ook niet zo vreemd. Als je erover nadenkt, hadden de schrijvers twee opties: een subjectief, geïntegreerd en heel uitdagend boek schrijven voor een geschoold publiek of een boek maken voor een doelgroep van leken met meer objectiviteit, minder diepgang en een veel hogere verkoopbaarheid. Dit boek neigt naar de tweede variant.

Afbakening in tijd, ruimte of thema is cruciaal bij het schrijven van een overzichtswerk als dit. Nu is gekozen voor alles dat invloed heeft gehad op westerse esoterie via rede, geloof en gnosis. De selectiecriteria zijn echter niet duidelijk omschreven.

Zo is er (vrijwel) geen aandacht voor het Germaanse geloof dat boven de rivieren lange tijd van grote invloed is geweest, net zo min als voor het Romeinse volksgeloof dat met name in Zuid-Nederland werd gepraktiseerd (wel wordt aandacht besteed aan de invloed van de Kelten). Dat is jammer, mede gezien de diverse archeologische bewijzen die het schijnbare belang ervan aantonen.

De gekozen indeling, op basis van de drie-eenheid rede, geloof en gnosis, is lineair historisch uitgewerkt. Beginnend met de oudste bronnen van onze beschaving, Egypte en Mesopotamië, wordt per hoofdstuk toegewerkt naar de huidige tijd. Tijdens die reis worden vooral in de eerste helft van het boek veel verbanden gelegd met het verleden. Sommige bijdragen lijken echter grotendeels op zichzelf te staan, al komt een deel van de informatie in de hoofdstukken over onze tijd weer terug.

De meeste bijdragen geven blijk van grote geleerdheid. Ze bieden soms interessante aanvullende stukjes informatie, als verborgen juweeltjes in een voor het overige redelijk bekend verhaal. Zoals van de schrijvers Jacob Slavenburg en John van Schaik verwacht kon worden, durven ze, met name als het gaat om christelijke onderwerpen, af te wijken van de recht-op-en-neer theologie zodat een meer evenwichtig beeld van tal van onderwerpen en personen wordt geschetst.

Een blik op het boek

Eén onderwerp wil ik er uitlichten en dat is het hoofdstuk over Mohammed en de islam. Mohammed wordt door de schrijvers als een mysticus beschouwd, in elk geval tot hij oorlog gaat voeren in 622. Met hun bijdrage over hem willen de schrijvers het heersende beeld van Mohammed bijstellen, wat dat ook moge zijn. Dit levert diverse interessante gegevens op, die nieuw zullen zijn voor veel niet-moslims. Met name zijn relatie met (vertegenwoordigers van) het christendom.

Zo blijkt dat de leraar van de islam ooit als profeet is aangewezen en is ingewijd door een christelijke monnik, Bahira, en dat hij in zijn jonge jaren regelmatig in een grot (Hira) mediteerde net als de christelijke kluizenaars van die tijd (de woestijnvaders). Mohammed erkende ook pas de authenticiteit van zijn openbaringen toen hij hiervan de bevestiging kreeg van de christelijke oom Waraqah van zijn eerste vrouw Khadhija dat deze passen in de traditie over Mozes.

Wat gebeurt er? Mohammed krijgt na drie jaar mediteren, hij is rond de veertig, een inzicht. Een visioen. Hij ziet - in mijn beleving - een fraai gekalligrafeerde tekst op een stuk perkament. De tekst in zwarte letters is in een hem onbekende taal. Hij herkent zelfs de sierlijke tekens niet. Misschien hoort hij ook een zware mannenstem die de tekst opleest. Het verwart hem als hij weer bij zijn positieven komt. Wat moet hij ermee?

De stem is van een engel, aldus de islamitische geschriften, en die engel zegt dat hij moet lezen. Mohammed reageert wanhopig dat hij het niet kan lezen. In zijn eerste biografie, een eeuw na zijn dood geschreven en bekend van een versie van rond 800, wordt gezegd dat de engel hem drie keer vastpakt en zegt:

‘Lees! In de naam van jouw Heer, Die jou heeft geschapen. Hij heeft de mens geschapen van een bloedklomp. Lees! En jou Heer is de meest Edele. Degene die onderwezen heeft met de pen. Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist.’

Deze openbaring heeft overigens ook een keerzijde, weet Waraqah: ‘Dit is precies wat Mozes ook is overkomen. (…) Elke man die dit krijgt wordt vijandig behandeld’ (en eventueel zelfs het land uitgezet).  Dat gebeurt later inderdaad, ook met zijn aanhangers, en een en ander leidt tot zijn eerste (bekerings)oorlog.

Onder christenen wordt Mohammed na zijn veroveringen enerzijds toegejuicht, (vanwege de herkenning van de christelijke elementen in zijn leer?), anderzijds - en dat verwijst naar die vijandigheid - als een valse profeet gezien (als Jezus, op wie (later?), net als bij Mohammed, oud-testamentische (joodse) teksten worden betrokken om hem te legitimeren).

Mogelijk heeft de opmerking van de christelijke Waraqah Mohammed uiteindelijk doen besluiten om zijn nieuwe geloof dan maar met geweld aan anderen op te leggen. Wie is hij om tegen de heilige geschriften en tradities in te gaan, zeker als het is voorzien? Een joodse legitimatie van de eerste gewelddadige islamitische expansie waarbij de pen werd ingeruild voor het zwaard?

Mohammed een christen

De paragraaf over christelijke stromingen in de Arabische wereld uit de tijd van Mohammed en daarvoor, de parallellen met de woestijnvaders en de magische bijbelse leeftijd van veertig waarop hij zijn grote visioen had; dit alles maakt het mijns inziens mogelijk om nog een stap verder te gaan. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat Mohammed is voortgekomen uit een christelijke beweging als de Monofysieten / Nestorianen.

Naspeuringen op internet wijzen erop dat dit idee, Mohammed als ex-christen, niet nieuw en ook niet zo vreemd is; het één volgt altijd uit het ander en profeten komen doorgaans niet uit de lucht vallen (behalve dan in mythologische vertellingen). In het boek van Slavenburg en Van Schaik wordt deze conclusie niet getrokken, het gaat hier en in het vervolg van deze tekst om speculaties van mijn kant.

Mohammed voorspelde de ‘antichrist’ (Dajjal, door latere islamitische commentatoren omgetoverd in een kleine, dikke, krombenige, dichtbehaarde, eenogige misleider en wonderdoener met vooral aanhangers onder joden en vrouwen). Iemand die is opgegroeid is met inheemse ‘heidense’ overtuigingen - dit wordt meestal over de achtergrond van Mohammed geschreven -  zou zich vermoedelijk over Jezus de Christus niet zo druk maken.

Mohammed doet dat wel. De antichrist is volgens Mohammed iemand die Jezus boven god plaatst en verkondigt dat de kruisdood van Jezus de wereld heeft verlost. Misschien reageerde Mohammed hiermee wel op de paus of een andere (kerkelijke of wereldlijke) heerser uit zijn tijd (mede om zo acceptatie van zijn geloof makkelijker te maken?)? Vaak komen tegenbewegingen op in reactie op bijvoorbeeld verstarring, corruptie en machtsmisbruik binnen de dominante groep.

Verder is opvallend dat de jood Jezus volgens Mohammed bij zijn wederkomst van team is gewisseld en dan uitkomt voor de islam. Jezus zal de islamitische wetgeving overnemen, de Sharia, en de antichrist doden. En niet te vergeten alle andere christenen, behalve die in Jezus geloven (maar god bovenaan de Jakobsladder plaatsen) - een nogal ingewikkeld verhaal dat de complexiteit van zijn verhouding met het christendom lijkt te bevestigen.

Jezus lijkt dus dus bij zijn wederkomst niet op zijn eerste incarnatie, zoals wij die kennen, maar veel meer op de gewelddadige Mohammed uit de tweede helft van diens leven, na het cruciale (bijbelse) breekpunt van rond de veertig jaar. Mohammed schrijft zo schijnbaar via zijn eigen persoon de geschiedenis en de toekomst naar zich toe; de islam is in zijn lineaire visie beter dan het christendom.

Het lijkt of de profeet daarbij wilde teruggrijpen op het jodendom, met name op de verhalen over Mozes. (Even verder speculerend). Er zijn diverse overeenkomsten tussen beide mannen. Ook Mozes schroomde bijvoorbeeld niet om oorlog te voeren tegen andersgelovige tegenstanders. Zo werden de Midianieten onder aanvoering van deze joodse profeet praktisch uitgeroeid.

Jezus’ wederkomst vindt volgens Mohammed plaats op de berg Sinaï. Ook hier vinden we een verband met Mozes (en het joods-christelijke gedachtegoed). Mozes had op die plek (ook al rond z’n veertigste) zijn beroemde brandende braambos-visioen (de struik brandde maar verteerde niet; het innerlijk vuur in zijn levensboom werd ontstoken).

Vlakbij de (vermoedelijke) locatie waar dat gebeurde is een krachtplaats waar sinds zestienhonderd jaar in een klooster waardevolle (vroeg-christelijke) teksten worden bewaard. Ook in de tijd van Mohammed.

De berg Sinaï lijkt dus een logische plek voor Mohammed, de profeet van de god van het schrift, om Jezus te laten terugkeren. Midden in zijn (Egyptisch-joods-christelijke) traditie van profeten, pennen en zwaarden én in verbondenheid met Mohammed zijn grote voorbeeld Mozes.

Comments Off

admin op 7 March 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Over de Indigo kinderen van Generatie Y

Indigo’s of nieuwetijdskinderen; voor de één zijn ze voorbodes van een veelbelovende spirituele verandering van de laatste jaren, voor de anderen vormen ze een modieus verschijnsel om probleemkinderen legitiem een hogere status te geven, vergelijkbaar met het verschijnsel van de hoogbegaafde kinderen; die zijn er ook, maar het zijn er maar een paar en de vraag is of die begaafdheid, die zich vaak op een enkel vlak manifesteert, ook op langere termijn aantoonbaar blijft.

Onlangs verscheen het boek ‘De Indigo kinderen, 10 jaar later’ van Lee Caroll & Jan Tober (Uitgeverij Petiet, 2010). Daarin kijken de schrijvers na tien jaar terug op hun eerste boek dat de Indigo kinderen een naam gaf en ze op de kaart zette. Het huidige boek is een amalgaam van meningen en feiten.

Om te beginnen is er het bekende beeld, namelijk van lieve, wijzige en mogelijk spiritueel begaafde kinderen die onder meer moeite hebben om zich aan te passen aan het reguliere onderwijssysteem. Door hun sensitiviteit en een gebrek aan ervaring om daarmee om te gaan, bijvoorbeeld door zich energetisch af te sluiten of via zelfreflectie meer effectieve sociale patronen te ontwikkelen, komen ze regelmatig in de problemen. Ze voelen, zien, ruiken en horen wellicht meer en dat maakt kiezen en handelen lastiger.

Een oplossing hiervoor wordt binnen de kaders van het lagere onderwijs gezien in het constructivisme, een stroming gericht op ‘learning by doing’ en leren leren die ook binnen het Nederlandse Nieuwe Leren op veel aanhang kan rekenen.

Het nieuwe leren, en dat is niet: alles op de computer, maar ruimte bieden voor eigen invalshoeken afhankelijk van talenten en persoonlijke leerstijlen, blijkt soms goed te werken. Of dit vrije leren ook succesvol is voor kinderen met een laag niveau, althans gemeten met de huidige, op cognitie gerichte onderwijstoetsen, valt te betwijfelen. Of het moet gaan om heel kleine groepen.

Agressieve Indigo’s

Niet alle (mogelijke) Indigo kinderen zijn creatieve, zachtaardige boeddha’s-in-de-dop. Net zo vaak zijn het kinderen die zich zeer op negatieve wijze manifesteren. Onbeheerste agressie tegen zichzelf en tegen anderen, onbegrip, negatieve onzinnigheid, hyperactiviteit; het is een explosief mengsel dat een voedingsbodem heeft in de ervaring onbegrepen te zijn; dan kan de ware aard zich niet ontplooien.

Het kan zijn dat deze kinderen inderdaad spiritueel heel ontwikkeld zijn en vanuit hun genen, aard en omstandigheden tijdelijk negatief reageren. Dat is wat in het boek wordt gesuggereerd. Maar, en hier raken we een cruciaal punt: hoe en door wie moet worden bepaald wat waarschijnlijk een ‘echte’ Indigo is?

Het moet iemand zijn met een grondige pedagogisch-didactische kennis van en ervaring in de omgang met kinderen die bovendien spiritueel gevorderd is. Want van de beschreven kinderen zijn er behoorlijk wat die schijnbaar hun opvoeders napraten, binnen ’spirituele’ kaders sociaal wenselijke antwoorden geven en niet echt blijk geven van grote diepte; vaak gaat om het gekopieerde spirituele tegeltjeswijsheiden.

Een andere factor die een rol speelt, is de verleiding voor ouders om hun kinderen nog meer speciaal te maken dan ze voor hen al zijn, waardoor een soort blindheid ontstaat voor de werkelijkheid. Denk ook aan een recent tv-programma, Paranormale Kinderen op SBS6, waar dat verschijnsel te zien was.

Soms is de meest simpele verklaring voor ‘onaangepast gedrag’ de meest waarschijnlijke: er zijn biochemische en/of psychosociale redenen die niets met wat voor geëvolueerde bewustzijnstoestand dan ook te maken hebben (al kunnen extreme situaties wel bepaalde grensoverschrijdende ervaringen oproepen en processen in gang zetten).

De kinderen, naar wie ik nu verwijs, hebben waarschijnlijk eerder te lijden van de constructivistische aanpak en behoeven vooral helderheid, eerlijkheid en structuur. En dat is ook precies wat veel van hen aan de leerkrachten vragen: geef me regels en regelmaat om me aan vast te houden. Een enkeling vraagt om begeleiding om met hun paranormale vermogens om te gaan.

Als het reguliere onderwijs niet past, moet je je kinderen maar thuis lesgeven, zo valt ergens te lezen. De vraag is of je deze kinderen, of het nu ‘echte’ Indigo’s zijn of niet, de kans op het ervaren van het reguliere leven - hoe beperkend voor hen soms ook - moet ontzeggen door ze te stigmatiseren en te isoleren. Naar mijn mening zou de uitdaging moeten zijn om ermee te leren leven.

Kenmerken

Hoe weet je nu of iemand een Indigo is? Wendy Chapman beschrijft, op basis van onderzoek onder dit soort kinderen, een aantal kenmerken: 1. Sterke empathie (84 procent), 2. Duidelijk zelfbewustzijn (76 procent), 3. Overal betere manieren zien om het werk te doen (74 procent), 4. Dagdromers en/of zieners (72 procent) en 5. Zeer creatief (70 procent).

Hiermee zou het mogelijk moeten zijn om het kaf van het koren te scheiden. Dat is wenselijk, omdat kinderen anders misschien de noodzakelijke begeleiding moeten ontberen. Er zijn intussen ook al jongeren die als Indigo worden gelabeld, zelfs een paar van veertig. In reguliere werksituaties gaat het vaak niet goed met ze.

De oorzaken daarvan zijn – opnieuw – niet makkelijk te achterhalen. 1. Waren het Indigo’s zoals intussen door Chapman grofweg afgebakend en misten ze passende begeleiding? 2. Of hadden ze om andere redenen gedragsproblemen die nu onvoldoende zijn opgelost en zijn ze als schijnbare Indigo’s juist verkeerd begeleid? Hadden ze juist meer regels nodig in plaats van minder?

Volgens een bijdrage over dit onderwerp zijn de onderzochte jongeren onrealistisch zelfverzekerd. Ze zijn leergierig, maar gaan klokslag vijf uur naar huis, zelfs als ze daardoor het mes in het varken moeten laten steken. Ze vinden dat ze binnen een jaar promotie moeten krijgen, vragen gemakkelijk om opslag en nemen gelijk ontslag als niet wordt tegemoet gekomen aan hun verwachtingen.

Dit zou typisch Indigo-achtig zijn. Je zou ook kunnen zeggen: het zijn verwende kinderen die in de rijke jaren negentig alles kregen wat hun hartje begeerde, ze missen elk sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, staan los van de realiteit en zijn blind voor hun sterke en vooral ook voor hun zwakke punten. Je ziet het soms bij audities voor programma’s als X-factor, waar een oneindig positieve houding en een dito zelfbeeld een echte ‘reality check’ tot dan toe hebben voorkomen.

Opvallend hierbij is wel, dat het bij de in het boek beschreven werkende jongeren doorgaans niet gaat om de nieuwe toppers op het gebied van creativiteit, wetenschap, onderwijs, spiritualiteit of business. De meeste banen van hun banen betreffen ongeschoold, laaggeschoold of middelbaar geschoold werk. Dat zou natuurlijk juist de reden kunnen zijn voor hun slechte functioneren; ze worden niet herkend om wie ze zijn en wat ze kunnen en daardoor lopen ze vast.

Maar het meest verbaast het me dat ze niet massaal vertegenwoordigd zijn in de creatieve sector (reclame, muziek, beeldende kunst, literatuur, games et cetera), waarvan de toegang en de cultuur toch veel vrijer zijn dan in andere maatschappelijke domeinen waar traditionele scholing en regels vaker voorop staan.

Indigo = Y

Gates McKibbin ziet ïn het boek van Carroll & Tober een vrijwel volledige overlap van de Indigo’s met Generatie Y, de 60 miljoen jongeren geboren tussen 1980 en 1994. ‘Ze zijn zich sterk bewust van de onbestendigheid van menselijke omstandigheden, of het nu gaat om machtsmisbruik door corrupte leiders of ongecontroleerd geweld in de lagere klassen. Indigo’s zien integriteit als uitzondering en ze geloven dat gerechtigheid kan worden gekocht. Ze lopen op het scherp van de snede tussen confronterend realisme en cynische desillusie’. En ze leven alleen in het nu (niet als innerlijk verstilde boeddha’s maar als een soort beweeglijke nihilisten).

Als je er eentje gevonden hebt, hoe kun je dan het beste omgaan met een Indigo? Ik haal nog eens McKibbin aan, die schrijft over werkverhoudingen: 1. Onderzoek hun wereld. ‘Ze zijn roekeloos onafhankelijk en willen door iets essentieels geïnspireerd raken.’ 2. Daag ze voortdurend uit. Stel vast waar ze goed in zijn en bied ze ruimte om beter te worden en hun taken te verbreden. Zo kunnen ze ook een grotere bijdrage leveren.

3. Train en begeleid. Geef eerlijke feedback, zorgt dat beroepsmatig gedrag effectief vorm kan krijgen zonder dat ze het gevoel krijgen dat ze hierdoor hun eigenheid geweld aan doen. 4. Durf vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. 5 Stimuleer hun waarden (autonomie en onafhankelijkheid zijn belangrijk). 5. Zie als ‘baas’ af van autoritair optreden, je zult hiermee alle respect verliezen. Focus op gezamenlijke voordelen voor bedrijf en werknemer. 6 Erken hun bijdrage.

McKibbin stelt samenvattend: ‘Het is de rol van de manager het potentieel van iedere werknemer naar boven te brengen. In veel opzichten zijn Indigo’s niet anders dan anderen.’ Verder lezen? Kijk eens op Wikipedia of op DMOZ of doe een Indigo-test of twee, drie.

Comments Off

admin op 5 March 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel