Archief voor de categorie 'Religie & Spiritueel'

De lieve idioten van Désanne van Brederode

Désanne van Brederode publiceerde onlangs in Trouw een essay over nieuwe spirituelen. Daarin slaat ze keer op keer de plank mis.

De nieuwe spirituelen vormen geen afgebakende groep met een hiërarchie, regels en/of een bepaalde mores. Het is een sociologische restcategorie van mensen die zich niet rekenen tot een (monotheïstische) religie en die zichzelf meestal ook geen atheïst noemen. Ze worden doorgaans onderscheiden van de agnosten.

Er is nog niet veel onderzoek naar deze mensen gedaan en dus schetst de schrijfster haar eigen indrukken en inzichten. In haar essay ontdoet ze alle nieuwe spirituelen van verstand, inzicht en kennis en reduceert ze tot lieve idioten die leven in een zeepbel van esoterische maakbaarheid en onrealistische positiviteit, blind voor de werkelijkheid en kwetsbaar voor misbruik.

Dat doet geen recht aan deze mensen, noch aan hun werkelijkheid. De wereld van de nieuwe spirituelen telt, net als in elk ander segment van de samenleving, oplichters, machtswellustelingen en goedgelovigen. Maar het merendeel bestaat uit oprechte, lieve mensen die op hun manier een positieve bijdrage aan onze samenleving leveren.

Ze zijn ook niet zo onnozel en wereldvreemd als de schrijfster doet voorkomen. Zo zouden ze bijvoorbeeld niet nadenken over ethiek. (Zelf)onderzoek en discussie hierover wordt volgens haar vermeden omdat dit zou leiden tot omarming van Het Kwaad.

Als ik het goed begrijp, zouden nieuwe spirituelen in dat geval uitgaan van Het Kwaad als sturend en alles doordringend beginsel. Daar is vanuit gnostisch perspectief wel wat voor te zeggen, maar verderop verwijt ze de nieuwe spirituelen juist dat ze altijd uitgaan van Het Goede.

De onduidelijkheid ontstaat schijnbaar doordat ze het relatieve (particuliere) en het absolute kwaad verwart.

(Veel nieuwe spirituelen beschouwen goed en kwaad als een te overstijgen begrippenpaar. In de praktijk leidt dat doorgaans niet tot amoreel gedrag, maar tot inzicht, bewustwording van de culturele etikettering van deze morele categorieën, en meer begrip en aandacht voor anderen.)

Maar goed, die “o zo tolerante vrijheidspredikers die er prat op gaan dat ze helemaal nooit [ver]oordelen” denken dus wel degelijk na over ethiek. Ze (ver)oordelen ook.

Mensen die niet (ver)oordelen bestaan niet - vraag het maar aan een willekeurige psycholoog. Wel zijn er mensen die ernaar streven om rustig en afgewogen te oordelen en hun (voor)oordelen zoveel mogelijk op te schorten. Het gaat dan om open staan voor de argumenten en belangen van een ander, ook in discussies.

Er is onder nieuwe spirituelen dus ook sprake van (zelf)reflectie en discussie. Misschien nog wel meer dan onder doorsnee kerkgangers en moskeebezoekers, juist doordat een vast kader ontbreekt.

Bij het maken van afwegingen prefereren veel nieuwe spirituelen hun goede gevoel boven de rede. Als dat uitsluitend gaat om het (onder)buikgevoel, deel ik de zorgen van de schrijfster.

Maar idealiter vindt dit voelen plaats in het hart, de plaats waar buik en hoofd, emotie en ratio, (zouden) samenkomen volgens oude tradities en hedendaagse ervaringen. En dat kan ik alleen maar toejuichen.

Over het voelen zelf, leven bij de schrijfster de nodige misverstanden, zo blijkt vervolgens. Ik onderscheid daartoe “je goed voelen”/“het goede gevoel” en “goed voelen”. Het eerste is een emotioneel prettige staat, het tweede een oordeel over de mate van (een te trainen) sensitiviteit.

Goed voelen helpt bij het verstehen van het leven, zoals getraind denken bij het begreifen ervan. (Het leven is volgens nieuwe spirituelen ook niet “je goed voelen”, zoals de schrijfster meent, maar dat deel van je bestaan waarin je je het meest met bepaalde anderen verbonden bent.)

Sprekend over het leven: veel nieuwe spirituelen hebben een positieve, optimistische levenshouding. Daar lijkt me niets mis mee, zeker omdat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat optimisten langer leven. Verder staan ze meestal met beide benen op de grond, enkele zwevers daargelaten; ze weten hoe de wereld werkt en zijn niet blind voor negatieve zaken.

Hun vaak door ervaring gevormde overtuiging dat je zelf (deels) je eigen blik op de wereld bepaalt, iets dat de wetenschap overigens onderschrijft, doet daar niets aan af. Doordat ze vaker actief met deze thematiek bezig zijn, zijn nieuwe spirituelen waarschijnlijk zelfs meer bewust van negatieve invloeden dan andere mensen.

Dat ze het negatieve niet opzoeken, kan ze volgens mij moeilijk verweten worden.

Kortom: het is onzin om te veronderstellen dat nieuwe spirituelen “het kwade dat zich verlustigt in het kwade” niet als echt kunnen accepteren. Deze groep mensen betitelen als “moreel dood” is niet meer dan holle retoriek.

(De schrijfster bewijst dat laatste met haar opmerking dat nieuwe spirituelen lijden “altijd” zien als een kans voor persoonlijke ontwikkeling; lijden is vaak indirect gekoppeld aan ethiek, en het laatste komt zelfs vaak voort uit het eerste.)

Het aandragen van bovenstaand idee bij zieken is volgens Désanne van Brederode “misdadiger dan ze een hemels paradijs [na de dood, JdW] voorhouden”.

Dat kan ik niet beoordelen, maar het lijkt mij dat de afwezigheid van een geloof in een hiernamaals de vechtlust van een zieke meer aanwakkert, en dus zijn kansen op overleving vergroot, dan de aanwezigheid ervan.

Er zijn wel overeenkomsten, bijvoorbeeld als we de idee van leren koppelen aan het begrippenpaar beloning-straf.

De idee van een hiernamaals kan, net als volledig vertrouwen op de goddelijke rechtvaardigheid & voorzienigheid, leiden tot de gedachte dat (on)geluk geheel aan het goddelijke te danken is.

Dezelfde valkuil, maar dan wat betreft de gevolgen van eigen daden, gaat schuil in een onvoorwaardelijk geloof in karma (en reïncarnatie), zoals dat leeft onder nieuwe spirituelen.

Deze gedachte is te bewijzen noch te weerleggen en hij biedt geen concrete hulp, want de uitkomst en de mate van beïnvloeding zijn niet kwalificeerbaar, noch kwantificeerbaar. Daardoor weet je nooit of en zo ja hoe je de balans weer in evenwicht kunt brengen.

Het enige advies kan dan zijn om te volharden in het geloof, respectievelijk meer aan jezelf en je relatie met anderen te werken, maar dat is niet misdadig.

Onwenselijk is mijns inziens de introductie van deze gedachte bij patiënten die medisch zijn opgegeven (“god heeft dit zo gewild”/“jij hebt dit aan jezelf te danken”), want hierdoor wordt de acceptatie van het onvermijdelijke, de dood, onnodig gefrustreerd.

De schrijfster meent aansluitend dat de wereldvisie van nieuwe spirituelen een toekomstgerichte houding in de weg staat, maar dat zie ik niet in mijn omgeving. Niet bij nieuwe spirituelen met hun karma (en reïncarnatie), noch bij christenen en moslims met hun goddelijke rechtvaardigheid & voorzienigheid.

Nieuwe spirituelen zijn dus waarschijnlijk net zo met de toekomst van zichzelf en hun naasten bezig als ieder ander, bijvoorbeeld als het gaat om huis, werk, kinderen, vakantie en gezondheid.

Dat geldt ook voor de vermeende passiviteit in relatie tot sociale issues, en in het bijzonder als “verzet” is geboden “om medeplichtigheid te voorkomen”.

Hoewel de theologie van het christendom inderdaad socialer overkomt, zijn “ongebonden spirituelen” in de praktijk minstens zo sociaal, blijkt uit onderzoek. Deze groep, die ik hier even op één hoop gooi met nieuwe spirituelen en ietsisten, is in de praktijk juist zeer maatschappelijk betrokken, met name bij milieukwesties.

