Archief voor de categorie 'Ongewoon & Anders'

Gedicht voor het Rijksmuseum

[hoofdpad]

Onder sterrengloed gevonden,

schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,

die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,

dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken

[zijpad]

gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,

rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,

via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,

onverlet naar de oorsprong gaat.

[hoofdpad]

gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,

rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,

voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,

de natuur in zuivere vormen raakt.

[witregel]

Beschouw de daden,

die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,

onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,

zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen

en wees die wordt verwacht.

[witregel]

U ziet, van mij rest louter stam,

voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant

en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Chris Jansen: ‘Onderhandelen hoort bij wielrennen’

Het recente gedoe over doping is overdreven, onderhandelen hoort bij wielrennen en de bejubelde voorbereiding van Sky is niet veel beter dan die van pak ‘m beet de Raboploeg. Een interview met Chris Jansen uit Limbricht, huisarts in Sittard en lid van de medische staf van sprintteam Argos-Shimano.

Hoe ben je bij Argos-Shimano gekomen en wat is je rol in het team?

‘Ik houd van wielrennen. In Limburg heb ik tien jaar lang wedstrijden gefietst. “Elite” gereden; dan rij je de Ronde van Limburg, de Hel van Mergelland. Twee keer heb ik het Profcriterium Maastricht meegereden. Ik was geen topwielrenner, maar in deze regio kon ik me goed laten zien.

Huisarts ben ik sinds 2000, vanaf 2010 binnen Huisartsenpraktijk SilverStaete in Hoogveld. Vanwege mijn passie voor wielrennen ben ik op een gegeven moment sportkeuringen gaan doen. Dat heb ik eerst vijf jaar gedaan voor Sportmedisch Adviescentrum Maastricht en sinds 2006 doe ik dat vanuit een eigen praktijk aan huis. Ik begeleid individuele sporters, voornamelijk wedstrijdrenners, onder meer met inspanningstesten en advies over trainingen. Zowel ervaren renners als beginners.

Toen Skil-Shimano voor het eerst meedeed aan de Tour de France, in 2009, met een wildcard, had het team een arts nodig voor de Tour van Quinghai Lake in China – een heel grote wedstrijd. Ik ben meegegaan en sinds 2010 ben ik, voor tussen de dertig en zestig dagen per jaar, één van de vier teamartsen.

Ik controleer de renners twee keer per dag. Wat vaak speelt, zijn infectieziektes, met name aan de luchtwegen en de darmen. Bij piekbelastingen neemt de weerstand tijdelijk af, daarnaast komen de renners in contact met heel veel mensen. Overbelasting is ook een veelvoorkomend probleem; dat mensen meer doen dan ze aankunnen.’

In 2013 zal jullie team overgaan naar de UCI World Tour, de “Champions League” van het wielrennen. Zal dat de ploeg, die onder meer bekend is door het uitgesproken anti-dopingbeleid, veranderen?

‘Het betekent meer publiciteit, meer sponsoring, meer budget en er komen meer renners bij; meer personeel. Maar verder verandert er niet veel. De filosofie van het team zal blijven. We zijn hier langzaam naartoe gegroeid. En doordat we zo sterk anti-doping zijn, hebben we veel sympathie gewekt bij de World Tour-bazen. We hebben er ook een stuk over op onze site staan.

Bij de meeste teams zijn de anti-dopingstrategieën niet echt geloofwaardig als je er wat dieper op ingaat, maar in ons team is dat overduidelijk.

Het is mijn geluk dat ik in dit team zit; voor hetzelfde geld rol je erin bij een ander team waar wel van alles aan de hand is en dan ga je daarin mee. Word je meegesleept; dat gaat van klein tot steeds erger.

Onze manager is er ook fel tegen: als hij ook maar iets ruikt, vlieg je eruit. Bovendien: we zijn een sprintploeg en voor een sprintploeg heeft doping geen meerwaarde. Sprinten, dat kun je of je kunt het niet. Doping heeft voornamelijk te maken met bergwedstrijden en lange afstanden; etappes waarbij je lang hoge vermogens moet trappen.

Korte sprintjes bergop, dat heeft ook niet veel met doping te maken, maar een Alp d’Huez oprijden met teams die de Tour de France willen winnen, daarbij kan doping enorm veel verschil uitmaken, tegenwoordig.

Wij hebben ook niet de ambitie om dat soort renners aan te trekken, want dan begeef je je op heel gevaarlijk terrein. Zoals gezegd: ons speerpunt is de sprint, waar je wat betreft doping het minste risico loopt.’

Wat doet een sprintteam, bijvoorbeeld in een Tour de France?

‘Je aast op de sprintetappes. In de Tour heb je zes sprints, echte massaspurts, waarbij je een vlakke aankomst hebt en de etappe zo is, dat de sprinters overleven tot het laatst. Met twintig topsprinters sprint je dan tegen elkaar.

Het hele team werkt voor de sprinter. Iedere jongen krijgt een opdracht mee en in “een treintje” wordt de sprinter naar de finish geloodst. Die hoeft geen trap te veel te doen. Hij wordt continue naar voren gebracht, krijgt eten en drinken; die hoeft gewoon niets te doen. Zodat hij maar kan overleven en zo ver mogelijk komt.

Dit jaar hadden we de pech dat onze eerste sprinter, Marcel Kittel, van te voren ziek is geworden; buikgriep. Daarom heeft Tom Veelers het overgenomen. Verder hebben we nog John Degenkolb, die is wat completer, maar niet zo krachtig als Marcel.

Marcel is een jongen, die kan alleen maar sprinten. Vorig jaar waren we bijvoorbeeld in de Ronde van Polen. Zijn er zes etappes, wint hij de eerste drie, de vierde wint hij niet, die was wat heuvelachtig, de vijfde was een zware bergetappe, en de zesde was weer een sprint.

Hij lost in de bergetappe al na zo’n tien kilometer. Eén mannetje moet terugkomen om hem naar voren te rijden en hij zegt: “Nee, rij voor jezelf”. Moet er nog een mannetje terugkomen. En met z’n drieën, plus de sprinter van de Rabobank, hebben ze de hele dag alleen gereden en komen op vijfenvijftig minuten achterstand binnen, net binnen de tijd van achtenvijftig minuten. Marcel wilde het eigenlijk niet, maar dat was de opdracht van het team.

De laatste etappe wint hij dan weer, wat de band tussen de jongens sterk vergroot, gezien ze een dag eerder alles moesten doen om hem op tijd binnen te krijgen.

Bij een sprintetappe kan niemand wegrijden. De teams die willen sprinten, moeten de controle van die koers hebben. Die rijden de hele dag op kop. Als jij twee keer een sprintetappe gewonnen hebt, moet jij maar zorgen dat een eventueel groepje wegrijders niet te ver komt. Dat is gewoon afge… Niet afgesproken, maar als het peloton gaat rijden, wint dat groepje nooit.

Als een groepje aankomt, is dat of omdat er ruzie is in het peloton; dat ze niet willen samenwerken, of ze zijn extreem sterk. Als er echt iemand alleen aankomt of er komen er drie aan, daar moet je echt respect voor hebben, want dat is eigenlijk niet mogelijk.

Ook in Polen: Roy Kurvers rijdt een etappe mee vooruit met drie man. Toen zat HTC nog in het peloton. En die ploeg wilde sprinten met André Greipel, die controleerde de koers, en er was nog één premiespurt op tien kilometer voor de finish.

Toen is mijn ploegleider met die van HTC gaan onderhandelen of ze die nog mochten hebben; of ze zouden willen wachten tot die premiespurt, want als ze zouden gaan rijden, is het gat zo dicht. Op televisie zie je dat en je denkt: Oh, misschien halen die het en misschien ook niet – maar die halen dat natuurlijk nooit.’

Dat doet me denken aan Mark Cavendish die niet aan bod kwam tijdens “zijn” Olympische Spelen. Is het maken van zulke afspraken niet onsportief?

‘Het is een spel. Het is in het wielrennen niet zo dat de sterkste altijd wint. Die wint misschien maar één keer per jaar. Die wedstrijd in London was zo moeilijk te controleren, ook doordat de belangen van de sponsor- en de landenteams door elkaar liepen, dat er gewoon een groep wegbleef. Er zaten heel goede renners in die langzame, voorste groep.

Uiteindelijk wint Aleksandr Vinokoerov voor Rigoberto Urán. Dat was apart, want in maart was ik bij de Ronde van Catalonië. Daar won Urán de vierde etappe in een sprint met dertig man. En Vinokoerov - die kan niet sprinten - wint dan in London hahaha. Ik zag Urán daarna en hij was ook blij. Ik denk: Die heeft gewoon honderdduizend euro gekregen of zo. Dat is wielrennen; er is van alles mogelijk.’

Hoe werkt het onderhandelen?

‘Onderhandelen is wanneer je met twee man weg bent en je denkt: Van hem kan ik nooit winnen, misschien kan ik hem omkopen. Dat is inherent aan wielrennen. Maar daar moet je maar niet teveel over vertellen, want dan gaat de geloofwaardigheid… Maar in het wielrennen is dat gewoon normaal!

Soms verkoop je, maar dan probeer je alsnog te winnen. Dus dan zeg je: “Ja, ik doe het wel voor zoveel” en dan denk je: Ik probeer toch te sprinten als ik op winst zit. Er zijn ook veel vetes in het peloton doordat er afspraken zijn gemaakt die op het moment suprême worden verbroken. Zo ontstaan enorme ruzies en wordt er ook heel veel over doping verteld, want je wilt je die ander… – met iedereen heb je wel wat gehad.’

Twee mannen in de Tour, vlak voor de finish. De zwakste van de twee wint doordat de sterkste op het laatst zo ongeveer ophoudt met trappen en over z’n schouder blijft kijken. Ik denk dan: die hebben een afspraak gemaakt.

‘Dat weet je nooit. Er zijn zo veel belangen die een rol kunnen spelen. Het kan individueel zijn afgesproken of als team zijn, al gebeurt dat laatste niet vaak. Binnen sprintetappes kun je dit verhaal overigens doorstrepen, want je kunt een sprint niet faken. Wij hebben er dan ook bijna niet mee te maken.

In een kopgroep zijn enorme belangen. Als een geletruidrager weg is met iemand die zevenenzeventigste staat, wint die zevenenzeventigste. Die zegt: “Ik rijd me te pleuris om jou hier weg te krijgen met je gele trui, en je bent helemaal niet van mijn ploeg, maar dan mag ik winnen.” Dat zijn ook afspraken, maar dan zonder dat er geld aan te pas komt. Die gele trui doet dat dan, omdat hij die jongen gebruikt heeft. Of het is bijvoorbeeld je beste vriend.

Kijk, winnen is heel belangrijk in het wielrennen. Er zijn zo veel wielrenners en er zijn maar zo weinig wielrenners die winnen, dus daar doe je heel en heel veel voor. Maar het dopinggebruik wordt schromelijk overdreven.

Als je ziet wat Fränk Schleck nu gebruikt heeft, dat is zo spannend niet. Alberto Contador met z’n clenbuterol, dat zijn dingen, daar word je geen tourwinnaar van, echt niet. Als ik jou daarmee vol zou spuiten, dan kun je het peloton één seconde volgen en dan word je gelost.

Iedereen denkt: Doordat hij gebruikt zal hij wel zo goed zijn. Maar die jongens stikken van het talent. Die hebben alle Jeugd WK’s gewonnen. Ze horen gewoon bij de besten van de wereld. En het kan ook zonder doping, wij als ploeg bewijzen dat.’

Denk je dat de cultuur in het wielrennen wat betreft doping en onderhandelen ooit zal veranderen?

‘Qua doping verandert het heel erg doordat er steeds strengere controles zijn, zodat het steeds moeilijker wordt om te gebruiken. Ik denk ook dat het nog nooit zo schoon is geweest als in deze periode.’

Het valt me op dat diverse renners de laatste tijd anderen publiekelijk veroordelen als die gepakt zijn op dopinggebruik.

‘Ja, dat is nog nooit geweest. Maar qua afspraken maken, dat valt niet te veranderen. Dat is gewoon een eigenschap van de sport. Binnen de sport wordt het ook niet als negatief gezien.

Zo is doping ook een hele tijd niet als negatief gezien door de renners. Voor de buitenwereld was het de boel bezeiken, maar voor de renners was dat anders. Lange tijd was het zo: als iemand de Tour won, wilde iedereen weten waarop. Zo van: dat moet ik ook hebben.

In de tijd van Joop Zoetemelk en Eddie Merckx zijn de dopingcontroles ingevoerd. Daar heeft het hele peloton destijds nog tegen geprotesteerd. Toen hebben ze gestaakt omdat er dopingcontroles waren – dan weet je genoeg. Het was zo eigen aan de sport.

Ik ben er trouwens van overtuigd dat het ook in andere sporten speelt, alleen horen we daar minder over omdat bij wielrennen veel meer aan de hand is dan alleen een tijd rijden. Bij verhalen over doping denkt degene die het overkomt: Wie heeft me dat geflikt! Wat die?! – Nou, dan heb je de mooiste uitspraken die je kunt krijgen. En dat vinden de mensen mooi.’

Het drama.

‘Bij hardlopen en schaatsen gaat het om het neerzetten van een tijd en er komt weinig emotie bij kijken, behalve als een schaatser eens naar de verkeerde baan wisselt. Dat wordt dan heel erg uitvergroot. Bij een gewone koers gebeurt zoiets misschien wel vijfentwintig keer; dat er fouten worden gemaakt. Dat is ook de aantrekkingskracht van het wielrennen; het mysterieuze dat je als toeschouwer zelf kunt invullen.’

Aan de andere kant is het voor de renners en de mensen er omheen, zoals jij, ook gewoon een baan.

‘Natuurlijk. En ik vind het heel prettig om voor Argos-Shimano te werken, ook omdat er weinig hiërarchie is in tegenstelling tot de ouderwetse, grote ploegen. Daar heb je echt een baas, dan komen de ploegleiders en dan de mensen die al het werk doen.

Zeker in het begin deed iedereen bij ons alles. Ook renners, dat waren niet van die grootheden die iedereen terroriseerden. In grote ploegen heb je dat. Denk aan Phillipe Gilbert, Fabian Cancellara of de gebroeders Schleck.

Wat onze manager Iwan Spekebrink belangrijk vindt, is dat de renners onderling goed kunnen communiceren. In de functioneringsgesprekken worden we daar ook op gewezen. Bij andere teams gaat het alleen om prestaties.

We zijn ook het enige team met een goede trainer die de jongens dagelijks aanstuurt en voorbereidt met trainingen. Bij Vacansoleil bijvoorbeeld, is geen trainer. Je bent daar als een zzp’er in het team en je zoekt je eigen mensen voor advies en training.

Kijk, je komt natuurlijk niet vanuit het niets in een World Tour-team. Vanuit de amateurs of de junioren bouw je een kringetje om je heen en dat laat je niet zomaar vallen. Tenzij het heel duidelijk en transparant is en goed aanvoelt – onze hoofdtrainer gaat trouwens in 2013 naar de Rabobank, die is weggekocht.’

Als het allemaal zo losjes is geregeld, begrijp ik ook waarom ze in de wielerwereld met grote ogen hebben gekeken naar het Sky-team.

‘Daar wordt over gedaan of het zo spectaculair, wetenschappelijk begeleid wordt, maar dat is niet zo heel veel anders dan bij andere teams. Robert Gesink van de Rabobank heeft geen andere begeleiding gehad dan Bradley Wiggins. Ik denk zelfs dat we het wielrennen bij Argos-Shimano wetenschappelijker benaderen dan team Sky. Maar ja, één journalist begint dat te roepen en iedereen roept hem na.’

Wat is er dan zo bijzonder aan Sky waardoor het team zoveel wint?

‘Het zijn gewoon heel sterke renners, en die renners doen iets voor elkaar. Dat team functioneert gewoon goed. Je hebt ook teams waar renners niet voor elkaar rijden, nou dat wordt dus helemaal niks. BMC, de ploeg van Cadel Evans, heeft niet zulke heel mooie resultaten dit jaar, maar heeft wel de sterkste renners. En ze zeggen wel: “Chris Froome moet voor zichzelf gaan”, maar hij rijdt wel Bradley Wiggins in het geel.

En het ziet er bij Sky allemaal gelikt uit. Wielrennen is een sport waarbij je gezien moet worden. Als je daar aankomt met ongeschoren benen en een oude Volkswagenbus, hoor je er niet bij. En Sky heeft gewoon het beste, die rijdt bijvoorbeeld met Jaguars in de koers – Wie rijdt er nou met Jaguars in de koers?!

Sky heeft een bus met de beste apparatuur, een echte hightechbus. Daarin gebeurt hetzelfde als in onze bus, maar het ziet er spectaculairder uit. En dat is wel de manier om je bedrijf in de wereld te zetten.

Wij hebben iets dergelijks gedaan. Tussen het vertrek van Skil en de komst Argos Oil als sponsor zat vier maanden leegte. Dat was het 1t4i-project. De radio- en tv-commentatoren noemde ons “project” omdat ze de naam niet konden uitspreken hahaha. Het was allemaal om aandacht te trekken en potentiële sponsors te laten weten dat wij heel anders werken dan de bestaande teams in de wielrennerij, onder meer door het groepsproces te versterken en zo beter te presteren.’

(Dit artikel is in augustus 2012 geschreven voor het WijkKrantje, dus voor het rapport over Lance Armstrong.)

Geen Reacties »

admin op 14 December 2012 in Ongewoon & Anders

Koen, Georgette & de kunst van het koffiedrinken

Tegenover bestierde zijn betovergrootvader een kleine schoenmakerij die later uitgroeide tot de succesvolle keten Durlinger schoenenzaken. Koen van Beek (34) hoopt op een vergelijkbare expansie met zijn nieuwe koffiehuis aan de Markt in Sittard. In november gaat Coffee Mundo espresso & brew bar open, met zijn charmante vrouw Georgette van Geleijnen (32) als barista. Gelijktijdig introduceert het ondernemende koppel een koffielijn voor particulieren.

Het concept en de ontwikkeling van Coffee Mundo doen denken aan het in 1971 in Seattle opgerichte Starbucks. Deze formule, gericht op kwaliteit, beleving en gemeenschap, begon met de verkoop van bonen. Later kwamen daar de koffiehuizen bij, die tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten populair zijn.

Koen en Georgette volgen een vergelijkbaar traject. Koen startte in 2006 een eigen lijn met koffie voor de horeca en het mkb. Met de opening van het eerste koffiehuis en de introductie van een lijn voor de particuliere markt is de tweede fase bereikt. Als het meezit, volgen nog vele koffiehuizen in middelgrote steden in de Euregio, in eigen beheer of als franchiseformule.

De versgebrande koffie wordt in het koffiehuis geserveerd of kan worden meegenomen en is daarnaast via internet te koop. Op termijn is ook verkoop via geselecteerde retailers voorzien. Coffee Mundo telt op dit moment elf soorten zorgvuldig geselecteerde arabica bonen uit de drie belangrijkste koffieregio’s ter wereld. ‘Wij bieden een selectie van ’s werelds beste koffiesoorten’, zegt Koen.

Voor hij werd gegrepen door het zwarte goud, deed hij in Zuid-Amerika en Zuid-Europa commerciële ervaring op als verkoper van onderdelen voor persluchtcompressoren en later in Noord-Afrika en het Midden-Oosten in de sales van natuurlijke smaakstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie.

Dat verschafte de toen pas afgestudeerde Heao’er een mondiaal netwerk en onschatbare ervaring in internationaal zakendoen. ‘Omstreeks 2004 begon de economische opmars van Brazilië en werd ik door mensen daar gevraagd of ik spullen naar Europa wilde exporteren. Dat heb ik niet gedaan, maar het idee sprak me aan. Brazilië is het grootste koffieland ter wereld en de koopkracht is intussen zo toegenomen dat veel mensen Braziliaanse koffie kunnen kopen; voorheen was die uitsluitend voor de export.’

Het plan om producten uit de rest van de wereld naar Nederland te halen, werd concreter na zijn laatste baan bij een internationaal smakenhuis, een zogenoemd flavour house. Koen leerde er de basis van het proeven. Zo kon hij de wensen van zijn klanten beter vertalen naar de smaakdeskundigen.

Hij stuurde er een netwerk aan van verkoopkantoren in Iran, Jordanië, Tunesië en Dubai, maar voelde hij zich in het Midden-Oosten minder thuis dan bijvoorbeeld in Zuid-Amerika. ‘In Zuid-Amerika zijn mensen al emotioneel als ze over hun kinderen beginnen en de Arabische wereld heeft een veel meer gesloten cultuur. Daardoor heb je een heel ander contact met mensen.’ Toen hij in Algerije met gevaar voor ontvoering door het land reisde, vooraf moest hij de ambassade inlichten en zich achteraf weer melden, was de maat vol.

Georgette, verkoper van KNO-producten aan ziekenhuizen, steunde hem dan ook van harte toen hij zes jaar geleden besloot een eigen onderneming op te zetten in zijn vorige werkgebied. Koen koos voor koffie. Na een grondige oriëntatie ontwikkelde hij een eigen koffielijn voor de horeca en het mkb, vanaf november dit jaar aangevuld met het eerste koffiehuis en een koffielijn voor particulieren.

Een van de grootste uitdagingen is om de Nederlanders koffie te leren drinken. Want terwijl we hier sloten koffie naar binnen gieten, en cappuccino, espresso en latte gemeengoed zijn, is in ons land nog veel te winnen. De apparaten met pads en kuipjes hebben al tot “enige bewustwording geleid”, maar de koffiecultuur staat hier nog in de kinderschoenen, aldus Koen, die net als Georgette is opgeleid door wereldberoemde barista’s.

We weten intussen allemaal van de twee soorten bonen, de arabica en de robusta, maar dat is niet genoeg. ‘Er zijn goede robusta’s en slechte arabica bonen. In Italië, een echt koffieland, werken ze veel met robusta’s omdat het land vroeger armer was. In het rijke westen hadden we toen al arabica bonen. Naast de soort bonen, zijn de afkomst en de bereidingswijze van de koffie minstens zo belangrijk voor de smaak, de romigheid, het volume en de afdronk.

Hier wordt espresso bijvoorbeeld gezien als zware koffie waar je hartkloppingen van krijgt, maar dat ligt aan de bereiding en de gebruikte bonen, zegt Koen. ‘In Italië heeft een man me ooit gezegd: “Als je je hele leven espresso drinkt, krijg je nooit een hartaanval”. En dat ben ik nooit vergeten.’

Ter verduidelijking krijg ik een verse espresso van Braziliaanse bonen voorgezet, uiteraard van één van de elf smaken van Coffee Mundo. De espresso is vol van smaak, zonder wrang te zijn, krachtig maar toch zacht, en heerlijk romig, tot hij na de afdronk in korte tijd uiteen valt. Niet te vergelijken met wat hier vaak onder de naam espresso wordt verkocht.

Ook op het gebied van “gewone koffie” willen de Sittardse barista’s hun klanten met plezier inwijden in de diepere geheimen van de koffiewereld. De Nederlandse koffie is vaak een “lungo”, gemaakt door een espressomachine te lang te laten doorlopen, legt Koen uit. Hij trekt een vies gezicht. ‘Zo komen ook de reststoffen in de koffie. Wij bieden “coffee americano”: aan heet water voegen we een espresso toe. Zo houd je de pure, volle smaak.’

De “echt grote jongens” op koffiegebied hebben volgens hem te lang te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit. Een term als “masterblenders” zal daar weinig aan veranderen. Volgens Koen zijn eerder zo succesvolle machines voor capsules en pads dan ook op hun retour. Mensen willen kwaliteit, ook in de horeca.

‘Tegenwoordig geven klanten op een terras een kop koffie terug als die niet lekker is. Als je meer dan twee euro betaalt voor een koffie, zeker nu het financieel niet goed gaat, wil je dat het lekker is. Vroeger had je van die hoge stalen cylinders waar de koffie soms al uren in stond te pruttelen. Iedereen vond dat normaal, maar die tijd is gelukkig voorbij.’

Coffee Mundo brandt kleine hoeveelheden bonen die gelijk worden verpakt. Zo blijft het aroma behouden. De verpakkingen zijn van kunststof en er is geen aluminium in verwerkt. ‘Aluminium wordt gemaakt van bauxiet en de bauxietwinning is één van de meest vervuilende industriën ter wereld.’ Daar wil Coffee Mundo niet aan meedoen, vandaar dat honderd procent kunststof zakjes worden gebruikt.

Het bedrijf wil zo duurzaam mogelijk werken, vertelt Koen. En dat is volgens hem geen window dressing. Hoe zit het dan met de arbeidsomstandigheden en verdiensten van de koffieboeren van wie het stel de koffie via tussenhandelaren betrekt?

‘Veel van onze koffiesoorten hebben een keurmerk, zoals FairTrade / Max Havelaar, EKO en Rainforest Alliance. Sommige merken richten zich op de sociale omstandigheden, andere op de belasting van het milieu via afvalstoffen.

Het liefst wil ik bereiken dat “onze” koffieboeren later een onafhankelijke handelspositie krijgen en dat wij klanten kunnen laten zien welke mensen onze koffie produceren, hoe dat gaat en wat zij er aan overhouden. Dat je bijvoorbeeld ziet dat een koffieboer na een jaar een nieuwe auto heeft kunnen kopen. Door de verhoudingen ter plaatse is dat nu nog niet mogelijk.’

Het eerste koffiehuis aan de Sittardse markt zal het duurzame streven weerspiegelen. De inrichting wordt “vintage”, dat wil zeggen: met gebruikte materialen. In dit geval staal, steen en hout. ‘Je kunt er zitten aan een lange leestafel en de krant lezen en er is ook een “sta-bar”, naar Italiaans gebruik.

Bij hun koffie krijgen mensen gebak. In Sittard is dat vlaai of een “brownie”. In Duitsland of België zal dat lokaal gebak zijn. Altijd vers en van hoge kwaliteit om de koffiebeleving te versterken.’

Na Sittard moeten steden als Roermond, Eindhoven, Aken, Keulen en Hasselt aan de wereldkoffies van Coffee Mundo. ‘In drie jaar drie nieuwe zaken, dat is ons streven. Veel mensen zeggen dat het wel eens veel sneller zou kunnen gaan.’ Maar Koen en Georgette laten zich niet gek maken; gewoon lekker doorwerken, kopje voor kopje. Net zoals de betovergrootvader van Koen die tegenover Coffee Mundo schoenen verzoolde. Dag in, dag uit. En kijk eens waar dat toe heeft geleid.

Afbeelding gestolen bij Dear Coffee, I Love You.

Geen Reacties »

admin op 19 October 2012 in Ongewoon & Anders

Spiralend omhoog, als een buizerd op warme lucht

‘In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.’ Rust en snelheid gaan heel goed samen bij de zweefvliegers van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club in Schinveld. Een reportage.

De koeien kijken meewarig uit hun grote, waterige ogen. Als de auto stapvoets nadert, sjokken ze doodgemoedereerd naar de kant, hun scherpe horens afgewend. Rustig rollen we verder, voorbij een verrassende kleiberg in het verder vlakke landschap, dan links een groen straatje in, zoals de bordjes zeggen – zitten we hier echt wel goed? Met elke groene kilometer trekt de landelijke rust dieper in ons vlees en geven we ons meer over. Gestaag kachelen we voort, dakraampje open, zon op het hoofd en één hand op het stuur. We zijn om; vandaag gaan wij ons niet meer druk maken.

Het clubhuis annex restaurant van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club ligt aan een bosrand in het noordelijke deel van de Schinveldse Bossen, Zuid-Limburgs grootste aaneengesloten natuurgebied. Omdat het clubhuis gesloten is, wandelen we naar de hangars, die eruit zien als oude fabriekshallen. Ron Merckelbach is daar net afgezet door een oude mercedes met een zwaailicht op het dak die wordt gebruikt om de kabels uit te rijden. Vandaag zal hij ons binnenlaten in zijn wereld, of beter gezegd: zijn persoonlijke luchtruim; de Sittardenaar is verslingerd aan zweefvliegen en wil daar graag over vertellen.

Op de aangrenzende camping, waar ELZC-leden in het seizoen mogen kamperen, ploffen we neer in de gereedstaande stoelen onder het afdak van zijn caravan. ‘In mijn jeugd heb ik ooit de keuring van de luchtmacht gedaan. Ik ben een heel eind gekomen, maar uiteindelijk toch afgevallen. Toen kostte zweefvliegen twaalfhonderd gulden per jaar, kan ik me herinneren, en dat was voor mij niet weggelegd. Ben ik jaren vliegtuigspotter geweest; dagen langs het veld. Met een vriend ging ik daarvoor heel Europa rond. In Engeland had je destijds de beste vliegshows. Dan gingen we vroeg op, over met de boot, en dan dezelfde dag terug.’

Via een collega is hij drie jaar geleden alsnog gaan zweefvliegen. Om de twee weken strijkt hij hier neer op de camping. ‘Het is een beetje vakantie voor me. Voor mij is dit goedkoper dan een jaarplaats op een normale camping èn ik kan vliegen. Per jaar maak ik zo’n veertig tot vijftig starts, drie tot vier op een dag - als het weer meezit. Het vliegen is heel solistisch, maar zweefvliegen is een teamsport. Zonder de mensen die de kabel vastmaken en terugrijden, de vluchtleiding en iemand op de lier, kan het niet. Je hebt zelfs intensiever contact dan bij een gewone vereniging, omdat je hier vaak lange dagen samen doormaakt.’

Ron Merckelbach komt rustig over, zoals de meeste zweefvliegers. En gedisciplineerd; regels zijn regels en daar houd je je aan, zo simpel is het. ‘Om te beginnen moet je een brevet halen. Je moet fit zijn, goed gegeten hebben, je mag niet vliegen als je bepaalde medicijnen slikt, je moet genoeg drinken – geen alcohol uiteraard, je mag de twaalf uur ervoor geen alcohol hebben gehad – en niet gestrest zijn. Bijvoorbeeld over je gezin, je werk, je gezondheid of de financiën; het IAMSAFE-principe.’

De grasstrook naast de camping die sinds 1974 als landingsbaan dienstdoet, van hieruit aan het zicht onttrokken door een rij bomen, heet officieel het Leiffenderveld. In het noorden en oosten wordt hij begrensd door schraalgraslanden, in het westen door open weidegebied. Op de baan is het warm, het ruikt er grassig en het is er heerlijk stil. Als we naar de lier lopen wordt die rust ineens wreed verstoord. De lierist laat de vrachtwagenmotor lustig ratelen als hij in de verte een vliegtuigje de blauwe lucht met schapenwolkjes in trekt. Nadat de kabel is ontkoppeld blijft hij doorjagen om deze zoveel mogelijk in te halen tot het uiteinde van de kabel enkele tientallen meters van ons vandaan aan een parachute is geland.

We zijn ondertussen in de mercedes gaan zitten, want een geknapte kabel is gevaarlijk. ‘Maar een kabelbreuk komt vrijwel nooit voor’, haast de vrijwilliger ons te verzekeren die net is ingestapt. Hij begeleidt twee nieuwelingen, jonge jongens, die achterin zijn aangeschoven. Onder parachutisten gaat het verhaal dat iemand ooit in tweeën is gesneden tijdens een mislukte landing op een zweefvliegveld. En als we even later bij startplaats zien hoe rap de kabel wordt ingehaald, lijkt het inderdaad verstandig om uit de buurt te blijven als de lier brult.

De vluchtleiding bij de startplaats is gehuisvest in een omgebouwde SRV-wagen. In de omgeving hangt een landerige sfeer. Een stel scholieren op picknickbankjes guit tot ze aan de beurt is, maar zonder veel overtuiging. Af en toe knorren de gestripte lelijke eendjes voorbij die worden gebruikt voor het ophalen van de gelande vliegtuigen, en dat is het dan ook wel. In de verte draait een buizerd rondjes in een warme bel boven de bomen. Hij wel, zie je de twee jongens uit de Mercedes denken ook die graag omhoog willen, maar op hun beurt moeten wachten - zweefvliegen is vooral veel wachten.

Wat je doet tijdens het vliegen, vertelt Ron Merckelbach, is eerst een bel warme lucht zoeken om hoogte te winnen zodat je langer in de lucht kunt blijven. Door van bel tot bel te gaan kun je, bij goed weer, honderden kilometers afleggen. Je begint in een langzaam toestel, ‘dat is meer vergevingsgezind’; stuurfouten zijn eenvoudig te corrigeren. Met je brevet kun je vervolgens kiezen voor vliegen over land (lange vluchten) of voor aerobatics. Een klein percentage houdt ervan om capriolen uit te halen, de meesten gaan voor “gewoon” vliegen.

Hoewel de lucht een onbegrensde ruimte lijkt, is het tegendeel het geval. De vliegers uit Schinveld vliegen in een relatief klein gebied en hebben vooraf altijd toestemming nodig van vliegbasis Geilenkirchen en Maastricht Aachen Airport. Ron Merckelbach: ‘De lucht verdeeld in ruimtes met eigen regels. Boven vliegvelden hebben die gebieden de vorm van paddenstoelen, daar kunnen wij tussendoor vliegen als we van de toren toestemming krijgen. Militaire terreinen zijn taboe; daarboven zitten kolommen die helemaal omhoog gaan. Het plafond boven onze baan ligt op ongeveer achthonderd meter.’

Zelf gaat hij vandaag niet meer vliegen. Vanmorgen heel vroeg heeft hij zeshonderdveertig meter gehaald met de “K13”; een nieuw persoonlijk record. Graag zou hij vandaag nog eens vliegen, maar hij voelt zich niet helemaal fit. ‘De bekende dip na het vliegen.’ En de IAMSAFE-regels indachtig, betekent dit: aan de grond blijven. Wij mogen wel mee, als we willen. Voor veertig euro kun je bij de ELZC ervaren of zweefvliegen iets voor jou is. Anderhalf uur later, net bezig aan een bekertje koffie uit de SRV-wagen, worden we geroepen door instructeur Leo Kerkvliet. ‘Kom, we kunnen gaan!’

Voorin de tweezitter is het niet ruim voor iemand van één meter drieënnegentig met zesennegentig kilo op de teller. De cockpit is in grootte vergelijkbaar met een kajak, maar dan met een transparante plastic kap erover. Terwijl we nog wat vragen stellen begint de kabel langzaam een rechte lijn te vormen naar de lier, ergens in de verte. Leo Kerkvliet, droogjes, als een tandarts die waarschuwt voor een pijnlijke injectie: ‘Dit stukje is voor de meeste mensen… Dit wordt even kermis.’ Wow! In het stoeltje geduwd door de forse g-kracht, schieten we in een hoek van vijfenveertig graden omhoog, honderd kilometer per uur. In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.

Het uitzicht is spectaculair. ‘We hebben vandaag dertig kilometer zicht’, meldt Leo Kerkvliet, ‘maar dat is niet vaak het geval’. Ineens gooit hij het vliegtuig om naar rechts en hangen we bijna op z’n kant. Wow! Weer dat buikgevoel van de kermis – en niets om je aan vast te houden. ‘Dit is een mooie bel om hoogte te winnen.’ Met zo’n negentig kilometer per uur draaien we spiralend de lucht in, als een grote buizerd met een bult in z’n nek. ‘Als het niet gaat, moet je het maar even zeggen’. Glimlachend: ‘Niet iedereen vindt dit een fijn gevoel.’ Daar kunnen we ons iets bij voorstellen, maar het fabelachtige uitzicht maakt alles goed.

De instructeur vertelt ondertussen over alle punten die je kunt zien en draait het vliegtuig telkens met de neus in de kijkrichting. Een energiecentrale in Duitsland, de contouren van Sittard en de torens van de Clauscentrale in Maasbracht… “Geilenkirchen”, bekend van de AWACS-toestellen, blijkt vlakbij te liggen. ‘Daar zit ook een zweefvliegclub’. En alsof de duivel ermee speelt; de Duitse stem die we eerder op de radio hoorden meldt zich piepend en als een knipperend lampje op de radar, rechts achter ons, een bel verderop. ‘Tijdens wedstrijden zitten er soms wel tientallen vliegtuigen in één bel, dus dat is geen enkel probleem. Gewoon een kwestie van goed vliegen.’

Dan is het tijd om in te grijpen. ‘We zitten nu op iets meer dan achthonderd meter, we mogen hier niet hoger’. Leo Kerkvliet stuurt het toestel langzaam uit de bel, over het miniatuurdorp Schinveld, waar het leven op de grond gewoon doorgaat, op weg naar de landingsbaan. Ter hoogte van de lier wordt ‘het circuit’ ingezet; op tweehonderd meter vliegen we parallel aan de baan en op honderd meter draaien zweefvliegtuigen altijd in voor de landing, had Ron Merckelbach al uitgelegd. Opnieuw hangen we scheef, maar niet zo stijl als in de luchtbel.

De landing is minder heftig dan de start en al snel staan we stil op het gras. ‘Zo, dat was het’, zegt Leo Kerkvliet. Na een bedankje voor de mooie vlucht wandelen we met Ron Merckelbach terug naar de camping. We zijn nog maar net onderweg of alle ogen op het veld gaan ineens omhoog. Spanning in de lucht; het toestel dat na ons vertrok heeft een kabelbreuk gehad. De piloot zit hoger dan honderd meter en hoeft dus niet rechtuit te blijven vliegen en ergens proberen te landen. Hij gaat ontspannen het circuit in, het afgebroken stuk kabel fladderend onderaan zijn kist, en landt dan alsof er niets aan de hand is. Een kwestie van rustig blijven, net als de koeien die we op de heenweg zijn tegengekomen. Rust is wat het landschap uitademt, voorschrijft bijna. Hoe snel het er in de lucht soms ook aan toegaat.

Geen Reacties »

admin op 4 September 2012 in Ongewoon & Anders

Sittardse “friteskoning” verovert Limburg

Ze zeiden in Amstenrade dat het toch niet zou lukken. Waarom zou hij slagen, waar tien voorgangers de afgelopen acht jaar jammerlijk hadden gefaald? Het was de beste aanmoediging die ondernemer Lahcen Askour (29) kon krijgen. Zijn frituur in Amstenrade ging in juni open, draait intussen goed en een volgend project, in Geleen, staat al op stapel.

De Sittardenaar praat energiek en gedreven, weet wat hij wil, én hij durft knopen door te hakken. Hij is geen ondernemer, hij is ondernemend – en wel vanuit zijn tenen. Lahcen Askour bruist van energie. Dat is ook noodzakelijk wanneer je regelmatig een stuk tegen de stroom in zwemt; de stroom van verwachtingen. Dat vereist visie, kracht en een stevige portie doorzettingsvermogen.

Tweeëntwintig is hij, als hij in 2005 samen met zijn kameraad Stan Huiveneers een frituur overneemt in Ophoven, Sittard. De buurt vindt het wel grappig; twee jonge jongens, op dat moment hovenier en taxichauffeur/barkeeper, die de horeca ingaan. Dat is lef, denken ze. Maar of ze het redden?

Vooraf hebben Stan Huiveneers en Lahcen Askour aandachtig geluisterd naar wat klanten willen; goed en veel eten, scherpe prijzen, een prettig ingerichte zaak en een opgewekte bediening, altijd klaar voor een praatje. Dat wordt het, en hun aanpak werkt. De dagverse frites, gemaakt van Limburgse aardappelen, maakt het plaatje compleet.

De klinkende resultaten smaken al snel naar meer. In 2007 kopen ze het pand en twee jaar later breiden ze uit met een friteswagen plus voortent. Stan Huiveneers zal “Ophoven” runnen, Lahcen Askour gaat de boer op. Woensdags staat hij in Hoogveld (Sittard), donderdags in Doenrade en vrijdags in Holtum. Vaak staan er lange rijen voor de wagen, maar dat hebben de klanten er voor over. Zijn frites zijn met liefde gebakken, en dat proef je.

Het zakelijke wonderduo doet het goed, zowel in Ophoven als onderweg. Sommige mensen zouden met dit succes tevreden zijn. Maar niet Lahcen Askour. Hij heeft een onstilbare honger naar nieuwe uitdagingen.

In 2010 zag hij dat het pand in Amstenrade te huur stond, maar viste toen achter het net. Er kwam een pizzeria in. In november 2011 wordt de deal alsnog beklonken. Hij laat zich door Stan Huiveneers uitkopen wat betreft de exploitatie van de frituur in Ophoven en gaat alleen verder, alle energie gericht op “Amstenrade” en zijn friteswagen.

De eerste keer dat hij het pand bekijkt, slaat de schrik hem om het hart. Het raast door zijn hoofd: ‘Dit kan alleen maar beter. Het moet beter. Veel beter.’ Dus wordt er maandenlang stevig verbouwd tot de zaak 23 juni dit jaar opengaat met in de bediening Lahcen Askour, zijn vrouw Siobhan Askour, zijn broer Rachid en Marvin Baartz. Het resultaat mag er zijn.

Er is gekozen voor een lounge-achtige steer met leren meubels, stijlvolle tafels en dito stoelen. De ruimte is licht, stijlvol afgewerkt en geeft klanten een aangenaam gevoel. De gloednieuwe keuken is ingericht met de modernste apparatuur waarin de maaltijden en snacks volgens de HCCAP-eisen worden klaargemaakt.

En het eten, wel, de dagverse frites maar ook alle andere gerechten op het menu worden door de klanten hoog gewaardeerd. ‘We krijgen alleen maar positieve reacties en er komen steeds meer klanten bij.’

Het lijkt er dus op dat “friteskoning” Lahcen Askour het weer geflikt heeft; opnieuw heeft hij een mislukking omgetoverd in een zakelijk succesverhaal, met als basis opnieuw zijn dagverse, Limburgse frites.

‘Tien jaar geleden’, vertelden ze hem in Amstenrade voor hij begon, ‘zat er op die plek een uitstekende frituur. Daarna is het nooit meer zo goed geweest.’ De toenmalige uitbaatster woont om de hoek. Ze is nu een vaste klant van Frituur Amstenrade. Dat zegt toch genoeg?

De enthousiaste ondernemer is ondertussen bezig met de voorbereiding van zijn volgende project; een frituur in Lindenheuvel, Geleen. De volgende pijler van zijn groeiende frites-imperium. Geplande opening: eind september.

Illustratie gestolen van Joost Langeveld Origami.

Geen Reacties »

admin op 14 August 2012 in Ongewoon & Anders

In het overgebleven licht, zie ik alleen nog de beer…

Klik. Een gevaarlijk ogende boogschutter houdt onbeweeglijk de wacht bij een lantaarnpaal in het park vol dagjesmensen. De knaloranje veren aan zijn pijlen contrasteren met zijn grijze tenue, dat is opgetuigd met stalen beschermstukken. Vandaag zullen de langbenige groeten die hij uitstuurt de dood niet laten fluiten.

Het is een spel en de schutter heeft gekozen wie hij wil zijn, net als vele duizenden andere deelnemers en bezoekers. Daarbij lijkt de kracht van de wens om te ontsnappen aan het alledaagse evenredig aan de passie voor historische details.

Bronzen haarspelden, leren polsbeschermers, katoenen hemden, zakjesbeurzen, ridderhelmen, natuurlijke zepen, halfedelstenen, vilten hoeden, opkrullende puntschoenen, enkel- en dubbelhandige zwaarden – allemaal te koop in de honderden tenten die als witte confetti snippers op het groene gras liggen uitgespreid.

Op podia zijn optredens van potsenmakers, overal zijn eet- en dranktenten, en in de centrale arena bestrijden zwaardvechters elkaar met choreografisch verantwoord geweld.

Klik. Verderop trekt een processie van bontgekleurde boeren, burgers en buitenlui over het smalle slingerpad langs de uitgebloeide tulpen. Opgewekt onderweg naar nergens, hebben ze hun aflaat al bij binnenkomst ontvangen, vele dagreizen voor Jeruzalem.

Interessanter is het theater van de bedelende lepralijder bij de poort – die straks waarschijnlijk in zijn glimmende middenklasser naar huis rijdt. Vrijwel niemand kijkt hem aan of hoort zijn gelamenteer over de beloning die in de hemel op je wacht als je hem een aalmoes geeft. Klik.

Hij kiest ervoor om afstotelijk te zijn, net de grijpgrage groene monsters die door het park zwalken in de schaduw van twee langbenige heksen. Klik. De heksen zijn in een geluidloze dans verwikkeld, van aantrekken, loslaten en verwonderen. Zo weven ze magie in het landschap.

En het werkt. Ineens hervind ik mij weer. Ik was een toeschouwer, maar als ik op een plek kom waar je kunt boogschieten en bijlwerpen, weer ik het meteen: vandaag ben ik een geoefend bijlwerper. Ik kan dat, ook al heb ik het nog nooit gedaan.

De eerste bijl weeg ik rustig in m’n hand. Het blikveld vernauwt, als ik afdaal in mezelf. De wereld verdwijnt in schemer. Weg zijn de toeristen, verdwenen is het spektakel. In het overgebleven licht, verstild in concentratie, zie ik alleen nog de contouren van de beer voor me, op een bord zo groot als een binnendeur.

Na een licht wiegende beweging, om één te worden met de bijl, gooi ik als ik weet dat ik zal raken. Tsjoek. Tsjoek. Twee bijlen blijven vlak naast elkaar in de beer staan. Van de derde klapt het blad precies op het heft van de eerste. Als ik even later het festivalterrein verlaat, de camera allang opgeborgen, is de boogschutter nergens meer te bekennen.

Geen Reacties »

admin op 15 May 2012 in Ongewoon & Anders

Ze wekte het sluimerend roofdier dat wil onderwerpen

‘Het leven is een ziekte’, zei de man wiens gezicht asgrijs was als onze ondertussen innig verweven rookkringels. Zijn ogen dof, maar nog ongebroken. Hij had zich bij ons gezelschap gevoegd. Schijnbaar was het zijn vrouw op de kruk naast me en dat was natuurlijk voldoende reden voor hem om zich te moeien.

Nadat hij zijn loyaliteit aan haar had bevestigd met een vluchtige streek over haar rug, mij daarbij aankijkend en van haar een reactie verwachtend, die zij hem ontzegde, vervolgde hij zijn sombermanspraat - alsof ik niet reeds overtuigd was van de ernst van zijn droefgeestigheid!

‘Bij de geboorte al, begint men te sterven’. Hij liet de woorden even in de lucht hangen, als een reeks pufjes uit een pijp met puike, oosterse tabak.

Ik besloot het voorbeeld van zijn vrouw te volgen en draaide mijn hoofd af; zoveel liever stak ik mijn neus wat dieper in haar parfum. Ik genoot van haar stralende ogen, de licht geopende mond en haar malse borsten, mij eerder met een lichte buiging en een glimlach ter inspectie aangeboden.

Terwijl ze zachtjes met me converseerde over oppervlakkigheden, mij aftastend in zichzelf, fluisterde haar lichaam: ‘U hoeft misschien niet eens heel veel moeite te doen. Helemaal niet veel moeite zelfs’.

De benen die onder haar jurk uitkwamen, schoven langzaam iets meer uiteen. Ze wekte in mij het meesttijds sluimerend roofdier dat wil onderwerpen, overwinnen en zich te goed wil doen aan sappig vlees. Het roerde zich steeds luider in mijn diep verzonken ingewanden.

Ik bestelde een groot glas bier, bestudeerde half afgewend het tragische stel dat in een gesprek verwikkeld was waarvan de uitkomst hem schijnbaar niet beviel, en concludeerde dat het tussen hen nooit goed zou komen.

Of hij moest De Dood in hoogst eigen persoon zijn, die haar ging halen, maar daarvoor was zijn voorkomen ontoereikend; mensen zouden in het vervolg allemaal eeuwlingen worden want hij kreeg zo toch niemand mee! Met geweld, noch met angst of verleiding.

Het etablissement had bij nadere beschouwing wel enige gelijkenis met het voorgeborchte – zoals ik mij dat voorstel; de grauwe wanden waren doordesemd van de kleverige troosteloosheid van generaties ongelukkigen die hier dagelijks hadden gepoogd hun angsten te verdrinken. Zelfs de levenden aan de toog hadden zich al afgewend naar de doden.

In enen klaarde mijn geest op: het was mij gegeven om op dit moment, op deze wonderlijke plaats, grote keuzen te maken, levenslopen te veranderen! Mijn plotselinge en vreugdevolle inzicht deed de olielampen flakkeren.

Ik zou de ongelukkige man later die avond in een steegje doodknuppelen als een op drift geraakte zeehond en hem zo van zijn lijden verlossen. Hierbij zou ik me verkleden als een vreemdeling om de verrassing voor hem niet te bederven.

En zijn vrouw, wel, als hij de antagonist van mijn verhaal is, moest zij mijn grote prijs zijn. Haar zou ik op alle mogelijke wijzen bezitten tot ze nagenoeg blind, uitgeput en intens gelukkig in de resten van haar jurk ineen zakte op de vloer van het aftandse logement waar ze zonder twijfel woonde.

Nadat ik deze heerlijke gedachten een paar keer in mijn hoofd had doorleefd, onderwijl glimlachend naar hem en opgewekt keuvelend met haar, ze was nog dichter naar mij toegeschoven zodat ik haar warmte kon voelen en haar begeerte bijna kon ruiken, dronk ik mijn glas leeg en nam afscheid van haar.

Ik negeerde de zieke, die verbaasd achterbleef, onwetend van zijn naderende verlossing en het genot dat zijn weduwe slechts enkele uren later ten deel zou vallen. Buiten zoog ik de subtiele zomeravondgeuren zachtjes in me op.

(een pastische naar Baudelaire, afbeelding uit Laura)

Comments Off

admin op 25 March 2012 in Ongewoon & Anders

Lady laat de lampen branden op het industrieterrein

In de rouwkamer is het kil, maar niet door de aanwezigheid van de dood. ‘We hebben wat problemen met de verwarming de laatste tijd’, zegt de gastvrouw verontschuldigend als ze een kopje koffie op tafel zet naast een doos Kleenex. Terwijl de melk in de hete koffie oplost komt Peter Laumen (49) uit Sittard handenwrijvend binnen.

Ik zie het mezelf niet doen; werken in een sfeer van verdriet en afscheid nemen, dacht hij toen ze hem vroegen te solliciteren. Intussen is hij alweer een jaar vestigingsmanager van het Roermondse dierencrematorium van SHCN dat klanten bedient in een straal van zo’n honderd kilometer.

Dan moet je wel van dieren houden, niet? ‘Nou, nee, ik ben niet echt een huisdierenliefhebber’, bekent hij. ‘Thuis heb ik een hamster en vijftig vissen, in mijn jeugd hadden we een hond. Ik heb niks met dieren in die zin, dat ik bijvoorbeeld een zwerfhond uit Spanje zou meenemen naar Nederland. Die koop ik dan gewoon hier.’

Kan hij dan wel invoelen wat de baasjes meemaken? ‘Dat is in m’n sollicitatiegesprek ook een punt geweest. Ja, dat wel. Maar je moet er wel mee kunnen omgaan. Als je hier begint moet je eerst een dag proefwerken, alle werkzaamheden een keer uitvoeren. Dan gaat ook de koeling open…

Allemaal dieren, bloed uit allerlei openingen, dieren die hun ontlasting hebben laten lopen – en die moeten dan gereinigd worden voor het afscheid. Als je daar moeite mee hebt, moet je hier niet komen werken.’

Soms springt hij zelf bij, zoals vandaag bijvoorbeeld, omdat er iemand ziek is. ‘Anders kan een crematie niet doorgaan.’ En vanuit het streven naar hoge kwaliteit, goede service en een grote mate van betrouwbaarheid kan dat natuurlijk niet.

‘Wil ik dit wel zien?’

Het zijn dingen waar Peter Laumen liever over praat; de zakelijke uitdagingen van het groeiende SHCN van de familie Van der Arend, en de uitvaartspaarregeling voor dierenbezitters. Maar eerst nog even naar de dieren. Is er een crematie die hem is bijgebleven het afgelopen jaar?

‘Een tijdje geleden kwam hier een jong paard binnen dat het naar verwachting zeer ver zou gaan schoppen, niet zoals Salinero van Ankie van Grunsven, maar wel op wereldniveau. Om een onverklaarbare reden is het gestorven, daarom werd sectie verricht. Het paard was helemaal opengesneden, z’n ingewanden lagen half eruit. Alleen het hoofd was nog gaaf. Toen dacht ik: wil ik dit wel zien?

De eigenaar van de manage, de eigenaar van het paard en de jockey kwamen gescheiden hier naartoe. Het paard lag opgebaard. Alleen het hoofd was te zien; heel netjes. De jockey kwam later, die heb ik toen opgevangen. Hij trok het even helemaal niet meer.

Er waren twee dochters van de eigenaar meegekomen, die reden ook op dat paard. Zij zijn wel drie kwartier gebleven, waren er niet bij weg te krijgen. Het was allemaal heel emotioneel. Dan moet je wel even een zijsprongetje maken om niet mee te gaan in het verdriet van die mensen.’

In de aangrenzende rouwkamer ligt een witte American Bulldog opgebaard. Hij lijkt te slapen, maar mist de veerkracht die hem eerder moet hebben gekenmerkt. Zijn half openstaande ogen hebben een lichtrode gloed.

Het baasje met familie en vrienden zit in de glazen piramide, vooraan in het pand, omringd door vitrines met alle mogelijke soorten urnen en memorabilia. Een aantal meisjes in het gezelschap zit erbij met betraande gezichten.

De groep is opgevangen door een gastvrouw. Zoals gebruikelijk, vroeg ze gelijk naar de naam van de hond om het persoonlijk te maken, en biedt een luisterend oor. Zo meteen worden de nabestaanden binnengeleid in de rouwkamer waar hun geliefde op hen wacht.

Hoewel een huisdier volgens Peter Laumen tegenwoordig door veel mensen wordt gezien als gezinslid, bijna als een kind, duurt het afscheid meestal maar enkele minuten. Al krijgt iedereen natuurlijk de tijd die hij of zij nodig heeft, haast hij zich te zeggen.

Er wordt vaak een knuffel bij het huisdier gelegd of een speeltje, en bij een paard vaak ook wat stro. Je kunt muziek naar keuze laten horen en daarna vertrekt je hond, kat of cavia voor zijn laatste reis. Als je wilt, kun je erbij zijn om zeker te weten dat hij alleen de oven ingaat.

Het afscheid van de American Bulldog duurt niet lang. Terwijl de familie nog napraat in de piramide wordt de ovale houten sierrand rond zijn laatste mand in tweeën geklapt. Een verrijdbare baar wordt zichtbaar die meteen beheerst door een medewerker naar buiten wordt gereden.

Na twee deuren en een smalle lange gang, staan we voor de deur waarachter we de ovens rustig horen ronken. Er zijn er twee, legt Peter Laumen uit, één voor huisdieren en één grote voor paarden. Speciaal ontworpen door een Van der Arend. Het lijkt een soort ketelhuis met al die buizen en grote machines, en vergeleken met de rouwkamer is het er lekker warm.

Achter de voorste oven staat een rijdende baar met daarop een witte langharige hond, gelegen in een met rood fluweel bedekte mand. Met zijn grote atletische lichaam en prachtige ranke kop is hij zelfs nu nog een indrukwekkende verschijning.

Achter de tweede, op een onbedekte stalen baar, ligt een rechthoekig pakket, omwikkeld met een ruwe deken. Het zou een middelgrote hond kunnen zijn, maar die vorm is niet gelijk herkenbaar, dat maakt het wat luguber.

De American Bulldog is nog niet aan de beurt, deze twee gaan voor. Na zijn crematie, die naar verwachting tussen de één en twee uur zal duren, kan zijn as op het land worden uitgestrooid of vanuit een vliegtuig. Een andere optie is verstrooiing op zee, individueel of samen met anderen. De grote plastic tonnen voor de collectieve verstrooiing staan al klaar in de inpandige garage waar ook de paarden worden opgebaard.

Armband van paardenhaar

Meenemen in een urn kan ook. Daarvan hebben ze hier heel veel soorten. Van echt groot voor een volwassen paard, als pot geschikt voor een fikse kamerplant, tot klein, bijvoorbeeld een knuffelsteen waarin achter een klein afsluitdekseltje de as van je hamster kan worden bewaard.

Bijzonder zijn verder een porseleinen hondenkop die door een kunstenaar aan de hand van foto’s zo wordt beschilderd dat hij lijkt op jouw trouwe kameraad; de strakke design urnen van RVS, bijvoorbeeld in de vorm van een lotusbloem; en de fraaie piramides van keramiek, die eveneens beschilderd kunnen worden.

Verder kunnen er armbanden worden gemaakt van geweven paardenhaar en uiteraard is ook het maken van pootafdrukken of een kunstmatige herinneringsdiamant mogelijk. De as ‘laten opnemen in een speciaal voor u geselecteerde boom of heester’ kan ook.

Maar het hoeft allemaal niet zo duur te zijn. Bij de prijs van het cremeren inbegrepen is een soort ovaal koffieblik, een asbus, met een afbeelding van een landschap erop. Op de plank van een klein kantoortje naast de ovens staat een aantal gecremeerde dieren in zulke bussen keurig op een rijtje te wachten op hun baasjes, uiteraard voorzien van de juiste papieren.

Om de hoek, in het domein van de cremateurs, is het nu echt warm. Er hangt een geur die doet denken aan verbrande vacht en huid. Uren later ruik je het nog.

De achterste oven staat open, de stenen aan de wanden stralen fel oranje. De hitte is intens. Binnenin is het zo’n negenhonderd graden. Een jonge vrouw is bezig om met een ijzeren schraper aan een lange stok de asresten in een eronder geplaatste kruiwagen te werken.

Van de hond is vrijwel niets meer over, minder dan inhoud van een pak suiker. Was dat wel zo, dan waren de resten nog eens getrommeld met marmeren ballen zodat de as mooi fijn wordt.

De alternatieven voor cremeren zijn zelf begraven in de tuin of je huisdier naar een vernietigingsbedrijf brengen. De speelkameraad van de jonge Peter Laumen ging naar ‘destructie’. ‘Daar worden ze vermalen, dat is niet fijn. Als ik dat had geweten, had ik het nooit gedaan. Cremeren is veel mooier.’

En booming business, als je de vestigingsmanager van het Roermondse crematorium moet geloven. SHCN, met vestigingen in Leidschendam en Roermond, heeft in elk geval grote plannen. Zo wil het bedrijf verder groeien, met name gericht op klanten uit Duitsland en België.

‘Dat moet gebeuren door al in het voortraject contacten te leggen, bijna vanaf het moment dat mensen een dier kopen. Bijvoorbeeld via dierenklinieken en contacten in de paardenmarkt.’

Ook op diverse andere manieren is het bedrijf innovatief bezig. Zo wordt in de toekomst mogelijk om via beveiligde webcams afscheid te nemen van je huisdier als je niet naar het crematorium kunt komen. Ook kunnen straks videobeelden worden vertoond in de rouwkamer.

Energie uit huisdieren

In het nieuwe crematorium in Nootdorp met vijf ovens, dat vanaf dit jaar het paradepaardje van het familiebedrijf moet worden, kan het straks allemaal. Dit centrum is echter vooral bijzonder doordat een deel van de warmte van de verbrandingsovens wordt teruggewonnen voor de verwarming van het pand.

Peter Laumen: ‘Het is zelfs zo, dat we straks een deel van het industriegebied waarin dat pand ligt van energie kunnen gaan voorzien. Dat is uniek in de wereld.’

Het ligt gevoelig, geeft hij aan, maar de belangstelling is groot. ‘Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van een aantal landen heeft al interesse getoond. Waarschijnlijk zullen ook de crematoria voor mensen ooit die kant op gaan, maar dat zal nog wel even duren.’

Nu al probeert SHCN de CO2-uitstoot terug te dringen en worden via de Climate Neutral Group ter compensatie bomen aangeplant. Maar daarmee krijg je het natuurlijk niet warm in een rouwkamer als er een probleem is met de verwarming.

(Illustratie: Ralph the Robot.

Comments Off

admin op 5 March 2012 in Ongewoon & Anders

Ria Kleijkers: ‘Ik was vergeten dat ik een mens was of vrouw’

Ria Kleijkers uit Sittard is manager én kunstenaar. We spraken met haar over mannencultuur, vrouwelijkheid, werk en kunst.

‘Het kwam toevallig goed uit; het interview vandaag. Ik ben geen huisvrouw die de tijd aan zichzelf heeft. Ik ga deze week naar India voor mijn werk.’ Ria Kleijkers (60) werkt als manager bij DSM. Ze stuurt (in)direct zo’n dertig mensen aan. En dat zal ik weten ook. Nog voordat ik goed en wel zit.

‘Wil je wat eten, een boterham?’ Het wordt een dubbele bruine boterham met kaas, in vier stukjes voorgesneden, en, op mijn verzoek, een glas water.

Bij DSM houdt ze zich bezig met ‘het managen van Business Processen voor DSM Corporate & Service Units’.

Ze praat in korte zinnen, wil krachtig overkomen.

In India, waar ze over een paar dagen naartoe gaat, komt er een Service Unit bij voor DSM. In Limburg verdwijnen er banen. ‘Er komt hier weer een fikse reorganisatie aan. Maar dat is de policy en als het bedrijf het wil, moeten we dat uitvoeren, zo zijn we opgevoed.’

Zelf heeft ze ook wel eens geadviseerd over te reorganiseren afdelingen. ‘Na twee weken een rapport neerleggen.’ Daar stond dan vaak ook in welke mensen eruit moesten. ‘Dat heb ik wel erg gevonden.’

Iedereen heeft talenten, maar ja, als die niet meer passen in de huidige situatie bij het bedrijf houdt het op, geeft ze aan. Dan moet er afscheid worden genomen.

Dat geldt ook voor haar twee huwelijken. ‘Mijn beide ex-mannen vonden dat het enige recht van de vrouw het aanrecht is.’ En zo is ze niet, dus dat ging op een gegeven moment niet meer. Op het werk wordt duidelijk een andere rol van haar verwacht.

Met management technobabble laat ze zien dat ze één van hen is, one of the guys, deze vrijgevochten vrouw, die ironisch genoeg ooit begon in een ‘vrouwenbaan’.

‘Eigenlijk kunnen we u niet aannemen als vrouw’, kreeg ze van de afdeling P&O te horen bij haar sollicitatie in 1981. ‘“U heeft te veel papieren voor een vrouwenbaan” – DSM had toen mannen- en vrouwenbanen.’

Ze glimlacht, weet intussen hoe ze haar mannetje moet staan.

Heerst er een mannencultuur bij DSM? ‘Mij maakt dat niks uit. Als het met DSM goed gaat, gaat het met mij ook goed. Maar het zit er nog steeds in, ja. De afgelopen jaren hebben ze bij communicatie en in het hoger management diverse vrouwen aangenomen. Binnen korte tijd waren ze weer weg….

Pfff, ik zoek m’n weg. En hoe ver wil en kun je gaan? Het leven heeft meer te bieden dan werken.’

Kunst bijvoorbeeld. Als ze met prepensioen gaat, effectief in augustus volgend jaar, wil ze zich bijna helemaal op de kunst gaan richten en aan huis een galerie beginnen. Die moet in oktober opengaan.

‘Alleen maar werken, dat is niet goed. Zo word je nog gek Ria’, zei ze tegen zichzelf toen ze negenendertig was. En dat was natuurlijk niet de bedoeling.

De kunst heeft haar nooit meer losgelaten of zij de kunst.

In het aquarelleren, de zachte, vloeiende schilderkunst, vond ze een aangenaam contrast met de harde en georganiseerde werkwerelden van het bankwezen en later de chemie. Vervolgens legde ze zich toe op acryl schilderen, textiel, raku (Japanse keramiek) en beelden maken van klei en staal.

In de hoek van de woonkamer staat een sculptuur van gelaste stukken staal, ongeveer een meter hoog. Ook de sokkel is van aan elkaar gelaste plakken staal.

Ze ziet me kijken: ‘Heb je dat wel eens gedaan? Lassen?’ Haar ogen glinsteren; dit vindt ze mooi: lassen, slijpen, hameren.

Het beeld geeft een indruk van sierlijkheid en transparantie, maar ook van hardheid en gevaarlijke scherpte.

‘Ik ga naar de schroothoop om grove stukken te zoeken. Je ziet een basisproduct en dan kijk ik: wat kan ik ermee? Ik blijf altijd vragen en kijken naar vormen. En als ik wat vind om te doen, dan wordt dat gemaakt. Dat groeit dan tot iets. Soms kom je zo boven je zelf te staan en dan ontdek je ook iets van jezelf.’

Wat ontdekte u bij dit kunstwerk? ‘Vertrouwen in de mensen, passie en mijn wilde kant. Ik ben best wel wild, een avontuurlijk mens. Nieuwsgierig ook, wil alles weten. Die kronkel; een mens gaat nooit rechtstreeks, daar zijn heel veel wegen voor.’

Hoe bent u opgevoed? ‘Mijn vader wilde een jongen en hij heeft me opgevoed alsof ik een jongen was. Het bos in, hutten bouwen. Dat is toch ook leuk voor meisjes? Het maakt niks uit of je een jongen of een meisje bent. Hij leerde me vissen en voetballen…

Ik zie het nog voor me: kwam ik op een dag met een vis aan de haak naar huis; moest hij het haakje losmaken hahaha. Vissen lukte wel, maar dat kreeg ik niet voor elkaar.’

Het thema van uw werk is vaak de vrouw of vrouwelijkheid. ‘Ja, ik gebruik het thema vrouw-zijn herhaaldelijk.’

Is het te psychologiserend om te denken dat u via de kunst uw vrouw-zijn aan het herontdekken bent?
‘Nee, dat zou best wel eens zo kunnen zijn. Ook ik mag er zijn als vrouw. Een tijd geleden was ik vergeten dat ik mens was of vrouw…’

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Comments Off

admin op 16 February 2012 in Ongewoon & Anders

Waar de vissen zich schuilhouden



Hij vangt mijn blik met de moeiteloosheid van een ervaren visser die intuïtief weet waar de scholen vissen zich schuilhouden onder het troebele oppervlak van de zee. De stap in zijn richting wordt opgevat als een uitnodiging en met brede armgebaren begint de man me mijn verlangens te vertellen.

Met het hoofd een tikje schuin, zoals een goed toehoorder betaamt, en een glinstering van ongeloof in mijn ogen volg ik hem op zijn tocht van probleem naar oplossing. Of ik wel eens krassen op mijn auto heb die je niet weg krijgt? Uiteraard, wie niet?

Voortgestuwd door de resten van zijn aanvankelijke enthousiasme gaat hij verder op de automatische piloot. Grijpt een plastic flesje dat ‘magic’ heet en spuit een klodder derrie op het stuk motorkap voor hem. Het gelakte metaal ziet eruit alsof het met een verfbrander is mishandeld door een verstokte autohater.

Met zekere, ronddraaiende bewegingen wrijft de dokter het geneesmiddel uit over de huid van de overleden patiënt. De mond beweegt in die door weer en wind opgeruwde kop maar de klanken vallen van me af als regendruppels van een oliejas.

Ik onderbreek hem, gebaar dat ik er eentje wil, betaal en loop door, mijn aanwinst in de hand, in zo’n wit plastic zakje van de Chinees. Glimlachend naar de zon die schijnt.

Waarom laat ik me meevoeren in dit soort verhalen? Omdat ik wil geloven. In goeroes, tovenaars, goochelaars, schrijvers en filmmakers bijvoorbeeld. In de betovering. En soms ook in gemakkelijke oplossingen, zoals het kopen van een Staatslot om je geldproblemen op te lossen.

Thuis zet ik de gebottelde belofte op een kast. Klaar voor het wonder.

Geen Reacties »

admin op 5 February 2012 in Ongewoon & Anders