Archief voor de categorie 'Ongewoon & Anders'

Gé Reinders over zijn jeugdheld, de liefde en de muziek

Gé Reinders gaat komend jaar met een nieuwe tour de Nederlandse theaters in. Hij is nu razend druk met schrijven, componeren en repeteren. En opnemen. Want er komt ook een nieuwe dubbel-cd uit, met één plaat in het dialect en eentje in het Engels. Om die reden is onderstaand interview via e-mail afgenomen.

Er kwamen waarschijnlijk diverse verhalen en herinneringen boven bij het voorbereiden van je nieuwe tour. Welk(e) was je bijna vergeten en waarom was dat, denk je?

“Ik heb toen ik 17 was een tijd in Amerika gewoond als uitwisselingsstudent en ik was verbaasd over hoeveel er op internet te vinden is over het gezin waar ik daar bij ondergebracht was. Daar heb ik twee avonden op gegoogeld.

Ook heb ik een lied geschreven over de band Brinsley Schwarz, waar ik erg fan van was. Heerlijk om die muziek weer te horen. Het is wel gek om daar nu over te schrijven, want misschien haalt dat liedje wel niet de bühne. Dat is het leuke van try-outs; je kunt nog van alles sleutelen.”

Wat zijn de overeenkomsten tussen je jaar in Amerika en je huidige solo tour? Denk aan de begrippenparen klein & groot, dichtbij & veraf, oud & nieuw, en vrijheid & gebondenheid.

“Toen ik naar Amerika ging, was ik al gek op artiesten die solo speelden: Bob Dylan, Leonard Cohen, Donovan. Altijd heb ik het idee gehad dat een goed liedje overeind blijft ook als je het in je eentje speelt.

Waar ik ook achter ben gekomen, is hoe belangrijk muziek voor me is. Als puber was muziek het enige wat me interesseerde. Eigenlijk ging ik naar de USA omdat daar mooie muziek vandaan kwam, muziek die mij raakte.

Wat Amerika me ook leerde, is dat ik daar een Limburger was. En dat dat iets is om trots op te zijn. Ik had altijd het idee dat alles wat uit Limburg kwam, minder was.

Eigenlijk heb ik door mijn verblijf ver weg mijn afkomst leren waarderen.”

Je lijkt me iemand die zijn eigen weg gaat, met alle uitdagingen en ups & downs van dien. Ben je tijdens de voorbereidingen voor deze tour ‘dichter bij jezelf gekomen’ of is dat psychologische onzin?

“Dat is geen onzin. Ik ben er vooral achter gekomen hoe belangrijk muziek voor mij is. Dat is de rode draad. Ik vond het heerlijk om ook weer Engelse liedjes te schrijven en weer die puberontroering te voelen.”

Jouw jeugdheld Brinsley Schwarz zingt in “What’s so funny ’bout peace love and understanding”, dat hij het leven soms niet meer begrijpt en er verdrietig van wordt. Eén van jouw laatste liedjes is “Noe begriep ich ‘t”…

“Wat grappig dat jij met Brinsley aankomt! Ik ben nu met hem aan het mailen om te zien of hij op mijn plaat kan spelen. What’s so funny ’bout peace love and understanding? is een volkomen terechte vraag. Daar is niets grappigs aan. Ik zal hem vragen of hij dat nog steeds vindt. Verheug me erg op de samenwerking.”

Terugkomend op mijn vraag, zou je kunnen toelichten waar “Noe begriep ich ‘t” over gaat?

“Dat vind ik moeilijk, want het verhaal erachter vind ik te persoonlijk.”

Ik vind het een treffend nummer door het geloof dat eruit spreekt. Ik denk dat het gaat over samen leven. Dat maakt het thema universeel, en dus krachtig.

Kun jij er toch niet iets meer over zeggen?

“Het gaat eigenlijk over vergeven. Volgens mij is dat de sleutel in de liefde. En ik heb dat niet altijd zo gevoeld. Maar op een gegeven moment viel het kwartje.”

Onlangs heb je je verdiept in het (verzets)verleden van je moeder. Schreef er een prachtig lied en een boek over. Op welke prestaties van je vader ben jij trots?

“Op heel veel van zijn prestaties. Hij was een hele lieve wijze man die veel geduld met mij had. Bovendien was hij erg belezen. Hij kon schrijven in Latijn.”

Een laatste vraag: jij vraagt bezoekers van de tour hun favoriete nummer uit jouw repertoire aan te geven. Om welk door jou geschreven lied wil jij herinnerd worden?

“Ik denk om het nummer dat ik op het ogenblik aan het schrijven ben. Bij ieder lied waar ik aan begin, heb ik altijd het gevoel dat het het beste lied zal worden, dat ik ooit geschreven heb. Daardoor kom je in een roes en heb je zin om het te voltooien.

Het gekke én het fijne is dat ik dat ieder keer wéér heb. De kick van het schrijven is gewoon groter dan het feit of een nummer wel of niet herinnerd zal worden. Op elk liedje ben ik even dol.”

De nieuwe show van Gé Reinders heet “Solo”. Hij gaat 24 januari in première in het Munttheater in Weert. Zijn fans kunnen niet wachten, lijkt het wel. De eerste try-out, bij Stichting Cultureel Aerwinkel in Posterholt op 3 januari, was al binnen enkele dagen uitverkocht.

[Dit interview verscheen 30 december 2015 in 1Roermond.]

Comments Off

admin op 4 January 2016 in Ongewoon & Anders

Een prinses uit de reclame voor koninklijk kattenvoer

Haar hele huis zit ‘vol’ katten. Maar Angelien Hogenboom uit Sittard is geen typisch kattenvrouwtje, zoals je soms op televisie ziet. Ze heeft een cattery; fokt raskatten, een bijzondere hobby waarvoor ze half Europa afreist en waarmee ze al veel prijzen heeft behaald.

Je voelt echt dat je binnenkomt in hun domein. Ze bewegen nauwelijks: de moederpoes met kittens in een kist in de bench, behaaglijk onder de warmhoudlamp, de twee katten in de hoge leef paal voor bij het raam. Ook de andere Britse Kortharen, die ik rechts vermoed in de andere leef palen en in de diverse kleine behuizingen in de kamer, houden zich gedeisd.

De moederpoes zet wel gelijk grote ogen op als ik op de leren bank naast haar ga zitten; hoe kan de dochter des huizes, Richelle van 17, deze indringer toestaan, en zeker zo dichtbij haar nest?! Als ik me voorover buig, de bench in, om te kijken, onttrekt ze de kittens aan het gezicht door pontificaal ervoor te gaan zitten.

Het is een dame van stand, hoor ik later, ze heet IT. Satiath Le Bricoccole, maar van een ingetogen adellijke uitstraling is nu niets meer te merken. Ze sist en zit klaar als een straatkat om keihard uit te halen. Ik leun daarom maar weer naar achteren, ook al is het een vertederend gezicht, die kleine wol baaltjes die op en om de moeder kroelen.

Een grijsblauwe kat, van elders in de kamer, heeft uiteindelijk de meeste lef. Hij komt voorzichtig dichterbij, ruikt na een tijdje steels aan mijn linker broekspijp, daarna springt hij op armleuning naast me. Als ik rustig blijf zitten, klautert hij vervolgens langzaam over me heen, om rechts van me op het leer post te vatten. Klaar om weg te springen - met een gast die ruikt naar jachthond, weet je het natuurlijk nooit.

Een andere kat kiest stilletjes positie op de grond links van me. En daar zit ik dan, ingesloten in dit van buiten onopvallende huis, waarin katten in de meerderheid zijn en in veel opzichten de sfeer bepalen. De fraaie serre met de glazen deuren is onder meer voor hen gebouwd.

De vrede lijkt voor even getekend, toch houden zestien gele ogen me heel goed in de smiezen, de tien minuten die ik vervolgens wacht tot de eigenaresse van Cattery Shelbygoldblue naar beneden komt - stipt op tijd overigens.

“Het begon ooit met een gewone huiskat, die veertien jaar is geworden”, vertelt Angelien Hogenboom (47), die intussen in een fauteuil rechts is neergeploft, fris uit bad, de haren nog nat. “Toen die overleed, hebben we gedacht: als we nog een kat willen, wat voor één wordt het dan?

In 2009 kocht ik mijn eerste Brit. Het is een heel rustig ras. Ze zijn nieuwsgierig, maar hoeven niet naar buiten, alleen af en toe in de serre of in de tuin, als ik erbij ben. Ze hebben ook niet de drang om weg te lopen.

Buiten zouden ze ook bacteriën kunnen oplopen. Het net is met kinderen; als die niet veel buiten komen, hebben ze ook zo wat te pakken. Verder kan iemand ze zo pakken en meenemen, daar zijn ze me toch wat te duur voor.”

Het gaat goed met de cattery en intussen hebben Angelien en haar man Marcel (48) al aan de nodige poezenkraambedden gezeten. Soms met handschoenen aan, zoals toen een poezenmoeder fel om zich heen sloeg en beet vanwege de noodzakelijke externe massage om een kitten in een stuitligging eruit te krijgen.

De eerste bevalling, was de ergste. Chelby, haar eerste poes, kreeg een paar dagen gezelschap van een dekkater en tot aan de bevalling ging alles goed. Daarna was het, of alles fout ging dat fout kon gaan.

“We zijn uiteindelijk middenin de nacht halsoverkop naar een dierenarts in Maaseik gegaan. Uit een echo bleek dat er nog twee leefden, de rest was dood. De moeder en de twee kittens konden we de volgende dag ophalen, maar de laatste twee kittens zijn toen ook overleden.”

De oermoeder van de cattery is er wel weer bovenop gekomen, maar het was een drama. Ook voor Angelien en Marcel. Na al die weken meeleven, bijna als met een familielid, een kind misschien wel, eindigt het ineens zo koud en kil.

Voor Angelien is de cattery ook meer hobby dan handel. “Ik verkoop de katten en kittens niet als een pak koffie.” Toch lijkt het voor een leek een lucratieve bezigheid. Haar fokpoezen zijn in Polen en Italië gekocht voor bedragen tussen de 1.000 en 1.200 euro, en haar kittens kosten de liefhebber 625 euro per stuk. Gemiddeld produceert haar cattery met acht poezen en twee katers tussen de tien en vijftien kittens per jaar.

“Maar bij die 625 euro voor een kitten, zijn inbegrepen: voer, kattenbakvulling, verzorging, en testen op genetische aandoeningen aan hart en nieren, leukemie en (katten)aids, chippen en drie keer ontwormen”, haast Angelien zich te zeggen. En natuurlijk een certificaat dat aantoont dat er sprake is van raszuivere afstamming.

Ze verkoopt ook niet zomaar aan iedereen die genoeg geld op tafel smijt. Ze wil weten dat haar kittens goed terecht komen, of ze nu voor de fok of voor gezelschap worden aangeschaft.

De kittens worden ook niet opgestuurd, zelfs niet als het gaat om klanten in het buitenland. Ook dan komt ze ze persoonlijk afleveren. Verder laat ze de poezen maar één keer per jaar dekken, terwijl het drie keer per twee jaar kan, zodat de dieren langer kunnen herstellen.

Angelien: “Ik houd er niets aan over. Al het geld steken we weer in de cattery. Pas als je geld moet toeleggen, weet je dat je het goed doet.”

Het wegbrengen van een kitten combineert ze vaak met shows en wedstrijden, waar ze regelmatig hoge ogen gooit. Links in de hoek, bovenop een toren met cd’s, staat een aantal bekers bij elkaar, net als op de cd-toren rechts van ons. Verderop hangt een grote spiegel, die half onbruikbaar is door de tientallen onderscheidingen met kleurige linten eraan.

“Er zijn verschillende wedstrijden. Je kunt bijvoorbeeld de beste van een ras worden op een show, maar ook gaan voor ‘Best of Show’. Dan kan het zijn dat een Brit tegenover een Bengaal komt te staan. Het is een hele onderneming. Als je met een paar katten naar zo’n show gaat, ben je echt een hele dag bezig.”

Met Marcel als chauffeur heeft ze intussen diverse evenementen bezocht in Nederland, België, Duitsland, Groot-Brittannië en Italië. Ook bezocht ze in Praag (Tsjechië) een wereldtentoonstelling van FIFe, de internationale bond. Op zulke expo’s zijn alle rassen te bewonderen.

Er wordt tijdens shows niet gehandeld, “maar er worden natuurlijk wel kaartjes uitgewisseld”. Bijvoorbeeld om een dekkater tegen betaling een eigen poes te laten bezwangeren en/of om kittens en katten te (ver)kopen.

Het dekken gebeurt in het dekverblijf, daar heeft Angelien er ook één van. (“Dat mag niet te groot zijn, en het moet geen hoekjes hebben waar de poes zich kan verstoppen.”)

De kater-van-dienst, die normaal apart wordt gehouden (“anders heb je geen controle op de uitkomst”), mag zich daar twee tot drie dagen uitleven op een binnengebrachte poes.

Angelien heeft twee katers, SC. Gismo Chelbygoldblue en Floyd Chelbygoldblue, kleinzonen van SC. Tommy van Sawillu (SC. staat voor ‘Supreme Champion’).

Het doel is altijd “een mooi nestje en gezond nestje”. Natuurlijk is daarbij belangrijk dat het “goed gaat met mama en de baby’s”, maar voor de fok gaat het vooral om kenmerken en aantallen.

In de afstammingslijn is terug te vinden hoeveel kittens een poes gemiddeld geeft per worp. Angelien: “Bij een nest met één kitten, een tegenvaller (gemiddeld zitten er vier tot vijf in een nest), mag je het meestal gratis nog eens proberen bij dezelfde dekkater.”

Blauwgrijs is bij de Britse Kortharen het schoonheidsideaal. Omdat de hoeveelheid rasechte Britten beperkt is – de meeste leven overigens buiten Groot-Brittannië - is kennis van de afstammingslijnen noodzakelijk om inteelt te voorkomen. Te veel kruisen binnen de eigen lijn en doorfokken op specifieke eigenschappen zorgt namelijk voor fysieke en mogelijk ook psychische aandoeningen.

De twee toonaangevende bonden in Nederland (Mundikat en Felikat) en België (Felis Belgica) zien streng toe op de kwaliteit van de fokprogramma’s, vertelt Angelien, die werkt volgens de FIFe-richtlijnen. “Je moet ook jaren meelopen om daar keurmeester te mogen worden.”

Angelien is vooral trots op “eigen fokjes” als Noa Chelbygoldblue. Dat is een ‘tricolor’, een kat met drie kleuren rondom. Hij ziet er voor mij als leek uit als een veredelde lapjeskat, maar is voor kenners het bewijs van een geslaagde selectie van afstammingslijnen, fokdieren en gewenste kenmerken.

Angelien: “Het is heel moeilijk om dit resultaat te bereiken. De kans op een tricolor is heel klein en zeker dat alle kleuren over de hele vacht verspreid zijn, zoals bij Noa; dat je dus altijd kunt zien dat het een tricolor is.”

Een andere topper uit haar stal, Gotham Amazing Story, geen eigen fok, maar wel heel fraai, betovert me meteen. Een elegante schone uit Polen, een blauwe prinses, die zo kon zijn weggelopen uit een tv-reclame voor koninklijk kattenvoer.

Prachtig, maar aaien is er niet bij. Want al ben ik intussen wat meer geaccepteerd, de meeste katten gaan weer hun eigen gang, ik blijf een naar hond ruikende indringer in een kattenhuis. Eentje die je in de gaten moet houden.

(Dit artikel is geschreven voor hét WijkKrantje.)

Comments Off

admin op 16 April 2015 in Ongewoon & Anders

China’s super psychics, te mooi om waar te zijn?

Onlangs vond ik in mijn archief een artikel dat ik in 2008 schreef voor het blad Koorddanser. Het gaat over ‘China’s super psychics’ en is nog steeds de moeite van het lezen waard. Vandaar dat ik het hier met jullie deel.

‘Wonderen zijn niet in tegenspraak met de natuur. Ze zijn slechts in tegenspraak met wat wij weten over de natuur’, schreef kerkvader Augustinus. Aan de andere kant: veel zogenoemde wonderen blijken achteraf te berusten op misleiding, bedrog en cold reading, zoals de Amerikaanse goochelaar en scepticus James Randi meerdere malen heeft aangetoond.

Randi geeft een miljoen dollar aan degene die de werking van zijn of haar paranormale vermogens kan aantonen. De test moet plaatsvinden onder gezamenlijk overeengekomen omstandigheden. Tot nu toe is het geldbedrag nog niet uitgekeerd en in 2010 wordt het waarschijnlijk voor een ander doel bestemd.

Door het werk van Randi en anderen wordt het kaf van het koren gescheiden. Er zijn namelijk voldoende aanwijzingen dat sommige mensen inderdaad bijzondere vermogens hebben. Uit recente wetenschappelijke onderzoeken, bijvoorbeeld naar psychokinese, remote viewing en telepathie, bleek namelijk dat er (kleine) significante verschillen zijn tussen de begaafden en de mensen in de testgroepen.

Recentelijk is, ook in Nederland, een sterke opleving van de belangstelling naar paranormale fenomenen. In deze roerige tijden, waarin mensen meer behoefte hebben aan zekerheid, wordt steeds vaker de blik gericht op individuen die de sluier van het kenbare opzij kunnen schuiven. Om kennis te delen of krachten op te roepen.

Op een enkeling na, denk bijvoorbeeld aan medium Lisa Williams, zijn de paranormale resultaten van dit soort mensen indrukwekkend, maar niet verbijsterend. Groot was dan ook mijn opwinding toen ik op internet tweedehands een vrij onbekend boek vond met beschrijvingen van ‘door meer dan honderd wetenschappelijke instellingen en academies’ geteste mensen met bijna mythische psychische vermogens.

Dit boek, ‘China’s Super Psychics’ van chi gong meester en schrijver Paul Dong en Thomas E. Raffill, stelt op de flap dat er in China zo’n dertig ’super psychics’ zijn. Zij zouden in staat zijn tot het genezen van kanker en AIDS, het stoppen van rijdende auto’s, het lopen door muren, het veranderen van kleuren en moleculaire structuren en het verplaatsen voorwerpen op afstand.

Hun vermogens zijn volgens de schrijvers succesvol getest door onder meer het Beijing High Energy Physics Institute, het Institute of Aerospace Medico-Engineering, het National Defense Laboratory 507 en de Quinghua University.

Ze introduceren eerst Zhang Baosheng, bijgenaamd ‘de kleine god’. Deze man verplaatste eens een zak van vijftig kilo suiker door de muur van een loods. Dat was althans de waarneming van een onderzoeker van de Heilongjiang University en een collega van het Beijing Institute for Research in Chinese Medicine. En zo zou Baosheng nog meer mirakels op zijn naam hebben staan, zoals lopen door muren. Zijn verklaring hiervoor in 1982: ,,Jullie waren niet in staat om mij tegen te houden.”

Baosheng had in elk geval tot medio jaren negentig een enthousiaste groep volgelingen, onder meer onder beoefenaren van het toen in China erg populaire chi gong. Daarna kwam Baosheng onder vuur van sceptici als chi gong meester Sima Nan, lezen we op internet. Nan deed de wonderen van Baosheng af als goochelarij en gaf ook demonstraties van deze zogenoemde wonderen, ogenschijnlijk zonder verschil.

Een andere chi gong meester, Yan Xin, is minder omstreden. Hij bleek tijdens veelvuldig herhaalde wetenschappelijke testen steeds weer in staat tot bijzondere handelingen. Zo verhoogde hij tijdens een demonstratie op een Amerikaanse universiteit, voor het oog van vele toeschouwers, de weerstand van zijn lichaam zodat hij een hoge elektrische spanning kon weerstaan.

Ook wist hij door het sturen van energie op afstand, onder door Chinese wetenschappers vastgestelde omstandigheden, de moleculaire structuur van een kunstmatig kristal te veranderen. De verandering bleef acht dagen in stand. Tevens kon hij door het sturen van energie de radioactieve stof Americium 241 beïnvloeden.

Daarnaast heeft Yan Xin volgens de verhalen ‘duizenden’ genezen. Onder meer van kanker, breuken, reuma, traumatische verlamming, hartklachten en diabetes. Tijdens lezingen, waarbij hij chi uitstraalt naar het publiek, zou hij bijvoorbeeld mensen in rolstoelen weer hebben laten lopen.

Yan Xin stelt in het boek van Dong en Raffill: ,,Kanker in een vroeg stadium is net zo gemakkelijk te genezen als iemand die kou heeft gevat. Als de patiënt met mij werkt, kan ik kanker in een middel stadium terugbrengen en de verspreiding van kanker in een vergevorderd stadium beheersen.”

Dit soort psychische vermogens komt in rudimentaire vorm ook voor bij een groepje Chinese kinderen, aldus de schrijvers. Zo zijn er dertien jongens en zesentwintig meisjes van wie tussen 1979 en 1981 speciale krachten zouden zijn vastgesteld. Het gaat dan om door objecten, muren en mensen heen kijken, takjes breken op afstand, lezen via oren en vingertoppen, telescopisch zicht en het vermogen om bloemen uit de tuin in een vaas te plaatsen.

Eén meisje, Sun Liping, heeft schijnbaar het vermogen om een knop door aanraking van de steel in een minuut te laten uitgroeien tot een bloem. Een vermogen dat wordt gedeeld door Yao Zheng, een jongedame met meerdere gaven die regelmatig geconfronteerd wordt met mysterieuze brandgaten in haar kleding. Foto’s van de geopende bloemen en een demonstratie met getuigen staan in het boek.

Hoewel ze vaak voorkomen bij kinderen, verdwijnen dit soort bijzondere psychische gaven meestal bij het bereiken van de volwassenheid, aldus de schrijvers. Bij meisjes als ze gaan menstrueren. Een kleine groep mensen behoudt de chi-gerelateerde vermogens.