Vervolgens neemt het meanderende essay een onverwachte wending als Désanne van Brederode de nieuwe spirituelen vastbabbelt aan de barbaren van IS.

Haar logica is als volgt: de Gouden Regel (Mattheüs 7:12) is voor nieuwe spirituelen heel belangrijk en de materie is voor hen “niets” waard. IS strijders vinden hun aardse leven (ook) niets waard en dus wordt zo duidelijk dat de Gouden Regel “monsters [kan] baren”.

De Gouden Regel, de naam was mij onbekend, is een ethisch fundament, en niet meer dan dat. Zoals aangetoond, is de discussie over ethiek onder nieuwe spirituelen vermoedelijk veel genuanceerder. (Ik betwijfel verder de vermeende populariteit van deze regel, bij nieuwe spirituelen, en al helemaal, zoals ze impliceert, bij IS strijders.)

De opmerking over de materie wordt begrijpelijk als we een context toevoegen. Veel nieuwe spirituelen geloven dat we in essentie geestelijke wezens zijn. Bij de dood moeten we het materiële loslaten (het lichaam en dat wat we nog meer bezitten of gebruiken). Uitgaand van ideeën als ziel en reïncarnatie is het materiële voor het (geestes)leven op lange termijn daarom “niets” waard.

Wil je nu al aan je geestesleven werken, dan moet je je op de dood voorbereiden. Dat doe je (onder meer) door te trainen in onthechting. Eén en ander betekent overigens niet dat je het materiële moet minachten. (Het is ook verstandig om je lichaam goed te onderhouden, want dat is het huis waarin je spirituele wezen woont.)

Sterker nog, je kunt zelfs heel goed met volle teugen van het materiële genieten, zolang je er maar niet afhankelijk van wordt.

Wat betreft de IS strijders, vermoed ik dat de meesten hechten aan hun leven, maar bereid zijn om dat op te geven indien noodzakelijk (net als onze militairen) en/of wanneer de beloning (in hun perceptie) groot genoeg is.

De vergelijking tussen de IS strijders en de nieuwe spirituelen gaat dus mank, mede doordat de schrijfster de opmerking over de materie letterlijk neemt en deze niet van de bijbehorende context voorziet. Voor het overige geldt: aan de vruchten herkent men de boom.

Uit het bovenstaande is duidelijk geworden dat Désanne van Brederode er niet veel van heeft begrepen. Hoe zit het dan wel met de nieuwe spirituelen?

In mijn ervaring zijn het mensen met heel diverse achtergronden die, vaak op basis van (zelf)onderzoek, soms als gevolg van een crisis, met existentiële vragen worstelen. Daarnaast willen ze graag in een groter bezield verband leven.

Door zoveel mogelijk in het hier en nu te leven, hopen ze meer harmonie en geluk te ervaren. Hiertoe nemen ze bijvoorbeeld hun toevlucht tot yoga, zen, reiki en tai chi.

Een klein aantal nieuw spirituelen heeft af en toe, door een toegenomen gevoeligheid, (bescheiden) spirituele ervaringen. Denk aan (gedeeltelijke) verlichting, helder zien, ruiken, horen, voelen en dromen, en voorspellen. Dit zijn bijverschijnselen van de spirituele ontwikkeling, die kritisch moeten worden beschouwd door ervaren begeleiders, ook om psychische problemen te voorkomen.

Waar vinden de zoekers van nu zulke begeleiding? Niet in de kerk, want die is het contact met de esoterische beginjaren (de Jezus beweging met spirituele heling/genezing) vrijwel geheel verloren.

Dat is niet zo vreemd, want spiritualiteit is vanaf de eerste eeuwen tot in onze tijd systematisch door de kerk onderdrukt en gemarginaliseerd. (In het apocriefe Evangelie van Thomas is wellicht nog iets bewaard gebleven.)

Omdat de exoterische variant van het christendom al eeuwen domineert, gaan mensen in deze tijd buiten de kerk op zoek. Dat zoeken is een proces van vallen en opstaan, waarbij niets vast staat (en zelfs dat niet); alles kan leiden tot (verder) onderzoek, reflectie en verdieping. Dit maakt deze weg een moeilijke, en soms ook gevaarlijke, zoals net aangegeven.

Aan de andere kant zou je de buitenkerkelijke spiritualiteit van de nieuwe spirituelen ook als gemakzuchtig kunnen zien.

Natuurlijk, er zullen zeker mensen bij zijn die zich nergens echt in verdiepen, zelfs niet twijfelen, maar zich er toch prettig bij voelen - een beetje zoals het merendeel van de christenen en de moslims, schat ik in.

Maar de meeste nieuwe spirituelen herkennen zich vermoedelijk niet in die beschrijving. En zo is het met bijna alle opmerkingen en beweringen van Désanne van Brederode.

Zij heeft in haar essay van de nieuwe spirituelen een karikatuur gemaakt, die ze vervolgens aanvalt. In haar beleving volgt overwinning op overwinning, maar ze vecht tegen windmolens - of ze dat nu weet of niet. Op zich is dat niet erg, dat thema heeft prachtige literatuur voortgebracht, zolang er maar geen weldenkende mensen zijn die haar verhalen hierover serieus nemen.

Verder lezen en zelf een mening vormen?

Iesisme en de christelijke traditie
Ietsisten zijn modelburgers
Ietsisme en relativisme
Over moslims en ietsisten
Ietsisme - Wikipedia
Ietsisme - Encyclo
Onderzoeksrapport wetenschap & levensbeschouwing, een inventarisatie onder Nederlandse hoogleraren
Geloof in leeg iets is geen geloof
Ietsisten bekeert u
Over het ietsisme
Veel gelovigen in Nederland, maar niet in God
In iets geloven!?
Aandachtspunten interculturele palliatieve zorgverlening- Ietsisme
In Iets geloven- Ietsisme en het christelijk geloof
Tepelklem, dioxinekip, ietsisme
Een nieuw centrum voor niet kerkelijke levensbeschouwelijke vrijzinnigheid in Nederland?
Zwevende gelovigen
Onderzoek ‘Student en Zingeving’ 2009
Psychiater en religie: agnost of ietsist?
Persbericht: Godsdienstige veranderingen in Nederland
De soloreligieus volgt de ietsist op
De martelaren van de islam - en de fameuze ‘72 maagden’
Sam Harris on Spirituality without Religion, Happiness, and How to Cultivate the Art of Presence

Comments Off

admin op 31 January 2015 in Religie & Spiritueel

De kruk die naar de hemel wijst

Ik wilde een stuk schrijven over Boeddha’s botten.
Maar met elk antwoord kwamen er meer vragen.
Wat dreef mij?
Was het de universele behoefte om te geloven in een samenhangend en uiteindelijk weldadig, verheffend of oplossend groot verhaal?
Dat je steun zoekt als je hinkt, een kruk waarmee je weer stevig staat en die naar de hemel wijst?
Of juist het onvermogen om langer dan enkele seconden te geloven?
Een heilige is toch ook niet de hele dag heilig?
En daarom de behoefte aan iets concreets?
Iets dat alle voorbij waaiende woorden, gedachten en emoties doet vergeten en direct contact mogelijk maakt, zodat je weer warm wordt van het grote verhaal?
Geen wind in een blikje, maar de wind in je haar?
En wat is dat dan?
Of juist iets tastbaars om wat nog groot is comfortabel te verkleinen tot het op mij lijkt?
Mijn verslaving aan meer?
Meer woorden, beelden en ervaringen in dozen en weckflessen?
Het leven als een alsmaar groter wordende voorraadkamer?
Een bal die je achterna holt, duizend ballen die je achterna holt, het bergpad omlaag?

[column oorspronkelijk geschreven voor boeddhamagazine.nl]

Comments Off

admin op 21 January 2014 in Religie & Spiritueel

China’s super psychics, te mooi om waar te zijn?

Onlangs vond ik in mijn archief een artikel dat ik in 2008 schreef voor het blad Koorddanser. Het gaat over ‘China’s super psychics’ en is nog steeds de moeite van het lezen waard. Vandaar dat ik het hier met jullie deel.

‘Wonderen zijn niet in tegenspraak met de natuur. Ze zijn slechts in tegenspraak met wat wij weten over de natuur’, schreef kerkvader Augustinus. Aan de andere kant: veel zogenoemde wonderen blijken achteraf te berusten op misleiding, bedrog en cold reading, zoals de Amerikaanse goochelaar en scepticus James Randi meerdere malen heeft aangetoond.

Randi geeft een miljoen dollar aan degene die de werking van zijn of haar paranormale vermogens kan aantonen. De test moet plaatsvinden onder gezamenlijk overeengekomen omstandigheden. Tot nu toe is het geldbedrag nog niet uitgekeerd en in 2010 wordt het waarschijnlijk voor een ander doel bestemd.

Door het werk van Randi en anderen wordt het kaf van het koren gescheiden. Er zijn namelijk voldoende aanwijzingen dat sommige mensen inderdaad bijzondere vermogens hebben. Uit recente wetenschappelijke onderzoeken, bijvoorbeeld naar psychokinese, remote viewing en telepathie, bleek namelijk dat er (kleine) significante verschillen zijn tussen de begaafden en de mensen in de testgroepen.

Recentelijk is, ook in Nederland, een sterke opleving van de belangstelling naar paranormale fenomenen. In deze roerige tijden, waarin mensen meer behoefte hebben aan zekerheid, wordt steeds vaker de blik gericht op individuen die de sluier van het kenbare opzij kunnen schuiven. Om kennis te delen of krachten op te roepen.

Op een enkeling na, denk bijvoorbeeld aan medium Lisa Williams, zijn de paranormale resultaten van dit soort mensen indrukwekkend, maar niet verbijsterend. Groot was dan ook mijn opwinding toen ik op internet tweedehands een vrij onbekend boek vond met beschrijvingen van ‘door meer dan honderd wetenschappelijke instellingen en academies’ geteste mensen met bijna mythische psychische vermogens.

Dit boek, ‘China’s Super Psychics’ van chi gong meester en schrijver Paul Dong en Thomas E. Raffill, stelt op de flap dat er in China zo’n dertig ’super psychics’ zijn. Zij zouden in staat zijn tot het genezen van kanker en AIDS, het stoppen van rijdende auto’s, het lopen door muren, het veranderen van kleuren en moleculaire structuren en het verplaatsen voorwerpen op afstand.

Hun vermogens zijn volgens de schrijvers succesvol getest door onder meer het Beijing High Energy Physics Institute, het Institute of Aerospace Medico-Engineering, het National Defense Laboratory 507 en de Quinghua University.

Ze introduceren eerst Zhang Baosheng, bijgenaamd ‘de kleine god’. Deze man verplaatste eens een zak van vijftig kilo suiker door de muur van een loods. Dat was althans de waarneming van een onderzoeker van de Heilongjiang University en een collega van het Beijing Institute for Research in Chinese Medicine. En zo zou Baosheng nog meer mirakels op zijn naam hebben staan, zoals lopen door muren. Zijn verklaring hiervoor in 1982: ,,Jullie waren niet in staat om mij tegen te houden.”

Baosheng had in elk geval tot medio jaren negentig een enthousiaste groep volgelingen, onder meer onder beoefenaren van het toen in China erg populaire chi gong. Daarna kwam Baosheng onder vuur van sceptici als chi gong meester Sima Nan, lezen we op internet. Nan deed de wonderen van Baosheng af als goochelarij en gaf ook demonstraties van deze zogenoemde wonderen, ogenschijnlijk zonder verschil.

Een andere chi gong meester, Yan Xin, is minder omstreden. Hij bleek tijdens veelvuldig herhaalde wetenschappelijke testen steeds weer in staat tot bijzondere handelingen. Zo verhoogde hij tijdens een demonstratie op een Amerikaanse universiteit, voor het oog van vele toeschouwers, de weerstand van zijn lichaam zodat hij een hoge elektrische spanning kon weerstaan.

Ook wist hij door het sturen van energie op afstand, onder door Chinese wetenschappers vastgestelde omstandigheden, de moleculaire structuur van een kunstmatig kristal te veranderen. De verandering bleef acht dagen in stand. Tevens kon hij door het sturen van energie de radioactieve stof Americium 241 beïnvloeden.

Daarnaast heeft Yan Xin volgens de verhalen ‘duizenden’ genezen. Onder meer van kanker, breuken, reuma, traumatische verlamming, hartklachten en diabetes. Tijdens lezingen, waarbij hij chi uitstraalt naar het publiek, zou hij bijvoorbeeld mensen in rolstoelen weer hebben laten lopen.

Yan Xin stelt in het boek van Dong en Raffill: ,,Kanker in een vroeg stadium is net zo gemakkelijk te genezen als iemand die kou heeft gevat. Als de patiënt met mij werkt, kan ik kanker in een middel stadium terugbrengen en de verspreiding van kanker in een vergevorderd stadium beheersen.”

Dit soort psychische vermogens komt in rudimentaire vorm ook voor bij een groepje Chinese kinderen, aldus de schrijvers. Zo zijn er dertien jongens en zesentwintig meisjes van wie tussen 1979 en 1981 speciale krachten zouden zijn vastgesteld. Het gaat dan om door objecten, muren en mensen heen kijken, takjes breken op afstand, lezen via oren en vingertoppen, telescopisch zicht en het vermogen om bloemen uit de tuin in een vaas te plaatsen.

Eén meisje, Sun Liping, heeft schijnbaar het vermogen om een knop door aanraking van de steel in een minuut te laten uitgroeien tot een bloem. Een vermogen dat wordt gedeeld door Yao Zheng, een jongedame met meerdere gaven die regelmatig geconfronteerd wordt met mysterieuze brandgaten in haar kleding. Foto’s van de geopende bloemen en een demonstratie met getuigen staan in het boek.

Hoewel ze vaak voorkomen bij kinderen, verdwijnen dit soort bijzondere psychische gaven meestal bij het bereiken van de volwassenheid, aldus de schrijvers. Bij meisjes als ze gaan menstrueren. Een kleine groep mensen behoudt de chi-gerelateerde vermogens.

Wat is het geheim van hun wonderen en hoe gaat het nu met de mensen die in het boek uit 1997 worden beschreven? Het is me helaas niet gelukt om via de Amerikaanse uitgeverijen in contact te komen met de auteurs. Wel blijkt er een website te zijn van of over Yan Xin: http://www.yanxinqigong.net. E-mails naar diverse uitgeverijen en de site van Yan Xin bleven tot nu toe helaas onbeantwoord.

De Chinese wonderen zijn afhankelijk van een aantal randvoorwaarden, stellen Dong en Raffill in hun boek. Zo is het vermogen niet altijd op commando te raadplegen en is ook de stemming van de begaafde van invloed, net als twijfel of voorbehoud over het welslagen. Het verstand moet geconcentreerd zijn en de emoties onder controle; emoties kunnen het resultaat beïnvloeden.

Vaak worden de vermogens getraind, maar niet altijd. Baosheng was bijvoorbeeld geen chi gong meester en van de psychisch begaafde kinderen is niet beschreven dat ze deze eeuwenoude energetische kunst beoefenden toen hun vermogens op jonge leeftijd aan het licht kwamen. Psychische krachten kunnen bijvoorbeeld ook worden opgeroepen door hypnose, geloof, herstel na een ziekte of ongeluk, blootstelling aan een sterk energieveld en door honger.

In tachtig procent van de in het boek beschreven gevallen zijn de vermogens echter door chi gong getraind. Centraal hierbij is de omgang met yin en yang energie en het streven naar de eenwording van de mens met het hemelse. Hiervoor is stilheid vereist.

De chi gong oefeningen herstellen door de ingenomen posities de balans met de kosmos en zorgen voor een toename van chi. Deze chi kan vervolgens via de ogen, handen en vingers worden gebruikt om te genezen, denk ook aan het Japanse reiki, of om te verwonden, zoals in sommige vechtsporten gebeurt.

Door chi gong beoefening kunnen uiteindelijk de niet-zichtbare ogen, waar het boeddhisme en taoïsme over spreken, om beurten worden geopend, aldus Dong en Raffill. Het begint met een verbeteren van het zicht van het gewone oog, dan volgt de opening van het derde oog, goed voor remote viewing en het zien van visioenen.

Het wijsheidsoog laat ook textuur, heden, verleden en toekomst van objecten zien. Het dharma-oog heeft een hoge energie en kan zaken repareren of bijvoorbeeld een stalen draad doorsnijden met wilskracht. Het boeddha-oog tenslotte, licht het universum op, kan voorbij toekomst en verleden kijken en de gang van zaken en materie veranderen. Wanneer dat oog zo ontwikkeld is, dat het alles verlicht, wordt alles erdoor beïnvloed.

Het boek ‘China’s Super Psychics’ van Paul Dong en Thomas E. Raffill uit 1997 is niet meer leverbaar. De Duitse vertaling, ‘Indigo-Schulen: Trainingsmethoden für medial begabte Kinder’ is wel verkrijgbaar.

Yan Xin Qigong I

Yan Xin Qigong II

Yan Xin Qigong III

International Yan Xin Qigong Association (IYXQA)

The Highest Technology of All Technologies: The Yan Xin Secret

Comments Off

admin op 7 November 2013 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

In de resterende leegte danst het zonlicht

Voor mij begon het kiemen van overstijgend bewust zijn met denken over goed en slecht. De exacte les weet ik niet meer. Het was één van de eerste jaren op de middelbare school en we spraken over Hitler, voor velen de verpersoonlijking van het kwaad.

Ik had de euvele moed om te zeggen: “Ik kan me niet voorstellen dat die man alleen maar slecht was.” Er stak een storm van protest op, want dit was toch een uitgemaakte zaak?!

Ik discussieerde dat de vonken eraf sprongen, mijn hersens pijnigend om snel de juiste argumenten bij elkaar te zoeken en in stelling te brengen. Ik wist gerede twijfel te zaaien, en enkele medestanders te winnen, maar meer zat er niet in.

In mijn studententijd raakte ik gefascineerd door Nietzsche, met als gevolg dat ik na een tijd het kinderlijke ’slecht’ inwisselde voor het ‘kwaad’.

Nietzsche’s idee van een individuele, de moraal overstijgende ethiek sprak me aan – het waren mijn anti-autoritaire jaren.

Maar zo’n persoonlijke ethiek ontwikkelen vergt veel. Namelijk dat je zelf dag in, dag uit, jaar in, jaar uit je eigen rechter, aanklager en veroordeelde bent.

In die jaren begonnen ook mijn omzwervingen in de wereld van religie en spiritualiteit. Aanvankelijk vaak en later steeds minder getoetst aan het protestantse geloof waarin ik ben opgevoed.

Zonder rangorde kwam de informatie versnipperd naar me toe, vaak uit obscure bronnen en niet zelden voor een deel bestaand uit ’spiritueel’ geneuzel.

Inzicht werd moeizaam veroverd op de chaos, van boek tot boek en van artikel tot artikel; het was de pre-internet periode.

Geleidelijk begonnen de stromen van filosofie, theologie en esoterie naar elkaar toe te buigen. Toen de wateren weken, verhief zich mijn mens- en wereldbeeld als een eiland van gedachten, met innerlijk leven en zelfonderzoek als heersende religie.

Via meditatie in diverse gezelschappen en vormen - en door te leven! – ontdekte ik dat het overstijgen van goed en kwaad (en andere dichotomieën) ook op mijn eiland een rol speelt.

Zonder de nietzscheaanse wil tot macht, maar juist door de afwezigheid daarvan. Als er niemand meer in de spiegel te zien is, als er licht kiert tussen de gedachten en de driften. En de ander en het andere in zicht komen.

Voor mij heeft het ermee te maken dat je een ander zonder oordelen en met compassie durft te ontmoeten. Als dat gebeurt, kan er een verbinding ontstaan die het moment verguldt en vaak later zorgt voor nieuwe ervaringen. Al duurt het contact maar enkele seconden.

Absolute beelden, zoals over de slechtheid van Hitler of de goedheid van Boeddha, hebben we op mijn eiland al lang geleden in zee geworpen.

In de resterende leegte danst het zonlicht.

(Deze column is geschreven voor boeddhamagazine.nl, de foto is een fragment uit een werk van Jonathan Martin-DeMoor)

Comments Off

admin op 1 August 2013 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Leven vanuit het hart, hoe doe je dat eigenlijk?

Je hoort het vaak: van hoofd en buik naar het hart. Maar dat is niet zo eenvoudig, mede doordat volgens Jan den Boer emotie en gevoel vaak worden verward. Door training kan een deel van de emoties worden getransformeerd in gevoel en wordt leven vanuit het hart eenvoudiger. Hij schreef er een boek over: ‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ (De Driehoek, 2012).

Jan den Boer onderscheidt gevoel, emotie en denken op basis van de inzichten van neurowetenschapper Antonio Damasio, op wie hij sterk leunt. Deze meent dat emoties grotendeels onbewust zijn. Ze zijn vaak bigger than life en verbonden met ervaringen uit het verleden.

Gevoelens zijn vanuit innerlijke rust bewust waargenomen en daardoor getransformeerde emoties. Denken, ten slotte, is volgens Damasio uitsluitend reflectief, maar biedt ook ruimte voor intenties tot toekomstig gedrag; je kunt je gedrag niet direct sturen maar jezelf daartoe wel voor de langere termijn programmeren.

Jan den Boer is behalve door Damasio ook beïnvloed door het Tibetaans boeddhisme. Zo citeert hij Sogyal Rinpoche, die stelt dat pijn, angst en leed voortkomen uit ‘het hunkeren van de grijpende geest’ (al dan niet verdrongen begeerte die onrust veroorzaakt). Ook haalt hij Lama Yeshe aan, die poneert dat bewust waargenomen verlangen een bron van geluk kan zijn. Een andere boeddhist die hij opvoert is Tulku Lobsang Rinpoche. Deze gaat zelfs zover dat hij verlangen gelijkstelt aan verlichting, volgens Jan den Boer.

De vrije wil, waarvoor Damasio in weerwil van de populaire reductionistische neurowetenschappers speelruimte creëert door naast onbewuste ook bewuste emoties te benoemen, kunnen we volgens Jan den Boer door training steeds beter aanwenden om bij sterke emoties, gedachten en impulsen (het grijpen vanuit begeerte en het verlangen daarnaar) weloverwogen te kiezen. Bijvoorbeeld door verlangen bewust te beschouwen en er onthecht van te genieten, zoals Lama Yeshe en Tulku Lobsang Rinpoche adviseren.

Hiervoor is harttraining nodig. Een hulpmiddel daarbij, is om ons blikveld verbreden zodat de woeste hoge golven van het heftige moment verworden tot rimpelingen in de oceaan. Dit biedt overzicht, ruimte voor inzicht (via het lichaam) en leidt tot meer rust.

De schrijver creëert hiervoor een soort stille ruimte. Dit alchemistisch laboratorium, door hem stiltepunt genoemd, is gesitueerd in het zwaartepunt van emotie, gevoel en ratio. Van daaruit kunnen we beter onderscheiden op basis van onze getrainde intenties, waarbij Jan den Boer de voorkeur geeft aan de gevoelens van het hart (boven de buikgerelateerde onbewuste emoties en de hoofdgerelateerde reflectieve gedachten).

Veel van ons gedrag is niet te sturen, maar door deze training kunnen we volgens hem het werkgebied van de vrije wil vergroten en diens kracht versterken (mede door rationeel intenties te formuleren voor toekomstig gedrag) en daardoor leven vanuit het hart bevorderen.

‘Schakel door naar je hart – het trainen van de vrije wil’ komt ook uit het hart. Dat merk je vooral in gedeelten waarin je de echo van persoonlijke ervaringen tussen de ‘neutrale’ regels hoort. Maar het is geschreven met het hoofd. En dat hoofd zat schijnbaar op dat moment te vol om duidelijke keuzes te maken wat betreft insteek, inhoud, vormen en opbouw.

Als lezer wil ik niet met de schrijver op reis, ik wil de mooie verhalen horen over zijn reis.

