Een bang, klein vogeltje tussen de wilde katten

Darmkanker en de operatie, dat was peanuts. De angsten die Mirjam Verschure daarna in bezit namen, vond ze veel erger. Het verhaal van een krachtige vrouw die bijna gevloerd werd door een posttraumatische stressstoornis. En er weer bovenop kwam.

Ze had het zelf niet verwacht. Natuurlijk niet, niemand had het verwacht. Niet van Mirjam Verschure. Ze is een opgewekte, stevige tante die van aanpakken weet. Het stabiele, aardse type. Een wroeter met een onwrikbaar gevoel voor humor.

Kanker loerde al jaren maar ze had die behendige sluipmoordenaar steeds weten te ontlopen. Hij zit in de familie, zei ze vaak schouderophalend. Ondertussen zette ze zich dan schrap voor de dag dat hij toch ongemerkt door haar verdediging was gebroken.

Een voorbeeld van wat er dan gebeurt heeft ze thuis meegemaakt met haar moeder, het eerste slachtoffer in het gezin waarin “K” zijn giftige staart roerde. En later met haar vader. Het zijn ervaringen die Mirjam onbewust meer hebben getekend dan ze jarenlang heeft vermoed.

Als helft van een tweeling groeit ze op in een ondernemersgezin. Ze is één jaar als ze in 1958 vanuit Amsterdam met haar ouders naar Roermond verhuist. Het transportbedrijf van de familie draait goed en in deze bisschopsstad moet een nieuw expeditiekantoor komen; de taak van haar ouders. Het is de vijfde of zesde vestiging in het land.

Na de katholieke meisjesschool en de mavo gaat ze aan de slag in een speelgoedwinkel. ‘Dat was gezellig. Het begon als een woensdagmiddagbaantje en duurde vier jaar, toen had ik het wel gezien.’ Mirjam besluit kraamverzorgende te worden. ‘Ik wilde iets doen met kinderen en baby’s vanwege de hele feestelijke toestand er omheen’.

Het wordt een combinatie van werken en leren in een baan die haar op het lijf geschreven lijkt. ‘Ik assisteerde bij bevallingen en aansluitend hielp ik een week aan het kraambed bij de mensen thuis.’ Naast haar werk heeft ze een druk sociaal leven; ballet, volleybal en de stadscarnavalsvereniging strijden om haar aandacht.

Na zestien jaar verruilt ze in 1996 het kraamcentrum voor de kraamafdeling van het ziekenhuis in Roermond. ‘Het aantal uren dat mensen via het kraamcentrum kregen, nam af. In het ziekenhuis heb je ook zieke mensen en kinderen en ik wilde iets geregelder werken.’

De jaren verstrijken en Mirjam, die zelf geen kinderen heeft, voelt zich al snel als een vis in het water. Hele generaties kinderen heeft ze in haar armen gehad en met de collega’s kan ze het goed vinden.

Als ze maar even tijd heeft, is ze op de golfbaan te vinden. ‘Wat ik leuk vind aan golf, is dat je altijd tegen jezelf speelt.’ Of ze vermaakt zich met de kinderen van haar tweelingbroer Jos, die met zijn gezin in het naburige herenhuis woont. Zijn vrouw Lilian is leidinggevende op de kraam.

Mirjam heeft haar leven op orde, en zo ziet ze het graag. In juli 2008 verandert alles. De vijand is binnen de muren; darmkanker. He? Mirjam schiet van de zenuwen in de lach. ‘Ik heb hier helemaal geen tijd voor, ik moet nog twee clubkampioenschappen spelen’, zegt ze tegen de arts die het slechte nieuws vertelt.

Kan de operatie dan niet tenminste in haar eigen ziekenhuis gebeuren? Dat kan. Ze maakt grapjes als ze wordt gewogen, gelooft het nog steeds niet. Giechelend verlaat ze de kamer.

De ontkenningsfase duurt enkele dagen, maar als ze voor het eerst de smerige contrastvloeisof moet drinken die nodig is voor een scan, wordt het ineens echt. Bitter echt.

Angst en vertrouwen wisselen elkaar af, toch krijgt deze pittige single al snel weer grip op de situatie. Mirjam overkomt namelijk niets, ze kiest. ‘Of ik door rood rij, dat bepaal ik zelf.’ Zo regelt ze bijvoorbeeld de mensen die ze erbij wil; voor, tijdens en na de ingreep.

‘Je hebt de zaak goed in de hand’, zegt een collega als ze lachend de afdeling op komt wanneer ze weer iets naar haar hand heeft gezet. De kanker geeft ze een naam, ook om hem te beheersen. “Flupke”, heet hij.

Schijnbaar onvermoeibaar blijft Mirjam doorwerken. Alleen vanwege de onderzoeken moet ze af en toe verstek laten gaan. Op de valreep, twee weken voor de operatie, wordt ze nog vierde bij de dames tijdens de clubkampioenschappen. Een week voordat ze onder het mes gaat, stopt ze met werken. Bekaf.

Ze is nerveus. Logisch. Wie zou dat niet zijn? Lilian brengt haar naar de operatiekamer. Eerder is ze nog even op de kraam geweest, als patiënt. Met haar koffertje met kleren in de hand. Het voelt onwerkelijk.

Voor ze wegvalt in het diepe zwart, zegt ze Flupke nog even gedag: “Tot nooit meer ziens!”. De operatie gaat goed. Het waren drie heftige dagen en ze heeft zich kranig geweerd. Net als haar moeder, die in 1985 overleed na een ziekte van twee jaar.

‘Mijn moeder heeft in december een heel grote operatie gehad Ze gaven haar tot mei, maar zij heeft nog twee jaar geleefd. Omdat ze nog niet dood wilde. Ze ging er nog op uit; met m’n vader op vakantie en met vriendinnen dagen weg. Niet het type dat thuis gaat zitten achter de geraniums. Zeker niet.’

Mirjam is blij dat haar operatie achter de rug is. Er was een technisch probleem in haar lijf, dat is opgelost en nu is het afgerond. Klaar, afgelopen. En nu weer verder.

De vijand die haar vervolgens bijna op de knieën krijgt, is van een heel andere orde. Niet tastbaar, zoals een gezwel in de darmen, maar onzichtbaar en overal aanwezig. Telkens gooit hij haar ondersteboven, zodat ze zich voelt als een bang klein vogeltje met een gekneusd pootje, omringd door grote wilde katten.

‘Die operatie vind ik nog steeds peanuts. Maar het proces daarna heeft heel grote indruk gemaakt. Ook nu, als ik terugdenk aan wat ik gedaan heb; dat ik dat was. Nee, dat was niet ik!’

Het herstel duurt lang, veel te lang volgens de ongeduldige Mirjam, die liefst gelijk weer aan de bak gaat, dan hoeft ze er ook niet te veel over na te denken. Dat leidt toch sowieso tot niets.

De huisarts vraagt een week later bezorgd of ze de operatie wel goed heeft verwerkt. Ja ja, denkt Mirjam, wat een gepraat. ‘Kijk liever naar mijn blauwe billen, daar zit de pijn.’

16 september belt de chirurg met het verlossende antwoord: Alles is weg. Golven emoties overspoelen haar, tranen biggelen over d’r wangen; Flupke is weg! Kankervrij, kankervrij!

De dokter wil haar over drie maanden terugzien en over een half jaar een intern onderzoek. De geplande datum voor deze scopie is 17 december, de sterfdag van haar moeder. Het wordt een dag later.

Onderweg naar Vliegveld Düsseldorf, waar ze familie afhaalt die met vakantie is geweest, moet ze onbedaarlijk huilen. Er is geen houden meer aan. Oneindige tranen stromen onder haar zonnebril door terwijl ze voortjaagt over de snelweg.

Voor haar welkom op het vlieveld zorgt ze dat d’r ogen droog zijn, “want anders gaan ze zich weer zorgen maken over mij en ze hebben net zo’n leuke vakantie gehad; dat gevoel wil ik niet verpesten”.

Thuis wordt ze bij het minste of geringste overmand door emoties. Ze denk aan haar moeder. ‘Ook zij had darmkanker en ik heb haar de laatste weken thuis verzorgd. Zoiets vergeet je niet. Ik heb toen een dagboek bijgehouden. Ik schreef over een kaars die langzaam uitging…

Mijn vader? Mijn vader was een grapjas eerste klas. Hij overleed aan blaaskanker. Daarvoor hebben we met m’n vader, m’n broers en de schoonzussen nog heel mooie weken gehad. Soms liepen de tranen van het lachen ons over de wangen. Op de overlijdensadvertentie hebben we gezet “Hij leefde met een lach”.’

Ondertussen valt het Mirjam op dat ze al een tijdje niet meer op de kraam is geweest. Zonder een duidelijke reden. Haar fysiotherapeut, met wie ze een prima band heeft, ziet de problemen al aankomen, Mirjam nog niet.

Emotioneel leeft ze de volgende dagen als een stuiterbal, ondertussen wordt ze bedolven onder een voortdurende stroom van felicitaties. Het regent kaarten, sms’jes en telefoontjes.

Ze voelt zich de hele tijd belabberd, maar wil het plezier van de anderen niet verstoren. Tijdens een feestje, bij de golfclub, en al helemaal niet op de kraam, waar het meestal feest is door de vele geboorten. Ze huilt dagelijks alsof de voorraad verdriet nooit op raakt.

Het duurt weken, maar op een dag heeft ze voldoende moed verzameld om naar haar afdeling te gaan. Via de kelder van het ziekenhuis, want dat is veilig; zo komt ze niemand tegen die haar herinnert aan de operatie.

Ze wil bedankkaartjes in de postvakjes van haar collega’s stoppen, maar het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen. Hartkloppingen, hoofdpijn, zweterige handen, duizeligheid… Ze gaat weg, moet daar weg. Zo snel als het kan. Frisse lucht!

Een paar dagen heeft ze nodig om te herstellen van deze expeditie. Verdomme, als dit zo door blijft gaan, heb ik echt hulp nodig, denkt ze. Maar Mirjam is Mirjam, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan. Niet janken. Gooi er liever een grap tegenaan.

Medio oktober, vijf weken na de operatie, gaat ze weer aan het werk. Nou ja, dat is de bedoeling. Ze kijkt de hele tijd naar de grond, heeft het warm, dan weer koud, zweet overmatig, krijgt hoofdpijn en begint te hyperventileren. Zo kan ze niet werken.

Mirjam pendelt vervolgens tussen de bedrijfsarts, de psycholoog en de fysiotherapeut, ondertussen nog even een borstonderzoek meepikkend waarvoor ze standaard is opgeroepen. Ook leuk.

De psycholoog weet het vrijwel meteen; Mirjam heeft een forse posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een angststoornis. Werken zit er niet in, zeker de eerste twee maanden niet.

‘Ik vond het vervelend dat ik niet kon bepalen wanneer ik ging huilen. Ze zei dat ik er nu gewoon doorheen moest, dat ik de emoties moest laten komen.’ En dat is nu net wat ze niet wil.

Na een paar weken kan ze op therapeutische basis aan de slag. Vier uur per dag en niets moet. 4 november 2008 heeft de afdeling bijscholing. In de kantine gaat het mis als ze “haar” anesthesist ziet. ‘Ik begon gelijk te hyperventileren, sloeg helemaal dicht.’

Mirjam is verlamd door angst. Op 11 november loopt ze “haar” chirurg tegen het lijf en opnieuw is het raak. Het hart klopt in haar keel, zweet gutst over haar rug. Ze hoopt dat hij niet haar kant oploopt. Dat doet hij wel. Ze kijkt naar de grond, schuifelt voort. Negeert hem. En het probleem dat hij belichaamt.

De psychologe denkt dat het te maken heeft met angst voor het verlies van controle door de algehele narcose. Ze heeft zich nog nooit overgegeven aan iemand of een situatie. Of het moet lang geleden zijn geweest.

Er komt een gesprek met de anesthesist. Mirjam praat ook regelmatig met haar fysiotherapeut. Met hem heeft ze een goede band sinds hij haar ooit bij de revalidatie vanwege een kapotte knie heeft geholpen. Hij gelooft wel in het PTSS-verhaal. Mirjam niet: ‘Ik zei: ‘”Jij bent maf man, ik werk hier, dat kan ik niet hebben.”’

De anesthesist jaagt haar de stuipen op het lijf, toch kiest ze ervoor om haar angst in de ogen te zien. Op advies van de psycholoog. Confrontatietherapie, heet dat. Op 4 december zal het gebeuren. Die dag denkt ze niet aan Sinterklaas. Het cadeautje dat zij wil, moet ze zelf meebrengen. En helemaal uitpakken.

In de wachtkamer van de anesthesist staat ze doodsangsten uit. Het idee om hem aan te kijken is genoeg om haar verder in elkaar te laten duiken. Ze is koud en verstijfd en kijkt de hele tijd naar haar schoenen als hij de patiënten om beurten binnenroept en daarna wegzendt.

‘Hee, naar de kapper geweest?’

Mirjam wil de anesthesist niet aankijken. Onder geen beding.

‘Laat d’r maar even’, komt de secretaresse haar te hulp.

De anesthesist gaat weer zijn werkruimte in. Als hij terugkomt, zegt hij tegen zijn secretaresse, maar zo luid dat Mirjam het hoort: ‘Mensen kunnen me rustig bellen vanavond, want ik heb dienst en ze kunnen ook koffie komen drinken.’

Mirjam durft niet.

De secretaresse voelt dat ze een duwtje nodig heeft: ‘Vraag maar of je hem kunt bellen.’

‘Jij kletst lekker’, bijt Mirjam haar toe.

‘Ze wil je graag bellen.’

‘Kan ik je echt bellen?’ Mirjam gelooft het niet.

‘Natuurlijk’, zegt de anesthesist. ‘Je kunt me ook laten oppiepen via de portier of mijn mobiele bellen.’

‘Jij belt hem vanavond’. De secretaresse is resoluut.

Toch gaat het gesprek niet door. Mirjam belt, maar de anesthisist heeft het die avond onverwacht te druk om haar oproep te beantwoorden.

Dagen later wordt op advies van de psycholoog afgesproken dat de anesthesist Mirjam gaat negeren. Dat levert een hilarische situatie op. Op 16 december, terwijl de patiënten komen en gaan, heeft Mirjam zich in de wachtruimte geïnstalleerd achter het buffet met koffie en thee. Zogenaamd helemaal verdiept in de krant die ze voor haar gezicht houdt. Is er wel, maar ook weer niet.

Het lijkt een scene uit een oude film, maar het werkt. Met de dagen wint ze steeds een stukje terrein. Van afzijdige toeschouwer wordt ze langzaam weer de verzorgende die op de kraam van wanten weet. Zoals voor de operatie.

Door de gehele narcose was de grens weggevallen tussen privé en werk, en misschien ook wel die tussen vroeger en nu. In haar streng bewaakte muur was een gat geslagen, dat ondertussen overigens is gedicht.

Mirjam werkt alweer jaren zonder problemen in het ziekenhuis waar ze eerder niet meer naar binnen durfde, behalve dan via de kelder. Over haar ervaringen schreef ze een boek, “Heftig”, waarvan al vele honderden exemplaren van zijn verkocht.

Toen haar moeder kanker had, was het anders. ‘Wij praatten er thuis vrijuit over, maar kanker was in de jaren tachtig voor veel mensen nog “K”, dat was taboe. Het was iets dat je stil wilde houden.’

Nu is kanker beter bespreekbaar, desondanks weten veel mensen niet wat je doormaakt als het je overkomt. Dat geldt nog meer voor PTSS.

‘Ik krijg veel reacties van mensen die zeggen: Zij begrijpt echt wat het is, doordat ze het zelf heeft meegemaakt. Mensen die zelf ziek zijn geweest, al is het “maar” door een auto-ongeluk, en ze moeten weer langs die bekende plek.’

De collega’s reageerden verschillend op haar openhartige boek. ‘Sommigen zeiden dat ze het niet zo hadden meegekregen. Ik was in die tijd ook maar een paar uurtjes op de afdeling. Aan de andere kant: Goed luisteren, dat kunnen niet veel mensen. Vaak vragen ze maar om te vragen en niet omdat ze echt willen weten hoe het met je gaat.’

In december moet ze weer op controle. ‘Dat is wel spannend. De arts komt de uitslag zelf vertellen. Ach, de wereld vergaat toch op eenentwintig december? Ik laat het onderzoek daarna doen. Als het echt afgelopen is, heb ik in elk geval niet die rotzooi, die contrastvloeistof hoeven te drinken hahaha.’

Het is een grap die haar vader zeker zou waarderen.

Het boek van Mirjam Verschure is te koop via www.heftighetboek.nl. Van elk verkocht boek gaat twee euro naar de Maag Lever Darm Stichting. Dit artikel is eerder verschenen in Mijn Geheim.

Comments Off

admin op 28 April 2013 in Boek & Meer

Gedicht voor het Rijksmuseum

[hoofdpad]

Onder sterrengloed gevonden,

schijnt in dit hemels labyrint,

via de edele kunst bedwongen,

die de gouden stralen bindt,

het schoonste onbegonnen,

dat aan de aarde ontspringt.

Laat uw hart spreken

[zijpad]

gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,

rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,

via het volgen van de draad,

die zoals de ouden schreven,

onverlet naar de oorsprong gaat.

[hoofdpad]

gevuld met droom en daad,

want verscholen in deze tekens,

rijk aan geluk en overmaat,

wacht een lichtend weten,

voor wie vrijmoedig gaat,

waar pracht in fijne streken,

de natuur in zuivere vormen raakt.

[witregel]

Beschouw de daden,

die u niet onder ogen zag,

bij het aangenaam dwalen,

onder beschutting van de nacht,

voeg het gedeelde samen,

zodat het wint aan kracht,

vergeet de verhalen

en wees die wordt verwacht.

[witregel]

U ziet, van mij rest louter stam,

voort leef ik als uw bloesem spreidt,

uw bladerdak het al omspant

en de wereld toont uw majesteit.

Toelichting

Dit gedicht is geschreven en afgemeten voor de tegels van een labyrint bij het Rijksmuseum. NRC schreef hiervoor begin 2013 een wedstrijd uit, maar geen van de honderden ingestuurde gedichten werd goed genoeg bevonden voor vereeuwiging in steen.

Voor dit gedicht heb ik thematisch geput uit de sacrale geometrie en de geomantie die via de neogotiek invloed lijken te hebben gehad op Pierre Cuypers, de architect van het museum.

Door de stijl van spreken, de keuze voor omarmend rijm en de geleende metaforen ademt het de sfeer van het gedicht dat gepubliceerd is om de nieuwbouw van het museum aan te kondigen. Daarnaast bevat het werk verwijzingen naar de mythe over Theseus, de Minotaurus en de draad van Ariadne.

De verteller, die aan het eind zichtbaar wordt, is de stronk van een vleugelnootboom die door Pierre Cuypers is geplant en te vinden is in het hart van het labyrint.

(Afbeelding gestolen bij Werksaam.)

Comments Off

admin op 12 April 2013 in Ongewoon & Anders

Ad van der Loo: ‘Ik ben een control freak’

Luitenant-kolonel b.d. Ad van der Loo (67) is sinds mensenheugenis het boegbeeld van de Kennedy-Mars Sittard. Na een halve eeuw voorzitterschap wil hij binnenkort het stokje overdragen. “Het was in 1963 niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.”

“Na al die jaren Kennedymars zit het me nog steeds dwars dat de tocht in 2001 is afgelast vanwege het gevaar op mond-en-klauwzeer. De boeren zeiden: ‘Er komt bij mij niemand langs het erf. Ik wil niet het risico lopen dat mijn dieren besmet raken.’ We hebben alles uitgezocht, waar wel en geen boerderijen waren, en het kringetje werd steeds kleiner.

Op het laatst zouden we vier of vijf rondjes Sittard doen. De burgemeester zei: ‘Nee, dat kan niet. We moeten niet op paaszaterdag de hele stad verstopt hebben.’ Drie dagen van tevoren is de tocht toen afgeblazen. Achteraf bleek het helemaal niet nodig te zijn geweest. Dat was een echte tegenvaller.

Zelf heb ik de mars één keer gemist in vijftig jaar; de tocht van 1982. Dat kwam door mijn uitzending als VN-waarnemer. Dat is misschien wel mijn leukste jaar geweest. Bij UNTSO (United Nations Truce Supervision Organization) zat ik toen als kapitein in totaal twaalf maanden in Syrië en Israël.

In Damascus was ik in 1981 een half jaar waarnemer aan de Syrische kant van de Golanhoogte. Daar hielden we inspecties en tellingen. De hoofdtaak was vanuit een observatiepost, waar je tien kilometer naar links en rechts kon kijken, erop toezien dat er niemand in de verboden gebieden kwam. Overtredingen moesten we doorgeven aan de UN-troepen, die dan actie ondernamen. Dat is nu nog steeds zo.

We hebben in Damascus drie keer een bomaanslag meegemaakt. Eén keer met honderd doden.

Vervolgens heb ik in 1982 een half jaar op het UNTSO-Hoofdkwartier gezeten in Jeruzalem. Jeruzalem is een machtig mooie stad. Ik had daar ook wel eens nachtdiensten. Dan kreeg je telefonisch en per fax berichten binnen en daar maakte je elke vierentwintig uur een rapportage van die naar het hoofdkwartier van de VN in New York werd verzonden.

Vanwege mijn werk als militair heb ik op diverse plaatsen in Nederland gewoond en gewerkt: Oirschot, Best, Den Haag, Gouda, Amersfoort, Utrecht. De laatste tien jaar, tot mijn vertrek met functioneel leeftijdsontslag in 2002, als stafofficier bij AFCENT in Brunssum. Sindsdien woon ik in Holtum.

Al die tijd ben ik betrokken gebleven bij de organisatie van de Kennedy-Mars Sittard. Hoe het begon heb ik al vaak verteld, maar de essentie is dat ik in 1963 met mijn drie hbs-vrienden op tv zag dat er in Engeland een Kennedymars werd gelopen. We zeiden: ‘Dat gaan wij ook doen.’ Het vervelende was dat we net voor de proefwerkweken zaten, dus moesten we wachten tot de paasvakantie. Vandaar dat de tocht met Pasen wordt gelopen.

Met die drie vrienden en nog een paar anderen, onder wie mijn zus met enkele klasgenoten, heb ik destijds de eerste mars gelopen. Elf man, waarvan tien scholieren. We wilden het gewoon een keer proberen, al geloofden we eigenlijk niet dat we het konden. Het was niet de bedoeling om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken. Maar toen kwamen we in de krant en veel mensen vonden het bijzonder. We kregen veel reacties en op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘Nou, dan lopen we de tocht volgend jaar weer.’

Het tweede jaar waren we met zo’n vijfenveertig man. Vooral veel jongens, want er zaten nog geen meisjes op het Bisschoppelijk College. De eerste vijf keer heb ik meegelopen en daarmee was ik recordhouder; ik had de Kennedymars het vaakst en het snelst gelopen. Mijn tijd was tien uur tweeëntwintig.

Bij die laatste tocht zat ik intussen al op de KMA in Breda. In Breda was ook een Kennedymars en die liepen we natuurlijk mee. Er was geen enkele cadet die uitviel. Al liep je op je tandvlees, stoppen was je eer te na. Of het moest op doktersadvies. Een paar blaren, dat was echt geen argument om te stoppen.

Bij de Kennedymars in Sittard was ik vanaf het begin voorzitter. Nou ja, eigenlijk hadden we de eerste twee jaar geen voorzitter. Met twee man waren we de leiders van dat groepje. Later zijn de taken verdeeld: ‘Jij bent secretaris, jij doet de inschrijvingen’, en ik werd voorzitter. Officieel ben ik dus voorzitter vanaf het tweede of derde jaar, maar in de praktijk was ik dat al vanaf het begin.

Van de club van vier hadden de andere drie op een gegeven moment geen tijd of zin meer, dus bleef ik in m’n eentje over. Toen heb ik mijn broers en zussen erbij gevraagd. Vanaf eind jaren zestig bestond het bestuur alleen uit Van der Loo’s, mijn vrouw Marijke inbegrepen, en dat is zeker een jaar of twintig, vijfentwintig zo gebleven.

Langzamerhand hebben we nieuw bloed erbij gekregen en intussen zittten van de familie alleen nog mijn broer Nico en ik in het bestuur. Ik stop er nu ook mee. Er zijn nog wel Van der Loo’s die nog steeds allerlei klussen doen en Jack, mijn jongste broer, loopt nog mee, voor de achtendertigste keer inmiddels.

Vijftig jaar voorzitter is uitzonderlijk lang. Ik vraag me wel eens af of ik het wel kan loslaten. Regelmatig denk ik: Dan ben ik van dat gedonder af. Want er zijn natuurlijk ook dingen die ik niet leuk vind. Dan moet je weer ergens achteraan… Maar tegelijkertijd is het ook een stuk van je leven.

Er is gelukkig al een opvolger. Die zit al een aantal jaren in het bestuur. Hij heeft over bepaalde zaken andere ideeën. Hij komt met nieuwe dingen en heeft ook al een aantal ingevoerd. Sponsoring bijvoorbeeld, daar wilde ik liefst niets mee te maken hebben. Hij heeft dat met anderen keurig ontwikkeld.

Er is nu ook een sponsorplan. Daardoor krijgen we meer financiële middelen en kunnen zaken groter worden opgezet. Automatisering, daar ben ik ook niet in thuis. De registratie van de deelnemers, de aankomst en het archief, dat is nog te veel handwerk. Dat wordt straks nog meer gedigitaliseerd.

Wat meespeelt, is dat je denkt dat het moet gebeuren op de manier zoals jij dat al vijftig jaar doet. Ik ben een control freak. Als je mijn agenda openslaat: floep, allerlei checklists. Ik heb gisteren net een nieuwe vakantie geboekt en dan kijk ik meteen even naar de lijst met de vijfentwintig voorbereidingspuntjes waar ik aan moet denken. Alles staat erop, tot in detail. Voor mij is het prettig te weten dat er niets wordt vergeten en dat het is geregeld.

Bij de Kennedymars zijn er altijd onverwachte dingen en als je de rest al geregeld hebt, hou je je handen vrij om daar al je tijd en energie in te steken. Ik ben niet altijd zo geweest, dat is wellicht door het leger gekomen. Voor alles heeft men in het leger een checklist, ook omdat er vaak dingen veranderen en mensen elkaar veelvuldig aflossen.

Andere mensen hebben misschien meer improvisatievermogen of zijn misschien wat slimmer. Ik probeer zoveel mogelijk vooruit te kijken en tegelijk wil ik alles controleren. Ik heb bij de Kennedymars voor alles draaiboeken. Voor bijna iedereen - en dat verschilt vaak van functionaris tot functionaris - zijn er puntsgewijze consignes (werkopdrachten, red.). Ja, het lijkt wel een militaire operatie.

Maar het werkt. Als mensen maar doen wat ze moeten doen. Soms krijg je papieren terug en dan zie je: Verduveld, ze hebben die lijst niet eens bekeken! Nou snap ik waarom het daar fout is gegaan.

Tja, het is een vrijwilligersorganisatie, dus zo iemand kun je niet op z’n donder geven. Dat kan alleen op een vriendelijke manier. Veel vrijwilligers doen het al heel lang en het risico is dat ze denken: Wij weten het wel. Toch zijn er ieder jaar wijzigingen en dan heb je kans dat ze daarmee de mist ingaan.

Eén jaar stond de Roer heel hoog en konden we niet bij Herkenbosch over de brug. Dus moesten we een alternatieve route bedenken en rustplaatsen zien te vinden voor honderden mensen.

Dan moet er worden gecoördineerd met de politie en de gemeenten, want het zijn niet alleen wandelaars, maar ook honderden auto’s, waardoor allerlei wegen verstopt kunnen raken. Twee dagen van tevoren zakte het waterpeil zodanig, dat we alsnog de normale route konden volgen. Veel werk, maar het was wel geregeld.

In het begin hadden we een vrij eenvoudige organisatie. Inhoudelijk is het pas de laatste twintig jaar uitgegroeid. We hebben de Mini-Mars erbij gekregen en de Swentibold-Mars. En veel meer medewerkers. Voor de dag zelf hebben we altijd genoeg vrijwilligers gehad, maar je moet ook mensen hebben die al weken van tevoren allerlei dingen willen doen.

Ik was eerst tegenstander van de Mini-Mars, later niet meer. Ik dacht: Wat een flauwekul, dat leidt de aandacht af. Het gaat toch om die tachtig kilometer? De andere bestuursleden zagen het wel zitten, dus is hij er toch gekomen.

Dat is ook zo’n vernieuwing waarvan ik zeg: ‘Dat hebben ze toch maar mooi georganiseerd.’ Tot mijn aangename verrassing kwamen er heel veel kinderen af op de Mini-Mars. Die mars groeide in een paar jaar uit tot een tocht met meer dan tweeduizend deelnemers.

Het is leuk, er is meer sfeer, meer betrokkenheid, meer publiek ook. Een paar jaar later hebben we die halve Kennedymars georganiseerd, de Swentibold-Mars. Ook dat sloeg enorm aan. Weer duizenden lopers erbij.

Dat komt toch ook door de uitstraling van de Sittardse Kennedymars. Kijk, je kunt bijna ieder weekend in Limburg wel een tocht lopen tot zo’n veertig kilometer. Die organisaties zijn blij als ze een paar honderd lopers hebben – in totaal. Bij ons gaat het al heel lang om duizenden.

Het is de Mars der Marsen, zoals we zelf zeggen hahaha. We zijn ook heel lang de grootste langeafstandsmars van Nederland geweest. In 1989 hadden we een piek met meer dan zevenduizend deelnemers. Daarna is het langzamerhand teruggelopen en nu zitten we op zo’n drieduizend lopers.

Wat we nog graag willen, is meer sfeer in de tocht. Bijvoorbeeld de laatste kilometers bij binnenkomst. Je zou kunnen overwegen om ’s avonds te starten, dan komen de lopers overdag aan. Ook willen we weer terug naar het centrum. Daar hebben we onlangs over gesproken met de wethouder en de horeca.

We vroegen een grote tent op de Markt. De horeca wilde die wel betalen, maar dan werd het een open tent. In een open tent kunnen wij niet werken. Verder kon die pas na donderdag worden opgebouwd, anders zaten we de weekmarkt in de weg. Uiteindelijk is het niet doorgegaan en daar zijn we nu niet rouwig om, want waarschijnlijk zit het centrum de komende drie jaar helemaal verstopt door allerlei afsluitingen.

Dit jaar blijven we in de Stadssporthal. Ik denk dat hij een keer gesloopt wordt en dan zal er toch iets anders moeten gebeuren. Dan moet je in de stad zijn en niet, om maar eens wat te noemen, bij het voetbalstadion. Daar is geen sfeer.

Een nieuwe locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen. We hebben een lijstje – hèhè – van ongeveer veertig punten, met zo’n zeven, acht kernpunten waarover we niet onderhandelen. Samengevat: We willen de hele Markt voor onszelf, onze auto’s moeten er altijd terecht kunnen, het Rode Kruis moet er faciliteiten hebben en het moet budgetneutraal.

Iemand anders moet het betalen; de gemeente of de horeca. We doen nu zaken met de gemeente. In het verleden hebben we ook afspraken gemaakt met de horeca, maar in hun organisatie zaten steeds andere mensen. Dan zat je met die om tafel en dan weer met die.

Nadat we vanuit de Stadsschouwburg naar het gebouw van Fontys Hogescholen zijn verhuisd, zou de horeca van alles doen. De horeca heeft wel wat gedaan met muziek, maar het enige dat je op een gegeven moment nog hoorde, was: ‘Ik wil niet dat die wagen voor mijn terras staat.’

Er is een nieuwe horeca-organisatie gekomen, dus misschien dat het in de toekomst anders gaat. Je moet ook rekening houden met de winkeliers. Op paaszaterdag vanaf ’s ochtends vijf uur staan er duizend auto’s in de binnenstad geparkeerd. Dat is voor de horeca geen probleem, maar voor de winkeliers wel. Die tegengestelde belangen hebben we ook op de Markt in Maaseik.

Ik heb er vertrouwen in dat mijn opvolgers oplossingen bedenken waar ik niet op ben gekomen. Ook voor dit soort zaken. Dat laat ik aan hen over.

Na mijn afscheid als voorzitter wil ik nog wel wat dingen blijven doen. Een beetje bureauwerk, bijvoorbeeld de inschrijvingen controleren. Klopt het wanneer iemand zegt: ‘Ik heb de tocht acht keer uitgelopen.’ Dat moet je dan even natrekken en als het niet klopt een briefje of een e-mailtje sturen met het juiste aantal. Zorgen dat het zuiver blijft. Ja, zo ben ik. Een control freak.”

Dit artikel verscheen eerder in De Looper, het blad van de Sittardse Kennedymars. Afbeelding gestolen bij livingwithgastroparesis.com.

Geen Reacties »

admin op 3 April 2013 in Politiek & Media

Hobbyisten in hulpverlening

Naar aanleiding van een mislukt project in Kaapstad vroeg ik me af hoe succesvol Particuliere Initiatieven eigenlijk zijn. Ik denk dat ze professioneler moeten gaan werken, ook in het belang van de lokale partners.

De droom was om bij een township in Kaapstad een groentetuin op te zetten waar leerlingen konden tuinieren en leren omgaan met de aarde en met elkaar. Het project, opgezet samen met een lokale school, zou na enkele maanden zelfvoorzienend zijn.

Uiteindelijk is de investeerder, een Nederlandse vastgoedmiljonair, afgehaakt. Hij heeft geen cent betaald en zegt dat de lokale initiatiefneemster hem verkeerd begrepen heeft. Zij zegt op haar beurt dat ze een jaar aan het lijntje is gehouden.

Uit hun e-mailverkeer blijkt het volgende. Rond Kerst 2011 presenteert de initiatiefneemster de investeerder een plan plus een begroting. Volgens haar zegt hij mondeling toe de benodigde 70.000 rand te financieren, 6.067 euro, maar de miljonair ontkent dat bij navraag in november 2012.

Na een ingewikkelde zoektocht, die de eerste helft van 2012 in beslag neemt, wordt een geschikt stuk grond gevonden. De miljonair komt echter niet over de brug. Ook niet als er een stichting wordt opgericht en een verklaring komt van de school dat de grond tot medio 2017 gratis kan worden gebruikt.

In september 2012 schrijft hij dat ‘het geld is gereserveerd’, maar dat hij meer eigen initiatief wil zien. Medio oktober wordt de tuin met een groep vrijwilligers in grote lijnen ingericht. Aangepaste begroting: 75.300 rand.

De miljonair reageert verbaasd. Hij zou hebben toegezegd 18.000 rand te betalen. ‘Dit is niet wat we hebben afgesproken!’ Sindsdien is er geen contact meer geweest en ligt de tuin er verlaten bij.

Oude fouten

Mislukte particuliere initiatieven (PI’s) als dit, zijn koren op de molen van mensen die stellen dat ontwikkelingssamenwerking aan professionals moet worden overgelaten en dat meer transparantie noodzakelijk is.

Particuliere initiatieven zouden in veel gevallen ‘fouten’ van tientallen jaren geleden herhalen - al zijn er ook andere geluiden. Zo is de hulp volgens Marcia Luyten vaak niet vraag- maar aanbodgestuurd en zorgt zo voor directe afhankelijkheid. De hobby-hulpverlener onderschat verder zijn partner(s) en gaat deze daarom bij alles vertellen hoe het moet. Vanwege de fondsenwerving stelt hij de doelgroep voor als zielig en hulpbehoevend. Door de kleinschaligheid en de afhankelijkheid van personen is de continuïteit ook vaak een probleem.

Lau Schulpen, op wiens werk zij zich mede baseert, stelt dat particuliere initiatieven te weinig investeren in kennisopbouw bij de lokale bevolking en onvoldoende samenwerken met andere organisaties, ter plaatse en in Nederland – bij het laatste zijn recent kanttekeningen geplaatst. Monitoring, evaluatie en transparantie zijn ook vaak onder de maat, volgens Schulpen.

Help de helpers

Onder meer hierom bieden veel grote organisaties voor ontwikkelingssamenwerking PI’s begeleiding en / of financiering. Zoals Cordaid, Oxfam-Novib, Impulsis en Wilde Ganzen. Verder zijn er enkele adviesbureaus actief, met in dezelfde vijver belangenorganisatie Partin en de NCDO-gemeenschap Myworld.nl.

Tussen 2001 en 2004 hebben 1200 PI’s bij de toenmalige grote organisaties een subsidieverzoek ingediend. (Meer recente cijfers zijn me niet bekend.) Partin heeft 202 leden (februari 2013) en Myworld.nl 1700 gebruikers (oktober 2012). Dus met naar schatting tussen de 6.400 en 15.000 PI’s in Nederland, Myworld.nl houdt het op 8.000, wordt op z’n hoogst de helft bereikt.

Daarbij is de vraag of alle PI’s wel willen ‘professionaliseren’. Veel van hen vinden dat ze efficiënter werken dan grote organisaties door een kleine overhead en korte lijnen. Hulp van grote organisaties, met vaak allerlei ‘lastige’ voorwaarden, lijkt dan niet noodzakelijk.

In de samenleving kunnen PI’s op veel draagvlak rekenen, en wel op grond van ongeveer dezelfde argumenten. Met name dat er ‘minder aan de strijkstok blijft hangen’, wordt veel genoemd. Onderzoek wijst uit dat maar liefst 37 procent van de Nederlanders PI’s geschikt vindt om ontwikkelingssamenwerking uit te voeren, waar 45 procent kiest voor grote, professionele organisaties.

Ondernemend

De overheid wil PI’s in de toekomst meer ruimte geven en pleit binnen ontwikkelingssamenwerking voor meer resultaatgerichtheid. Deze ‘managementaanpak’ kan rekenen op steun van veel Nederlanders, maar er schuilt eveneens een gevaar in.

Zo geeft Willem Elbers aan dat bijvoorbeeld ICCO voor haar geldgevers nu meetbare projectdoelen moet stellen en alles moet controleren, ook bij de partners. Terwijl die organisatie, in lijn met het huidige denken in ontwikkelingssamenwerking, liefst een zelfstandige, ondernemende houding bij lokale partners wil bevorderen.

Verder wekt deze aanpak de illusie van beheersbaarheid, vindt Jack van Ham, onder meer oud-directeur van ICCO en het Nederlandse Rode Kruis. Hij zegt desgevraagd: “In Nederland faalt twee derde van de starters, daar is het met projecten niet anders. Alleen de frustratie is groter. Het idee heerst dat je in ontwikkelingssamenwerking niet mag falen, maar in de praktijk is het trial and error.”

Volwaardige relatie

PI’s hebben dus een positief zelfbeeld en een goed imago, maar werken in structureel opzicht niet optimaal. Daarom is het wenselijk dat ze (verder) professionaliseren in visie en werkwijze, en daarbij inzien dat falen een reële optie is, ook met meer management sturing.

Omdat op dit moment in die gewenste professionaliseringsslag maar een klein deel van de PI’s wordt bereikt, zou, zoals Ewout Irrgang eerder voorstelde, een Nederlandse tegenhanger van de Charity Commission kunnen worden ingesteld.

Deze Britse toezichthouder richt zich op registratie, transparantie, accountability en monitoring. Deze organisatie gaat daarmee verder dan het CBF, waarvan de onafhankelijkheid te betwijfelen valt, en de Goede Doelen Monitor, die zich vooral baseren op door organisaties zelf aangedragen informatie.

Zo’n instelling is goed voor de transparantie naar donateurs van PI’s, maar brengt bovenal het aangaan van een volwaardige relatie met de lokale partners dichterbij - al dan niet vanuit de idee van ‘gemeenschappelijk eigenbelang’.

De initiatiefneemster van het educatieve project in Kaapstad heeft na het mislukken in haar gemeenschap te maken gehad met ‘agressie en uitsluiting’. Ze wordt ervan beschuldigd het beloofde geld in eigen zak te hebben gestoken en durft niet terug naar de tuin. De vastgoedmiljonair weigert verder ieder commentaar.

Dit artikel verscheen eerder als opiniestuk op myworld.nl. Intussen is de initiatiefneemster op kleine schaal een educatief tuintje begonnen, dat onlangs is geopend.

Geen Reacties »

admin op 19 March 2013 in Politiek & Media

Ideologie en onderwijs, waar moet het naartoe?

Ideologieën zijn essentieel voor de zingeving, die weer richtlijnen biedt voor de omgang met elkaar en met onze leefomgeving, dus zou er in de primaire scholing aandacht voor moeten zijn. En blijven. De vraag is op welke manier.

In mijn jeugd waren er christelijke en openbare scholen. Zo eenvoudig is het niet meer.

De discussie over openbaar en bijzonder onderwijs wordt tegenwoordig gekleurd door de eisen van de overheid wat betreft vorming en schaalgrootte.

Het zogenoemde duale stelsel wordt op grond hiervan van binnenuit veranderd door pragmatische gelegenheidsverbanden, waarbij de scheidslijnen langzaam wegvallen. Het onderwijsveld is zoals altijd in beweging, maar een heldere richting ontbreekt.

Als iemand die niet geschoold is in deze materie, heb ik mijn gedachten hier eens over laten gaan, geïnspireerd door de afscheidsrede van VU-professor Siebren Miedema over dit onderwerp.

Als ik het goed begrijp, heb je scholen met een ideologisch bepaalde identiteit die tot uitdrukking komt in de voorgestane normen en waarden, de schoolbeleving van alledag (de sfeer, de omgangsvormen, de voorzieningen), en speciaal hiervoor ingelaste momenten, zoals vieringen.

Dit in contrast met openbare scholen - hoewel je ook zou kunnen betogen dat die impliciet de kennis die verkregen is via de hedendaagse wetenschap als een richtinggevende vorm van hoogste weten zien, ook een soort ideologie.

Daarnaast zijn er scholen met een bepaalde onderwijsvisie. Deze visies, een soort grote verhalen, verschillen van school tot school en bestrijken het gehele spectrum aan scholen.

Verder is er de door de overheid voorgestane vorming. Die is schijnbaar deels gericht op burgerschap; hoe word je optimaal voorbereid om effectief te functioneren in de samenleving.

Dit element van de vorming sluit aan bij de onderwijsvisie, die tegenwoordig wellicht meer marktgericht is vanwege het in het westen dominante neo-liberalisme.

De vorming heeft vermoedelijk ook een ethische component; hoe kun je goed, gelukkig en/of zinvol leven.

Een aspect dat mijns inziens past bij de ideologisch bepaalde identiteit, die in essentie te herleiden is tot geluksbeleving en/of het vermijden van lijden, maar, zoals gezegd, ook van invloed is op de sociale en ecologische belevingswereld.

En dan is er nog het godsdienstonderwijs - of hoe dat tegenwoordig heet. Dat is op ideologische scholen een op kennis gerichte verdieping van de ideologische component. Op openbare scholen is de invulling gericht op meerdere ideologieën (meestal religies).

Wat ik uit dit alles opmaak, een voor een leek verwarrend geheel met overlappende verhalen, is dat er sprake is van een waarden- en een stammenstrijd. Misschien wel van meerdere.

Het duale stelsel (geen of in de huidige situatie een religieuze ideologie) heeft als voordeel dat de ideologie op ideologische scholen beter wordt uitgediept.

Maar dat maakt van de leerlingen in dat (ideologische) opzicht eenzijdig gevormde wezens in een maatschappij die zeer veelzijdig en dynamisch is. Dat kan toch geen enkele onderwijsvisie of visie op vorming in redelijkheid willen bepleiten?

Misschien is er een tussenvorm mogelijk. Waarom niet in een waardenhiërarchie alle scholen op (de vierde) humanistische ideologie gronden (alle scholen worden bijzonder), met, een niveau lager, vrijheid van onderwijsvisie – mits die niet (op een andere wijze) ideologisch is onderbouwd / wordt ingevuld?

Godsdienstonderwijs, dat vooral kennis gericht is, zou, nog een niveau lager, kunnen worden ondergebracht bij (de te verplichten vakken) filosofie (reflectie) plus (niet ideologisch gekleurde) meditatie (beleving).

Het laatste zorgt voor een aantoonbare meerwaarde in het onderwijs, via groter welbevinden, inzicht en (direct of indirect) verbeterde studieprestaties (vorming).

De grote praktische vraag is natuurlijk is of het huidige stelsel ooit geheel volgens één “model” hervormd kan worden. Wellicht is dat mogelijk via eisen die worden gekoppeld aan de financiering door de overheden.

De huidige ideologische scholen zullen protesteren omdat ze moeten “inleveren”, de openbare scholen omdat ze een ideologie moeten omarmen, ook al is dat waarschijnlijk de meest universele in de westerse wereld.

Desondanks is een idee als dit op lange termijn misschien wel noodzakelijk voor het behoud van de diversiteit aan en vooral de onderwijskundig verantwoorde inbedding van ideologieën binnen het onderwijs.

Picture stolen from the site of the Ebenezer International School Bangalore.

Geen Reacties »

admin op 26 January 2013 in Religie & Spiritueel

Over ’s Hertogenbosch, Maria en de draak

’s Hertogenbosch is gebouwd rondom een Keltisch cultuscentrum, rekening houdend met de energielijnen in de stad. Dat stelt architect Jan van der Eerden in zijn boek “Een middeleeuwse stad vol gulden energie – Spirituele opgravingen in ’s Hertogenbosch en andere daarmee verbonden plaatsen” (Stichting Cultuurfonds ’s Hertogenbosch, 2012).

Het cultuscentrum bevond zich op de plaats op de Markt waar eerder het Puthuis en een marktkruis stonden. Deze krachtplek, een axis mundi, is gesitueerd op een krachtige van west naar oost lopende energielijn, een zogenoemd drakenpad, waar ook de drakenfontein naar verwijst, die de stad doorkruist.

De stichters van de stad hebben hiermee rekening gehouden, veronderstelt Jan van der Eerden. Net als met de twee andere energielijnen in de stad die samen een driehoek vormen waarvan de punten liggen op de drie belangrijkste pleinen. Verder zou een later aangepaste versie van een Romeins grondpatroon zijn gebruikt, een campus initialis, en de levensbloem, bekend uit de sacrale geometrie.

Daarnaast heeft de schrijver een door mensen gemaakte energiering rond de oude stad herontdekt die overeenkomt met de grens van de uitstraling van de axis mundi op de Markt. Deze “gouden ring” was bedoeld ter bescherming en werd waarschijnlijk jaarlijks bekrachtigd met een ommegang langs verschillende staties, vergelijkbaar met de Maria-ommegang in de binnenstad, die overigens voert langs de genoemde driehoek.

Niet alleen de positie van pleinen en straten, ook die van diverse Bossche gebouwen is te begrijpen vanuit de door hem gereconstrueerde energetische blauwdruk van de stad, betoogt Jan van der Eerden. Met name gebouwen uit de gotiek en de neogotiek; binnen die stromingen was veel aandacht voor sacrale geometrie en geomantie.

Hij verduidelijkt zijn verhaal met voorbeelden uit binnen- en buitenland, tekeningen en berekeningen, mythologieën, fragmenten uit alternatieve wereldopvattingen en observaties van paragnosten. Ook vertelt hij over zijn strijd voor het behoud van het architectonisch erfgoed in ’s Hertogenbosch. Dit alles maakt zijn betoog niet eenvoudig om te volgen, wel buitengewoon boeiend.

Wat opvalt in dit verband, als we de argumentatie van Jan van der Eerden goed begrijpen, is de grote rol die de in 1318 opgerichte Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, bekend van de gezworen leden de Zwanenbroeders, schijnbaar achter de schermen heeft gespeeld bij de ontwikkeling van ’s Hertogenbosch. Met gebruikmaking van de blauwdruk.

Door de bouw van de kathedraal in 1380, de “herontdekking” van een “wonderbeeld” van Maria een jaar later (sic) en een jaarlijkse Maria-ommegang (met een theatraal moment over Sint Joris en de draak bij de axis mundi) heeft de broederschap de stad via inkomsten uit pelgrimages en het stimuleren van bedrijvigheid een enorme economische, culturele en spirituele impuls gegeven. Honderden jaren lang.

De kathedraal, een ontwerp van een lid van de broederschap waarvan ook het Zwanenbroedershuis sinds 1483 op het drakenpad staat, was namelijk niet gelijk af. Er is nog tot 1529 aan gebouwd, een periode die grofweg samenvalt met de bloeiperiode van deze voor de verering van Maria opgerichte broederschap; tussen 1460 en 1530.

De realisatie van de gotische kathedraal was wat we nu een miljoenenproject zouden noemen. In die tijd telde de broederschap duizenden leden, onder wie heel machtige uit binnen- en buitenland. Dat zal niet geweest zijn vanwege de aflaten of het stimuleren van de lokale muziekcultuur. Het lijkt het erop dat de broederschap de club was om zaken te doen, met name in de (gotische) bouwwereld. De gotiek was toen erg populair.

Voor de gelovigen draaide alles om het “wonderbeeld” van Maria. Dat stond op de welddadige locatie waar het drakenpad de kathedraal doorkruist en eerder een beeld van Johannes de Doper een plek had gevonden. Maar, zoals in de kathedraal van Chartres, is er volgens Jan van der Eerden al gauw voor gekozen om een (zwarte) Maria de plaats te laten markeren waar de krachtige “hemelse” energie aan de aarde ontspringt als bron voor heling.

In 1629 werd het beeld weggehaald om politieke en wellicht ook spirituele en economische redenen; ’s Hertogenbosch was ingenomen door Frederik Hendrik. De ommegang werd afgeschaft en daarmee kwam de “motor” van de stad helemaal tot stilstand. Wat er gebeurde na de terugkomst in 1853 onderstreept de vermeende relatie tussen Maria-verering, pelgrimages, bedrijvigheid, bouwprojecten en de blauwdruk.

Al snel werd kathedraal weer een erg belangrijk pelgrimsoord. Maar wat pas echt een “mirakel” was: enkele tientallen jaren later raakte een nieuwe stroming in de architectuur in zwang, de neogotiek. Daarbij was ’s Hertogenbosch opnieuw één van de voorlopers, zoals eerder bij de (Brabantse) gotiek. En diverse toen gerealiseerde neogotische gebouwen passen binnen de blauwdruk, bijvoorbeeld de (verdwenen) Leonarduskerk.

Het zeer interessante en boeiende boek van Jan van der Eerden biedt een schat aan informatie en nodigt uit tot dit soort gevolgtrekkingen. Maar kloppen zijn conclusies ook? Of zijn ze het werk van een briljante “morosoof”, een geleerde dwaas, zoals Matthijs van Boxsel suggereert door de schrijver op te nemen in zijn in 2001 verschenen encyclopedie over dit onderwerp? Dat zou kunnen.

Veel waarschijnlijker is het, dat wij tegenwoordig niet meer het door en door religieuze, symbolische en magische wereldbeeld van de late middeleeuwers verstaan; de tekens niet meer kunnen lezen. En wat betreft het bestaan van energielijnen en krachtplaatsen: iemand die deze energie niet ervaart, zal daar nooit van kunnen worden overtuigd. Dat heeft niet te maken met ideologie of wetenschapsopvatting, maar met gevoeligheid.

Geen Reacties »

admin op 17 January 2013 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Chris Jansen: ‘Onderhandelen hoort bij wielrennen’

Het recente gedoe over doping is overdreven, onderhandelen hoort bij wielrennen en de bejubelde voorbereiding van Sky is niet veel beter dan die van pak ‘m beet de Raboploeg. Een interview met Chris Jansen uit Limbricht, huisarts in Sittard en lid van de medische staf van sprintteam Argos-Shimano.

Hoe ben je bij Argos-Shimano gekomen en wat is je rol in het team?

‘Ik houd van wielrennen. In Limburg heb ik tien jaar lang wedstrijden gefietst. “Elite” gereden; dan rij je de Ronde van Limburg, de Hel van Mergelland. Twee keer heb ik het Profcriterium Maastricht meegereden. Ik was geen topwielrenner, maar in deze regio kon ik me goed laten zien.

Huisarts ben ik sinds 2000, vanaf 2010 binnen Huisartsenpraktijk SilverStaete in Hoogveld. Vanwege mijn passie voor wielrennen ben ik op een gegeven moment sportkeuringen gaan doen. Dat heb ik eerst vijf jaar gedaan voor Sportmedisch Adviescentrum Maastricht en sinds 2006 doe ik dat vanuit een eigen praktijk aan huis. Ik begeleid individuele sporters, voornamelijk wedstrijdrenners, onder meer met inspanningstesten en advies over trainingen. Zowel ervaren renners als beginners.

Toen Skil-Shimano voor het eerst meedeed aan de Tour de France, in 2009, met een wildcard, had het team een arts nodig voor de Tour van Quinghai Lake in China – een heel grote wedstrijd. Ik ben meegegaan en sinds 2010 ben ik, voor tussen de dertig en zestig dagen per jaar, één van de vier teamartsen.

Ik controleer de renners twee keer per dag. Wat vaak speelt, zijn infectieziektes, met name aan de luchtwegen en de darmen. Bij piekbelastingen neemt de weerstand tijdelijk af, daarnaast komen de renners in contact met heel veel mensen. Overbelasting is ook een veelvoorkomend probleem; dat mensen meer doen dan ze aankunnen.’

In 2013 zal jullie team overgaan naar de UCI World Tour, de “Champions League” van het wielrennen. Zal dat de ploeg, die onder meer bekend is door het uitgesproken anti-dopingbeleid, veranderen?

‘Het betekent meer publiciteit, meer sponsoring, meer budget en er komen meer renners bij; meer personeel. Maar verder verandert er niet veel. De filosofie van het team zal blijven. We zijn hier langzaam naartoe gegroeid. En doordat we zo sterk anti-doping zijn, hebben we veel sympathie gewekt bij de World Tour-bazen. We hebben er ook een stuk over op onze site staan.

Bij de meeste teams zijn de anti-dopingstrategieën niet echt geloofwaardig als je er wat dieper op ingaat, maar in ons team is dat overduidelijk.

Het is mijn geluk dat ik in dit team zit; voor hetzelfde geld rol je erin bij een ander team waar wel van alles aan de hand is en dan ga je daarin mee. Word je meegesleept; dat gaat van klein tot steeds erger.

Onze manager is er ook fel tegen: als hij ook maar iets ruikt, vlieg je eruit. Bovendien: we zijn een sprintploeg en voor een sprintploeg heeft doping geen meerwaarde. Sprinten, dat kun je of je kunt het niet. Doping heeft voornamelijk te maken met bergwedstrijden en lange afstanden; etappes waarbij je lang hoge vermogens moet trappen.

Korte sprintjes bergop, dat heeft ook niet veel met doping te maken, maar een Alp d’Huez oprijden met teams die de Tour de France willen winnen, daarbij kan doping enorm veel verschil uitmaken, tegenwoordig.

Wij hebben ook niet de ambitie om dat soort renners aan te trekken, want dan begeef je je op heel gevaarlijk terrein. Zoals gezegd: ons speerpunt is de sprint, waar je wat betreft doping het minste risico loopt.’

Wat doet een sprintteam, bijvoorbeeld in een Tour de France?

‘Je aast op de sprintetappes. In de Tour heb je zes sprints, echte massaspurts, waarbij je een vlakke aankomst hebt en de etappe zo is, dat de sprinters overleven tot het laatst. Met twintig topsprinters sprint je dan tegen elkaar.

Het hele team werkt voor de sprinter. Iedere jongen krijgt een opdracht mee en in “een treintje” wordt de sprinter naar de finish geloodst. Die hoeft geen trap te veel te doen. Hij wordt continue naar voren gebracht, krijgt eten en drinken; die hoeft gewoon niets te doen. Zodat hij maar kan overleven en zo ver mogelijk komt.

Dit jaar hadden we de pech dat onze eerste sprinter, Marcel Kittel, van te voren ziek is geworden; buikgriep. Daarom heeft Tom Veelers het overgenomen. Verder hebben we nog John Degenkolb, die is wat completer, maar niet zo krachtig als Marcel.

Marcel is een jongen, die kan alleen maar sprinten. Vorig jaar waren we bijvoorbeeld in de Ronde van Polen. Zijn er zes etappes, wint hij de eerste drie, de vierde wint hij niet, die was wat heuvelachtig, de vijfde was een zware bergetappe, en de zesde was weer een sprint.

Hij lost in de bergetappe al na zo’n tien kilometer. Eén mannetje moet terugkomen om hem naar voren te rijden en hij zegt: “Nee, rij voor jezelf”. Moet er nog een mannetje terugkomen. En met z’n drieën, plus de sprinter van de Rabobank, hebben ze de hele dag alleen gereden en komen op vijfenvijftig minuten achterstand binnen, net binnen de tijd van achtenvijftig minuten. Marcel wilde het eigenlijk niet, maar dat was de opdracht van het team.

De laatste etappe wint hij dan weer, wat de band tussen de jongens sterk vergroot, gezien ze een dag eerder alles moesten doen om hem op tijd binnen te krijgen.

Bij een sprintetappe kan niemand wegrijden. De teams die willen sprinten, moeten de controle van die koers hebben. Die rijden de hele dag op kop. Als jij twee keer een sprintetappe gewonnen hebt, moet jij maar zorgen dat een eventueel groepje wegrijders niet te ver komt. Dat is gewoon afge… Niet afgesproken, maar als het peloton gaat rijden, wint dat groepje nooit.

Als een groepje aankomt, is dat of omdat er ruzie is in het peloton; dat ze niet willen samenwerken, of ze zijn extreem sterk. Als er echt iemand alleen aankomt of er komen er drie aan, daar moet je echt respect voor hebben, want dat is eigenlijk niet mogelijk.

Ook in Polen: Roy Kurvers rijdt een etappe mee vooruit met drie man. Toen zat HTC nog in het peloton. En die ploeg wilde sprinten met André Greipel, die controleerde de koers, en er was nog één premiespurt op tien kilometer voor de finish.

Toen is mijn ploegleider met die van HTC gaan onderhandelen of ze die nog mochten hebben; of ze zouden willen wachten tot die premiespurt, want als ze zouden gaan rijden, is het gat zo dicht. Op televisie zie je dat en je denkt: Oh, misschien halen die het en misschien ook niet – maar die halen dat natuurlijk nooit.’

Dat doet me denken aan Mark Cavendish die niet aan bod kwam tijdens “zijn” Olympische Spelen. Is het maken van zulke afspraken niet onsportief?

‘Het is een spel. Het is in het wielrennen niet zo dat de sterkste altijd wint. Die wint misschien maar één keer per jaar. Die wedstrijd in London was zo moeilijk te controleren, ook doordat de belangen van de sponsor- en de landenteams door elkaar liepen, dat er gewoon een groep wegbleef. Er zaten heel goede renners in die langzame, voorste groep.

Uiteindelijk wint Aleksandr Vinokoerov voor Rigoberto Urán. Dat was apart, want in maart was ik bij de Ronde van Catalonië. Daar won Urán de vierde etappe in een sprint met dertig man. En Vinokoerov - die kan niet sprinten - wint dan in London hahaha. Ik zag Urán daarna en hij was ook blij. Ik denk: Die heeft gewoon honderdduizend euro gekregen of zo. Dat is wielrennen; er is van alles mogelijk.’

Hoe werkt het onderhandelen?

‘Onderhandelen is wanneer je met twee man weg bent en je denkt: Van hem kan ik nooit winnen, misschien kan ik hem omkopen. Dat is inherent aan wielrennen. Maar daar moet je maar niet teveel over vertellen, want dan gaat de geloofwaardigheid… Maar in het wielrennen is dat gewoon normaal!

Soms verkoop je, maar dan probeer je alsnog te winnen. Dus dan zeg je: “Ja, ik doe het wel voor zoveel” en dan denk je: Ik probeer toch te sprinten als ik op winst zit. Er zijn ook veel vetes in het peloton doordat er afspraken zijn gemaakt die op het moment suprême worden verbroken. Zo ontstaan enorme ruzies en wordt er ook heel veel over doping verteld, want je wilt je die ander… – met iedereen heb je wel wat gehad.’

Twee mannen in de Tour, vlak voor de finish. De zwakste van de twee wint doordat de sterkste op het laatst zo ongeveer ophoudt met trappen en over z’n schouder blijft kijken. Ik denk dan: die hebben een afspraak gemaakt.

‘Dat weet je nooit. Er zijn zo veel belangen die een rol kunnen spelen. Het kan individueel zijn afgesproken of als team zijn, al gebeurt dat laatste niet vaak. Binnen sprintetappes kun je dit verhaal overigens doorstrepen, want je kunt een sprint niet faken. Wij hebben er dan ook bijna niet mee te maken.

In een kopgroep zijn enorme belangen. Als een geletruidrager weg is met iemand die zevenenzeventigste staat, wint die zevenenzeventigste. Die zegt: “Ik rijd me te pleuris om jou hier weg te krijgen met je gele trui, en je bent helemaal niet van mijn ploeg, maar dan mag ik winnen.” Dat zijn ook afspraken, maar dan zonder dat er geld aan te pas komt. Die gele trui doet dat dan, omdat hij die jongen gebruikt heeft. Of het is bijvoorbeeld je beste vriend.

Kijk, winnen is heel belangrijk in het wielrennen. Er zijn zo veel wielrenners en er zijn maar zo weinig wielrenners die winnen, dus daar doe je heel en heel veel voor. Maar het dopinggebruik wordt schromelijk overdreven.

Als je ziet wat Fränk Schleck nu gebruikt heeft, dat is zo spannend niet. Alberto Contador met z’n clenbuterol, dat zijn dingen, daar word je geen tourwinnaar van, echt niet. Als ik jou daarmee vol zou spuiten, dan kun je het peloton één seconde volgen en dan word je gelost.

Iedereen denkt: Doordat hij gebruikt zal hij wel zo goed zijn. Maar die jongens stikken van het talent. Die hebben alle Jeugd WK’s gewonnen. Ze horen gewoon bij de besten van de wereld. En het kan ook zonder doping, wij als ploeg bewijzen dat.’

Denk je dat de cultuur in het wielrennen wat betreft doping en onderhandelen ooit zal veranderen?

‘Qua doping verandert het heel erg doordat er steeds strengere controles zijn, zodat het steeds moeilijker wordt om te gebruiken. Ik denk ook dat het nog nooit zo schoon is geweest als in deze periode.’

Het valt me op dat diverse renners de laatste tijd anderen publiekelijk veroordelen als die gepakt zijn op dopinggebruik.

‘Ja, dat is nog nooit geweest. Maar qua afspraken maken, dat valt niet te veranderen. Dat is gewoon een eigenschap van de sport. Binnen de sport wordt het ook niet als negatief gezien.

Zo is doping ook een hele tijd niet als negatief gezien door de renners. Voor de buitenwereld was het de boel bezeiken, maar voor de renners was dat anders. Lange tijd was het zo: als iemand de Tour won, wilde iedereen weten waarop. Zo van: dat moet ik ook hebben.

In de tijd van Joop Zoetemelk en Eddie Merckx zijn de dopingcontroles ingevoerd. Daar heeft het hele peloton destijds nog tegen geprotesteerd. Toen hebben ze gestaakt omdat er dopingcontroles waren – dan weet je genoeg. Het was zo eigen aan de sport.

Ik ben er trouwens van overtuigd dat het ook in andere sporten speelt, alleen horen we daar minder over omdat bij wielrennen veel meer aan de hand is dan alleen een tijd rijden. Bij verhalen over doping denkt degene die het overkomt: Wie heeft me dat geflikt! Wat die?! – Nou, dan heb je de mooiste uitspraken die je kunt krijgen. En dat vinden de mensen mooi.’

Het drama.

‘Bij hardlopen en schaatsen gaat het om het neerzetten van een tijd en er komt weinig emotie bij kijken, behalve als een schaatser eens naar de verkeerde baan wisselt. Dat wordt dan heel erg uitvergroot. Bij een gewone koers gebeurt zoiets misschien wel vijfentwintig keer; dat er fouten worden gemaakt. Dat is ook de aantrekkingskracht van het wielrennen; het mysterieuze dat je als toeschouwer zelf kunt invullen.’

Aan de andere kant is het voor de renners en de mensen er omheen, zoals jij, ook gewoon een baan.

‘Natuurlijk. En ik vind het heel prettig om voor Argos-Shimano te werken, ook omdat er weinig hiërarchie is in tegenstelling tot de ouderwetse, grote ploegen. Daar heb je echt een baas, dan komen de ploegleiders en dan de mensen die al het werk doen.

Zeker in het begin deed iedereen bij ons alles. Ook renners, dat waren niet van die grootheden die iedereen terroriseerden. In grote ploegen heb je dat. Denk aan Phillipe Gilbert, Fabian Cancellara of de gebroeders Schleck.

Wat onze manager Iwan Spekebrink belangrijk vindt, is dat de renners onderling goed kunnen communiceren. In de functioneringsgesprekken worden we daar ook op gewezen. Bij andere teams gaat het alleen om prestaties.

We zijn ook het enige team met een goede trainer die de jongens dagelijks aanstuurt en voorbereidt met trainingen. Bij Vacansoleil bijvoorbeeld, is geen trainer. Je bent daar als een zzp’er in het team en je zoekt je eigen mensen voor advies en training.

Kijk, je komt natuurlijk niet vanuit het niets in een World Tour-team. Vanuit de amateurs of de junioren bouw je een kringetje om je heen en dat laat je niet zomaar vallen. Tenzij het heel duidelijk en transparant is en goed aanvoelt – onze hoofdtrainer gaat trouwens in 2013 naar de Rabobank, die is weggekocht.’

Als het allemaal zo losjes is geregeld, begrijp ik ook waarom ze in de wielerwereld met grote ogen hebben gekeken naar het Sky-team.

‘Daar wordt over gedaan of het zo spectaculair, wetenschappelijk begeleid wordt, maar dat is niet zo heel veel anders dan bij andere teams. Robert Gesink van de Rabobank heeft geen andere begeleiding gehad dan Bradley Wiggins. Ik denk zelfs dat we het wielrennen bij Argos-Shimano wetenschappelijker benaderen dan team Sky. Maar ja, één journalist begint dat te roepen en iedereen roept hem na.’

Wat is er dan zo bijzonder aan Sky waardoor het team zoveel wint?

‘Het zijn gewoon heel sterke renners, en die renners doen iets voor elkaar. Dat team functioneert gewoon goed. Je hebt ook teams waar renners niet voor elkaar rijden, nou dat wordt dus helemaal niks. BMC, de ploeg van Cadel Evans, heeft niet zulke heel mooie resultaten dit jaar, maar heeft wel de sterkste renners. En ze zeggen wel: “Chris Froome moet voor zichzelf gaan”, maar hij rijdt wel Bradley Wiggins in het geel.

En het ziet er bij Sky allemaal gelikt uit. Wielrennen is een sport waarbij je gezien moet worden. Als je daar aankomt met ongeschoren benen en een oude Volkswagenbus, hoor je er niet bij. En Sky heeft gewoon het beste, die rijdt bijvoorbeeld met Jaguars in de koers – Wie rijdt er nou met Jaguars in de koers?!

Sky heeft een bus met de beste apparatuur, een echte hightechbus. Daarin gebeurt hetzelfde als in onze bus, maar het ziet er spectaculairder uit. En dat is wel de manier om je bedrijf in de wereld te zetten.

Wij hebben iets dergelijks gedaan. Tussen het vertrek van Skil en de komst Argos Oil als sponsor zat vier maanden leegte. Dat was het 1t4i-project. De radio- en tv-commentatoren noemde ons “project” omdat ze de naam niet konden uitspreken hahaha. Het was allemaal om aandacht te trekken en potentiële sponsors te laten weten dat wij heel anders werken dan de bestaande teams in de wielrennerij, onder meer door het groepsproces te versterken en zo beter te presteren.’

(Dit artikel is in augustus 2012 geschreven voor het WijkKrantje, dus voor het rapport over Lance Armstrong.)

Geen Reacties »

admin op 14 December 2012 in Ongewoon & Anders

Koen, Georgette & de kunst van het koffiedrinken

Tegenover bestierde zijn betovergrootvader een kleine schoenmakerij die later uitgroeide tot de succesvolle keten Durlinger schoenenzaken. Koen van Beek (34) hoopt op een vergelijkbare expansie met zijn nieuwe koffiehuis aan de Markt in Sittard. In november gaat Coffee Mundo espresso & brew bar open, met zijn charmante vrouw Georgette van Geleijnen (32) als barista. Gelijktijdig introduceert het ondernemende koppel een koffielijn voor particulieren.

Het concept en de ontwikkeling van Coffee Mundo doen denken aan het in 1971 in Seattle opgerichte Starbucks. Deze formule, gericht op kwaliteit, beleving en gemeenschap, begon met de verkoop van bonen. Later kwamen daar de koffiehuizen bij, die tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten populair zijn.

Koen en Georgette volgen een vergelijkbaar traject. Koen startte in 2006 een eigen lijn met koffie voor de horeca en het mkb. Met de opening van het eerste koffiehuis en de introductie van een lijn voor de particuliere markt is de tweede fase bereikt. Als het meezit, volgen nog vele koffiehuizen in middelgrote steden in de Euregio, in eigen beheer of als franchiseformule.

De versgebrande koffie wordt in het koffiehuis geserveerd of kan worden meegenomen en is daarnaast via internet te koop. Op termijn is ook verkoop via geselecteerde retailers voorzien. Coffee Mundo telt op dit moment elf soorten zorgvuldig geselecteerde arabica bonen uit de drie belangrijkste koffieregio’s ter wereld. ‘Wij bieden een selectie van ’s werelds beste koffiesoorten’, zegt Koen.

Voor hij werd gegrepen door het zwarte goud, deed hij in Zuid-Amerika en Zuid-Europa commerciële ervaring op als verkoper van onderdelen voor persluchtcompressoren en later in Noord-Afrika en het Midden-Oosten in de sales van natuurlijke smaakstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie.

Dat verschafte de toen pas afgestudeerde Heao’er een mondiaal netwerk en onschatbare ervaring in internationaal zakendoen. ‘Omstreeks 2004 begon de economische opmars van Brazilië en werd ik door mensen daar gevraagd of ik spullen naar Europa wilde exporteren. Dat heb ik niet gedaan, maar het idee sprak me aan. Brazilië is het grootste koffieland ter wereld en de koopkracht is intussen zo toegenomen dat veel mensen Braziliaanse koffie kunnen kopen; voorheen was die uitsluitend voor de export.’

Het plan om producten uit de rest van de wereld naar Nederland te halen, werd concreter na zijn laatste baan bij een internationaal smakenhuis, een zogenoemd flavour house. Koen leerde er de basis van het proeven. Zo kon hij de wensen van zijn klanten beter vertalen naar de smaakdeskundigen.

Hij stuurde er een netwerk aan van verkoopkantoren in Iran, Jordanië, Tunesië en Dubai, maar voelde hij zich in het Midden-Oosten minder thuis dan bijvoorbeeld in Zuid-Amerika. ‘In Zuid-Amerika zijn mensen al emotioneel als ze over hun kinderen beginnen en de Arabische wereld heeft een veel meer gesloten cultuur. Daardoor heb je een heel ander contact met mensen.’ Toen hij in Algerije met gevaar voor ontvoering door het land reisde, vooraf moest hij de ambassade inlichten en zich achteraf weer melden, was de maat vol.

Georgette, verkoper van KNO-producten aan ziekenhuizen, steunde hem dan ook van harte toen hij zes jaar geleden besloot een eigen onderneming op te zetten in zijn vorige werkgebied. Koen koos voor koffie. Na een grondige oriëntatie ontwikkelde hij een eigen koffielijn voor de horeca en het mkb, vanaf november dit jaar aangevuld met het eerste koffiehuis en een koffielijn voor particulieren.

Een van de grootste uitdagingen is om de Nederlanders koffie te leren drinken. Want terwijl we hier sloten koffie naar binnen gieten, en cappuccino, espresso en latte gemeengoed zijn, is in ons land nog veel te winnen. De apparaten met pads en kuipjes hebben al tot “enige bewustwording geleid”, maar de koffiecultuur staat hier nog in de kinderschoenen, aldus Koen, die net als Georgette is opgeleid door wereldberoemde barista’s.

We weten intussen allemaal van de twee soorten bonen, de arabica en de robusta, maar dat is niet genoeg. ‘Er zijn goede robusta’s en slechte arabica bonen. In Italië, een echt koffieland, werken ze veel met robusta’s omdat het land vroeger armer was. In het rijke westen hadden we toen al arabica bonen. Naast de soort bonen, zijn de afkomst en de bereidingswijze van de koffie minstens zo belangrijk voor de smaak, de romigheid, het volume en de afdronk.

Hier wordt espresso bijvoorbeeld gezien als zware koffie waar je hartkloppingen van krijgt, maar dat ligt aan de bereiding en de gebruikte bonen, zegt Koen. ‘In Italië heeft een man me ooit gezegd: “Als je je hele leven espresso drinkt, krijg je nooit een hartaanval”. En dat ben ik nooit vergeten.’

Ter verduidelijking krijg ik een verse espresso van Braziliaanse bonen voorgezet, uiteraard van één van de elf smaken van Coffee Mundo. De espresso is vol van smaak, zonder wrang te zijn, krachtig maar toch zacht, en heerlijk romig, tot hij na de afdronk in korte tijd uiteen valt. Niet te vergelijken met wat hier vaak onder de naam espresso wordt verkocht.

Ook op het gebied van “gewone koffie” willen de Sittardse barista’s hun klanten met plezier inwijden in de diepere geheimen van de koffiewereld. De Nederlandse koffie is vaak een “lungo”, gemaakt door een espressomachine te lang te laten doorlopen, legt Koen uit. Hij trekt een vies gezicht. ‘Zo komen ook de reststoffen in de koffie. Wij bieden “coffee americano”: aan heet water voegen we een espresso toe. Zo houd je de pure, volle smaak.’

De “echt grote jongens” op koffiegebied hebben volgens hem te lang te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit. Een term als “masterblenders” zal daar weinig aan veranderen. Volgens Koen zijn eerder zo succesvolle machines voor capsules en pads dan ook op hun retour. Mensen willen kwaliteit, ook in de horeca.

‘Tegenwoordig geven klanten op een terras een kop koffie terug als die niet lekker is. Als je meer dan twee euro betaalt voor een koffie, zeker nu het financieel niet goed gaat, wil je dat het lekker is. Vroeger had je van die hoge stalen cylinders waar de koffie soms al uren in stond te pruttelen. Iedereen vond dat normaal, maar die tijd is gelukkig voorbij.’

Coffee Mundo brandt kleine hoeveelheden bonen die gelijk worden verpakt. Zo blijft het aroma behouden. De verpakkingen zijn van kunststof en er is geen aluminium in verwerkt. ‘Aluminium wordt gemaakt van bauxiet en de bauxietwinning is één van de meest vervuilende industriën ter wereld.’ Daar wil Coffee Mundo niet aan meedoen, vandaar dat honderd procent kunststof zakjes worden gebruikt.

Het bedrijf wil zo duurzaam mogelijk werken, vertelt Koen. En dat is volgens hem geen window dressing. Hoe zit het dan met de arbeidsomstandigheden en verdiensten van de koffieboeren van wie het stel de koffie via tussenhandelaren betrekt?

‘Veel van onze koffiesoorten hebben een keurmerk, zoals FairTrade / Max Havelaar, EKO en Rainforest Alliance. Sommige merken richten zich op de sociale omstandigheden, andere op de belasting van het milieu via afvalstoffen.

Het liefst wil ik bereiken dat “onze” koffieboeren later een onafhankelijke handelspositie krijgen en dat wij klanten kunnen laten zien welke mensen onze koffie produceren, hoe dat gaat en wat zij er aan overhouden. Dat je bijvoorbeeld ziet dat een koffieboer na een jaar een nieuwe auto heeft kunnen kopen. Door de verhoudingen ter plaatse is dat nu nog niet mogelijk.’

Het eerste koffiehuis aan de Sittardse markt zal het duurzame streven weerspiegelen. De inrichting wordt “vintage”, dat wil zeggen: met gebruikte materialen. In dit geval staal, steen en hout. ‘Je kunt er zitten aan een lange leestafel en de krant lezen en er is ook een “sta-bar”, naar Italiaans gebruik.

Bij hun koffie krijgen mensen gebak. In Sittard is dat vlaai of een “brownie”. In Duitsland of België zal dat lokaal gebak zijn. Altijd vers en van hoge kwaliteit om de koffiebeleving te versterken.’

Na Sittard moeten steden als Roermond, Eindhoven, Aken, Keulen en Hasselt aan de wereldkoffies van Coffee Mundo. ‘In drie jaar drie nieuwe zaken, dat is ons streven. Veel mensen zeggen dat het wel eens veel sneller zou kunnen gaan.’ Maar Koen en Georgette laten zich niet gek maken; gewoon lekker doorwerken, kopje voor kopje. Net zoals de betovergrootvader van Koen die tegenover Coffee Mundo schoenen verzoolde. Dag in, dag uit. En kijk eens waar dat toe heeft geleid.

Afbeelding gestolen bij Dear Coffee, I Love You.

Geen Reacties »

admin op 19 October 2012 in Ongewoon & Anders

Spiralend omhoog, als een buizerd op warme lucht

‘In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.’ Rust en snelheid gaan heel goed samen bij de zweefvliegers van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club in Schinveld. Een reportage.

De koeien kijken meewarig uit hun grote, waterige ogen. Als de auto stapvoets nadert, sjokken ze doodgemoedereerd naar de kant, hun scherpe horens afgewend. Rustig rollen we verder, voorbij een verrassende kleiberg in het verder vlakke landschap, dan links een groen straatje in, zoals de bordjes zeggen – zitten we hier echt wel goed? Met elke groene kilometer trekt de landelijke rust dieper in ons vlees en geven we ons meer over. Gestaag kachelen we voort, dakraampje open, zon op het hoofd en één hand op het stuur. We zijn om; vandaag gaan wij ons niet meer druk maken.

Het clubhuis annex restaurant van de Eerste Limburgse Zweefvlieg Club ligt aan een bosrand in het noordelijke deel van de Schinveldse Bossen, Zuid-Limburgs grootste aaneengesloten natuurgebied. Omdat het clubhuis gesloten is, wandelen we naar de hangars, die eruit zien als oude fabriekshallen. Ron Merckelbach is daar net afgezet door een oude mercedes met een zwaailicht op het dak die wordt gebruikt om de kabels uit te rijden. Vandaag zal hij ons binnenlaten in zijn wereld, of beter gezegd: zijn persoonlijke luchtruim; de Sittardenaar is verslingerd aan zweefvliegen en wil daar graag over vertellen.

Op de aangrenzende camping, waar ELZC-leden in het seizoen mogen kamperen, ploffen we neer in de gereedstaande stoelen onder het afdak van zijn caravan. ‘In mijn jeugd heb ik ooit de keuring van de luchtmacht gedaan. Ik ben een heel eind gekomen, maar uiteindelijk toch afgevallen. Toen kostte zweefvliegen twaalfhonderd gulden per jaar, kan ik me herinneren, en dat was voor mij niet weggelegd. Ben ik jaren vliegtuigspotter geweest; dagen langs het veld. Met een vriend ging ik daarvoor heel Europa rond. In Engeland had je destijds de beste vliegshows. Dan gingen we vroeg op, over met de boot, en dan dezelfde dag terug.’

Via een collega is hij drie jaar geleden alsnog gaan zweefvliegen. Om de twee weken strijkt hij hier neer op de camping. ‘Het is een beetje vakantie voor me. Voor mij is dit goedkoper dan een jaarplaats op een normale camping èn ik kan vliegen. Per jaar maak ik zo’n veertig tot vijftig starts, drie tot vier op een dag - als het weer meezit. Het vliegen is heel solistisch, maar zweefvliegen is een teamsport. Zonder de mensen die de kabel vastmaken en terugrijden, de vluchtleiding en iemand op de lier, kan het niet. Je hebt zelfs intensiever contact dan bij een gewone vereniging, omdat je hier vaak lange dagen samen doormaakt.’

Ron Merckelbach komt rustig over, zoals de meeste zweefvliegers. En gedisciplineerd; regels zijn regels en daar houd je je aan, zo simpel is het. ‘Om te beginnen moet je een brevet halen. Je moet fit zijn, goed gegeten hebben, je mag niet vliegen als je bepaalde medicijnen slikt, je moet genoeg drinken – geen alcohol uiteraard, je mag de twaalf uur ervoor geen alcohol hebben gehad – en niet gestrest zijn. Bijvoorbeeld over je gezin, je werk, je gezondheid of de financiën; het IAMSAFE-principe.’

De grasstrook naast de camping die sinds 1974 als landingsbaan dienstdoet, van hieruit aan het zicht onttrokken door een rij bomen, heet officieel het Leiffenderveld. In het noorden en oosten wordt hij begrensd door schraalgraslanden, in het westen door open weidegebied. Op de baan is het warm, het ruikt er grassig en het is er heerlijk stil. Als we naar de lier lopen wordt die rust ineens wreed verstoord. De lierist laat de vrachtwagenmotor lustig ratelen als hij in de verte een vliegtuigje de blauwe lucht met schapenwolkjes in trekt. Nadat de kabel is ontkoppeld blijft hij doorjagen om deze zoveel mogelijk in te halen tot het uiteinde van de kabel enkele tientallen meters van ons vandaan aan een parachute is geland.

We zijn ondertussen in de mercedes gaan zitten, want een geknapte kabel is gevaarlijk. ‘Maar een kabelbreuk komt vrijwel nooit voor’, haast de vrijwilliger ons te verzekeren die net is ingestapt. Hij begeleidt twee nieuwelingen, jonge jongens, die achterin zijn aangeschoven. Onder parachutisten gaat het verhaal dat iemand ooit in tweeën is gesneden tijdens een mislukte landing op een zweefvliegveld. En als we even later bij startplaats zien hoe rap de kabel wordt ingehaald, lijkt het inderdaad verstandig om uit de buurt te blijven als de lier brult.

De vluchtleiding bij de startplaats is gehuisvest in een omgebouwde SRV-wagen. In de omgeving hangt een landerige sfeer. Een stel scholieren op picknickbankjes guit tot ze aan de beurt is, maar zonder veel overtuiging. Af en toe knorren de gestripte lelijke eendjes voorbij die worden gebruikt voor het ophalen van de gelande vliegtuigen, en dat is het dan ook wel. In de verte draait een buizerd rondjes in een warme bel boven de bomen. Hij wel, zie je de twee jongens uit de Mercedes denken ook die graag omhoog willen, maar op hun beurt moeten wachten - zweefvliegen is vooral veel wachten.

Wat je doet tijdens het vliegen, vertelt Ron Merckelbach, is eerst een bel warme lucht zoeken om hoogte te winnen zodat je langer in de lucht kunt blijven. Door van bel tot bel te gaan kun je, bij goed weer, honderden kilometers afleggen. Je begint in een langzaam toestel, ‘dat is meer vergevingsgezind’; stuurfouten zijn eenvoudig te corrigeren. Met je brevet kun je vervolgens kiezen voor vliegen over land (lange vluchten) of voor aerobatics. Een klein percentage houdt ervan om capriolen uit te halen, de meesten gaan voor “gewoon” vliegen.

Hoewel de lucht een onbegrensde ruimte lijkt, is het tegendeel het geval. De vliegers uit Schinveld vliegen in een relatief klein gebied en hebben vooraf altijd toestemming nodig van vliegbasis Geilenkirchen en Maastricht Aachen Airport. Ron Merckelbach: ‘De lucht verdeeld in ruimtes met eigen regels. Boven vliegvelden hebben die gebieden de vorm van paddenstoelen, daar kunnen wij tussendoor vliegen als we van de toren toestemming krijgen. Militaire terreinen zijn taboe; daarboven zitten kolommen die helemaal omhoog gaan. Het plafond boven onze baan ligt op ongeveer achthonderd meter.’

Zelf gaat hij vandaag niet meer vliegen. Vanmorgen heel vroeg heeft hij zeshonderdveertig meter gehaald met de “K13”; een nieuw persoonlijk record. Graag zou hij vandaag nog eens vliegen, maar hij voelt zich niet helemaal fit. ‘De bekende dip na het vliegen.’ En de IAMSAFE-regels indachtig, betekent dit: aan de grond blijven. Wij mogen wel mee, als we willen. Voor veertig euro kun je bij de ELZC ervaren of zweefvliegen iets voor jou is. Anderhalf uur later, net bezig aan een bekertje koffie uit de SRV-wagen, worden we geroepen door instructeur Leo Kerkvliet. ‘Kom, we kunnen gaan!’

Voorin de tweezitter is het niet ruim voor iemand van één meter drieënnegentig met zesennegentig kilo op de teller. De cockpit is in grootte vergelijkbaar met een kajak, maar dan met een transparante plastic kap erover. Terwijl we nog wat vragen stellen begint de kabel langzaam een rechte lijn te vormen naar de lier, ergens in de verte. Leo Kerkvliet, droogjes, als een tandarts die waarschuwt voor een pijnlijke injectie: ‘Dit stukje is voor de meeste mensen… Dit wordt even kermis.’ Wow! In het stoeltje geduwd door de forse g-kracht, schieten we in een hoek van vijfenveertig graden omhoog, honderd kilometer per uur. In enkele ogenblikken zitten we op vierhonderd meter, het Limburgs landschap haarscherp en in geelgroene tinten als een lappendeken onder ons uitgespreid.

Het uitzicht is spectaculair. ‘We hebben vandaag dertig kilometer zicht’, meldt Leo Kerkvliet, ‘maar dat is niet vaak het geval’. Ineens gooit hij het vliegtuig om naar rechts en hangen we bijna op z’n kant. Wow! Weer dat buikgevoel van de kermis – en niets om je aan vast te houden. ‘Dit is een mooie bel om hoogte te winnen.’ Met zo’n negentig kilometer per uur draaien we spiralend de lucht in, als een grote buizerd met een bult in z’n nek. ‘Als het niet gaat, moet je het maar even zeggen’. Glimlachend: ‘Niet iedereen vindt dit een fijn gevoel.’ Daar kunnen we ons iets bij voorstellen, maar het fabelachtige uitzicht maakt alles goed.

De instructeur vertelt ondertussen over alle punten die je kunt zien en draait het vliegtuig telkens met de neus in de kijkrichting. Een energiecentrale in Duitsland, de contouren van Sittard en de torens van de Clauscentrale in Maasbracht… “Geilenkirchen”, bekend van de AWACS-toestellen, blijkt vlakbij te liggen. ‘Daar zit ook een zweefvliegclub’. En alsof de duivel ermee speelt; de Duitse stem die we eerder op de radio hoorden meldt zich piepend en als een knipperend lampje op de radar, rechts achter ons, een bel verderop. ‘Tijdens wedstrijden zitten er soms wel tientallen vliegtuigen in één bel, dus dat is geen enkel probleem. Gewoon een kwestie van goed vliegen.’

Dan is het tijd om in te grijpen. ‘We zitten nu op iets meer dan achthonderd meter, we mogen hier niet hoger’. Leo Kerkvliet stuurt het toestel langzaam uit de bel, over het miniatuurdorp Schinveld, waar het leven op de grond gewoon doorgaat, op weg naar de landingsbaan. Ter hoogte van de lier wordt ‘het circuit’ ingezet; op tweehonderd meter vliegen we parallel aan de baan en op honderd meter draaien zweefvliegtuigen altijd in voor de landing, had Ron Merckelbach al uitgelegd. Opnieuw hangen we scheef, maar niet zo stijl als in de luchtbel.

De landing is minder heftig dan de start en al snel staan we stil op het gras. ‘Zo, dat was het’, zegt Leo Kerkvliet. Na een bedankje voor de mooie vlucht wandelen we met Ron Merckelbach terug naar de camping. We zijn nog maar net onderweg of alle ogen op het veld gaan ineens omhoog. Spanning in de lucht; het toestel dat na ons vertrok heeft een kabelbreuk gehad. De piloot zit hoger dan honderd meter en hoeft dus niet rechtuit te blijven vliegen en ergens proberen te landen. Hij gaat ontspannen het circuit in, het afgebroken stuk kabel fladderend onderaan zijn kist, en landt dan alsof er niets aan de hand is. Een kwestie van rustig blijven, net als de koeien die we op de heenweg zijn tegengekomen. Rust is wat het landschap uitademt, voorschrijft bijna. Hoe snel het er in de lucht soms ook aan toegaat.

Geen Reacties »

admin op 4 September 2012 in Ongewoon & Anders

Sittardse “friteskoning” verovert Limburg

Ze zeiden in Amstenrade dat het toch niet zou lukken. Waarom zou hij slagen, waar tien voorgangers de afgelopen acht jaar jammerlijk hadden gefaald? Het was de beste aanmoediging die ondernemer Lahcen Askour (29) kon krijgen. Zijn frituur in Amstenrade ging in juni open, draait intussen goed en een volgend project, in Geleen, staat al op stapel.

De Sittardenaar praat energiek en gedreven, weet wat hij wil, én hij durft knopen door te hakken. Hij is geen ondernemer, hij is ondernemend – en wel vanuit zijn tenen. Lahcen Askour bruist van energie. Dat is ook noodzakelijk wanneer je regelmatig een stuk tegen de stroom in zwemt; de stroom van verwachtingen. Dat vereist visie, kracht en een stevige portie doorzettingsvermogen.

Tweeëntwintig is hij, als hij in 2005 samen met zijn kameraad Stan Huiveneers een frituur overneemt in Ophoven, Sittard. De buurt vindt het wel grappig; twee jonge jongens, op dat moment hovenier en taxichauffeur/barkeeper, die de horeca ingaan. Dat is lef, denken ze. Maar of ze het redden?

Vooraf hebben Stan Huiveneers en Lahcen Askour aandachtig geluisterd naar wat klanten willen; goed en veel eten, scherpe prijzen, een prettig ingerichte zaak en een opgewekte bediening, altijd klaar voor een praatje. Dat wordt het, en hun aanpak werkt. De dagverse frites, gemaakt van Limburgse aardappelen, maakt het plaatje compleet.

De klinkende resultaten smaken al snel naar meer. In 2007 kopen ze het pand en twee jaar later breiden ze uit met een friteswagen plus voortent. Stan Huiveneers zal “Ophoven” runnen, Lahcen Askour gaat de boer op. Woensdags staat hij in Hoogveld (Sittard), donderdags in Doenrade en vrijdags in Holtum. Vaak staan er lange rijen voor de wagen, maar dat hebben de klanten er voor over. Zijn frites zijn met liefde gebakken, en dat proef je.

Het zakelijke wonderduo doet het goed, zowel in Ophoven als onderweg. Sommige mensen zouden met dit succes tevreden zijn. Maar niet Lahcen Askour. Hij heeft een onstilbare honger naar nieuwe uitdagingen.

In 2010 zag hij dat het pand in Amstenrade te huur stond, maar viste toen achter het net. Er kwam een pizzeria in. In november 2011 wordt de deal alsnog beklonken. Hij laat zich door Stan Huiveneers uitkopen wat betreft de exploitatie van de frituur in Ophoven en gaat alleen verder, alle energie gericht op “Amstenrade” en zijn friteswagen.

De eerste keer dat hij het pand bekijkt, slaat de schrik hem om het hart. Het raast door zijn hoofd: ‘Dit kan alleen maar beter. Het moet beter. Veel beter.’ Dus wordt er maandenlang stevig verbouwd tot de zaak 23 juni dit jaar opengaat met in de bediening Lahcen Askour, zijn vrouw Siobhan Askour, zijn broer Rachid en Marvin Baartz. Het resultaat mag er zijn.

Er is gekozen voor een lounge-achtige steer met leren meubels, stijlvolle tafels en dito stoelen. De ruimte is licht, stijlvol afgewerkt en geeft klanten een aangenaam gevoel. De gloednieuwe keuken is ingericht met de modernste apparatuur waarin de maaltijden en snacks volgens de HCCAP-eisen worden klaargemaakt.

En het eten, wel, de dagverse frites maar ook alle andere gerechten op het menu worden door de klanten hoog gewaardeerd. ‘We krijgen alleen maar positieve reacties en er komen steeds meer klanten bij.’

Het lijkt er dus op dat “friteskoning” Lahcen Askour het weer geflikt heeft; opnieuw heeft hij een mislukking omgetoverd in een zakelijk succesverhaal, met als basis opnieuw zijn dagverse, Limburgse frites.

‘Tien jaar geleden’, vertelden ze hem in Amstenrade voor hij begon, ‘zat er op die plek een uitstekende frituur. Daarna is het nooit meer zo goed geweest.’ De toenmalige uitbaatster woont om de hoek. Ze is nu een vaste klant van Frituur Amstenrade. Dat zegt toch genoeg?

De enthousiaste ondernemer is ondertussen bezig met de voorbereiding van zijn volgende project; een frituur in Lindenheuvel, Geleen. De volgende pijler van zijn groeiende frites-imperium. Geplande opening: eind september.

Illustratie gestolen van Joost Langeveld Origami.

Geen Reacties »

admin op 14 August 2012 in Ongewoon & Anders