Wat is het geheim van hun wonderen en hoe gaat het nu met de mensen die in het boek uit 1997 worden beschreven? Het is me helaas niet gelukt om via de Amerikaanse uitgeverijen in contact te komen met de auteurs. Wel blijkt er een website te zijn van of over Yan Xin: http://www.yanxinqigong.net. E-mails naar diverse uitgeverijen en de site van Yan Xin bleven tot nu toe helaas onbeantwoord.

De Chinese wonderen zijn afhankelijk van een aantal randvoorwaarden, stellen Dong en Raffill in hun boek. Zo is het vermogen niet altijd op commando te raadplegen en is ook de stemming van de begaafde van invloed, net als twijfel of voorbehoud over het welslagen. Het verstand moet geconcentreerd zijn en de emoties onder controle; emoties kunnen het resultaat beïnvloeden.

Vaak worden de vermogens getraind, maar niet altijd. Baosheng was bijvoorbeeld geen chi gong meester en van de psychisch begaafde kinderen is niet beschreven dat ze deze eeuwenoude energetische kunst beoefenden toen hun vermogens op jonge leeftijd aan het licht kwamen. Psychische krachten kunnen bijvoorbeeld ook worden opgeroepen door hypnose, geloof, herstel na een ziekte of ongeluk, blootstelling aan een sterk energieveld en door honger.

In tachtig procent van de in het boek beschreven gevallen zijn de vermogens echter door chi gong getraind. Centraal hierbij is de omgang met yin en yang energie en het streven naar de eenwording van de mens met het hemelse. Hiervoor is stilheid vereist.

De chi gong oefeningen herstellen door de ingenomen posities de balans met de kosmos en zorgen voor een toename van chi. Deze chi kan vervolgens via de ogen, handen en vingers worden gebruikt om te genezen, denk ook aan het Japanse reiki, of om te verwonden, zoals in sommige vechtsporten gebeurt.

Door chi gong beoefening kunnen uiteindelijk de niet-zichtbare ogen, waar het boeddhisme en taoïsme over spreken, om beurten worden geopend, aldus Dong en Raffill. Het begint met een verbeteren van het zicht van het gewone oog, dan volgt de opening van het derde oog, goed voor remote viewing en het zien van visioenen.

Het wijsheidsoog laat ook textuur, heden, verleden en toekomst van objecten zien. Het dharma-oog heeft een hoge energie en kan zaken repareren of bijvoorbeeld een stalen draad doorsnijden met wilskracht. Het boeddha-oog tenslotte, licht het universum op, kan voorbij toekomst en verleden kijken en de gang van zaken en materie veranderen. Wanneer dat oog zo ontwikkeld is, dat het alles verlicht, wordt alles erdoor beïnvloed.

Het boek ‘China’s Super Psychics’ van Paul Dong en Thomas E. Raffill uit 1997 is niet meer leverbaar. De Duitse vertaling, ‘Indigo-Schulen: Trainingsmethoden für medial begabte Kinder’ is wel verkrijgbaar.

Yan Xin Qigong I

Yan Xin Qigong II

Yan Xin Qigong III

International Yan Xin Qigong Association (IYXQA)

The Highest Technology of All Technologies: The Yan Xin Secret

Comments Off

admin op 7 November 2013 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

In de resterende leegte danst het zonlicht

Voor mij begon het kiemen van overstijgend bewust zijn met denken over goed en slecht. De exacte les weet ik niet meer. Het was één van de eerste jaren op de middelbare school en we spraken over Hitler, voor velen de verpersoonlijking van het kwaad.

Ik had de euvele moed om te zeggen: “Ik kan me niet voorstellen dat die man alleen maar slecht was.” Er stak een storm van protest op, want dit was toch een uitgemaakte zaak?!

Ik discussieerde dat de vonken eraf sprongen, mijn hersens pijnigend om snel de juiste argumenten bij elkaar te zoeken en in stelling te brengen. Ik wist gerede twijfel te zaaien, en enkele medestanders te winnen, maar meer zat er niet in.

In mijn studententijd raakte ik gefascineerd door Nietzsche, met als gevolg dat ik na een tijd het kinderlijke ’slecht’ inwisselde voor het ‘kwaad’.

Nietzsche’s idee van een individuele, de moraal overstijgende ethiek sprak me aan – het waren mijn anti-autoritaire jaren.

Maar zo’n persoonlijke ethiek ontwikkelen vergt veel. Namelijk dat je zelf dag in, dag uit, jaar in, jaar uit je eigen rechter, aanklager en veroordeelde bent.

In die jaren begonnen ook mijn omzwervingen in de wereld van religie en spiritualiteit. Aanvankelijk vaak en later steeds minder getoetst aan het protestantse geloof waarin ik ben opgevoed.

Zonder rangorde kwam de informatie versnipperd naar me toe, vaak uit obscure bronnen en niet zelden voor een deel bestaand uit ’spiritueel’ geneuzel.

Inzicht werd moeizaam veroverd op de chaos, van boek tot boek en van artikel tot artikel; het was de pre-internet periode.

Geleidelijk begonnen de stromen van filosofie, theologie en esoterie naar elkaar toe te buigen. Toen de wateren weken, verhief zich mijn mens- en wereldbeeld als een eiland van gedachten, met innerlijk leven en zelfonderzoek als heersende religie.

Via meditatie in diverse gezelschappen en vormen - en door te leven! – ontdekte ik dat het overstijgen van goed en kwaad (en andere dichotomieën) ook op mijn eiland een rol speelt.

Zonder de nietzscheaanse wil tot macht, maar juist door de afwezigheid daarvan. Als er niemand meer in de spiegel te zien is, als er licht kiert tussen de gedachten en de driften. En de ander en het andere in zicht komen.

Voor mij heeft het ermee te maken dat je een ander zonder oordelen en met compassie durft te ontmoeten. Als dat gebeurt, kan er een verbinding ontstaan die het moment verguldt en vaak later zorgt voor nieuwe ervaringen. Al duurt het contact maar enkele seconden.

Absolute beelden, zoals over de slechtheid van Hitler of de goedheid van Boeddha, hebben we op mijn eiland al lang geleden in zee geworpen.

In de resterende leegte danst het zonlicht.

(Deze column is geschreven voor boeddhamagazine.nl, de foto is een fragment uit een werk van Jonathan Martin-DeMoor)

Comments Off

admin op 1 August 2013 in Ongewoon & Anders, Religie & Spiritueel

Jacqueline & Roos over BDSM

Als klein meisje had Jacqueline (41) al fantasieën waarin ze mensen martelde op een zelf ontworpen tafel. Later komt ze in aanraking met de wereld van BDSM, waar ze ook haar huidige man ontmoet. Die onderwerpt zich maar al te graag aan haar sadistische neigingen.

Ze zou de buurvrouw kunnen zijn van wie je een kopje suiker leent. Maar ze is ook de dominant die haar man vernedert wanneer ze samen spelen, bijvoorbeeld door de as van haar sigaret in zijn mond af te tippen terwijl ze met een vriendin belt. Of door naar bed te gaan met een andere man, terwijl hij beneden op haar wacht.

Jacqueline heeft al sinds haar jeugd sadistische en dominante neigingen. “Ik ben opgegroeid bij mijn vader in Frankrijk. Ik had een vrij normale jeugd met vriendjes en hechte vriendschappen. Op de middelbare school was ik een van de populaire meiden.”

Maar ze leest ook Markies de Sade (achttiende-eeuwse Franse schrijver van pornografische literatuur, van wiens naam de term ‘sadomasochisme’ is afgeleid, red.) en heeft stiekem haar eigen sadistische fantasieën. Al op haar elfde.

“Ik fantaseerde meestal dat ik iemand ontvoerde, die ik vervolgens martelde. Daarvoor had ik een marteltuig bedacht, een soort tafel. Vrij middeleeuws. Ik vond het wel erg verontrustend. In die periode waren de Tweede Wereldoorlog en de concentratiekampen nog veel meer aanwezig in de gedachten van mensen dan nu. De enige sadisten die ik kende, waren beulen uit Auschwitz-achtige situaties en dat vond ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk dat mensen anderen zoiets konden aandoen.

Maar toch heb je fantasieën die die kant op gaan. Dan krijg je een soort tweestrijd. Ben ik nou eigenlijk een soort SS-beul of een seriemoordenaar? Tijdens mijn pubertijd vroeg ik me vaak af wat nou het verschil was tussen mij en dat soort mensen. Dat was erg verwarrend. Tegelijk heb ik me gelukkig nooit een slecht mens gevoeld. Zelfs toen niet.”

Als jongvolwassene doet Jacqueline niets met haar sadistische fantasieën. Ze blijft wel zoeken naar antwoorden. “Ik ontdekte eindelijk het grote verschil: zij hebben geen geweten en ik wel. Het gaat er niet om wat iemand een kick geeft, maar op welke manier je doet wat je doet. Dat gaf mij rust en ruimte.”

Op haar twintigste komt Jacqueline, intussen bevallen van haar eerste kind, naar Nederland. Ze heeft een relatie in Zeeuws-Vlaanderen en krijgt nog twee kinderen. Dan verhuist ze naar Brabant, waar ze een andere man leert kennen. In die tijd komt internet op en besluit ze iets te gaan doen met haar sadistische fantasieën. Via internetfora en bijeenkomsten voor BDSM’ers ontmoet ze gelijkgestemden.

Het was heel erg thuiskomen. Voor mij was het een opluchting om te ontdekken dat het niet allemaal freaks waren, maar leuke, aimabele mensen met gevoel voor humor. Ik ben weggegaan bij mijn ex en op mijn eerste BDSM-feest kwam ik mijn huidige man tegen. In 2001 zijn we getrouwd.

Eigenlijk is het best wel opmerkelijk dat we een relatie met elkaar aangingen. Mijn man begon als dominant. Toen ik hem tegenkwam, was hij op zoek naar alles wat ik níét was: een onderdanige, kinderloze vrouw. Hij was een anglofiel en viel op blond. Ik ben een halve Française met donker haar. Toch was het liefde op het eerste gezicht. Heel romantisch.”

Hun relatie begon zonder BDSM, vertelt Jacqueline. “Maar al snel gaf hij aan dat hij het wel leuk zou vinden ‘als er af en toe dingetjes met hem zouden gebeuren’. Na een tijdje was het: ‘Misschien ben ik wel een switch.’

In de BDSM-wereld is een switch iemand die kan wisselen tussen de dominante en de onderdanige rol. Zelf zou ik dat niet kunnen, maar ik vond het prima. Weer later was het: ‘Misschien ben ik wel een sub.’ Dat is een afkorting van submissive, de Engelse term voor ‘onderdanig’. En uiteindelijk was het: ‘Ik ben gewoon Jacquelines slaaf.’

Mijn man en ik hebben wat wij een DS-relatie noemen. Dat betekent dat ik in het dagelijkse leven de baas ben. Je zou het kunnen omschrijven als een soort huwelijk uit de jaren vijftig, maar dan met een omgekeerd rolpatroon.

Het heeft niet alleen te maken met seks, het is een integraal onderdeel van ons leven. Sommige zaken in onze relatie zijn ook vrij traditioneel. Zo ben ik degene die altijd kookt. Hij werkt, ik ben braaf thuis. Al doet hij meer in het huishouden dan ik. Dat is zijn dienstbare kant. Ik ben in onze relatie weer degene die de besluiten neemt. Belangrijke besluiten, zoals bijvoorbeeld over geld en vakanties. Maar ook kleinere besluiten. Bijvoorbeeld of hij een biertje mag drinken. Dat vinden we allebei fijn.

Soms doe ik hem pijn. Ik ben tenslotte een sadiste. Sadisme heeft voor mij te maken met seksualiteit. Het is een voorkeur op seksueel en relationeel gebied die bij me past. Het staat los van rolpatronen en mijn opvoeding.

Dat ik mezelf een sadiste noem, betekent niet dat ik altijd en overal iedereen pijn wil doen. Ik vind het afschuwelijk als ik bijvoorbeeld iemand per ongeluk aanstoot bij de bushalte. Alleen onder de juiste omstandigheden vind ik het heel leuk om mensen pijn te doen. Belangrijk is dat de ander er ook een bepaald plezier aan beleeft. Dat het iemand is die ik graag mag en dat er wederzijdse instemming is. Als mijn man, al is hij mijn sub, hier niet mee zou instemmen, is er sprake van mishandeling. En dat is gewoon verkeerd.

Dat ik iemand graag mag, is heel belangrijk. Pijn op zich is niet het belangrijkst, het is een vorm om liefde te tonen. Als ik iemand pijn doe, binnen de BDSM-context, is dat een heel intiem, waardevol en liefdevol iets. Je doet het voor elkaars plezier, om intimiteit te beleven en om samen wat op te bouwen. Het is iets moois. Samen iets delen met een partner, samen iets beleven.

Buiten onze relatie gedraag ik me op een ‘normale’ manier. Ik heb niet het gevoel dat ik moet proberen om iedereen te overheersen. Dat ik de dominant van mijn man ben, betekent nog niet dat ik de dominant van iederéén ben. Op mijn werk, als commercieel medewerker binnendienst, kon ik heel meegaand zijn. Daar moest ik klanten zo goed mogelijk van dienst zijn. En als ik op een feestje een andere sub tegenkom, ben ik ook niet meteen de dominant van die sub.

Mijn man en ik zijn allebei blij met de relatievorm die we hebben gekozen, maar het is soms ook moeilijk. Een relatie is sowieso al ingewikkeld en zeker een relatie zoals de onze, in een maatschappij waarin partners over alle belangrijke besluiten zouden moeten onderhandelen. Bij ons is het anders, maar toch wil je de ander steunen en laten groeien zodat die zichzelf kan zijn. Dus je bent de hele tijd een weg aan het zoeken.

Het ene moment denk je: hoe creëer je een relatie waarin één persoon veel macht heeft? Op een ander moment denk je: dat is te ver doorgevoerd. Dan ga je weer een beetje terug. Je geeft samen vorm en inhoud aan een relatie waarin je je allebei gelukkig voelt. Ik denk eigenlijk dat wij een vrij normale relatie hebben, als je alles bij elkaar optelt.”

Roos (29) is lerares op een basisschool. Iemand die de touwtjes stevig in handen heeft. Thuis heeft ze echter een meester die haar de les voorschrijft. En soms gebeurt dat met harde hand. Roos vindt het heerlijk!

Ze voelt de ogen in haar rug prikken. Gesprekken vallen stil als ze binnenkomt of er wordt stiekem wat lacherig gedaan. Roos en haar vriend Tim hebben een zogenoemde DS-relatie, waarbij DS een afkorting is van het Engelse dominance-submission. Zij is onderdanig, hij dominant. Dat maakt haar ‘raar’ in het dorp waar ze woont: een gehucht waar iedereen elkaar kent en nieuwkomers vorsend worden aangestaard vanachter glanzende ruiten.

“Het is hier heel conservatief, ouderwets en bekrompen”, vertelt Roos. “Je moet hier vooral niet opvallen. Gewoon netjes elke week je gras maaien, je tuintje schoffelen en de ramen netjes zemen.”

Veel mensen in het dorp hebben volgens Roos een ‘Jambers’-beeld van BDSM: “Donkere kelders, veel leer en veel slaan, het liefst tot bloedens toe. En het is vooral niet leuk. SM is veel pijn, angst en narigheid.” De werkelijkheid is veel genuanceerder, maar die eerste indruk blijft bij veel mensen hangen. Ook bij haar vader.

“Op een dag belde hij me woedend op. Hij zei dat hij wel wist wat ik in het weekend allemaal uitspookte. Dat hij zich doodschaamde voor mij. Dat mijn moeder zich zou omdraaien in haar graf en dat het maar eens afgelopen moest zijn met die achterlijkheid. Dat ik een nette vrouw moest worden.

Als hij nu bezorgd was geweest om mij, of boos op Tim, dan had ik het nog begrepen. Wel lief gevonden misschien. Maar hij was bang dat wij er last van zouden krijgen en dat onze dochter er later mee gepest zou worden. Hij was boos omdat we hem dit aandeden.”

Het stel wilde eerst vertrekken naar de Randstad, waar Tim een appartement had, maar uiteindelijk werd het uitgepraat met Roos’ vader en is Tim bij haar ingetrokken.

“Tim heeft hem de waarheid gezegd: ‘Als je je kleinkind wilt leren kennen, dan ben je van harte welkom, maar dit zijn wij. Accepteer het of niet. Het is heel simpel.’ Mijn vader heeft later z’n excuses aangeboden, maar het contact blijft moeizaam.”

Roos had haar eerste ervaringen met BDSM in haar jeugd. “Van mijn zeventiende tot mijn negentiende had ik een relatie met een jongen. We probeerden heel veel uit in bed. Ik merkte dat ik opgewonden raakte wanneer hij me overheerste, als ik hem de touwtjes in handen gaf. Ik genoot ervan om niet te weten wat er ging gebeuren. Jaren later, in 2006, kwam ik op internet op een BDSM-site terecht en dat voelde meteen als thuiskomen.

Het ter beschikking stellen van mijn lichaam geeft me een enorme kick. Ik ben zeker geen slavin of onderdanig persoon in het dagelijkse leven en ook gelijkwaardige seks vind ik leuk. Maar in de handen van de juiste man, die op dezelfde manier omgaat met BDSM als ik, kan ik een onderdanig sletje zijn. Maar als je denkt dat ik me moet gedragen als een soort lager wezen dat elk bevel klakkeloos opvolgt, dan heb je het mis. Dan tref je de überbitch in mij.”

Op de basisschool was Roos een dominant type. “Ik was een kattenkop, wilde graag m’n zin krijgen. Ik kon goed leren en had veel speelkameraadjes. Echte vrienden kreeg ik pas later, toen ik lid werd van een jeugdvereniging, een soort scouting. Stoer en gezellig, maar ook heel gedisciplineerd.”

Na de middelbare school ging ze naar de pabo. “In een dorpje in de buurt heb ik zes jaar groep zeven gedaan. Heel veel geleerd. Ontzettend op m’n bek gegaan in het begin. Ik heb zware jaren gehad. Heel moeilijk publiek. Ouders die het moeilijk vonden om de fouten van hun kinderen te zien. En het was geen veilig team. Je werd niet gedragen door de leiding.

Op een gegeven moment heb ik hulp gevraagd. Ik kreeg die groep gewoon niet onder de duim. Daar is niets mee gebeurd en twee jaar later zat ik thuis met een burn-out. Tim en ik hadden toen net een relatie, ik was onverwacht zwanger en het groeide me allemaal boven het hoofd. Toen heeft Tim me ziek gemeld. Ik ben tot de bevalling thuisgebleven. Sinds begin vorig jaar sta ik weer voor de klas op een andere school. Ik werk met plezier vier dagen in de week en heb nu veel meer mogelijkheden om door te groeien.”

In hun vrije tijd gaan Roos en Tim veel uit in het BDSM-wereldje. “Dat vormt een groot deel van ons sociale leven. Met mijn oude ‘vanille’-vrienden (seks waarbij BDSM geen rol speelt en mensen die niet actief zijn in BDSM worden vaak met de term ‘vanille’ aangeduid, red.) ga ik bijna niet meer om. Dat komt ook omdat ik een kind heb en zij niet. Dan heb je een ander leven.”

Tijdens die BDSM-bijeenkomsten wordt er normale kleding gedragen. “Het is echt niet zo dat iedereen naakt is en in elkaar gemept wordt. Het is gewoon gezellig. Spelletjes doen en wat drinken en praten. Je kunt er jezelf zijn. Als we samen met andere stellen met een DS-relatie zijn, vinden wij het niet raar als een vrouw aan haar partner vraagt of ze buiten een sigaret mag gaan roken of naar de wc mag. Dat kunnen afspraken zijn tussen mensen.

Wanneer iemand het lekker vindt om even bij z’n dominant op de grond of op schoot te zitten, wordt dat als normaal gezien. Dat doe je niet zo snel bij vanillevrienden. In de BDSM-wereld is het één grote knuffel-hippiezooi, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Vorige week hadden we een van de meest epische bijeenkomsten in tijden. We hebben stoofpotten gegeten. Het was een wedstrijdje ‘wie maakt de lekkerste stoofpot’ en dat met allemaal kinksters.

Daarnaast zijn er de speelfeestjes. Op zulke feestjes neem je je eigen spullen mee, zoals zwepen, dildo’s, riemen, vibrators en touwen. Meestal is er een cafégedeelte en daarnaast zijn er speelkamers met attributen die je kunt gebruiken.

Op die feesten wordt niet veel gesekst. Je ziet wat orale en manuele seks, weinig echte seks. Zelf vind ik het leuk om op feesten eens met een andreaskruis of een bondagebok te spelen, omdat we die thuis niet hebben. Dat zijn houten installaties waaraan een sub wordt vastgemaakt om seksueel te worden misbruikt en anderszins te worden vernederd.

Er zijn twee soorten feesten. Op een ‘level één’-feest speelt een dominant alleen met z’n eigen sub. Niemand zal dan ongevraagd aan je zitten of zich met je spel bemoeien. Dat gaat in tegen de etiquette. Op een ‘level twee’-feest kan het zo zijn dat je als sub met alle dominanten moet spelen, ook met mensen met wie je dat eigenlijk liever niet zou doen.

De avond voor zo’n ‘level twee’-feest zegt Tim bijvoorbeeld tegen me: ‘Ik wil dat je me trots maakt.’ Dat probeer ik dan te doen. Als op zo’n feest een dominant wil dat ik voor hem op de knieën ga, doe ik dat voor Tim. Omdat hij dat wil. Hij is mijn meester.

Mijn kick is afhankelijk van de mate waarin ik de macht over mijn lichaam overdraag. Tim kan ook de macht over mijn geest krijgen, maar daar moet hij meer moeite voor doen. Hij moet dan proberen om in mijn hoofd te gaan zitten. Dat kan met pijn, maar ook door wekenlang hints te geven over wat hij met me gaat doen. Ik denk dan: ik wil het niet, het mag niet, het kan niet, het is niet netjes. Maar het is ook heel opwindend. Ik wil het stiekem tóch.”

Roos, die sinds kort haar dominante gevoelens verkent, voelt zich helemaal thuis in de beslotenheid van de BDSM-wereld. Mede doordat vrouwen elkaar niet als concurrenten behandelen, zoals in de vanillewereld.

En het is heel veilig. Op een gemiddeld BDSM-feest voel ik me veel meer op m’n gemak dan op een vanillefeest. Het is openbaar en er lopen spelleiders rond. Verder is het een ongeschreven regel dat je niet drinkt als er nog gespeeld moet worden.

Bovenal is het een warme, hechte gemeenschap. De vriendschappen zijn er vaak intiemer en dieper. Je praat over hoe je je seksualiteit beleeft en hoe je je voelt. Soms bespreek je zelfs je fantasieën. Dat schept een band. En we helpen elkaar, bijvoorbeeld met verhuizen.

Zeker, op internet wordt heel wat gediscussieerd. Een aantal mensen vindt zichzelf geweldig en blaast hoog van de toren. Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat. Een dominant mag dit niet en een sub moet dat, enzovoorts. Ach, wat dat betreft is het net een dorp!”

Deze artikelen verschenen begin 2013 als BDSM-special in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 17 June 2013 in Ongewoon & Anders

Hemels labyrint


Hemels labyrint

Onder sterrengloed gevonden,
schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,
die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,
dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken, [zijpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,
onverlet naar de oorsprong gaat.

[Laat uw hart spreken,] [hoofdpad]
gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,
rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,
voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,
de natuur in zuivere vormen raakt.

Beschouw de daden,
die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,
onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,
zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen
en wees die wordt verwacht.

U ziet, van mij rest louter stam,
voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant
en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het gedicht de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Chris Jansen: ‘Onderhandelen hoort bij wielrennen’

Het recente gedoe over doping is overdreven, onderhandelen hoort bij wielrennen en de bejubelde voorbereiding van Sky is niet veel beter dan die van pak ‘m beet de Raboploeg. Een interview met Chris Jansen uit Limbricht, huisarts in Sittard en lid van de medische staf van sprintteam Argos-Shimano.

Hoe ben je bij Argos-Shimano gekomen en wat is je rol in het team?

‘Ik houd van wielrennen. In Limburg heb ik tien jaar lang wedstrijden gefietst. “Elite” gereden; dan rij je de Ronde van Limburg, de Hel van Mergelland. Twee keer heb ik het Profcriterium Maastricht meegereden. Ik was geen topwielrenner, maar in deze regio kon ik me goed laten zien.

Huisarts ben ik sinds 2000, vanaf 2010 binnen Huisartsenpraktijk SilverStaete in Hoogveld. Vanwege mijn passie voor wielrennen ben ik op een gegeven moment sportkeuringen gaan doen. Dat heb ik eerst vijf jaar gedaan voor Sportmedisch Adviescentrum Maastricht en sinds 2006 doe ik dat vanuit een eigen praktijk aan huis. Ik begeleid individuele sporters, voornamelijk wedstrijdrenners, onder meer met inspanningstesten en advies over trainingen. Zowel ervaren renners als beginners.

Toen Skil-Shimano voor het eerst meedeed aan de Tour de France, in 2009, met een wildcard, had het team een arts nodig voor de Tour van Quinghai Lake in China – een heel grote wedstrijd. Ik ben meegegaan en sinds 2010 ben ik, voor tussen de dertig en zestig dagen per jaar, één van de vier teamartsen.

Ik controleer de renners twee keer per dag. Wat vaak speelt, zijn infectieziektes, met name aan de luchtwegen en de darmen. Bij piekbelastingen neemt de weerstand tijdelijk af, daarnaast komen de renners in contact met heel veel mensen. Overbelasting is ook een veelvoorkomend probleem; dat mensen meer doen dan ze aankunnen.’

In 2013 zal jullie team overgaan naar de UCI World Tour, de “Champions League” van het wielrennen. Zal dat de ploeg, die onder meer bekend is door het uitgesproken anti-dopingbeleid, veranderen?

‘Het betekent meer publiciteit, meer sponsoring, meer budget en er komen meer renners bij; meer personeel. Maar verder verandert er niet veel. De filosofie van het team zal blijven. We zijn hier langzaam naartoe gegroeid. En doordat we zo sterk anti-doping zijn, hebben we veel sympathie gewekt bij de World Tour-bazen. We hebben er ook een stuk over op onze site staan.

Bij de meeste teams zijn de anti-dopingstrategieën niet echt geloofwaardig als je er wat dieper op ingaat, maar in ons team is dat overduidelijk.

Het is mijn geluk dat ik in dit team zit; voor hetzelfde geld rol je erin bij een ander team waar wel van alles aan de hand is en dan ga je daarin mee. Word je meegesleept; dat gaat van klein tot steeds erger.

Onze manager is er ook fel tegen: als hij ook maar iets ruikt, vlieg je eruit. Bovendien: we zijn een sprintploeg en voor een sprintploeg heeft doping geen meerwaarde. Sprinten, dat kun je of je kunt het niet. Doping heeft voornamelijk te maken met bergwedstrijden en lange afstanden; etappes waarbij je lang hoge vermogens moet trappen.

Korte sprintjes bergop, dat heeft ook niet veel met doping te maken, maar een Alp d’Huez oprijden met teams die de Tour de France willen winnen, daarbij kan doping enorm veel verschil uitmaken, tegenwoordig.

Wij hebben ook niet de ambitie om dat soort renners aan te trekken, want dan begeef je je op heel gevaarlijk terrein. Zoals gezegd: ons speerpunt is de sprint, waar je wat betreft doping het minste risico loopt.’

Wat doet een sprintteam, bijvoorbeeld in een Tour de France?

‘Je aast op de sprintetappes. In de Tour heb je zes sprints, echte massaspurts, waarbij je een vlakke aankomst hebt en de etappe zo is, dat de sprinters overleven tot het laatst. Met twintig topsprinters sprint je dan tegen elkaar.

Het hele team werkt voor de sprinter. Iedere jongen krijgt een opdracht mee en in “een treintje” wordt de sprinter naar de finish geloodst. Die hoeft geen trap te veel te doen. Hij wordt continue naar voren gebracht, krijgt eten en drinken; die hoeft gewoon niets te doen. Zodat hij maar kan overleven en zo ver mogelijk komt.

Dit jaar hadden we de pech dat onze eerste sprinter, Marcel Kittel, van te voren ziek is geworden; buikgriep. Daarom heeft Tom Veelers het overgenomen. Verder hebben we nog John Degenkolb, die is wat completer, maar niet zo krachtig als Marcel.

Marcel is een jongen, die kan alleen maar sprinten. Vorig jaar waren we bijvoorbeeld in de Ronde van Polen. Zijn er zes etappes, wint hij de eerste drie, de vierde wint hij niet, die was wat heuvelachtig, de vijfde was een zware bergetappe, en de zesde was weer een sprint.

Hij lost in de bergetappe al na zo’n tien kilometer. Eén mannetje moet terugkomen om hem naar voren te rijden en hij zegt: “Nee, rij voor jezelf”. Moet er nog een mannetje terugkomen. En met z’n drieën, plus de sprinter van de Rabobank, hebben ze de hele dag alleen gereden en komen op vijfenvijftig minuten achterstand binnen, net binnen de tijd van achtenvijftig minuten. Marcel wilde het eigenlijk niet, maar dat was de opdracht van het team.

De laatste etappe wint hij dan weer, wat de band tussen de jongens sterk vergroot, gezien ze een dag eerder alles moesten doen om hem op tijd binnen te krijgen.

Bij een sprintetappe kan niemand wegrijden. De teams die willen sprinten, moeten de controle van die koers hebben. Die rijden de hele dag op kop. Als jij twee keer een sprintetappe gewonnen hebt, moet jij maar zorgen dat een eventueel groepje wegrijders niet te ver komt. Dat is gewoon afge… Niet afgesproken, maar als het peloton gaat rijden, wint dat groepje nooit.

Als een groepje aankomt, is dat of omdat er ruzie is in het peloton; dat ze niet willen samenwerken, of ze zijn extreem sterk. Als er echt iemand alleen aankomt of er komen er drie aan, daar moet je echt respect voor hebben, want dat is eigenlijk niet mogelijk.

Ook in Polen: Roy Kurvers rijdt een etappe mee vooruit met drie man. Toen zat HTC nog in het peloton. En die ploeg wilde sprinten met André Greipel, die controleerde de koers, en er was nog één premiespurt op tien kilometer voor de finish.

Toen is mijn ploegleider met die van HTC gaan onderhandelen of ze die nog mochten hebben; of ze zouden willen wachten tot die premiespurt, want als ze zouden gaan rijden, is het gat zo dicht. Op televisie zie je dat en je denkt: Oh, misschien halen die het en misschien ook niet – maar die halen dat natuurlijk nooit.’

Dat doet me denken aan Mark Cavendish die niet aan bod kwam tijdens “zijn” Olympische Spelen. Is het maken van zulke afspraken niet onsportief?

‘Het is een spel. Het is in het wielrennen niet zo dat de sterkste altijd wint. Die wint misschien maar één keer per jaar. Die wedstrijd in London was zo moeilijk te controleren, ook doordat de belangen van de sponsor- en de landenteams door elkaar liepen, dat er gewoon een groep wegbleef. Er zaten heel goede renners in die langzame, voorste groep.

Uiteindelijk wint Aleksandr Vinokoerov voor Rigoberto Urán. Dat was apart, want in maart was ik bij de Ronde van Catalonië. Daar won Urán de vierde etappe in een sprint met dertig man. En Vinokoerov - die kan niet sprinten - wint dan in London hahaha. Ik zag Urán daarna en hij was ook blij. Ik denk: Die heeft gewoon honderdduizend euro gekregen of zo. Dat is wielrennen; er is van alles mogelijk.’

Hoe werkt het onderhandelen?

‘Onderhandelen is wanneer je met twee man weg bent en je denkt: Van hem kan ik nooit winnen, misschien kan ik hem omkopen. Dat is inherent aan wielrennen. Maar daar moet je maar niet teveel over vertellen, want dan gaat de geloofwaardigheid… Maar in het wielrennen is dat gewoon normaal!

Soms verkoop je, maar dan probeer je alsnog te winnen. Dus dan zeg je: “Ja, ik doe het wel voor zoveel” en dan denk je: Ik probeer toch te sprinten als ik op winst zit. Er zijn ook veel vetes in het peloton doordat er afspraken zijn gemaakt die op het moment suprême worden verbroken. Zo ontstaan enorme ruzies en wordt er ook heel veel over doping verteld, want je wilt je die ander… – met iedereen heb je wel wat gehad.’

Twee mannen in de Tour, vlak voor de finish. De zwakste van de twee wint doordat de sterkste op het laatst zo ongeveer ophoudt met trappen en over z’n schouder blijft kijken. Ik denk dan: die hebben een afspraak gemaakt.

‘Dat weet je nooit. Er zijn zo veel belangen die een rol kunnen spelen. Het kan individueel zijn afgesproken of als team zijn, al gebeurt dat laatste niet vaak. Binnen sprintetappes kun je dit verhaal overigens doorstrepen, want je kunt een sprint niet faken. Wij hebben er dan ook bijna niet mee te maken.

In een kopgroep zijn enorme belangen. Als een geletruidrager weg is met iemand die zevenenzeventigste staat, wint die zevenenzeventigste. Die zegt: “Ik rijd me te pleuris om jou hier weg te krijgen met je gele trui, en je bent helemaal niet van mijn ploeg, maar dan mag ik winnen.” Dat zijn ook afspraken, maar dan zonder dat er geld aan te pas komt. Die gele trui doet dat dan, omdat hij die jongen gebruikt heeft. Of het is bijvoorbeeld je beste vriend.

Kijk, winnen is heel belangrijk in het wielrennen. Er zijn zo veel wielrenners en er zijn maar zo weinig wielrenners die winnen, dus daar doe je heel en heel veel voor. Maar het dopinggebruik wordt schromelijk overdreven.

Als je ziet wat Fränk Schleck nu gebruikt heeft, dat is zo spannend niet. Alberto Contador met z’n clenbuterol, dat zijn dingen, daar word je geen tourwinnaar van, echt niet. Als ik jou daarmee vol zou spuiten, dan kun je het peloton één seconde volgen en dan word je gelost.

Iedereen denkt: Doordat hij gebruikt zal hij wel zo goed zijn. Maar die jongens stikken van het talent. Die hebben alle Jeugd WK’s gewonnen. Ze horen gewoon bij de besten van de wereld. En het kan ook zonder doping, wij als ploeg bewijzen dat.’

Denk je dat de cultuur in het wielrennen wat betreft doping en onderhandelen ooit zal veranderen?

‘Qua doping verandert het heel erg doordat er steeds strengere controles zijn, zodat het steeds moeilijker wordt om te gebruiken. Ik denk ook dat het nog nooit zo schoon is geweest als in deze periode.’

Het valt me op dat diverse renners de laatste tijd anderen publiekelijk veroordelen als die gepakt zijn op dopinggebruik.

‘Ja, dat is nog nooit geweest. Maar qua afspraken maken, dat valt niet te veranderen. Dat is gewoon een eigenschap van de sport. Binnen de sport wordt het ook niet als negatief gezien.

Zo is doping ook een hele tijd niet als negatief gezien door de renners. Voor de buitenwereld was het de boel bezeiken, maar voor de renners was dat anders. Lange tijd was het zo: als iemand de Tour won, wilde iedereen weten waarop. Zo van: dat moet ik ook hebben.

In de tijd van Joop Zoetemelk en Eddie Merckx zijn de dopingcontroles ingevoerd. Daar heeft het hele peloton destijds nog tegen geprotesteerd. Toen hebben ze gestaakt omdat er dopingcontroles waren – dan weet je genoeg. Het was zo eigen aan de sport.

Ik ben er trouwens van overtuigd dat het ook in andere sporten speelt, alleen horen we daar minder over omdat bij wielrennen veel meer aan de hand is dan alleen een tijd rijden. Bij verhalen over doping denkt degene die het overkomt: Wie heeft me dat geflikt! Wat die?! – Nou, dan heb je de mooiste uitspraken die je kunt krijgen. En dat vinden de mensen mooi.’

Het drama.

‘Bij hardlopen en schaatsen gaat het om het neerzetten van een tijd en er komt weinig emotie bij kijken, behalve als een schaatser eens naar de verkeerde baan wisselt. Dat wordt dan heel erg uitvergroot. Bij een gewone koers gebeurt zoiets misschien wel vijfentwintig keer; dat er fouten worden gemaakt. Dat is ook de aantrekkingskracht van het wielrennen; het mysterieuze dat je als toeschouwer zelf kunt invullen.’

Aan de andere kant is het voor de renners en de mensen er omheen, zoals jij, ook gewoon een baan.

‘Natuurlijk. En ik vind het heel prettig om voor Argos-Shimano te werken, ook omdat er weinig hiërarchie is in tegenstelling tot de ouderwetse, grote ploegen. Daar heb je echt een baas, dan komen de ploegleiders en dan de mensen die al het werk doen.

Zeker in het begin deed iedereen bij ons alles. Ook renners, dat waren niet van die grootheden die iedereen terroriseerden. In grote ploegen heb je dat. Denk aan Phillipe Gilbert, Fabian Cancellara of de gebroeders Schleck.

Wat onze manager Iwan Spekebrink belangrijk vindt, is dat de renners onderling goed kunnen communiceren. In de functioneringsgesprekken worden we daar ook op gewezen. Bij andere teams gaat het alleen om prestaties.

We zijn ook het enige team met een goede trainer die de jongens dagelijks aanstuurt en voorbereidt met trainingen. Bij Vacansoleil bijvoorbeeld, is geen trainer. Je bent daar als een zzp’er in het team en je zoekt je eigen mensen voor advies en training.

Kijk, je komt natuurlijk niet vanuit het niets in een World Tour-team. Vanuit de amateurs of de junioren bouw je een kringetje om je heen en dat laat je niet zomaar vallen. Tenzij het heel duidelijk en transparant is en goed aanvoelt – onze hoofdtrainer gaat trouwens in 2013 naar de Rabobank, die is weggekocht.’

Als het allemaal zo losjes is geregeld, begrijp ik ook waarom ze in de wielerwereld met grote ogen hebben gekeken naar het Sky-team.

‘Daar wordt over gedaan of het zo spectaculair, wetenschappelijk begeleid wordt, maar dat is niet zo heel veel anders dan bij andere teams. Robert Gesink van de Rabobank heeft geen andere begeleiding gehad dan Bradley Wiggins. Ik denk zelfs dat we het wielrennen bij Argos-Shimano wetenschappelijker benaderen dan team Sky. Maar ja, één journalist begint dat te roepen en iedereen roept hem na.’

Wat is er dan zo bijzonder aan Sky waardoor het team zoveel wint?

‘Het zijn gewoon heel sterke renners, en die renners doen iets voor elkaar. Dat team functioneert gewoon goed. Je hebt ook teams waar renners niet voor elkaar rijden, nou dat wordt dus helemaal niks. BMC, de ploeg van Cadel Evans, heeft niet zulke heel mooie resultaten dit jaar, maar heeft wel de sterkste renners. En ze zeggen wel: “Chris Froome moet voor zichzelf gaan”, maar hij rijdt wel Bradley Wiggins in het geel.

En het ziet er bij Sky allemaal gelikt uit. Wielrennen is een sport waarbij je gezien moet worden. Als je daar aankomt met ongeschoren benen en een oude Volkswagenbus, hoor je er niet bij. En Sky heeft gewoon het beste, die rijdt bijvoorbeeld met Jaguars in de koers – Wie rijdt er nou met Jaguars in de koers?!

Sky heeft een bus met de beste apparatuur, een echte hightechbus. Daarin gebeurt hetzelfde als in onze bus, maar het ziet er spectaculairder uit. En dat is wel de manier om je bedrijf in de wereld te zetten.

Wij hebben iets dergelijks gedaan. Tussen het vertrek van Skil en de komst Argos Oil als sponsor zat vier maanden leegte. Dat was het 1t4i-project. De radio- en tv-commentatoren noemde ons “project” omdat ze de naam niet konden uitspreken hahaha. Het was allemaal om aandacht te trekken en potentiële sponsors te laten weten dat wij heel anders werken dan de bestaande teams in de wielrennerij, onder meer door het groepsproces te versterken en zo beter te presteren.’

(Dit artikel is in augustus 2012 geschreven voor Hét WijkKrantje.)

Comments Off

admin op 14 December 2012 in Ongewoon & Anders

Koen, Georgette & de kunst van het koffiedrinken

Tegenover bestierde zijn betovergrootvader een kleine schoenmakerij die later uitgroeide tot de succesvolle keten Durlinger schoenenzaken. Koen van Beek (34) hoopt op een vergelijkbare expansie met zijn nieuwe koffiehuis aan de Markt in Sittard. In november gaat Coffee Mundo espresso & brew bar open, met zijn charmante vrouw Georgette van Geleijnen (32) als barista. Gelijktijdig introduceert het ondernemende koppel een koffielijn voor particulieren.

Het concept en de ontwikkeling van Coffee Mundo doen denken aan het in 1971 in Seattle opgerichte Starbucks. Deze formule, gericht op kwaliteit, beleving en gemeenschap, begon met de verkoop van bonen. Later kwamen daar de koffiehuizen bij, die tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten populair zijn.

Koen en Georgette volgen een vergelijkbaar traject. Koen startte in 2006 een eigen lijn met koffie voor de horeca en het mkb. Met de opening van het eerste koffiehuis en de introductie van een lijn voor de particuliere markt is de tweede fase bereikt. Als het meezit, volgen nog vele koffiehuizen in middelgrote steden in de Euregio, in eigen beheer of als franchiseformule.

De versgebrande koffie wordt in het koffiehuis geserveerd of kan worden meegenomen en is daarnaast via internet te koop. Op termijn is ook verkoop via geselecteerde retailers voorzien. Coffee Mundo telt op dit moment elf soorten zorgvuldig geselecteerde arabica bonen uit de drie belangrijkste koffieregio’s ter wereld. ‘Wij bieden een selectie van ’s werelds beste koffiesoorten’, zegt Koen.

Voor hij werd gegrepen door het zwarte goud, deed hij in Zuid-Amerika en Zuid-Europa commerciële ervaring op als verkoper van onderdelen voor persluchtcompressoren en later in Noord-Afrika en het Midden-Oosten in de sales van natuurlijke smaakstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie.

Dat verschafte de toen pas afgestudeerde Heao’er een mondiaal netwerk en onschatbare ervaring in internationaal zakendoen. ‘Omstreeks 2004 begon de economische opmars van Brazilië en werd ik door mensen daar gevraagd of ik spullen naar Europa wilde exporteren. Dat heb ik niet gedaan, maar het idee sprak me aan. Brazilië is het grootste koffieland ter wereld en de koopkracht is intussen zo toegenomen dat veel mensen Braziliaanse koffie kunnen kopen; voorheen was die uitsluitend voor de export.’

Het plan om producten uit de rest van de wereld naar Nederland te halen, werd concreter na zijn laatste baan bij een internationaal smakenhuis, een zogenoemd flavour house. Koen leerde er de basis van het proeven. Zo kon hij de wensen van zijn klanten beter vertalen naar de smaakdeskundigen.

Hij stuurde er een netwerk aan van verkoopkantoren in Iran, Jordanië, Tunesië en Dubai, maar voelde hij zich in het Midden-Oosten minder thuis dan bijvoorbeeld in Zuid-Amerika. ‘In Zuid-Amerika zijn mensen al emotioneel als ze over hun kinderen beginnen en de Arabische wereld heeft een veel meer gesloten cultuur. Daardoor heb je een heel ander contact met mensen.’ Toen hij in Algerije met gevaar voor ontvoering door het land reisde, vooraf moest hij de ambassade inlichten en zich achteraf weer melden, was de maat vol.

Georgette, verkoper van KNO-producten aan ziekenhuizen, steunde hem dan ook van harte toen hij zes jaar geleden besloot een eigen onderneming op te zetten in zijn vorige werkgebied. Koen koos voor koffie. Na een grondige oriëntatie ontwikkelde hij een eigen koffielijn voor de horeca en het mkb, vanaf november dit jaar aangevuld met het eerste koffiehuis en een koffielijn voor particulieren.

Een van de grootste uitdagingen is om de Nederlanders koffie te leren drinken. Want terwijl we hier sloten koffie naar binnen gieten, en cappuccino, espresso en latte gemeengoed zijn, is in ons land nog veel te winnen. De apparaten met pads en kuipjes hebben al tot “enige bewustwording geleid”, maar de koffiecultuur staat hier nog in de kinderschoenen, aldus Koen, die net als Georgette is opgeleid door wereldberoemde barista’s.

We weten intussen allemaal van de twee soorten bonen, de arabica en de robusta, maar dat is niet genoeg. ‘Er zijn goede robusta’s en slechte arabica bonen. In Italië, een echt koffieland, werken ze veel met robusta’s omdat het land vroeger armer was. In het rijke westen hadden we toen al arabica bonen. Naast de soort bonen, zijn de afkomst en de bereidingswijze van de koffie minstens zo belangrijk voor de smaak, de romigheid, het volume en de afdronk.

Hier wordt espresso bijvoorbeeld gezien als zware koffie waar je hartkloppingen van krijgt, maar dat ligt aan de bereiding en de gebruikte bonen, zegt Koen. ‘In Italië heeft een man me ooit gezegd: “Als je je hele leven espresso drinkt, krijg je nooit een hartaanval”. En dat ben ik nooit vergeten.’

Ter verduidelijking krijg ik een verse espresso van Braziliaanse bonen voorgezet, uiteraard van één van de elf smaken van Coffee Mundo. De espresso is vol van smaak, zonder wrang te zijn, krachtig maar toch zacht, en heerlijk romig, tot hij na de afdronk in korte tijd uiteen valt. Niet te vergelijken met wat hier vaak onder de naam espresso wordt verkocht.

Ook op het gebied van “gewone koffie” willen de Sittardse barista’s hun klanten met plezier inwijden in de diepere geheimen van de koffiewereld. De Nederlandse koffie is vaak een “lungo”, gemaakt door een espressomachine te lang te laten doorlopen, legt Koen uit. Hij trekt een vies gezicht. ‘Zo komen ook de reststoffen in de koffie. Wij bieden “coffee americano”: aan heet water voegen we een espresso toe. Zo houd je de pure, volle smaak.’

De “echt grote jongens” op koffiegebied hebben volgens hem te lang te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit. Een term als “masterblenders” zal daar weinig aan veranderen. Volgens Koen zijn eerder zo succesvolle machines voor capsules en pads dan ook op hun retour. Mensen willen kwaliteit, ook in de horeca.

‘Tegenwoordig geven klanten op een terras een kop koffie terug als die niet lekker is. Als je meer dan twee euro betaalt voor een koffie, zeker nu het financieel niet goed gaat, wil je dat het lekker is. Vroeger had je van die hoge stalen cylinders waar de koffie soms al uren in stond te pruttelen. Iedereen vond dat normaal, maar die tijd is gelukkig voorbij.’

Coffee Mundo brandt kleine hoeveelheden bonen die gelijk worden verpakt. Zo blijft het aroma behouden. De verpakkingen zijn van kunststof en er is geen aluminium in verwerkt. ‘Aluminium wordt gemaakt van bauxiet en de bauxietwinning is één van de meest vervuilende industriën ter wereld.’ Daar wil Coffee Mundo niet aan meedoen, vandaar dat honderd procent kunststof zakjes worden gebruikt.

Het bedrijf wil zo duurzaam mogelijk werken, vertelt Koen. En dat is volgens hem geen window dressing. Hoe zit het dan met de arbeidsomstandigheden en verdiensten van de koffieboeren van wie het stel de koffie via tussenhandelaren betrekt?

‘Veel van onze koffiesoorten hebben een keurmerk, zoals FairTrade / Max Havelaar, EKO en Rainforest Alliance. Sommige merken richten zich op de sociale omstandigheden, andere op de belasting van het milieu via afvalstoffen.

Het liefst wil ik bereiken dat “onze” koffieboeren later een onafhankelijke handelspositie krijgen en dat wij klanten kunnen laten zien welke mensen onze koffie produceren, hoe dat gaat en wat zij er aan overhouden. Dat je bijvoorbeeld ziet dat een koffieboer na een jaar een nieuwe auto heeft kunnen kopen. Door de verhoudingen ter plaatse is dat nu nog niet mogelijk.’

Het eerste koffiehuis aan de Sittardse markt zal het duurzame streven weerspiegelen. De inrichting wordt “vintage”, dat wil zeggen: met gebruikte materialen. In dit geval staal, steen en hout. ‘Je kunt er zitten aan een lange leestafel en de krant lezen en er is ook een “sta-bar”, naar Italiaans gebruik.

Bij hun koffie krijgen mensen gebak. In Sittard is dat vlaai of een “brownie”. In Duitsland of België zal dat lokaal gebak zijn. Altijd vers en van hoge kwaliteit om de koffiebeleving te versterken.’

Na Sittard moeten steden als Roermond, Eindhoven, Aken, Keulen en Hasselt aan de wereldkoffies van Coffee Mundo. ‘In drie jaar drie nieuwe zaken, dat is ons streven. Veel mensen zeggen dat het wel eens veel sneller zou kunnen gaan.’ Maar Koen en Georgette laten zich niet gek maken; gewoon lekker doorwerken, kopje voor kopje. Net zoals de betovergrootvader van Koen die tegenover Coffee Mundo schoenen verzoolde. Dag in, dag uit. En kijk eens waar dat toe heeft geleid.

Afbeelding gestolen bij Dear Coffee, I Love You.

Comments Off

admin op 19 October 2012 in Ongewoon & Anders

Spiralend omhoog, als een buizerd op warme lucht

‘In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.’ Rust en snelheid gaan heel goed samen bij de zweefvliegers van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club in Schinveld. Een reportage.

De koeien kijken meewarig uit hun grote, waterige ogen. Als de auto stapvoets nadert, sjokken ze doodgemoedereerd naar de kant, hun scherpe horens afgewend. Rustig rollen we verder, voorbij een verrassende kleiberg in het verder vlakke landschap, dan links een groen straatje in, zoals de bordjes zeggen – zitten we hier echt wel goed? Met elke groene kilometer trekt de landelijke rust dieper in ons vlees en geven we ons meer over. Gestaag kachelen we voort, dakraampje open, zon op het hoofd en één hand op het stuur. We zijn om; vandaag gaan wij ons niet meer druk maken.

Het clubhuis annex restaurant van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club ligt aan een bosrand in het noordelijke deel van de Schinveldse Bossen, Zuid-Limburgs grootste aaneengesloten natuurgebied. Omdat het clubhuis gesloten is, wandelen we naar de hangars, die eruit zien als oude fabriekshallen. Ron Merckelbach is daar net afgezet door een oude mercedes met een zwaailicht op het dak die wordt gebruikt om de kabels uit te rijden. Vandaag zal hij ons binnenlaten in zijn wereld, of beter gezegd: zijn persoonlijke luchtruim; de Sittardenaar is verslingerd aan zweefvliegen en wil daar graag over vertellen.

Op de aangrenzende camping, waar ELZC-leden in het seizoen mogen kamperen, ploffen we neer in de gereedstaande stoelen onder het afdak van zijn caravan. ‘In mijn jeugd heb ik ooit de keuring van de luchtmacht gedaan. Ik ben een heel eind gekomen, maar uiteindelijk toch afgevallen. Toen kostte zweefvliegen twaalfhonderd gulden per jaar, kan ik me herinneren, en dat was voor mij niet weggelegd. Ben ik jaren vliegtuigspotter geweest; dagen langs het veld. Met een vriend ging ik daarvoor heel Europa rond. In Engeland had je destijds de beste vliegshows. Dan gingen we vroeg op, over met de boot, en dan dezelfde dag terug.’

Via een collega is hij drie jaar geleden alsnog gaan zweefvliegen. Om de twee weken strijkt hij hier neer op de camping. ‘Het is een beetje vakantie voor me. Voor mij is dit goedkoper dan een jaarplaats op een normale camping èn ik kan vliegen. Per jaar maak ik zo’n veertig tot vijftig starts, drie tot vier op een dag - als het weer meezit. Het vliegen is heel solistisch, maar zweefvliegen is een teamsport. Zonder de mensen die de kabel vastmaken en terugrijden, de vluchtleiding en iemand op de lier, kan het niet. Je hebt zelfs intensiever contact dan bij een gewone vereniging, omdat je hier vaak lange dagen samen doormaakt.’

Ron Merckelbach komt rustig over, zoals de meeste zweefvliegers. En gedisciplineerd; regels zijn regels en daar houd je je aan, zo simpel is het. ‘Om te beginnen moet je een brevet halen. Je moet fit zijn, goed gegeten hebben, je mag niet vliegen als je bepaalde medicijnen slikt, je moet genoeg drinken – geen alcohol uiteraard, je mag de twaalf uur ervoor geen alcohol hebben gehad – en niet gestrest zijn. Bijvoorbeeld over je gezin, je werk, je gezondheid of de financiën; het IAMSAFE-principe.’

De grasstrook naast de camping die sinds 1974 als landingsbaan dienstdoet, van hieruit aan het zicht onttrokken door een rij bomen, heet officieel het Leiffenderveld. In het noorden en oosten wordt hij begrensd door schraalgraslanden, in het westen door open weidegebied. Op de baan is het warm, het ruikt er grassig en het is er heerlijk stil. Als we naar de lier lopen wordt die rust ineens wreed verstoord. De lierist laat de vrachtwagenmotor lustig ratelen als hij in de verte een vliegtuigje de blauwe lucht met schapenwolkjes in trekt. Nadat de kabel is ontkoppeld blijft hij doorjagen om deze zoveel mogelijk in te halen tot het uiteinde van de kabel enkele tientallen meters van ons vandaan aan een parachute is geland.

We zijn ondertussen in de mercedes gaan zitten, want een geknapte kabel is gevaarlijk. ‘Maar een kabelbreuk komt vrijwel nooit voor’, haast de vrijwilliger ons te verzekeren die net is ingestapt. Hij begeleidt twee nieuwelingen, jonge jongens, die achterin zijn aangeschoven. Onder parachutisten gaat het verhaal dat iemand ooit in tweeën is gesneden tijdens een mislukte landing op een zweefvliegveld. En als we even later bij startplaats zien hoe rap de kabel wordt ingehaald, lijkt het inderdaad verstandig om uit de buurt te blijven als de lier brult.

De vluchtleiding bij de startplaats is gehuisvest in een omgebouwde SRV-wagen. In de omgeving hangt een landerige sfeer. Een stel scholieren op picknickbankjes guit tot ze aan de beurt is, maar zonder veel overtuiging. Af en toe knorren de gestripte lelijke eendjes voorbij die worden gebruikt voor het ophalen van de gelande vliegtuigen, en dat is het dan ook wel. In de verte draait een buizerd rondjes in een warme bel boven de bomen. Hij wel, zie je de twee jongens uit de Mercedes denken ook die graag omhoog willen, maar op hun beurt moeten wachten - zweefvliegen is vooral veel wachten.

Wat je doet tijdens het vliegen, vertelt Ron Merckelbach, is eerst een bel warme lucht zoeken om hoogte te winnen zodat je langer in de lucht kunt blijven. Door van bel tot bel te gaan kun je, bij goed weer, honderden kilometers afleggen. Je begint in een langzaam toestel, ‘dat is meer vergevingsgezind’; stuurfouten zijn eenvoudig te corrigeren. Met je brevet kun je vervolgens kiezen voor vliegen over land (lange vluchten) of voor aerobatics. Een klein percentage houdt ervan om capriolen uit te halen, de meesten gaan voor “gewoon” vliegen.

Hoewel de lucht een onbegrensde ruimte lijkt, is het tegendeel het geval. De vliegers uit Schinveld vliegen in een relatief klein gebied en hebben vooraf altijd toestemming nodig van vliegbasis Geilenkirchen en Maastricht Aachen Airport. Ron Merckelbach: ‘De lucht verdeeld in ruimtes met eigen regels. Boven vliegvelden hebben die gebieden de vorm van paddenstoelen, daar kunnen wij tussendoor vliegen als we van de toren toestemming krijgen. Militaire terreinen zijn taboe; daarboven zitten kolommen die helemaal omhoog gaan. Het plafond boven onze baan ligt op ongeveer achthonderd meter.’

Zelf gaat hij vandaag niet meer vliegen. Vanmorgen heel vroeg heeft hij zeshonderdveertig meter gehaald met de “K13”; een nieuw persoonlijk record. Graag zou hij vandaag nog eens vliegen, maar hij voelt zich niet helemaal fit. ‘De bekende dip na het vliegen.’ En de IAMSAFE-regels indachtig, betekent dit: aan de grond blijven. Wij mogen wel mee, als we willen. Voor veertig euro kun je bij de ELZC ervaren of zweefvliegen iets voor jou is. Anderhalf uur later, net bezig aan een bekertje koffie uit de SRV-wagen, worden we geroepen door instructeur Leo Kerkvliet. ‘Kom, we kunnen gaan!’

Voorin de tweezitter is het niet ruim voor iemand van één meter drieënnegentig met zesennegentig kilo op de teller. De cockpit is in grootte vergelijkbaar met een kajak, maar dan met een transparante plastic kap erover. Terwijl we nog wat vragen stellen begint de kabel langzaam een rechte lijn te vormen naar de lier, ergens in de verte. Leo Kerkvliet, droogjes, als een tandarts die waarschuwt voor een pijnlijke injectie: ‘Dit stukje is voor de meeste mensen… Dit wordt even kermis.’ Wow! In het stoeltje geduwd door de forse g-kracht, schieten we in een hoek van vijfenveertig graden omhoog, honderd kilometer per uur. In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.

Het uitzicht is spectaculair. ‘We hebben vandaag dertig kilometer zicht’, meldt Leo Kerkvliet, ‘maar dat is niet vaak het geval’. Ineens gooit hij het vliegtuig om naar rechts en hangen we bijna op z’n kant. Wow! Weer dat buikgevoel van de kermis – en niets om je aan vast te houden. ‘Dit is een mooie bel om hoogte te winnen.’ Met zo’n negentig kilometer per uur draaien we spiralend de lucht in, als een grote buizerd met een bult in z’n nek. ‘Als het niet gaat, moet je het maar even zeggen’. Glimlachend: ‘Niet iedereen vindt dit een fijn gevoel.’ Daar kunnen we ons iets bij voorstellen, maar het fabelachtige uitzicht maakt alles goed.

De instructeur vertelt ondertussen over alle punten die je kunt zien en draait het vliegtuig telkens met de neus in de kijkrichting. Een energiecentrale in Duitsland, de contouren van Sittard en de torens van de Clauscentrale in Maasbracht… “Geilenkirchen”, bekend van de AWACS-toestellen, blijkt vlakbij te liggen. ‘Daar zit ook een zweefvliegclub’. En alsof de duivel ermee speelt; de Duitse stem die we eerder op de radio hoorden meldt zich piepend en als een knipperend lampje op de radar, rechts achter ons, een bel verderop. ‘Tijdens wedstrijden zitten er soms wel tientallen vliegtuigen in één bel, dus dat is geen enkel probleem. Gewoon een kwestie van goed vliegen.’

Dan is het tijd om in te grijpen. ‘We zitten nu op iets meer dan achthonderd meter, we mogen hier niet hoger’. Leo Kerkvliet stuurt het toestel langzaam uit de bel, over het miniatuurdorp Schinveld, waar het leven op de grond gewoon doorgaat, op weg naar de landingsbaan. Ter hoogte van de lier wordt ‘het circuit’ ingezet; op tweehonderd meter vliegen we parallel aan de baan en op honderd meter draaien zweefvliegtuigen altijd in voor de landing, had Ron Merckelbach al uitgelegd. Opnieuw hangen we scheef, maar niet zo stijl als in de luchtbel.

De landing is minder heftig dan de start en al snel staan we stil op het gras. ‘Zo, dat was het’, zegt Leo Kerkvliet. Na een bedankje voor de mooie vlucht wandelen we met Ron Merckelbach terug naar de camping. We zijn nog maar net onderweg of alle ogen op het veld gaan ineens omhoog. Spanning in de lucht; het toestel dat na ons vertrok heeft een kabelbreuk gehad. De piloot zit hoger dan honderd meter en hoeft dus niet rechtuit te blijven vliegen en ergens proberen te landen. Hij gaat ontspannen het circuit in, het afgebroken stuk kabel fladderend onderaan zijn kist, en landt dan alsof er niets aan de hand is. Een kwestie van rustig blijven, net als de koeien die we op de heenweg zijn tegengekomen. Rust is wat het landschap uitademt, voorschrijft bijna. Hoe snel het er in de lucht soms ook aan toegaat.

Comments Off

admin op 4 September 2012 in Ongewoon & Anders

Sittardse “friteskoning” verovert Limburg

Ze zeiden in Amstenrade dat het toch niet zou lukken. Waarom zou hij slagen, waar tien voorgangers de afgelopen acht jaar jammerlijk hadden gefaald? Het was de beste aanmoediging die ondernemer Lahcen Askour (29) kon krijgen. Zijn frituur in Amstenrade ging in juni open, draait intussen goed en een volgend project, in Geleen, staat al op stapel.

De Sittardenaar praat energiek en gedreven, weet wat hij wil, én hij durft knopen door te hakken. Hij is geen ondernemer, hij is ondernemend – en wel vanuit zijn tenen. Lahcen Askour bruist van energie. Dat is ook noodzakelijk wanneer je regelmatig een stuk tegen de stroom in zwemt; de stroom van verwachtingen. Dat vereist visie, kracht en een stevige portie doorzettingsvermogen.

Tweeëntwintig is hij, als hij in 2005 samen met zijn kameraad Stan Huiveneers een frituur overneemt in Ophoven, Sittard. De buurt vindt het wel grappig; twee jonge jongens, op dat moment hovenier en taxichauffeur/barkeeper, die de horeca ingaan. Dat is lef, denken ze. Maar of ze het redden?

Vooraf hebben Stan Huiveneers en Lahcen Askour aandachtig geluisterd naar wat klanten willen; goed en veel eten, scherpe prijzen, een prettig ingerichte zaak en een opgewekte bediening, altijd klaar voor een praatje. Dat wordt het, en hun aanpak werkt. De dagverse frites, gemaakt van Limburgse aardappelen, maakt het plaatje compleet.

De klinkende resultaten smaken al snel naar meer. In 2007 kopen ze het pand en twee jaar later breiden ze uit met een friteswagen plus voortent. Stan Huiveneers zal “Ophoven” runnen, Lahcen Askour gaat de boer op. Woensdags staat hij in Hoogveld (Sittard), donderdags in Doenrade en vrijdags in Holtum. Vaak staan er lange rijen voor de wagen, maar dat hebben de klanten er voor over. Zijn frites zijn met liefde gebakken, en dat proef je.

Het zakelijke wonderduo doet het goed, zowel in Ophoven als onderweg. Sommige mensen zouden met dit succes tevreden zijn. Maar niet Lahcen Askour. Hij heeft een onstilbare honger naar nieuwe uitdagingen.

In 2010 zag hij dat het pand in Amstenrade te huur stond, maar viste toen achter het net. Er kwam een pizzeria in. In november 2011 wordt de deal alsnog beklonken. Hij laat zich door Stan Huiveneers uitkopen wat betreft de exploitatie van de frituur in Ophoven en gaat alleen verder, alle energie gericht op “Amstenrade” en zijn friteswagen.

De eerste keer dat hij het pand bekijkt, slaat de schrik hem om het hart. Het raast door zijn hoofd: ‘Dit kan alleen maar beter. Het moet beter. Veel beter.’ Dus wordt er maandenlang stevig verbouwd tot de zaak 23 juni dit jaar opengaat met in de bediening Lahcen Askour, zijn vrouw Siobhan Askour, zijn broer Rachid en Marvin Baartz. Het resultaat mag er zijn.

Er is gekozen voor een lounge-achtige steer met leren meubels, stijlvolle tafels en dito stoelen. De ruimte is licht, stijlvol afgewerkt en geeft klanten een aangenaam gevoel. De gloednieuwe keuken is ingericht met de modernste apparatuur waarin de maaltijden en snacks volgens de HCCAP-eisen worden klaargemaakt.

En het eten, wel, de dagverse frites maar ook alle andere gerechten op het menu worden door de klanten hoog gewaardeerd. ‘We krijgen alleen maar positieve reacties en er komen steeds meer klanten bij.’

Het lijkt er dus op dat “friteskoning” Lahcen Askour het weer geflikt heeft; opnieuw heeft hij een mislukking omgetoverd in een zakelijk succesverhaal, met als basis opnieuw zijn dagverse, Limburgse frites.

‘Tien jaar geleden’, vertelden ze hem in Amstenrade voor hij begon, ‘zat er op die plek een uitstekende frituur. Daarna is het nooit meer zo goed geweest.’ De toenmalige uitbaatster woont om de hoek. Ze is nu een vaste klant van Frituur Amstenrade. Dat zegt toch genoeg?

De enthousiaste ondernemer is ondertussen bezig met de voorbereiding van zijn volgende project; een frituur in Lindenheuvel, Geleen. De volgende pijler van zijn groeiende frites-imperium. Geplande opening: eind september.

Illustratie gestolen van Joost Langeveld Origami.

Comments Off

admin op 14 August 2012 in Ongewoon & Anders