Is het een vertoog over een filosofisch systeem (waarvan ik hoop dat ik het hierboven goed heb samengevat) met als uitwerking de mogelijke maatschappelijke toepassingen (volgens het concept: hedendaagse wetenschap ontmoet oosterse filosofie)? Of is het een populair boek voor in mindfulness geïnteresseerden (met een beknopte beschrijving van de theorie en vooral veel tips, voorbeelden, oefeningen en ervaringen)?

Ik denk dat het begon als het één en uitgroeide tot geen van beide. Het boek wil te veel zijn voor te veel verschillende lezers. Dat is jammer, want hoe je omgaat met emoties en gevoelens is erg belangrijk in de omgang met anderen, zeker nu hufterigheid steeds meer terrein wint. De theorie en aanpak van Jan den Boer lijken daar een waardevolle bijdrage aan te kunnen leveren.

(Afbeelding gestolen bij pulpfactor.com).

Comments Off

admin op 18 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Shirdi Sai Baba, het best bewaarde geheim van India

Begin jaren negentig, India. Ver voor de mobiele telefoon gemeengoed is en het land economisch aan een globale opmars begint. Ik wacht op een trein die voorlopig niet komt en raak in gesprek met een Engelsman. Hij geeft me brood, ik geef hem een banaan. Hij is een leraar Engels uit Groot-Brittannië die speldjes van Sai Baba verkoopt om rond te komen. Niet de in 2011 overleden goeroe die in het westen bekend is, maar de eerste Sai Baba, die uit Shirdi.

De leraar vertelt en ik val van de ene verbazing in de andere. Er is wel eens geschreven dat mensen over honderd jaar niet zouden geloven dat Gandhi werkelijk heeft geleefd. Wel, dat zou je misschien wel met nog meer recht kunnen zeggen van Sai Baba van Shirdi, bedenk ik me, terwijl de leraar het ene na het andere verhaal oplepelt.

Sai Baba van Shirdi ging voorbij aan gebruiken en kasten, voelde zich als een vis in het water binnen zowel islam als hindoeïsme, en verrichtte vele tientallen wonderen om er leringen uit te (laten) trekken. Voor de toegewijden was hij een god, een wezen dat de mens overstijgt in kennis en kunde door het bereikte niveau van eenwording en inzicht (hij noemde zichzelf overigens nooit een god, wel “een nederige dienaar van God”).

Onder de indruk van de kleurrijke verhalen - en erg verbaasd dat ik nooit eerder van hem heb gehoord hoewel hij nog niet zo lang geleden heeft geleefd - koop ik van de leraar een munt met een afbeelding van Sai Baba van Shirdi. In de dagen die volgen, ga ik op zoek naar een Engelse biografie over deze uitzonderlijke man. Deze grote onbekende.

Een paar jaar later kom ik per toeval terecht bij de kleine man met de grote ronde bos kroeshaar die claimde zijn incarnatie te zijn; Satya Sai Baba in Puttaparthi. Mijn ervaring daar is onvergetelijk, ook al kende ik toen reeds de kritische artikelen en filmopnames, maar op de achtergrond bleef ‘de echte Sai Baba’ in mijn bewustzijn aanwezig.

Onlangs kwam Sai Baba uit Shirdi weer in mijn aandachtsveld door de Bollywood-film ‘Shirdi Sai‘ die vorig jaar is uitgekomen. Het is een prachtig en kleurrijk spektakel, compleet met de voor het genre typische dans, zang en aandoenlijke slechteriken (die nog niet tot het juiste inzicht zijn gekomen).

Tijdens het zoeken naar informatie over de film ontdekte ik dat er vorig jaar ook een boek over Sai Baba van Shirdi is uitgekomen, in het Nederlands nog wel. ‘Zeven Dagen Shirdi Sai‘ verscheen in 2012 bij Uitgeverij Tattwa in Olderbekoop. Deze vuistdikke Sai Baba ‘bijbel’ telt 480 pagina’s en is gebaseerd op de biografie ‘Sri Sai Satcharitra’ van ‘Hemadpant’, aangevuld met een groot aantal verhalen uit andere bronnen.

Het boek schetst een veelzijdig beeld van deze ’sadgoeroe’ (ware goeroe / verlichte leraar die leerlingen binnen zijn traditie inwijdt) dat niet aansluit bij het verwachtingspatroon dat veel westerlingen hebben van Indiase goeroes. Misschien is Sai Baba van Shirdi daardoor zo fascinerend.

Zo kon deze ware heilige indrukwekkend boos worden (schijnbaar om de voor dat doel gepersonaliseerde negatieve energieën op te nemen en te verslaan). Ook ging hij vaak in tegen religieuze en maatschappelijke voorschriften van zowel hindoes als moslims, meestal met het doel om achterliggende patronen in leringen en levens inzichtelijk te maken. Dit wordt zijn ‘goddelijk spel’ genoemd.

Sai Baba van Shirdi (1835-1918) had naar wereldlijke begrippen vrijwel niets; onder meer wat kleren, sandalen, een verzameling stenen pijpjes, een kleine maalsteen, een kookpot, een paar blikken om mee te bedelen en een heilige staf. Als kussen gebruikte hij een baksteen. Het geld dat hij de laatste jaren van zijn leven vroeg aan volgelingen, gaf hij vrijwel allemaal weg. Hij maakte geen onderscheid tussen mensen en was één met wat leeft, inclusief planten en dieren.

Over vijf jaar is het honderd jaar geleden dat deze heilige overleed (15 oktober 1918) en nog steeds is in India de herinnering aan hem springlevend. Hij heeft vele volgelingen (Shirdi is nu een bedevaartplaats met een sterk groeiende ‘relibusiness’ die dagelijks honderdduizend bezoekers zou trekken), maar buiten India is Shirdi Sai Baba nog steeds zo goed als onbekend. Daarmee is hij misschien wel het best bewaarde geheim van India.

De liefde voor Shirdi Sai Baba, die van zijn volgelingen volledige toewijding vroeg, wordt gevoed doordat hij grenzen oversteeg en misschien nog wel meer door de inspirerende levenslessen die hij mensen leerde. De hoogste tijd dus, om enkele van die verhalen aan te halen, zoals beschreven in ‘Zeven Dagen Shirdi Sai’.

Er zijn diverse verhalen waarin Sai Baba van Shirdi lijden en ziekte van gelovigen op zich neemt. Een voorbeeld: mevrouw Khaparde komt met haar zoontje Balwanth naar Shirdi. De tweede dag na aankomst krijgt de jongen koorts. Hij heeft overal builen op z’n lichaam. De moeder gaat wanhopig naar Sai Baba. Die toont haar vier rijpe gezwellen op zijn lijf, ze zo groot als eieren. Hij zegt: “Kijk hoe ik lijd voor mijn toegewijden.”

Een volgeling raakt de goeroe aan en wat blijkt: Sai Baba heeft hoge koorts. De moeder is ontzet. “Heeft de ziekte [de builenpest, die toen heerste] niet alleen mijn zoon te pakken, maar ook u? Wie zal u beschermen?” Sai Baba berispt haar voor haar kleine geloof en zij biedt haar excuses aan. Daarna zakt zijn koorts en bij terugkomst ontdekt mevrouw Khaparde dat de koorts en de builen bij Balwanth zijn verdwenen.

Ook staan er verhalen in het boek over mensen en dieren die ogenschijnlijk dood zijn en weer tot leven worden gewekt. Een mooie geschiedenis met een even grote epische kracht is die over Sai Baba’s strijd met behulp van zijn stok om een enorm zwaar onweer uit het dorp te verdrijven.

Een citaat: ‘Weer kwam er een hevige blikseminslag en weer sloeg Baba op de grond en vroeg de regengod om weg te gaan uit Shirdi. Dit gebeurde drie keer. Het was duidelijk een gevecht tussen twee reuzen, maar binnen enkele minuten legde de storm zich neer bij Baba’s verzoek om zijn terugtocht.’

De volgeling Jyotindra Tarkhad vraagt Sai Baba later wat er eigenlijk gebeurd is. Deze zegt: “Als mijn toegewijden in nood zijn, bid ik tot de Heer van het universum om zijn genade op hen te laten neerdalen, en de Heer schiet mij dan te hulp.”

Er staan te veel prachtige verhalen in om hier aan te halen. Een uitzondering maak ik graag voor de beschrijvingen van de ‘goddelijke clown’ Nanavalli. Deze maakte deel uit van de entourage van de heilige, had zichzelf de titel ‘Generaal van Sai Baba’s leger’ gegeven, liep soms naakt of in oude zakken rond, had slangen in zijn zakken en schorpioenen in zijn mond. Nanavalli had overduidelijk in zichzelf al veel grenzen geslecht.

Er zijn tijdgenoten die hem herinneren als moslim, maar ook veel die hem zagen als een brahmaan (een parallel met Sai Baba, die hij ‘mijn oom’ noemde). De meeste mensen beschouwden hem echter vooral als een gevaarlijke gek. (Jyotindra Tarkhad was één van de weinigen die Nanavalli zag als iemand die een intelligent spel vol apenstreken speelt om mensen tot inzicht te brengen.)

In de legendarisch geworden verhalen reageerde Nanavalli met explosieve acties om bepaalde structurele misstanden aan de kaak te stellen. Zo kwamen er vaak mensen naar Sai Baba die hem om materiële zaken vroegen. Een groep handelaren maakt het op een dag erg bont. Nanavalli loopt geërgerd naar voren en roept: “Fakir! Ik wil een grote boom die onmiddellijk geld voortbrengt. (…) Hij moet al geld geven op het moment dat hij ontkiemt.” Baba kalmeert hem en verzekert hem dat hij zijn verzoek zeker zal inwilligen. Nanavalli gaat daarop lachend weg.

Een andere keer maakt hij het nog bonter volgens veel mensen. Sai Baba heeft intussen een fraaie stoel gekregen als gevolg van de toenemende hulde door zijn groeiende bekendheid. Hij zit daarop als Nanavalli op een dag naar binnen stiert en tot afgrijzen van de aanwezigen van Sai Baba eist dat die opstaat zodat hij op de stoel van de goeroe kan zitten. Zo’n stoel is als een troon van en voor de allerhoogste, en z’n eis is dan ook ronduit schokkend.

Sommige toegewijden willen hem wegsleuren maar Sai Baba, die het innerlijk van Nanavalli kent, brengt hen tot bedaren. Nanavalli blijft even op de stoel van Sai Baba zitten en na een tijdje zegt hij: “Uitstekend, goed gedaan!” Daarna staat hij op en Sai Baba gaat weer zitten. Nanavalli knielt aan diens voeten en gaat daarna extatisch dansend weg; in de vorm van goddelijke gekte heeft hij weer een zeer geslaagde les gegeven.

In ‘Zeven dagen Shirdi Sai’ worden de markante gebeurtenissen in het leven van de goeroe verteld, aangevuld met thematische hoofdstukken, bijvoorbeeld toegespitst op geld, leringen, bescherming en alwetendheid. Hierdoor schetst het boek een goed beeld van wat Sai Baba van Shirdi leerde door één te zijn met elk leven, ongeacht plaats en tijd, en vanuit een diepe compassie in te grijpen en/of te verduidelijken. Het zijn verhalen die je bijblijven. Soms zelfs meer dan twintig jaar.

Comments Off

admin op 8 July 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Ideologie en onderwijs, waar moet het naartoe?

Ideologieën zijn essentieel voor de zingeving, die weer richtlijnen biedt voor de omgang met elkaar en met onze leefomgeving, dus zou er in de primaire scholing aandacht voor moeten zijn. En blijven. De vraag is op welke manier.

In mijn jeugd waren er christelijke en openbare scholen. Zo eenvoudig is het niet meer.

De discussie over openbaar en bijzonder onderwijs wordt tegenwoordig gekleurd door de eisen van de overheid wat betreft vorming en schaalgrootte.

Het zogenoemde duale stelsel wordt op grond hiervan van binnenuit veranderd door pragmatische gelegenheidsverbanden, waarbij de scheidslijnen langzaam wegvallen. Het onderwijsveld is zoals altijd in beweging, maar een heldere richting ontbreekt.

Als iemand die niet geschoold is in deze materie, heb ik mijn gedachten hier eens over laten gaan, geïnspireerd door de afscheidsrede van VU-professor Siebren Miedema over dit onderwerp.

Als ik het goed begrijp, heb je scholen met een ideologisch bepaalde identiteit die tot uitdrukking komt in de voorgestane normen en waarden, de schoolbeleving van alledag (de sfeer, de omgangsvormen, de voorzieningen), en speciaal hiervoor ingelaste momenten, zoals vieringen.

Dit in contrast met openbare scholen - hoewel je ook zou kunnen betogen dat die impliciet de kennis die verkregen is via de hedendaagse wetenschap als een richtinggevende vorm van hoogste weten zien, ook een soort ideologie.

Daarnaast zijn er scholen met een bepaalde onderwijsvisie. Deze visies, een soort grote verhalen, verschillen van school tot school en bestrijken het gehele spectrum aan scholen.

Verder is er de door de overheid voorgestane vorming. Die is schijnbaar deels gericht op burgerschap; hoe word je optimaal voorbereid om effectief te functioneren in de samenleving.

Dit element van de vorming sluit aan bij de onderwijsvisie, die tegenwoordig wellicht meer marktgericht is vanwege het in het westen dominante neo-liberalisme.

De vorming heeft vermoedelijk ook een ethische component; hoe kun je goed, gelukkig en/of zinvol leven.

Een aspect dat mijns inziens past bij de ideologisch bepaalde identiteit, die in essentie te herleiden is tot geluksbeleving en/of het vermijden van lijden, maar, zoals gezegd, ook van invloed is op de sociale en ecologische belevingswereld.

En dan is er nog het godsdienstonderwijs - of hoe dat tegenwoordig heet. Dat is op ideologische scholen een op kennis gerichte verdieping van de ideologische component. Op openbare scholen is de invulling gericht op meerdere ideologieën (meestal religies).

Wat ik uit dit alles opmaak, een voor een leek verwarrend geheel met overlappende verhalen, is dat er sprake is van een waarden- en een stammenstrijd. Misschien wel van meerdere.

Het duale stelsel (geen of in de huidige situatie een religieuze ideologie) heeft als voordeel dat de ideologie op ideologische scholen beter wordt uitgediept.

Maar dat maakt van de leerlingen in dat (ideologische) opzicht eenzijdig gevormde wezens in een maatschappij die zeer veelzijdig en dynamisch is. Dat kan toch geen enkele onderwijsvisie of visie op vorming in redelijkheid willen bepleiten?

Misschien is er een tussenvorm mogelijk. Waarom niet in een waardenhiërarchie alle scholen op (de vierde) humanistische ideologie gronden (alle scholen worden bijzonder), met, een niveau lager, vrijheid van onderwijsvisie – mits die niet (op een andere wijze) ideologisch is onderbouwd / wordt ingevuld?

Godsdienstonderwijs, dat vooral kennis gericht is, zou, nog een niveau lager, kunnen worden ondergebracht bij (de te verplichten vakken) filosofie (reflectie) plus (niet ideologisch gekleurde) meditatie (beleving).

Het laatste zorgt voor een aantoonbare meerwaarde in het onderwijs, via groter welbevinden, inzicht en (direct of indirect) verbeterde studieprestaties (vorming).

De grote praktische vraag is natuurlijk is of het huidige stelsel ooit geheel volgens één “model” hervormd kan worden. Wellicht is dat mogelijk via eisen die worden gekoppeld aan de financiering door de overheden.

De huidige ideologische scholen zullen protesteren omdat ze moeten “inleveren”, de openbare scholen omdat ze een ideologie moeten omarmen, ook al is dat waarschijnlijk de meest universele in de westerse wereld.

Desondanks is een idee als dit op lange termijn misschien wel noodzakelijk voor het behoud van de diversiteit aan en vooral de onderwijskundig verantwoorde inbedding van ideologieën binnen het onderwijs.

Picture stolen from the site of the Ebenezer International School Bangalore.

Comments Off

admin op 26 January 2013 in Religie & Spiritueel

Over ’s Hertogenbosch, Maria en de draak

’s Hertogenbosch is gebouwd rondom een Keltisch cultuscentrum, rekening houdend met de energielijnen in de stad. Dat stelt architect Jan van der Eerden in zijn boek “Een middeleeuwse stad vol gulden energie – Spirituele opgravingen in ’s Hertogenbosch en andere daarmee verbonden plaatsen” (Stichting Cultuurfonds ’s Hertogenbosch, 2012).

Het cultuscentrum bevond zich op de plaats op de Markt waar eerder het Puthuis en een marktkruis stonden. Deze krachtplek, een axis mundi, is gesitueerd op een krachtige van west naar oost lopende energielijn, een zogenoemd drakenpad, waar ook de drakenfontein naar verwijst, die de stad doorkruist.

De stichters van de stad hebben hiermee rekening gehouden, veronderstelt Jan van der Eerden. Net als met de twee andere energielijnen in de stad die samen een driehoek vormen waarvan de punten liggen op de drie belangrijkste pleinen. Verder zou een later aangepaste versie van een Romeins grondpatroon zijn gebruikt, een campus initialis, en de levensbloem, bekend uit de sacrale geometrie.

Daarnaast heeft de schrijver een door mensen gemaakte energiering rond de oude stad herontdekt die overeenkomt met de grens van de uitstraling van de axis mundi op de Markt. Deze “gouden ring” was bedoeld ter bescherming en werd waarschijnlijk jaarlijks bekrachtigd met een ommegang langs verschillende staties, vergelijkbaar met de Maria-ommegang in de binnenstad, die overigens voert langs de genoemde driehoek.

Niet alleen de positie van pleinen en straten, ook die van diverse Bossche gebouwen is te begrijpen vanuit de door hem gereconstrueerde energetische blauwdruk van de stad, betoogt Jan van der Eerden. Met name gebouwen uit de gotiek en de neogotiek; binnen die stromingen was veel aandacht voor sacrale geometrie en geomantie.

Hij verduidelijkt zijn verhaal met voorbeelden uit binnen- en buitenland, tekeningen en berekeningen, mythologieën, fragmenten uit alternatieve wereldopvattingen en observaties van paragnosten. Ook vertelt hij over zijn strijd voor het behoud van het architectonisch erfgoed in ’s Hertogenbosch. Dit alles maakt zijn betoog niet eenvoudig om te volgen, wel buitengewoon boeiend.

Wat opvalt in dit verband, als we de argumentatie van Jan van der Eerden goed begrijpen, is de grote rol die de in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, bekend van de gezworen leden de Zwanenbroeders, schijnbaar achter de schermen heeft gespeeld bij de ontwikkeling van ’s Hertogenbosch. Met gebruikmaking van de blauwdruk.

Door de bouw van de kathedraal in 1380, de “herontdekking” van een “wonderbeeld” van Maria een jaar later (sic) en een jaarlijkse Maria-ommegang (met een theatraal moment over Sint Joris en de draak bij de axis mundi) heeft de broederschap de stad via inkomsten uit pelgrimages en het stimuleren van bedrijvigheid een enorme economische, culturele en spirituele impuls gegeven. Honderden jaren lang.

De kathedraal, een ontwerp van een lid van de broederschap waarvan ook het Zwanenbroedershuis sinds 1483 op het drakenpad staat, was namelijk niet gelijk af. Er is nog tot 1529 aan gebouwd, een periode die grofweg samenvalt met de bloeiperiode van deze voor de verering van Maria opgerichte broederschap; tussen 1460 en 1530.

De realisatie van de gotische kathedraal was wat we nu een miljoenenproject zouden noemen. In die tijd telde de broederschap duizenden leden, onder wie heel machtige uit binnen- en buitenland. Dat zal niet geweest zijn vanwege de aflaten of het stimuleren van de lokale muziekcultuur. Het lijkt het erop dat de broederschap de club was om zaken te doen, met name in de (gotische) bouwwereld. De gotiek was toen erg populair.

Voor de gelovigen draaide alles om het “wonderbeeld” van Maria. Dat stond op de welddadige locatie waar het drakenpad de kathedraal doorkruist en eerder een beeld van Johannes de Doper een plek had gevonden. Maar, zoals in de kathedraal van Chartres, is er volgens Jan van der Eerden al gauw voor gekozen om een (zwarte) Maria de plaats te laten markeren waar de krachtige “hemelse” energie aan de aarde ontspringt als bron voor heling.

In 1629 werd het beeld weggehaald om politieke en wellicht ook spirituele en economische redenen; ’s Hertogenbosch was ingenomen door Frederik Hendrik. De ommegang werd afgeschaft en daarmee kwam de “motor” van de stad helemaal tot stilstand. Wat er gebeurde na de terugkomst in 1853 onderstreept de vermeende relatie tussen Maria-verering, pelgrimages, bedrijvigheid, bouwprojecten en de blauwdruk.

Al snel werd kathedraal weer een erg belangrijk pelgrimsoord. Maar wat pas echt een “mirakel” was: enkele tientallen jaren later raakte een nieuwe stroming in de architectuur in zwang, de neogotiek. Daarbij was ’s Hertogenbosch opnieuw één van de voorlopers, zoals eerder bij de (Brabantse) gotiek. En diverse toen gerealiseerde neogotische gebouwen passen binnen de blauwdruk, bijvoorbeeld de (verdwenen) Leonarduskerk.

Het zeer interessante en boeiende boek van Jan van der Eerden biedt een schat aan informatie en nodigt uit tot dit soort gevolgtrekkingen. Maar kloppen zijn conclusies ook? Of zijn ze het werk van een briljante “morosoof”, een geleerde dwaas, zoals Matthijs van Boxsel suggereert door de schrijver op te nemen in zijn in 2001 verschenen encyclopedie over dit onderwerp? Dat zou kunnen.

Veel waarschijnlijker is het, dat wij tegenwoordig niet meer het door en door religieuze, symbolische en magische wereldbeeld van de late middeleeuwers verstaan; de tekens niet meer kunnen lezen. En wat betreft het bestaan van energielijnen en krachtplaatsen: iemand die deze energie niet ervaart, zal daar nooit van kunnen worden overtuigd. Dat heeft niet te maken met ideologie of wetenschapsopvatting, maar met gevoeligheid.

Comments Off

admin op 17 January 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Over de Rozenkruizers, een winterkoning en de wetenschap

De Rozenkruizersmanifesten deden begin zeventiende eeuw veel stof opwaaien in Europa. De allegorische verhalen over Christian Rosenkreutz propageren volgens Frances Yates een verlichte natuurwetenschap en godsdienstvrijheid, met de Palts onder bestuur van Frederik V als een ideale staat die hiervoor ruimte biedt en daarom steun verdient. Onlangs verscheen haar ‘De verlichting van het Rozenkruis’ uit 1972 in een erg fraaie editie bij Synthese.

Begin zeventiende eeuw zorgen de Reformatie en late Renaissance ervoor dat kleine groepjes mensen zich meer gaan richten op proefondervindelijk verkregen kennis dan op katholieke dogma’s over de werkelijkheid.

Deze natuurwetenschappers, sociale wetenschappers, kunstenaars, schrijvers en filosofen doen hun werk noodgedwongen ondergronds vanwege de dominante invloed van de katholieke kerk, die het protestantisme als een dwaling ziet, sympathisanten daarmee in de ban doet en van vrijdenkers al helemaal niets moet hebben.

In de mysterieuze Rozenkruizersmanifesten krijgen deze “onzichtbaren” een anonieme stem die luid klinkt tot in de uithoeken van Europa. Met steun uit protestantse hoek en geïnspireerd door wetenschapper John Dee willen ze vernieuwing op wetenschappelijk, cultureel en politiek gebied.

Ze verpakken hun krachtige boodschap in leerzame allegorische vertellingen met theatrale elementen over de vermeende stichter Christian Rosenkreutz en hun genootschap - wellicht in der aard te vergelijken met het bij vrijmetselaars bekende toneelstuk over Hiram Abiff.

Dankzij de opkomst van de boekdrukkunst zorgen de geschriften van de Rozenkruizers voor behoorlijke onrust in ontwikkelde kringen en aan de westerse hoven. Ze vormen vooral een bedreiging voor het morele en intellectuele gezag van de katholieke kerk en daarnaast van de algehele stabiliteit in het mede op religieuze gronden verdeelde Europa.

Na een aantal jaren verdwijnen de Rozenkruizers in de stilte waaruit ze gekomen zijn ondanks dat er in Europa honderden reacties in druk verschijnen en de speculaties over de leden en de werkelijke doelstelling van het genootschap op het dieptepunt ronduit hysterische proporties aannemen.

De Jezuïeten van “de Antichrist” suggereren op het laatst zelfs dat zij de Rozenkruizers zijn, dat verborgen genootschap, schijnbaar op basis van de bekende katholieke tactiek: bedreigende invloeden inkapselen wanneer onderdrukken faalt.

De studie van Frances Yates verklaart wat zich achter de schermen afspeelde en waarom het stil bleef. Het heeft te maken met de politieke en religieuze verhoudingen in Europa en vooral met het mislukken van een heel inspirerend politiek experiment, waaraan in bedekte termen wordt gerefereerd.

Deze werken roepen niet alleen op tot een wetenschappelijke omwenteling, ze vertellen ook het succesverhaal van keurvorst Frederik V die daar in de Palts alle ruimte voor bood.

Het bestuur van Frederik V duurt van 1610 tot 1623. In die tijd vormen de protestantse Palts een staat met relatief grote godsdienstvrijheid waar verlichte wetenschap en cultuur floreren. Het indrukwekkende Kasteel Heidelberg is dan een toevluchtsoord en wetenschappelijke tempel voor diverse onzichtbaren.

De problemen beginnen als Frederik V in 1619 koning wordt van Bohemen, dat in 1618 in opstand was gekomen tegen de rooms-katholieke keizer Ferdinand II die zichzelf dat jaar tot koning had laten uitroepen.

Ferdinand II gaat Frederik V in 1620 een lesje leren en verslaat hem tijdens de slag bij De Witte Berg. Hoewel Frederik V lid is van de Protestantse Unie laten de Europese protestantse prinsen hem stikken als zijn schoonvader koning Jacobus I van Engeland, een opportunistische zwakkeling, hem niet te hulp schiet.

Dan is het gebeurd en valt de liberale droom, die als voorbeeld geldt voor onder meer het gebied Venetië, in stukken. De keurvorst vlucht naar Den Haag, waar hij eindigt aan de Kneuterdijk en vanwege het bestuur van Bohemen, dat één winter duurde, wordt herinnerd als de Winterkoning.

In haar boek reconstrueert Frances Yates op scherpzinnige en originele wijze de bronnen voor het gedachtegoed achter de Rozenkruizermanifesten, waarvan de eerste gepubliceerd zijn in de hoogtijdagen van de Palts-tijd van Frederik V.

Duidelijk wordt, dat hier niet gaat om een marginaal esoterisch genootschap, maar om een groep wetenschappers die fictie gebruikten om hun omstreden denkbeelden te verspreiden, met de Palts als voorbeeld van een ideale, liberale staat - die steun verdient.

De broederschap van de Rozenkruizers zelf, als deze al bestond, telde waarschijnlijk slechts een handjevol mensen met goede contacten met protestantse drukkers, en was ogenschijnlijk aan dat doel ondergeschikt.

Uit haar studie blijkt ook dat de inspanningen van de Rozenkruizers niet moeten worden veronachtzaamd. Comenius is erdoor beïnvloed en later vormden “de onzichtbaren” zeer waarschijnlijk de inspiratie voor de befaamde Royal Society via diens schimmige voorloper “het onzichtbare college”.

Ondanks het mislukken van het politieke experiment in de Palts en in Bohemen, Praag was destijds een bruisend centrum van wetenschap en cultuur, hebben de historische Rozenkruizers schijnbaar zo hun belangrijkste doelstelling alsnog gehaald: de start van een nieuwe, proefondervindelijke manier van wetenschap bedrijven, voorbij de dogma’s van de katholieke kerk.

Comments Off

admin op 31 July 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Elaine Pagels: Openbaring routekaart voor revolutie

Openbaring is vaak gebruikt voor diverse vormen van inlegkunde, onlangs nog in de Verenigde Staten, maar is geschreven als een verhuld anti-Romeins geschrift. Dat betoogt Elaine Pagels in het dit voorjaar bij Ten Have verschenen werk ‘Het vreemdste bijbelboek - Visioenen, voorspellingen en politiek in Openbaring’. Later werd het onder Romeinse invloed ingezet tegen de oorspronkelijke joodse volgelingen van Jezus.

Openbaring is rond 90 van onze jaartelling geschreven en moet worden gezien als “oorlogsliteratuur”, aldus Pagels, die de afgelopen decennia naam verwierf als een deskundige die de gnostische boeken uit Nag Hammadi voor een breed publiek toegankelijk maakte.

Een belangrijke reden voor het schrijven van het boek was de onderdrukking van de joodse opstand door de Romeinen in het jaar 66 en de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Deze revolte ontstond onder meer vanuit protest tegen de regeling van de overheersers dat het joodse geloof mocht worden gepraktiseerd mits ook de Romeinse goden, inclusief de keizer, werden geëerd, zodat de eenheid in het rijk niet werd ondermijnd.

De joodse schrijver van Openbaring wilde wraak na die bloedige gewelddadigheden, aldus Pagels, en schreef zijn boek als anti-Romeinse propaganda, als een soort routekaart voor een revolutie. Hij maakte daarbij gebruik van de Bijbelboeken Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël, én van recente ingrijpende gebeurtenissen, zoals de uitbarsting van de de Vesuvius in 79 van onze jaartelling.

Volgens Pagels staat deze ‘Johannes van Patmos’ hiermee in een lange profetische traditie die teruggaat tot oerverhalen over de draak (slang) uit Babylon die verslagen moet worden. Babylon is de grote overheersende macht. Eerst werd hiermee Egypte aangeduid, in Openbaring het Romeinse Rijk. Met het beroemde beest “666″ in Openbaring wordt Nero bedoeld.

Een andere element uit die drakentraditie komt ook terug, betoogt Pagels: hoop voor gelovigen die ‘heilig’ blijven in seksueel, sociaal en religieus opzicht; de schrijver richt zijn pijlen via de ‘haat van Jezus’ behalve op het Romeinse Rijk ook op de heidense volgelingen en apostelen van Paulus, zoals Ignatius, want het oorspronkelijke messias-geloof – zoals voortgezet door Jezus’ broer Jakobus in Jeruzalem - moest volgens hem wettisch joods blijven.

Maar de historie verliep anders en de Paulinistische gelovigen wonnen de strijd en stichtten op basis van het joodse geloof en de intussen in de verdrukking geraakte joodse messiasbeweging een nieuwe religie: het christendom, waarin onzuiverheden als huwelijken met niet-joden wel mogelijk waren. Ook de joodse besnijdenis van jongens was niet meer verplicht.

Interessant is vervolgens het enigszins complexe betoog waarin Pagels aantoont dat Openbaring later is gegijzeld door de laatste groep, die minder problemen had met de Romeinse overheersing. Het kwam zelfs in de canon terecht na de invoering van het katholieke christendom als staatsgodsdienst door Constantijn.

Vooraf werkte de keizer enkele tientallen jaren aan de voorbereiding van deze operatie, bedoeld om hervormingen door te voeren en het rijk te consolideren. Hij stond de nieuwe godsdienst toe die geen andere goden dan de eigen god wilde aanbidden, zag goedkeurend dat de hiërarchie van de katholieke kerk werd afgeleid van die in het Romeinse leger, stelde (katholieke) christenen vrij van belastingen en plaatste ze op strategische posities in zijn rijk. Constantijn nam zelfs enkele katholieke bisschoppen in staatsdienst, onder meer om graanschuren te beheren.

De rol voor Openbaring leek uitgespeeld, maar het tegendeel bleek het geval. Het rebelse boek was dankzij de verhullende vorm ideaal voor meerdere interpretaties. Voortgekomen uit het hart van de Jezus-traditie, werd het vanaf dat moment gebruikt om niet-katholieke christelijke groepen te demoniseren, onder meer de joodse messianistische groep waartoe ‘Johannes van Patmos’ zich waarschijnlijk rekenende.

Was Nero voor de schrijver ervan nog “het beest 666″, diens opvolger Constantijn kon vanwege grote wereldlijke macht op alle steun rekenen van de winnende katholieke factie. Het Romeinse rijk werd gekerstend en het joodse messiasgeloof geromaniseerd. Sindsdien is de joodse messias een gevangene van de Romeinse draak.

Comments Off

admin op 15 July 2012 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel