De wonderbaarlijke geschiedenis van Vrijdag

Ik heb yoga nooit goed begrepen. In mijn studententijd oefende ik asana’s uit een herdrukt boekje uit de jaren zestig. Hetzelfde heldere boekje waarvan mijn vader ooit het origineel gebruikte. Het ging niet slecht, maar ik miste het overzicht. En het inzicht misschien. En begeleiding. Las was ik kon vinden, ook over de diverse vormen van yoga, zoals jnana yoga (die mij toen erg aansprak), en bestudeerde zelfs Patanjali. Het mocht niet veel baten.

Als ik later iets van yoga zag, bleek het bijna altijd veredelde gymnastiek voor senioren, zwangeren en kinderen. Met een beetje meditatie en, recentelijk, wat beweging om het aantrekkelijker te maken. Ik haakte geleidelijk af. Wilde meer dan een gezond lichaam. De diepte in. Een boek als ‘Over de werking van Yoga – Een verhaal van wijsheid’ van Geshe Michael Roach en Christie McNally bestond toen helaas nog niet (Uitgeverij Petiet, 2010, 22,5 euro).

Het verhaal van deze educatieve vertelling begint wat houterig; ‘Derde week van februari, Jaar van de Ijzeren Slang (1101 na Christus). Plaats van handeling: een van die vele stoffige Indiase stadjes’. Maar na een paar pagina’s komt er vaart in, vergeet je de anachronismen en val je voor de avonturen van Vrijdag, haar hondje Leef-Lang, de Kapitein en de andere hoofdpersonen.

Vrijdag is een Tibetaans meisje dat met haar hondje vanuit haar thuisland op weg is naar Varanasi. Bij een grenspost wordt ze aangehouden op verdenking van diefstal. Ze heeft een handgeschreven versie bij zich van ‘Het korte boek’ van de meester, gekregen van haar leraar, Katrin. Zo jong en zonder man op pad en dan ook nog zo gestudeerd zijn? Dat kan niet. Ze moet het boek wel hebben gestolen. En dus gaat ze de cel in bij de Kapitein en zijn mannen.

Vrijdag gaat de Kapitein yoga leren. Dit duo volgen we in hun dagelijkse lessen, waarbij vooral de diepere betekenis van yoga aan bod komt. Maar zonder dat het vervelend en belerend wordt. Sterker nog, je wordt als het ware verleid tot de denk- en belevingswereld die schuilgaat achter de ‘gymnastiek’ (hatha yoga) die velen vaak met yoga in verband brengen. Een wereld met meerdere dimensies en waar in de hemelse toestand ook engelen voorkomen.

Zonder onuitspreekbare (Sanskriet) begrippen krijgen we in dit speelse verhaal uitleg over het zon- en het maankanaal, respectievelijk rechts en links van het middenkanaal dat langs de ruggengraat loopt. Door het zonnekanaal gaan gedachten over ervaringen en door het maankanaal gedachten over het denken (over ervaringen). Door het middenkanaal gaan begripvolle gedachten over bijvoorbeeld zuiverheid, goedheid, vrede en wijsheid.

Onder meer door lichaamsoefeningen kan worden gezorgd dat het middenkanaal meer wordt geactiveerd ten kosten van het zon- en maan-kanaal. Zo bevorderen oefeningen goede gedachten of winden (en lichamelijk herstel). Een andere methode is van binnenuit, door visualisatie gericht op het helpen van de ander (nemen en geven). Dat werkt bijvoorbeeld door de pijn van een ander op te nemen en zo het eigen egoïsme te laten verdwijnen als het tenminste gebeurt vanuit onbaatzuchtig mededogen. Op de bamboe slaan of hem van binnenuit schoonmaken, heet dat heel simpel.

De problemen beginnen met de slechte zaadjes (gedachtekrachten) die steeds worden geplant en vervolgens geactiveerd door gebeurtenissen (in ons), als we niet oplettend zijn. Maar let op: dingen zijn niet zichzelf, hun aard en functie wordt door ons bepaald. Het activeren van negativiteit gebeurt via negatieve zaadjes die eerder in onszelf zijn geplant. Gebeurtenissen die zorgen voor negatieve zaadjes zijn begeerte, haat of ‘duistere onwetendheid’. Vaak gebaseerd op domme voorkeuren, domme afkeuren en onbegrip van de werking daarvan.

Het is daarom zaak, zo leert Vrijdag in navolging van Patanjali, om de goede zaadjes bij te houden door te tuinieren, anderen geen schade te berokkenen en anderen ervan te weerhouden om negatieve dingen te doen. Dat laatste moet met liefdevolle vriendelijkheid om te voorkomen dat een ander zijn negatieve gedachtenzaadjes weer laat groeien. Bij jezelf plant je zo goede zaadjes. De oogst van de goede zaadjes, bijvoorbeeld een gezond lichaam door hatha yoga, moet je benutten zodat anderen een vergelijkbare oogst kunnen ervaren. Daardoor worden de oogsten steeds beter en verander je langzaam in een lichtwezen.

U merkt, dit boek vind ik geweldig. Het liefst zou ik pagina’s lang aanhalen, vooral omdat het bovenstaande geen recht doet aan de heldere en eenvoudige schrijfstijl en de concrete en voor iedereen begrijpelijke voorbeelden. Het boek van Roach en McNally is een beetje vergelijkbaar met ‘De Celestijnse Belofte’ en nog meer met het qua inhoud meer verdiepende en ook beter geschreven boek ‘De wereld van Sofie‘. Het is gebaseerd op de yogasoetra’s van Patanjali en maakt deze begrijpelijk voor iedereen aan de hand van een heerlijke vertelling.

Waar de twee genoemde boeken een doorslaand succes waren, vrees ik voor het succes van ‘Over de werking van Yoga’. Het boek heeft namelijk helemaal de verkeerde titel. En dat is ongelooflijk jammer. Want dit boek zou gelezen kunnen worden door iedereen, zeg vanaf twaalf jaar, met interesse in yoga. Maar ook door middelbare scholieren die zich bezighouden met levensbeschouwing of niet-westerse filosofie.

Het boek zou kunnen heten: ‘De wonderbaarlijke geschiedenis van Vrijdag – Een inspirerende yogavertelling gebaseerd op de leringen van Patanjali’. Of ‘ Waarom de koe de pen niet opat – Een verrukkelijk verhaal over de essentie van yoga’. Het maakt niet zoveel uit, als het maar prikkelt.

Als Jostein Gaardner zijn boek ‘Over de achtergronden van de westerse filosofie’ had genoemd, had waarschijnlijk niemand het gelezen. Nu kent iedereen ‘De wereld van Sofie’. Hetzelfde geldt voor het boek van James Redfield. ‘Over de energetische uitwisseling tussen mensen’ had ook niet gezorgd voor rijen bij de kassa. En waren er ook niet zoveel mensen een beetje door geholpen, zoals met ‘Over de werking van Yoga’ nog veel meer het geval zou kunnen zijn. Want dat is waar het uiteindelijk om draait bij yoga, aldus Vrijdag: ‘Het grootste wonder van dit alles is dat ieder van ons de enige redder moet worden van iedere wereld die er maar bestaat’.

Geen Reacties »

admin op 19 August 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

‘Moderne mensen leven half, lauw als badwater’

Het begon vele jaren geleden met het lezen van de meeslepende roman van Josjikawa over de grootste onder hen, de zwaardheilige Miamoto Musashi. Daarna is mijn fascinatie voor de samoerai nooit meer verdwenen. Musashi was namelijk geen domme slager uit vijftienhonderzoveel, maar de beste Japanse zwaardvechter van zijn tijd die zich ontwikkelde en na zijn beslissende gevecht stopte met vechten om te gaan kalligraferen en dichten. Ook hield hij zich bezig met zazen.

Onlangs verscheen bij De Driehoek (Synthese Uitgeverij) het boekje ‘Zen en de Oosterse martiale kunsten’ waarin Taisen Deshimaru, nazaat van een samoerai-familie en zenmeester, ingaat op de wereldvisie die is voorgekomen uit de kruisbestuiving van zen en de Japanse vechtkunsten. Deze vechtkunsten worden nu volgens hem onterecht als sport beschouwd. Kendo, maar ook bij voorbeeld judo zijn onderdeel van De Weg; volgens Deshimaru de essentie van alle Aziatische religies en filosofieën.

De eenheid van wat in het westen lichaam en geest worden genoemd, vormt een fundament van die weg. Zo hebben ook alle mensen in een leven één lichaam-geest nadat ze wakker zijn geworden uit ‘de slaap van het ego’. Persoonlijke houdingen zijn daarbij van elkaar afhankelijk, zoals alles verbonden is. ‘Als u verdrietig bent, moet ik verdrietig worden en als u gelukkig bent, moet ik het ook zijn’. Deshimaru haalt Shin Jin Mei aan, een oud Chinees boek: ‘Shi Do Bu Nan… de hoogste Weg is niet moeilijk, maar men moet geen keuzes maken. Men moet zin noch tegenzin hebben.’

Om dit te bereiken zijn zenmeditatie geschikt en Bushido; ‘de weg van de samoerai’. Deze weg kent de volgende wegwijzers: Gi (de juiste beslissing, in gelijkmoedigheid genomen met stervensbereidheid), Yu (dapperheid), Jin (universele liefde), Rei (het juiste gedrag, Makato (volledige oprechtheid), Melyo (eer en roem) en Chugi (toewijdiging). De weg van de krijger is een levenslange, die pas eindigt als men sterft.

Het geheim is bewegen en toch in evenwicht zijn ‘door het (voortdurend) sturen van de geest’: ‘Het is als een tol die men draait; men kan hem beschouwen als iets onbeweeglijks, maar hij is in volle actie. Men kan zijn beweging alleen zien op het moment dat hij begint te draaien en als hij vertraagt aan het eind. Zo is de rust in de beweging het geheim van kendo, de weg van het zwaard. En ook het geheim van budo en van zen, die op hetzelfde berusten.’

Even verderop zegt de schrijver dat de krijger er vol in moet gaan op het juiste moment en vanuit het moeiteloos vol te houden lege bewustzijn waarin de geest zonder zwakheden is (’ku’). Dat valt voor ons westerlingen niet mee, ziet hij om zich heen: ‘in onze tijd wil iedereen zuinig met zin energie omgaan en leeft maar voor de helft. Men is nooit compleet. De mensen leven half, lauw als badwater.’ Wat nodig is, is totale overgave, totale ontlading van de energie. ‘In de moderne wereld zien wij precies het tegenovergestelde: jongeren leven voor de helft en zijn voor de helft dood.’

Om uitspraken als ‘in het hier en nu scheppen’, ‘er is geen overwinning noch nederlaag’ en ‘zege of niet-zege, leven of niet-leven worden in één moment beslist’ begrijpelijker te maken, vertelt Deshimaru een paar prachtige verhalen in dit oorspronkelijk in 1977 uitgegeven juweeltje. Het verhaal over de rat wil ik u niet onthouden. Een samoerai heeft last van een grote sterke rat en hij stuurt er verschillende katten op af. De eerste is sterk en dapper, de tweede slim en sluw, maar beiden hebben geen succes. De derde ligt de hele tijd te slapen en de rat wandelt op den duur gewoon langs de kat. Na dagen waarin hij steeds iets minder alert is geworden, wordt de rat ineens door de kat te grazen genomen.

Een verhaal over bushido in een notendop, met als insteek de toestand van het bewuste (niet)zijn, zoals ook mooi verwoord in een soetra die de schrijver aanhaalt: ‘Deze dag loopt ten einde, met haar moet uw leven eindigen. (…) U moet voorzichtig blijven, altijd aan Mujo (de voortdurende verandering van alle dingen) denken, nooit verslappen.’ Verslapt u wel, en valt u ten prooi aan de verandering, dan wacht de hel met demonen voor elke gehechtheid, zo wordt duidelijk.

‘Uw dood zal weldra komen: vergeet dat nooit, ieder ogenblik van uw bewustzijn, van inademing tot uitademing. Als u niet zo bent, dan bent u niet werkelijk op zoek naar de ware Weg.’ Dat geldt niet alleen voor samoerai, maar ook voor beoefenaren van zen.

Zen moet overigens volgens Deshimaru niet meer bijzonder worden gemaakt dan het is. ‘Er schuilt in zazen noch een bijzonder mysterie, noch een speciale bedoeling. Maar door zazen zal uw leven zich zeker ontplooien en volmaakter zijn. Dus u moet iedere intentie achterwege laten, er van af zien een doel te willen bereiken, wat het ook is, tijdens zazen.

(…) U moet door diepgaande zelfbeschouwing ontdekken en begrijpen waar het over gaat. Als u uw bijzondere ik vindt, laat het mij dan alstublieft zien. Als u het niet vindt, blijf het dan trouw bewaken en beschermen; vergeet het ik dat u altijd aan de omgeving laat zien. Helemaal van zelf zult u na verloop van enkele maanden, enkele jaren in staat zijn automatisch en onbewust gyodo (de Ware Weg) te beoefenen met heel uw lichaam, zonder inspanning van de wil.’

Een aanrader, dit boekje. Ook voor mensen die alleen in zen geïnteresseerd zijn. Helder, begrijpelijk en vanuit directe ervaring geschreven. Winkelprijs: 16 euro.

Geen Reacties »

admin op 10 August 2010 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

‘In het betaald voetbal heb je nauwelijks echte vrienden’

Met Fortuna speelde hij medio jaren tachtig in de eredivisie. Ook streed hij mee om de UEFA Cup. Tot hij door een reeks blessures zijn voetbalcarrière voortijdig moest afbreken. Intussen is Rob Philippen (46) alweer ruim vijftien jaar een gerenommeerd makelaar. Hij woont in Hoogveld en heeft daar ook woningen in de verkoop. Een interview.

Het waren gedenkwaardige tijden bij Fortuna. Rob Philippen, een jongen van ‘de ranch’, het legendarische hart van de voormalige Sittardse wijk Stadbroek, had het ‘em toch maar mooi even geflikt; hij speelde tussen 1971 en 1986 in het groengeel van Fortuna, de eredivisionist die goed aan de weg timmerde en vanuit het ‘oude’ stadion in de Baandert zelfs de sprong naar het Europees voetbal had gemaakt.

Het was de ‘American Dream’ op z’n Limburgs. De piepjonge Rob Philippen verdiende destijds naar eigen zeggen vijftienduizend gulden per jaar plus bonussen voor elke gewonnen wedstrijd. ‘Toen veel geld’, maar – in contrast met sommige anderen – heeft hij ‘geen gekke dingen gedaan in die goede tijd’. Dat zit vermoedelijk niet in zijn karakter.

Een reeks blessures gooide echter roet in het eten en zijn droom van betaald voetballer spatte uiteen. De ‘Zittesje snaak’ ging weg bij Fortuna, speelde twee jaar bij het eerste van Helmond Sport. ‘Met onder anderen Hans Kraay Jr. en René van de Kerkhof. Met Hans ben ik toen bevriend geweest, intussen is dat verwaterd.’ Na een tussenstop bij SV Eindhoven eindigde hij in de Duitse Oberliga; het hoogste niveau voor amateurvoetbal destijds. Zijn loopbaan als speler in het betaald voetbal was voorbij.

,,Ik was echt een heel groot talent, tot ik last kreeg van blessures. Daardoor haalde ik mijn niveau niet meer.” Achteraf concludeert hij: ,, Ik was te jong en de spong van de A-Junioren naar het eerste te groot, ook door de fysieke belasting. Mijn lichaam kon het gewoon niet aan. De medische begeleiding zoals die nu is, was er toen helaas niet.”

Als topvoetballer had Rob Philippen veel vrije tijd. Die vulde hij met studeren, zodat hij ook nog een leven na het voetballen kon opbouwen. ,,Ik heb in die jaren heel wat opleidingen gevolgd. Van horeca tot detailhandel en werktuigbouwkunde. Ik heb nooit de illusie gehad dat ik als miljonair zou stoppen in het betaald voetbal. Na het voetbal heb ik een jaar als constructeur gewerkt, maar uiteindelijk trok de makelaardij het meest. Ook daarvoor heb ik de opleiding gevolgd. Destijds werd je nog beëdigd als makelaar-taxateur, nu is dat helaas allemaal anders.”

In 1994 begon hij als vennoot bij een assurantiënkantoor met makelaarstaken. Drieënhalf jaar later startte hij Philippen Makelaardij. Het waren tijden waarin de woningprijzen de ruimte in schoten. ,,Het was geen leuke markt, wel leuk voor het inkomen. Het gaf geen voldoening, het was uitdelen. Het bord stond nog maar net in de tuin of mensen begonnen al te bellen. Huizen werden soms via de telefoon gekocht, ongezien.” Dit kwam ook doordat sommige banken veel te ruime hypotheken afsloten. Iedereen dacht dat het niet op kon.

Rond 2000 werd het beroep van makelaar vrijgegeven. Veel meer mensen wilde uit deze volle ruif vreten, maar de branche als geheel deed het geen goed. ,,Onder nieuwe makelaars was toen heel veel ondeskundigheid. Er waren zelfs bouwvakkers die van de steiger afkwamen, een driedelig pak aantrokken en makelaar gingen spelen, zonder ook maar enig feeling met de markt. Die verkochten huizen met een leuk praatje maar ze hadden bijvoorbeeld geen idee van de waarde. Vaak werd de vraagprijs bepaald door wat de verkoper dacht dat het huis waard was.”

Rob Philippen was het niet komen aanwaaien. Hij had tweeënhalf jaar gestudeerd om beëdigd makelaar te worden, een makelaar met kennis van zaken. ,,Eerder had je ook al vastgoedbemiddelaars, maar die mochten zich geen makelaar noemen. Ik dacht: verdomme, ik heb daar zo hard voor gewerkt! Ik wil me onderscheiden door deskundigheid, zorgen voor een goed aanzien. Daarom ben ik lid van de Stichting VastgoedCert, een organisatie die de kwaliteit van makelaars waarborgt, en aangesloten bij de landelijke makelaarsvereniging VastgoedPRO (voorheen LMV). De reputatie van de beroepsgroep was destijds heel slecht. Als ik op feestje zei dat ik makelaar was, kreeg ik gelijk een hele golf kritiek over me heen.”

Dat kwam doordat makelaars zo’n tien jaar geleden werden gezien als mensen die makkelijk veel geld verdienen. Ook van betaalde voetballers werd en wordt dat gedacht. Er was bewondering, maar ook veel afgunst. Intussen zijn de verhoudingen in beide werelden genormaliseerd. De gekke jaren zijn voorbij. Zijn er andere overeenkomsten tussen de makelaardij en betaald voetbal?

Rob Philippen: ,,Het betaald voetbal was lang niet altijd een leuk wereldje. Echte vrienden heb je er niet. Het is ieder voor zich, terwijl het een teamsport is. Als makelaar werk ik alleen, samen met een secretaresse, dat bevalt me uitstekend. Als voetballer ben je ook vrij zelfstandig en ben je veel vrijheden gewend, zo heb je geen vaste werktijden. Verder heb ik de vechtersmentaliteit uit de sport meegenomen. Klanten hoeven bij mij alleen te betalen voor bemiddeling als het huis verkocht is. En ik geef het niet makkelijk op. Zo heb ik als makelaar ook een naam opgebouwd in Sittard en omgeving.”

Er zijn nu te veel makelaars in de Westelijke Mijnstreek, vindt hij. Makelaars die niet goed bezig zijn, zullen vanzelf verdwijnen. Ook het zelf verkopen, bijvoorbeeld via internet, zal afnemen, verwacht Philippen. ,,Het is voor ons als makelaars al lastig, laat staan voor mensen die het zelf willen doen, dat lukt nauwelijks.

De grootste partij die daarmee successen heeft behaald, had een contract met een bank die veel te hoge hypotheken afsloot. (Dezelfde bank die dat in de jaren negentig ook deed toen mensen tegen elkaar opboden over de vraagprijs heen.) Daardoor zijn veel huizenkopers in de problemen gekomen. Veel van de huizen die nu te koop staan, zijn ooit zo gefinancierd. Zit het even tegen, dan kunnen ze de hypotheek niet meer betalen en moeten ze verkopen.”

Met Rob Philippen en zijn makelaardij gaat het goed. Anderhalf jaar geleden heeft hij samen met oud-stagiair Willy Wageman onder de naam Makelaarsgilde Swentibold in Born zelfs een tweede filiaal geopend. Opnieuw is hij dus succesvol. Onlangs keerde hij voor werkzaamheden terug naar Stadbroek, Molenbeek zoals het nu gedoopt is. Niet als de bekende voetballer, maar als de geslaagde makelaar – die overigens vrij bescheiden overkomt. Hij heeft achttien woningen in Molenbeek in de verkoop.

,,Het blijft vreemd dat alles weg is. De kerk is weg, de school. Alleen het stratenplan is hetzelfde gebleven. Toch is het goed voor de buurt. Het was noodzakelijk. De buurt was eind jaren negentig erg achteruit gegaan. Toch ben ik nog steeds trots dat ik daar vandaan kom. De sfeer en de saamhorigheid op ‘de ranch’ (een volksbuurt) waren geweldig. In de zomer zat iedereen in de voortuin en werd er gepraat en gedronken. Dat was heel gezellig. Ik heb er geweldige jaren gehad!”

Geen Reacties »

admin op 23 July 2010 in Politiek & Media

Akasha, het verenigd veld en de menselijke ervaring

Met veel plezier keek ik uit naar ‘De Akasha Ervaring’ onder redactie van Ervin Laszlo (Ankh Hermes, 2010, 29,9 euro). Mijn verwachtingen werden waargemaakt, maar niet zoals ik gedacht had. Juist de mij onbekende schrijvers wisten me te raken met hun persoonlijke en soms heel herkenbare verhalen.

De basis van theorievorming in het boek is het verenigd veld. Dat is een volle ruimte, die universa voortbrengt die draaien om paren deeltjes en anti-deeltjes, en deze universa ook weer opslokt. Het verenigd veld vormt het potentieel voor gemanifesteerde krachtvormen als elektromagnetisme, zwaartekracht en de sterke en zwakke kernkrachten.

Het verenigd veld is vergelijkbaar met wat de oude Indiërs Akasha noemden. Een uitvloeisel van Akasha is de functie van ordenende bibliotheek met daarin alle vormen van gedachten, gevoelens, acties en ervaringen in ruimte-tijd. Je kunt hier toegang tot krijgen via eenheidservaringen dankzij de levensenergie (prana/chi/ki). Levensenergie zorgt ook voor de manifestaties of vormingen vanuit het verenigd veld.

Om het eenvoudig te zeggen: Akasha (de oermoeder) is het die (kinderen) voortbrengt dankzij de inwerking van de levensenergie (de oervader), uiteindelijk haar eigen manifestaties (kinderen) assimileert (opeet), maar de herinnering bewaart, om vervolgens opnieuw voort te brengen.

C.J. Martes, schrijfster, genezer en de vrouw achter de Akasha Field Therapy, beschrijft hoe ze voor het eerst heel bewust met het Akasha-veld in aanraking kwam. Ze vertelt dat ze rond haar vijfentwintigste depressief en agressief was. Ze voelde zich lusteloos en leefde, zoals ze dat zegt, in een schaduwwereld gevuld met leed uit eerdere jaren. Ze vocht voortdurend tegen zichzelf.

Op het dieptepunt hoorde ze een stem: ‘Je hebt geen pijn, je bent bezig te genezen.’ Martes dacht: dat kan ik niet alleen, dat genezen. Ze hief haar handen ten hemel, om het maar eens archaïsch te zeggen, en stelde zich open voor ‘eenieder die zou kunnen helpen’.

De kamer lichtte op, ze tintelde over haar hele lichaam, zag engelachtige wezens die haar probeerden te helpen en realiseerde zich dat deze altijd bij haar waren geweest. Dit noemt ze haar ‘ontwaken’.

‘Op slag werd mij alles duidelijk.’ Ze probeerde zich in te denken hoe genezen zou voelen en zag alles als een proces van heelwording, daardoor veranderde alles. ‘In korte tijd leerde ik meer over het leven dan in alle vijfentwintig jaar ervoor.’ Ook haar paranormale gaven uit haar jeugd ‘kwamen terug’.

Swami Kriyananda beschrijft in lijn daarmee hoe hij afstemming op het Akasha-veld leerde. Hij slaagde voor een lastig tentamen Grieks door zich resoluut voor te stellen: Ik ben een Griek. Hij stemde zich af op het Griekse bewustzijn, het bewustzijn waaruit de taal geboren was, en zei tegen zichzelf: ‘Nu wil ik in deze taal denken en ik accepteer de zinsbouw uit deze taal als goed en natuurlijk’, en slaagde vervolgens moeiteloos voor het tentamen.

Op deze wijze componeert de swami ook muziek in stijlen uit diverse cultuurgebieden. Hij biedt een gedachte aan het universum met zijn persoonlijke ‘formule’: ‘Als het moet worden gedaan, verleen mij dan toegang tot die specifieke “straal van kennis” die uitgaat van het Oneindige aangaande ongeacht wat er gedaan moet worden’.

Een andere zin die hij gebruikt: ‘Zelf kan ik het niet God, maar U kunt alles.’ Niet op de nederige katholieke manier van: ‘Ik ben niet waardig’ et cetera en ook niet trots, maar met een open hart.

Een andere waardevolle bijdrage aan het boek is van Christopher Bach, onder meer voormalig hoogleraar vergelijkende godsdienstwetenschappen. Hij ontdekte tijdens colleges er op den duur een groepsbewustzijn ontstond met achter de schermen een vorm van schoksgewijs meta-leren; studenten vingen als het ware het geleerde van anderen op en konden daardoor sneller door de stof.

De voorwaarden hiervoor zijn, concludeert Bach: een collectieve intentie, gefocust zijn in het kader van een emotioneel-sympathisch groepsproject, een project van langere duur en veelvuldige herhaling van het project in nagenoeg dezelfde vorm.

Maria Sági, gepromoveerd in de psychologie, gaat ook uit van de informatie-component in Akasha en gebruikt deze om op afstand diagnoses te stellen en te genezen. Ze stuurt en ontvangt ‘informatie’. Dat betreft vermoedelijk symbolen, waarvan de werking ook omgekeerd of geblokkeerd kan worden. Bij diagnose en behandeling gebruikt ze een combinatie van technieken van Erich Körbler (die werkte met een enkelvoudige pendel, de tensor, en een pendelkaart) en eigen methoden.

Uit wetenschappelijk onderzoek naar haar genezingsmethode met informatie blijkt dat haar hersenen lage deltagolven uitzenden en dat de hersenen van de patiënt in de test, met een vertraging van ongeveer twee seconden, hetzelfde golfpatroon dupliceerden. Ondertussen traden bij de patiënt de symptomen in verhevigde vorm op, daarna stabiliseerde diens toestand jarenlang.

Een samenvattende bijdrage komt van Masami Sainoji. Zij schrijft: ‘De gedachten, woorden en emoties die mensen van moment tot moment uitzenden, vormen een constante energiestroom die uitgaat van het lichaam en scheppingsvelden vormt welke zichtbaar zijn in allerlei kleuren, vormen en gedaanten.’

‘(…) Gedachten met een overeenkomstige frequentie verenigen zich tot een homogeen creatief veld rond de persoon die ze uitzendt. Als de verzamelde energie (…) een kritische massa bereikt en zich een uiterlijke omstandigheid voordoet die deze activeert, manifesteert zij zich in deze of gene vorm in het zichtbare domein.’ Bijvoorbeeld een gebeurtenis, een situatie, een ontmoeting met een persoon of woorden die iemand leest of hoort of opeens in zijn geest opduiken. ‘Daarna is het persoonlijke scheppingsveld uitgeput.’

De scheppingsvelden ontstaan door vereniging van gedachten. ‘Naarmate dit scheppingsveld verder blijft groeien, gaat het een steeds sterkere invloed uitoefenen op zijn wil, keuzes en gedragingen.’ Dus het krijgt een soort basale vorm van evoluërend bewustzijn. Hoe groter die velden zijn, des te sterker ze reageren op de gedachten die uitgaan van mensen op uiteenlopende plaatsen.

Masami Sainoji licht dit toe met een voorbeeld van een vrouw die jarenlang geringschattend over zichzelf dacht. ‘Elke keer als zo’n gedachte in haar geest opkwam, leidde dat tot de komst van overeenkomstige soorten energie uit grootschalige collectieve scheppingsvelden. (…) De instroom van deze energie dompelde haar onder in een toestand van intens verdriet.’

De remedie die Sainoji bedacht voor deze vrouw was positieve zelfbevestiging: ‘Gelouterde X, spirituele X. Hoe kunnen we jou bedanken? Moge er vrede op aarde zijn. Namens de mensheid bedanken wij de liefde van het universum voor het gelouterde bestaan van X.’

Samenvattend: als mensen zijn we als een mobiele telefoon voortdurend in contact met het netwerk. We ontvangen en zenden de hele tijd. Je denkbeelden en ontvankelijkheid bepalen de kanalen waarop je je afstemt. Door die afstemming heb je bewust of onbewust invloed op de ervaringen in je leven.

Na bewustwording hiervan, kun je je op andere kanalen afstemmen, zodat ook je leven verandert. Je wordt meer jezelf. Zo kun je genezen, en leren, spelen en creëren in jou voorheen ‘vreemde’ domeinen. Als je dat met andere mensen doet en herhaalt, kun je een gezamenlijk veld scheppen waardoor je samen sneller leert, ook van elkaar, door het toenemend bewustzijn van het collectieve veld.

Mikao Usui: verlichting na faillissement

De geschiedenis en praxis van reiki, een Japanse energetische heelwijze en levensweg, leek tien jaar geleden vast te staan. Niets bleek minder waar. Ironisch genoeg, hebben de leugentjes om bestwil van ‘grandmaster’ Hawayo Takata de wereldwijde verspreiding van reiki mogelijk gemaakt. Onlangs verscheen ‘Das ist Reiki’ van Frank Arjava Petter (Windpferd, 2009). Met dit boek zijn we weer een belangrijke stap verder in het onderzoek naar de achtergronden, methoden en personen uit de beginperiode van reiki, intussen bijna een eeuw geleden.

Een aantal zaken was vanaf eind jaren negentig al duidelijk uit research van onder anderen Frank Arjava Petter, Dave King en William Lee Rand. Zo was Mikao Usui, de stichter van de reiki-beweging, geen christelijke predikant die wilde leren hoe Jezus Christus mensen genas en die les gaf aan de Doshisha Universiteit in Tokyo. Ook heeft hij niet (theologie) gestudeerd aan of een eredoctoraat gekregen van de Universiteit van Chicago.

Dit waren, evenals de titels ‘master’ en ‘grand master’, bedenksels uit de Hawaiiaanse lijn Chujiro Hayashi – Hawayo Takata. Ze bleken uiterst nuttig voor de acceptatie van een Japanse en overwegend boeddhistische methode in de christelijke Verenigde Staten toen ‘Pearl Harbor’ nog vers in het geheugen lag, maar hadden geen historische basis.

Mikao Usui heeft ook nooit onbekende uitspraken van de historische boeddha gevonden, opgetekend door één van diens leerlingen. Hij reisde evenmin naar de VS en Europa. Met ‘het westen’ op zijn gedenksteen in Tokyo worden vermoedelijk direct westelijk van Japan gelegen landen bedoeld.

Uit het nieuwe boek van Frank Arjava Petter blijkt bovendien dat het westerse master-symbool in Japan niet gebruikt wordt, in plaats daarvan gebruiken ze een ander symbool. Het westerse master-symbool lijkt een andere toevoeging van Hawayo Takata, de Paulus van de reiki-beweging.

Uit naspeuringen eind vorige eeuw bleek al snel dat Mikao Usui een boeddhist was, 15 augustus 1865 geboren in een dorpje bij het hedendaagse Nagoya. In zijn zoektocht naar inzicht, ging hij naar de berg Kurama, noordelijk van Kyoto, om de dood of verlichting te ervaren.

Mikao Usui ontving verlichting en ging vervolgens lesgeven in Tokyo. Na de grote Kanto-aardbeving in 1923, waarbij 140.000 mensen omkwamen en reguliere medische zorg grotendeels ontbrak, maakte reiki een bliksemsnelle groei door.

In 1922 was hiervoor al een vereniging opgericht, de Usui Reiki Ryôhô Gakkai, waarvan Mikao Usui president werd. (De volledige naam luidde ‘Shin Shin Kaizen Usui Reiki Ryôhô Gakkai’). Na zijn dood in 1926 aan een hartaanval, werd hij opgevolgd als president van de Gakkai, maar niet door zijn student Chujiro Hayashi, zoals Takata leerde.

Chujiro Hayashi stichtte – vanwege zijn opleiding tot arts én op verzoek van Mikao Usui, zo blijkt uit het boek van Frank Arjava Petter (!) - een eigen school (Hayashi Reiki Kenkyukai). Deze kende een sterk vereenvoudigd curriculum. Na opnieuw diverse aanpassingen zijn de leringen hiervan via Hawayo Takata bekend geworden als de westerse ‘reiki’ (Usui Reiki Shiki Ryôhô).

De oorspronkelijke Gakkai bestaat nog steeds en wordt sinds 1998 geleid door professor Masayoshi Kondo. Begin deze eeuw doken steeds meer verhalen op over de Gakkai en de daar gebruikte technieken en methoden.

Bekende personen in dat verband zijn Hiroshi Doi, die in 1993 lid werd van de Gakkai en intussen een op hun technieken gebaseerde eigen school heeft (Gendai Reiki Hô). (Het oprichten van eigen reiki-scholen is nu gebruikelijk en was dat blijkbaar al vanaf de beginperiode.)

Daarnaast is er mevrouw Suzuki San. Zij is een stokoude leerlinge van Usui uit de pro-Gakkai periode en is, naast anderen, een belangrijke bron voor Bronwen & Frans Stiene. Andere prominenten achter de schermen van de reiki-geschiedschrijving zijn de intussen overleden Chiyoko en haar zoon Tadao Yamaguchi, die voortkomen uit de lijn van Hayashi en in 1999 de basis legden voor een eigen school (Jikiden Reiki Kenkyukai).

Frank Arjava Petter baseert zich op de verhalen, documenten en boeken van diverse mensen, onder anderen van mevrouw Kimiko Koyama, de voorlaatste president van de Gakkai, Fumio Ogawa, een Shihan van de Gakkai, en moeder & zoon Yamaguchi. (Een Shihan is een exclusief soort ‘master-teacher’ in westerse reiki-termen, maar veel beter, breder en langer opgeleid in reiki.)

Duidelijk is intussen wel, dat de geschiedenis van reiki veel complexer is, dan bij de Nederlandse introductie in de jaren tachtig denkbaar was. Bronwen en Frans Stiene noemen in 2005 de invloed van Tendai Mikkyô, een esoterische tak van het Tendai Boeddhisme. Mikao Usui was volgens hun bronnen lekenpriester binnen deze stroming.

Verder zou hij zijn beïnvloed door het Shintoïsme, een animistische wereldvisie, en door Shugendô, een amalgaam van Sjamanisme, Shintoïsme, Taoïsme en Boeddhisme. Usui zou zijn opgeleid tot Shugenja (een soort sjamaan).

Andere bronnen, bijvoorbeeld van Frank Arjava Petter, geven over de relatie met Shinto en Shugendô geen informatie. Maar de eerste locatie voor samenkomst van de Gakkai was op het terrein van Shinto-heiligdom Togo Jinja in Tokyo, aldus Frank Arjava Petter. Shinto wordt volgens hem (tegenwoordig) sowieso gezien als iets dat hoort bij het Japanner-zijn, en geen afzonderlijke religie.

In de jaren twintig van de vorige eeuw waren er in elk geval in korte tijd veel ’spirituele’ groepen actief in Japan. Het leek wel een spirituele renaissance. Enkele van deze groepen hebben de tijd overleefd. Reiki is daar één van.

De integratie van concepten uit het Tendai Boeddhisme en het Shintoïsme, is mede de reden geweest voor het blijvende succes van reiki, aldus mevrouw Suzuki tegen Bronwen en Frans Stiene. Wat volgens Frank Arjava Petter een belangrijke rol heeft gespeeld (naast de intrinsieke waarde van reiki), was het verbod op exclusieve organisaties die zich bezig hielden met spirituele heling dat niet veel later werd ingevoerd in Japan.

Een verbod waar de Gakkai van Mikao Usui onderuit kwam, mogelijk door de verering van de Meiji keizer (die het Shintoïsme eerder tot staatsreligie had verheven) en de klaarblijkelijk goede contacten met vele topbestuurders en hoge militairen.

(Omoto Kyo, een organisatie met veel hoge militairen als lid, ontsprong de dans niet. Het is denkbaar dat een aantal van hen na het verbod lid werd van de Gakkai.)

Vast staat, dat Mikao Usui is begraven op de Saihoji begraafplaats in Tokio die behoort tot het Zuiver Land-Boeddhisme (Jodo Shu). En dat hij secretaris was van de kleurrijke en visionaire politicus Shimpei Goto, die diverse ministersposten heeft bezet en in de jaren twintig, tijdens de Kanto-aardbeving, burgemeester was van Tokyo. In die periode heeft Mikao Usui vermoedelijk reizen naar westelijk van Japan gelegen landen gemaakt.

In het nieuwe boek van Frank Arjava Petter lezen we verder onder meer over Taniai, het geboortedorp van Mikao Usui (er wonen nog diverse verre familieleden), over zijn voorvader Kanemaki Usui die in de dertiende eeuw een beslissende droom had over Zendo Daishi, en over de gebruiken binnen het Jodo Shu-Boeddhisme waar Mikao Usui via een lokale tempel al op jonge leeftijd mee in aanraking moet zijn gekomen.

Ook wordt, voor zover bekend voor het eerst, melding gemaakt van de kostbare Torii die Mikao Usui met zijn broers, uit dankbaarheid na de Kanto-aardbeving, voor het lokale Shinto-heiligdom in Taniai heeft opgericht. De namen van de schenkers staan erop vermeld.

‘Das ist Reiki’ is één van de best gedocumenteerde westerse boeken over de achtergronden, personen en technieken van de Gakkai. Ook biedt het veel nieuwe informatie over Mikao Usui.

Mevrouw Koyama vertelde Frank Arjava Petter dat Mikao Usui voor zijn tijd bij Goto als journalist werkte, maar ook als geestelijk raadsman in een gevangenis, sociaal werker en als missionair van een Shinto-groep. Het was dus een veelzijdig man, mag worden aangenomen. Na zijn baan bij Goto ging Mikao Usui als zelfstandig ondernemer aan de slag, waarschijnlijk in het familiebedrijf. Dat was geen succes. Mogelijk ligt hierin een oorzaak van de breuk met zijn ooit rijke (Daimyo) familie, waarvoor in het boek geen reden wordt gegeven.

Het debacle in het bedrijf heeft in elk geval een grote persoonlijke impact gehad. Reiki is volgens mevrouw Koyama ontstaan uit een identiteitscrisis die Mikao Usui ervoer nadat zijn bedrijf failliet was gegaan.

Hij zocht naar de zin van het leven en diepe innerlijke rust, en schreef zich in voor een driejarige meditatie- en vastenkuur in een Zen-tempel in Kyoto. Het was toen gebruikelijk voor mannen om op een bepaald stadium in hun leven een korte bezinningsperiode in te lassen. Dit maakte hen overigens geen monniken.

Na de drie jaar had Mikao Usui niet het gewenste inzicht gekregen. Hij vroeg zijn abt om raad en die zag voor deze in meditatie getrainde zoeker maar één oplossing: de fysieke dood ervaren om in het sterfproces zichzelf te vinden. De historische boeddha, Gautama Siddharta, zou ook deze weg zijn gegaan.

In maart 1922 begon Mikao Usui te vasten op de heilige berg Kurama, vermoedelijk ver van de platgetreden paden, gezeten in Gassho-positie en zonder de mensen van de tempels op de berg te informeren. Hij deed dat zeker twintig dagen. De laatste dag van zijn innerlijke zoektocht werd hij ’s avonds als door een bliksemschicht getroffen in zijn voorhoofd.

Hij verloor bewustzijn en tijdsbesef en toen hij weer bij kwam, was hij vervuld van een nieuwe kracht. Hij voelde zich vol licht en energie.

(Een ervaring die wellicht vergelijkbaar is met de indertijd meer voorkomende inbezitneming door een godheid bij Shinto-groepen. Mensen die dit in de jaren twintig van de vorige eeuw overkwam, stichten daarna vaak een spirituele groep of beweging.).

Een maand na zijn verlichting op de berg Kurama gaf Mikao Usui al les in zijn methode om via de geestkracht van het universum innerlijke rust en verlichting te bereiken.

(een bewerkte versie van dit artikel verscheen onlangs in Koorddanser)

Zwemcoach Jacco Verhaeren: ‘Sporters hedendaagse gladiatoren’

Coachen, het lijkt soms zo makkelijk. Zeker in de sport. Een beetje langs de kant staan en af en toe de sporters moed inspreken. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Hetzelfde geldt voor coachend leiderschap in het bedrijfsleven of in een grote vereniging. Henk Verhaeren publiceerde onlangs een inspirerend boek over zijn broer zwemcoach Jacco Verhaeren (Tirion Sport, 19,95 euro).

Jacco Verhaeren stelt dat na een goede en uitgebalanceerde voorbereiding en met geloof in de eigen overwinning topprestaties kunnen worden bereikt als de handeling opeens vanzelf gaat. Niet meer slag voor slag zwemmen, maar van voor de start tot na de finish in de race zitten, in de flow zijn zoals psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi zegt, en boven jezelf uitstijgen. Schijnbaar moeiteloos excelleren.

De rol van de coach is daarbij voorwaardenscheppend. Hij of zij denkt, voelt en werkt mee met de sporter. Dit is een proces dat niet voor een wedstrijd begint en erna eindigt, het is meer als een huwelijk met hoogte- en dieptepunten en een duidelijke rolverdeling (sommige mensen - vaker vrouwen aldus Verhaeren - hebben meer sturing nodig dan anderen). Een relatie die vierentwintig uur per dag het maximale van beide partijen vergt.

Worden er topprestaties geleverd, dan is en blijft dat de prestatie van de sporter. Een goede coach biedt achter de schermen de best mogelijke voorwaarden. Dat betekent niet automatisch je te pletter trainen, maar kijken wat voor de individuele sporter het beste is. Heel veel trainen zorgt niet automatisch voor topprestaties; juist door de rustperiodes beklijven de inspanningen in mind en body, zo leerde hij al vroeg in zijn loopbaan.

Coach en sporter moeten verder groot durven zien en denken, maar wel realistisch blijven op de weg er naartoe (begin klein, denk groot). Dat betekent ook af en toe oude ideeën overboord zetten en inruilen voor experimentele, ook al zullen negen van de tien niet werken. Zonder fouten geen geslaagde experimenten.

In de besluitvorming over de begeleiding heeft de coach altijd het laatste woord. Verhaeren waardeert de inbreng van talloze specialisten als sportpsychologen, wetenschappers en commerciële partijen, maar hij is degene die bepaalt. Overigens doet hij dat richting sporters niet op een bullebakkerige manier, het gaat om sturing op basis van wederzijds commitment. ‘Het is graag of niet.’

Daarbij heeft de coach de verantwoordelijkheid om het maximale eruit te halen. ‘Een coach die zijn sporters niet optimaal traint, is als een generaal die zijn manschappen gebrekkig voorbereid de strijd in stuurt; de oorlog is voor hen bij voorbaat verloren. Als je als coach concessies doet dan offer je eigenlijk je manschappen op voor spek en bonen. Omdat jij ze als coach niet voor de strijd geschikt hebt gemaakt. Als je als coach niet voor je troepen staat, een zwakke leider bent of verkeerde keuzes maakt, kweek je kanonnenvlees.’

Aan de andere kant verwacht ‘generaal’ Jacco Verhaeren van zijn sporters, die hij behalve met soldaten ook vergelijkt met gladiatoren en krijgers, honderd procent inzet. Dag en nacht. Opgeven is geen optie. Echte winnaars gaan door met verliezen tot ze winnen - dat is de spirit. ‘Sporters zijn doorgaans beschaafde mensen, maar zo gauw ze in het strijdperk treden, worden het krijgers met maar één doel. Wat er ook gebeurt: winnen!’.

Jacco Verhaeren is als coach open en direct. Hij wil het ‘eerlijk’, doet aan zelfreflectie en verwacht dat ook van sporters. Kritiek op zijn functioneren en andere ideeën en opvattingen kunnen sporters dan ook gerust bij hem neerleggen. Dat is voor hem belangrijk. De laatste zin van het boek luidt dan ook: ‘De waarheid is geen zachtzinnige vriend. Wel een eerlijke.’

Zijn ontvankelijke houding voor kritiek doet weleens wenkbrauwen fronsen: ‘Het grappige is, men vindt soms dat ik me kwetsbaar opstel omdat ik opensta voor kritiek. Men vindt het blijkbaar riskant om met de billen bloot te gaan. Maar dat is een misvatting die voortkomt uit egodenken. Hoe minder toegankelijk je bent voor commentaar en hoe hoger je jezelf op een voetstuk plaatst, des de groter de kloof met de realiteit. Ik denk dat je pas echt kwetsbaar wordt wanneer je jezelf juist niet blootstelt aan kritiek, en als je beslissingen neemt zonder daar de mening van anderen in te betrekken.’

En dat is precies wat er gebeurt in het ondemocratische China waar hij in 2008 terechtkomt voor de Olympische Spelen. Verhaeren wijst op de achterkant van alle vrolijkheid; demonstreren was toegestaan maar moest eerst worden aangevraagd. Aanvragers werden vervolgens opgesloten en bij de eindceremonie vrijgelaten. Een gigantische wijk is platgegooid voor het sportterrein. De openingsceremonie zou zijn uitgevoerd door mensen die hiertoe zijn gedwongen. En er zou zijn gesjoemeld met de data over de luchtvervuiling om de Spelen binnen te halen.

Het IOC toonde zich ruggengraatloos, aldus Verhaeren, door de ogen te sluiten voor dit soort maatschappijkritiek. Oproepen van Amnesty International en Human Rights Watch werden volgens de zwemcoach door het IOC zelfs ‘ronduit vervelend gevonden’. De argumenten van deze organisaties werden gebagatelliseerd of van tafel geveegd. Toen werd hem nog eens heel duidelijk dat de Olympische Spelen draaien om machtspolitiek en sport is daarbij slechts een middel. Hoe anders wil hij zelf graag de sport zien, ook in relatie tot de entertainmentindustrie!

Verhaeren liet zich voor de Spelen kritisch uit over de mensenrechten in China en kreeg vervolgens bezoek - vermoedelijk van een medewerker van de AID - die hem meldde dat de Chinezen geen kritiek tolereren en ook in de landen waar spelers vandaan komen oppositionele geluiden monitoren. Met andere woorden: ze houden je in de gaten. Zulke uitspraken zouden Verhaeren in China zes maanden straf kunnen opleveren, werd hem verteld. En ze zouden bovendien de positie van Nederland in het IOC in gevaar brengen (’de internationale positie in het bestuurswezen van de sport’).

(Het zou dan bij het IOC gaan - zo leert een snelle blik in de Wikipedia - om erelid Hein Verbruggen, voorzitter van de commissie voor de spelen in Peking (en de grote criticaster van Jacco Verhaeren tijdens diens uitlatingen in de media voorafgaand aan de Spelen in Peking) en de IOC-leden Els van Breda Vriesman (hockey),  Anton Geesink (judo) en Willem-Alexander, Prins van Oranje.)

De zwemcoach staat versteld over de Chinese invloed, zeker nu deze zijn persoonlijke levenssfeer is binnengedrongen: ‘Dat is geen nieuws als je bijvoorbeeld bedenkt dat onze minister-president om ruzie met China te voorkomen de Dalai Lama niet wil ontvangen, maar als dergelijke praktijken jezelf aangaan – als burger in je eigen land – kijk je toch vreemd op. Dat mij dit overkwam vond ik buitengewoon bizar.’

Geen Reacties »

admin op 6 June 2010 in Boek & Meer

Horsmans trapt af, kiest gelijk de aanval…

,,Sittard is één dooie boel. We hebben niks, geen Snowworld, niks voor de kinderen en geen pretpark. We hebben nog niet eens een discotheek, het is schandalig! En dat voor een gemeente die zichzelf graag de tweede grootste gemeente van Limburg noemt!” De Sittardse horeca-ondernemer en Fortuna-fan Pascal Horsmans (Brand Taveerne, Hotel Auveleberch) is klaar voor de beslissende wedstrijd met de gemeente. (Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Wijkkrantje in Sittard).

De fluit gaat, Horsmans kiest meteen de aanval.

De gemeenteraad heeft alleen maar oog voor de binnenstad als het gaat om promotie en ontwikkeling van de stad. ,,Dat is kortzichtig!” Het komt ook, denk hij, doordat een belangrijke gesprekspartner voor de gemeente op dat gebied, Horecabond Regio Sittard-Geleen, wordt gerund door mensen uit diezelfde binnenstad.

Balverlies. De tegenstander speelt de bal rond. Dat doen ze niet slecht.

Horsmans moet toegeven dat de Sportzone een goed plan is. Het is een plan om het Fortuna-stadion met een hotel, een sportopleiding en een horecaopleiding op te tuigen. (Bouw 2011, ingebruikname 2012). Toch blijft het lapwerk, foetert Horsmans. Mosterd na de maaltijd.

Horsmans weer aan de bal, rukt op via het middenveld, gemeente in het defensief.

De gemeente heeft de komst van diverse bedrijven bij het nieuwe stadion tegengehouden. Daardoor moest de club bijna gedwongen fuseren met Roda en is vervolgens bijna failliet gegaan. Het lag alweer aan de gemeente. En ja, ook het wanbeleid van de toenmalige directie had er natuurlijk mee te maken.

Horsmans kan er niet over uit. Fortuna is vorig jaar op het nippertje gered door TOF, een groep ondernemers waar hij ook lid van is, Trots op Fortuna. Fortuna onderuit laten gaan, dat mocht en mag niet gebeuren!

Met weemoed denkt hij even terug aan het stadion in de Baandert. Een mooie club, Europees voetbal, financieel heel gezond. Dat waren nog eens tijden…

De gemeente neemt de bal over in een onbewaakt ogenblik…

Horsmans windt zich weer op: ,,Mediamarkt, Hornbach en Supergame – een gokhal – mochten niet op de nieuwe locatie komen. Er is ook verschillende keren voorgesteld om er een discotheek te openen, maar die mensen hebben van de gemeente gewoon geen antwoord gekregen.

Het stadion staat er nu bijna tien jaar en nog niks. Tja, als je alles tegenhoudt, is het logisch dat het stadion kapot gaat en bedrijven afhaken.”

Het ligt aan de gemeente. Al jaren. Dat weet hij zeker. De visie het huidige gemeentebestuur noemt hij ‘een visie anno 1800′. ,,We leven in 2010, we moeten breder denken dan de binnenstad, ook ontwikkelingen naar de buitenwijken brengen.” (De twee horeca-gelegenheden van Horsmans liggen in buitenwijk Limbrichterveld).

Opnieuw balbezit voor Horsmans, hij is ongemeen fel nu. Komt goed in zijn spel.

,,Denk aan de Kollenberg en de Windrakerberg, dat zijn prachtige wandelgebieden. Daar hoor je nooit iemand over. Het is altijd maar binnenstad, binnenstad, binnenstad. Maar daar staat driekwart leeg. Nou ja, een kwart.”

Hoe moet het dan wel? ,,Er zijn drie manieren om de stad aantrekkelijk maken. 1. Zorgen dat het op de route ligt, dus fiets- en wandelpaden aanleggen. 2. Veel reclame maken, maar dat is duur. 3. Mondelinge reclame laten ontstaan. Over al dat soort zaken, daar hoor je de gemeente nooit over.”

Goal! Goal! Goal! Niet te geloven! Het is nu al één nul voor Horsmans!

Gemeente, gemeente en… balverlies. Horsmans, Horsmans, Horsmans. Ongeloofelijk! Wat een balbeheersing. Nu komt het er op aan.

Horsmans wil misschien een ondernemersvereniging oprichten voor de ‘buitenstad’; de wijken en dorpen rondom het centrum van Sittard. ,,In Sittard alleen al, zijn er zo’n vijftien of twintig horeca-gelegenheden in de buitenwijken. Er zijn er genoeg die met me mee willen doen.”

Oohhh! Jammer! Knappe redding van de keeper van de gemeente. Horsmans terug op eigen helft. Neemt over. Horsmans, Horsmans… Opbouw vanuit de rechtse flank… Mooi voetenwerk.

Weer komt er irritatie los: ,,De horecagelegenheden in de buitenwijken zouden - zo was het voorstel laatst van een onderzoeksbureau - rond half drie of drie uur moeten sluiten terwijl de zaken in de binnenstad tot vijf of zes uur open mochten blijven.

De buitenste wijken en het centrum liggen in Sittard dicht bij elkaar. Waarschijnlijk zorgt zo’n vroege sluiting voor een trek naar de binnenstad, mogelijk met overlast en vernielingen!”

Dit is een kans, de tweede al deze wedstrijd. Horsmans haalt uit…

,,Ik heb begrepen dat ze dit voorstel nu weer willen terugtrekken; dat ze wel gevoelig zijn voor mijn argumenten.”

Jaaaaa! Twee nul! Een prachtige twee nul! Net voor het einde van de eerste helft.

Phiiiiiiiit! Daar gaat de fluit van de arbiter.

We gaan er even uit. Tot zo!

(…)

Welkom terug. We kijken naar het begin van de tweede helft Horsmans-gemeente. Horsmans twee, gemeente één.

Horsmans… Kiest weer gelijk de aanval…

,,Met Pieter Meekels van het GOB zou ik wel eens een gesprek willen voeren. Waarom heeft de gemeente Café Aurora in Grevenbicht in handen gegeven van de harmonie zodat allerlei verenigingen er gebruik van kunnen maken?

De gemeente heeft zich borg gesteld voor de harmonie. Waarom geven ze ondernemers niet de kans om die zaak te exploiteren? Ik ken er genoeg die er wel in gewild hadden. Nee, ik zelf niet. Nee.”

De ondernemer heft een klaagzang aan over de gemeentelijke subsidies aan sportclubs en buurthuizen die horeca exploiteren. In zijn ogen is dat oneigenlijke concurrentie stimuleren. ,,Dat heet tegenwoordig ‘paracommissie’. Je mag niet als overheid iemand ondersteunen die daardoor concurrerend kan werken.”

Zelf is hij er ook tegenaan gelopen. Het gemeenschapshuis in Limbrichterveld krijgt van de gemeente subsidie voor een nieuwe keuken. Er worden ook feesten gegeven en dus het is een concurrent voor Horsmans, die in Hotel Auveleberch (dat hij sinds het voorjaar exploiteert) ook feesten op het programma heeft staan.

Dit kan toch allemaal niet zo maar mogen, vraagt hij zich op een internetforum over subsidies vertwijfeld af. ,,Ik heb niks tegen ons gemeenschapshuis - prachtig initiatief, aardige mensen - maar ik moet ervan leven, dat is toch wel even wat anders.”

Horsmans?! Balverlies door gepingel. Jammer.

Af en toe bekruipt Hormans het gevoel dat de gemeente, door de focus op de oude binnenstad en het steunen van verenigingen met horeca-voorzieningen, de horeca-ondernemers uit de buitenwijken en de dorpen wil laten verdwijnen. Een soort sterfhuisconstructie. Maar ja, dat krijg je natuurlijk nooit hard.

De gemeente reageert snel, zet aan… Goal. Ja, die zit. Dat was een harde pegel. Tjonge, jonge jonge. In de linkerbovenhoek bij Horsmans. Het is één twee voor de gemeente.

Het spel wordt hervat. Snelle counter. Dat gaat goed, dat gaat goed…

En de verantwoordelijken, de politiek in Sittard-Geleen – breek hem de bek niet open - daar heeft Horsmans sowieso geen vertrouwen meer in. ,,Het is dorpspolitiek, zo noem ik dat. PvdA en GroenLinks hebben hier grof verloren en dan gaan ze gewoon weer verder besturen. De kiezer heeft gesproken, maar dat maakt blijkbaar niet uit.”

Nee, dat wordt ‘em niet.

Horsmans’ zaken draaien goed, zegt hij zelf. Daar gaat het niet om. In Hotel Auveleberch verhuurt hij hotelkamers, vooral voor langere tijd aan bedrijven uit de regio. Voor medewerkers. Ook organiseert hij daar onder meer eettafels, koffietafels, bedrijfs- en kinderfeestjes.

De bal wordt nu al een tijdje rond gespeeld, Sjraar Cox, sinds een paar jaar coach van de gemeente, wijst op zijn horloge. Sommige spelers willen wel, maar kunnen niet, gebaren ze naar de bank. Een doorbraak blijft uit.

Behalve Hotel Auveleberch runt Horsmans al jaren café Brand Taverne, dat bij Fortuna-wedstrijden wordt omgetoverd tot Sportcafé Fortuna, het thuishonk van de N-SIDE.

,,Het sportcafé is zeven jaar geleden begonnen. Een groepje veertien-, vijftienjarigen kwam op vrijdag wat drinken. Dan ging ik een uurtje eerder open. Ze kwamen voor de wedstrijd bij elkaar om met elkaar te vertellen.

Twee jaar geleden dreigde Fortuna failliet te gaan, dus er was behoefte om verhalen met elkaar te delen. Het begon met zeven man, nu heb ik vaak honderd en één keer heb ik zelfs vierhonderd man binnen gehad, dat was met de wedstrijd vorig jaar tegen MVV.

Het is een heel hechte groep. Jongeren, maar ook ouderen van zestig, zeventig jaar. Er wordt altijd gepraat, maar overlast veroorzaken ze niet.”

Oei, daar komt de gemeente verrassend uit de hoek. Pfioew! Over. Die bal zag keeper Horsmans te laat aankomen.

We hebben nog tien minuten speeltijd. Het is twee één voor Horsmans. De wedstrijd lijkt gespeeld, maar het kan nog alle kanten op.

,,Bij mij komen de echte supporters bij elkaar, een gedeelte daarvan is harde kern. Dat zijn de tweehonderd man die ook naar de uitwedstrijden gaan. Maar het is niet de harde kern in de zin van geweld. De overlast valt reuze mee. Er wordt best wel een keer gezongen buiten, maar niet ’s nachts.”

Phiiiittt! Het beslissende fluitsignaal.

Horsmans wint deze spannende derby met twee tegen één.

Geen Reacties »

admin op 5 June 2010 in Ongewoon & Anders

Zen in Japan: hard en vrijwel geheel gereguleerd

Een zenmonnik op de veranda van het klooster die via de gsm even naar huis belt. Een collega die in de centrale ruimte luistert naar de abt, zijn mp3-spelertje naast zich op de grond. Niet zen in de polder, maar zen in Japan. Het zijn beelden uit het boek ‘Zazen nu – Het dagelijks leven in een Japanse zenklooster’ van Madelon Hooykaas & Nico Tydeman (Ankh-Hermes, 2010). Dit fraaie bijzettafeltjesboek is een aanrader voor lekenbeoefenaars in Nederlands en voor de romantici die bij zen denken aan badschuim of een Japanserig bijzettafeltje.

De werkelijkheid in het traditionele klooster Bukkoku-ji, waar Hooykaas en Tydeman over schrijven, is hard en vrijwel geheel gereguleerd. Voor romantiek (als stroming) is geen plaats. Voor alles zijn regels, rituelen en gebruiken, zoals de bekende zenleraar Dogen Zenji zo’n achthonderd jaar geleden heeft bedacht. Er is maar één weg: totale overgave. Aan de regels en aan het hier en nu.

De vereiste discipline is groter dan in het leger en voortdurend. Het leven in dit klooster is een onophoudelijke training in bewust zijn. Verder vormen voor een niet-Japanner als Hooykaas de taal en de cultuur een extra drempel. In één zin: het verblijf is uitputtend.

Het leven is er ‘down to earth’. Bukkoku-ji is geen knuffelige New Age-omgeving, maar een plaats waar gewerkt wordt. Spiritueel werk, maar ook fysiek werk, zoals het handmatig legen van de beerput, is belangrijk. Net als alles, biedt het een mogelijkheid om voorbij de leegte te zijn.

Voor alles is een tijd en een plaats, zo blijkt uit de foto’s van Hooykaas. Ook voor de doden. Zo is er een ‘begraafplaats’ (zonder graven) met een grote pagode. Op elke trede staan kleine beeldjes en gedenktekens. Indrukwekkend om te zien, uitnodigend om te bezoeken.

Veel foto’s zijn waardevol omdat ze informatief zijn. Andere zijn erg fraai. Mij troffen de foto’s het meest die het gewone achter het exotische laten zien.

De versleten maaltijdbakken, de houten wandjes voor de zitplaatsen, onkruid op het pad, een kast met mokken (iedereen heeft een andere), de duurzaam uitgevoerde bedelhoeden (bedelen is uiteraard ook geritualiseerd) en het beeld van een monnik die geamuseerd naast een poes zit die water uit een lege bloempot drinkt.

Naast de foto’s biedt ‘Zazen nu’ een dagboekverslag van de fotografe, die overigens ook een film maakte van haar verblijf. Het uitstekende essay van Nico Tydeman, dat hieraan voorafgaat, ‘Laboratorium van de Geest’, maakt het boek compleet.

Niet alleen schetst Tydeman historische lijnen met belangrijke personen en verklaart gebruiken, hij geeft ook de werkelijkheid weer zoals die zich vaak aan de ogen van westerse gasten onttrekt.

Om met die gebruiken te beginnen: Tydeman vertelt bijvoorbeeld dat de kok in een klooster een hoge positie heeft, vaak net onder de abt. Een kok is niet ’slechts’ een medewerker voor het eten en drinken. Hij is idealiter een rolmodel voor elke zenmonnik.

De basis hiervoor is gelegen in de fameuze ontmoeting van Dogen Zenji (1200-1254) met een Chinese kok. Dogen komt met de man in gesprek, raakt gefascineerd en vraagt hem waarom hij zich bezighoudt met koken terwijl hij - met zijn kwaliteiten - beter zazen zou kunnen beoefenen en soetra’s bestuderen. De kok, een oude man, lacht alleen.

Later komt Dogen de kok weer tegen. Dogen vraagt de kok om diens inzicht met hem te delen. De kok trekt de intellectueel opnieuw uit balans. Hij zegt: ‘Een, twee, drie, vier, vijf’. En: ‘Niets is verborgen, alle dingen zijn geopenbaard.’

Dogen blijft zoeken en groeit later uit tot een belangrijke figuur in het zenboeddhisme. Hij ritualiseerde elk aspect van het kloosterleven en hechtte, wellicht mede door zijn ontmoeting met de kok, groot belang aan de bereiding en het eten van voedsel.

In een klein deel van het essay gaat Tydeman in op de dagelijkse praktijk die vaak onbeschreven blijft in westerse boeken. Hij vertelt dat monniken ook mensen zijn. ‘En zelfs de meest rigoureuze training en de grootste verlichting verandert niet wezenlijk iemands karakter.(…)

Net als overal zijn er uitslovers, klaplopers, de kantjes-ervanaf-lopers, klagers, slappelingen, arroganten en stilzwijgers. Er is jaloezie, concurrentie, ellebogenwerk, ruzie, roddel, achterklap, er zijn geruchten gaande. Er zijn uitwassen. In hun vrije tijd (en dat niet alleen) zoeken monniken een uitlaatklap voor de druk van hun training. Zij gaan naar buiten en doen zich te goed aan drank en seks.’

Dit komt vermoedelijk mede doordat veel monniken door hun ouders naar het klooster zijn gestuurd (ruim driekwart van de kloosters is familiebezit) in de hoop dat hun zoon eens de tempel zal kunnen runnen. Dat is een baan die draait om administratie en het houden van ceremoniën voor voorouders.

Het is ook een job met aanzien, leert Tydeman: ‘Priesters en Roshi’s dragen kostbare monnikskleren, van zijde of brokaat. Ze rijden in dure auto’s. Niet alleen wordt aan het bedelen (soms) veel geld verdiend, legaten, schenkingen en de herdenkingsceremoniën vullen een schatkist.’

Tydeman ziet het positief in. Over de historie van zen zegt hij: ‘De decadentie van de tempels kon in Japan nog zo groot zijn, steeds weer was er een enkeling, een monnik of leraar, die de Dharma compromisloos, vaak afzijdig van de invloedrijke instituties, leefde.’ Zo werd en wordt het voortbestaan van de leer gegarandeerd. Ook in tijden van mp3-spelers, mobieltjes en zen-badschuim.

Muddikikin, het script voor een animatiefilm

Onlangs verscheen bij Ankh-Hermes ‘Muddikikin op weg naar 2012 – Een spannend avontuur in de spirituele kwantumwereld’, 14,9 euro). Hoewel het persbericht en de achterflap niets verraden, zegt de onderkop al waarmee we hier te maken hebben: een jeugdboek. Het is geschreven door Danny Maassen (1978), die met dit werk zijn debuut maakt.

Het boek gaat over Muddikikin, een jongen die voorbestemd is om de wereld te redden en wel voor 21 december 2012. Als erfgenaam van een familie van bewakers van een spiritueel geheim, voert zijn zoektocht hem naar veel plaatsen waar Nieuw Spirituelen een hang naar hebben; van Caïro tot Machu Picchu. Uiteindelijk resulteert dit in een neo-gnostische eindstrijd tussen goed en kwaad, die uiteraard door Muddikikin wordt beslecht.

Diverse spirituele wijsheden, of wat daarvoor moet doorgaan, worden kort aangestipt. Storend is, dat ze soms verkeerd of onvolledig worden uitgelegd. Zo wordt van de chakra’s een eenzijdig beeld geschetst. En de uitleg van de kwantumveldtheorie, een experimenteel gebied waar spiritualiteit en wetenschap elkaar schoorvoetend naderen, roept meer vragen op dan ze beantwoordt. Zeker voor jonge lezers.

Het boek is in een maand geschreven en dat is geen verrassing. Waarom dan toch deze korte bespreking? (Ik schrijf hier alleen recensies over boeken waar ik enthousiast over ben, zo merkte een vriend van me ooit terecht op.) Het boek van Danny Maassen biedt mijns inziens een uitstekende basis voor een succesvolle, manga-achtige animatiefilm.

De gebreken op het gebied van karakter-ontwikkeling (de hoofdpersoon leert bij wijze van spreken tussen de koffie en het koekje leviteren), de voorspelbare verhaallijn (al in het begin is duidelijk dat de zus later een rol gaat spelen in de eindstrijd en niemand verwacht op enig moment dat de hoofdpersoon de eindstrijd niet zal winnen) en de missers in de inhoudelijke informatie (met name over de chakra’s) doen er dan niet meer zoveel toe.

Het zou een film zijn met prachtige visuele effecten, veel gooi- en smijtwerk met chi-ballen, opstijgende piramides (denk aan de film ‘Stargate’) en onder meer een indrukwekkende scene waarbij Muddikikin als het Jezus-beeld van Rio in de lucht met zijn krachten de Tsunami tegenhoudt. De soundtrack zou door Kane of een andere band kunnen worden geschreven. Ik hoop echt dat deze film er komt, dan kunnen we het boek laten voor wat het is. Een sterk script.

Geen Reacties »

admin op 18 May 2010 in Boek & Meer

Burgemeester Sittard-Geleen: ‘Je moet je omgeving meeslepen’

De politiek in Sittard-Geleen moet professioneler. Het parkeerbeleid heeft een waterhoofd. De krant is negatief en zorgt zo mede voor een negatief imago. Hoogveld is een voorbeeldwijk. En zijn oud-collega Gerd Leers van Maastricht zou zelf te weinig in de spiegel hebben gekeken. Voor het Wijkkrantje hield ik onlangs onderstaand interview met Sjraar Cox, burgemeester van Sittard-Geleen en plaatsvervangend korpsbeheerder van de Politie Limburg Zuid.

Wat waren uw verwachtingen toen u burgemeester van Sittard-Geleen werd en wat zijn uw bevindingen tot nu toe?

‘Ik wilde naar een gemeente toe waar de centrumgedachte heerst en veel dynamiek in zit. De min- en pluspunten die ik verwachte, ben ik ook tegengekomen. Als ik naar onze gemeentelijke organisatie kijk, zie ik soms toch nog de worsteling om er één organisatie van te maken. In 2001 moesten drie gemeenten noodgedwongen samenwerken terwijl ze alle drie niet wilden. Op 1 januari 2001 was er nog niets gedaan om er één organisatie van te maken. We startten met drie afzonderlijke begrotingen. Dat is symbolisch. Daarna is er door de diverse colleges goed gewerkt aan harmonisering.’

Symbolisch, maar niet symptomatisch?

‘Ik kan oordelen vanaf 1 oktober 2006. Toen viel me op dat men nog steeds werkte met de systematieken van de vorige individuele colleges, maar ik denk dat we dat nu achter de rug hebben. Natuurlijk was ook bekend dat er politieke tegenstellingen waren. Ik denk dat die vooral in de personen zitten. Ik vind dat we aan sommige persoonlijke tegenstellingen nu maar eens een eind moeten maken.’
Waterhoofd

Hoe wilt u dat doen?

‘We hebben nu veertien nieuwe mensen in de raad. En ik denk dat het bewustzijn toeneemt, ook bij de routiniers, dat de stad alleen voorwaarts kan met een breed draagvlak en als met elkaar ook over de inhoud discussiëren. Anders verliezen we slagen ten opzichte van andere gemeenten. Verder verwacht het bedrijfsleven, het onderwijs - het middenveld - dat we gezamenlijk optreden. Zij willen die oude kinnesinne überhaupt niet.’

Kunt u voorbeelden geven van slagen die de stad door interne verdeeldheid verloren heeft?

‘ Nee. Ik denk dat het gewoon te lang geduurd heeft. Een aantal ontwikkelingen en discussies over detailhandel, structuren… Neem het parkeerbeleid. Je ziet dat er niet standvastig wordt vastgehouden aan uitgangspunten. Dat er constant concessies gedaan worden om maar meerderheden te krijgen. Dat leidt er uiteindelijk toe dat je een soort waterhoofd krijgt waarbij niemand meer weet waar we aan toe zijn.’

Dus het parkeerbeleid is een rommeltje?

‘Ik vind het prima dat ze eind vorig jaar gezegd hebben: “We wachten tot na de verkiezingen.” Als het uitgevoerd zou worden op basis van wat er toen lag, denk ik dat het technisch en voor onze medewerkers bijna onmogelijk zou zijn geweest om uit te werken. Dat ligt puur aan de politiek, niet aan de ambtenaren.
Als het gaat om detailhandel wordt nu ook naar Roermond gekeken. Nou ja, ik heb het van dichtbij mogen meemaken. Tien jaar geleden was in Roermond ook niks loos. Door een aantal goede keuzes hebben ze nu voor het midden- en kleinbedrijf een mooie plek gecreëerd.
Wij moeten wat anders doen en ons met name richten op de industriële, innovatieve kwaliteiten. Denk aan de Research en Business Campus op het Chemelot-terrein, waar universitair onderwijs en bedrijfsleven samenwerken aan innovatie en werkgelegenheid.’

De detailhandel noemde u als eerste. Ik moet dan denken aan de tuinboulevard, waar sinds kort ook andere bedrijven welkom zijn omdat het in de eerste opzet blijkbaar niet werkte.

‘Ja, het wordt nu een tuin-, meubel- en doe-het-zelf-boulevard. Dus van Gamma tot Intratuin en Hornbach. Ik heb pas in de krant gelezen dat projectontwikkelaar 3W optimistisch is over het invullen ervan. De plannen om de boulevard verder uit te breiden, worden binnenkort opgepakt.’

Is dat niet een voorbeeld van een ontwikkeling die door interne verdeeldheid te laat op gang is gekomen? Heerlen heeft de woonboulevard, Roermond onder meer een Designer Outlet en een Retail Park.

‘Ik denk dat we niet drie keer hetzelfde moeten doen. Je moet de schwung in de stad houden. De vraag is wat het effect is op de binnenstad als je alles zo organiseert als de woonboulevard in Heerlen. Wij moeten het minder hebben van grote winkelbedrijven. We moeten de aantrekkelijkheid van de oude kern van Geleen en zeker ook die van Sittard in stand houden. Meer reuring in een stad, dat kan alleen door de kleine winkels.’

Denkt u niet dat de klandizie voor de bedrijven op de tuinboulevard zijn weerslag heeft op de omzet van de winkels in de binnenstad, zoals het Outlet in Roemond?

‘Het heeft ongetwijfeld effecten op de binnenstad. Ik hoor van de wethouder dat ze er in Roermond van profiteren. De discussie over het Outlet in Roermond is vergelijkbaar met die over de Media Markt hier. Ik heb me laten vertellen dat vijfendertig procent van de bezoekers aan de Media Markt, nadat ze daar spullen hebben gekocht, verder gaat in het stadsdeel of de stad waar ze zijn. De rest niet.
Wij proberen een trekker te krijgen die een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van de binnenstad. Het huidige voorstel is dan ook om de Media Markt in de binnenstad te plaatsen, dan heeft zo’n winkel ook uitstraling naar de binnenstad.
Als gemeente willen we met het bedrijfsleven meedenken en meewerken. Bedrijven kunnen zich nu alleen maar ergeren, constant, omdat de stad steeds negatief in de krant komt. Dat heeft veel effect op het bedrijfsleven.
De Limburger heeft het bijvoorbeeld nog altijd over ‘de fusiestad’. Ik heb ze al vijftig keer gezegd dat ze daar mee op moeten houden. Ik noem hen ook niet de fusiekrant, maar gewoon het dagblad. Ze scheppen er blijkbaar behagen in. We moeten vooruit denken, niet achterom kijken. En als mensen dat blijven doen, moeten we ze afstraffen; het abonnement opzeggen.’

Het gebruik van een woord als fusiestad, daar zullen ze bij DSM toch niet wakker van liggen?

‘De Limburger heeft de neiging om alles wat negatief is uitgebreid naar voren te brengen. Dat heeft grote gevolgen. Mensen gaan zich ergens vestigen, net als bedrijven. En dan gaan ze googelen. Als je dan in de krant schrijft: “Fusiestad is slecht bereikbaar”. En vervolgens klagen de ondernemers in de krant dat het allemaal waardeloos is. Het gevolg is, dat ik niet automatisch naar Geleen zal verhuizen, omdat de ondernemers daar zelf al zeggen dat het een zootje is.’

Sittard-Geleen heeft een imagoprobleem?

‘Sittard-Geleen heeft in het kader van de citymarketing nog wel enkele stappen te zetten. Gedeeltelijk komt dat door de economische crisis en gedeeltelijk door de beeldvorming van derden dat het blijkbaar een zootje in de stad is.’

Een gezegde luidt: ”Waar rook is, is vuur”. Moet u niet ook gewoon werken aan het oplossen van de problemen, naast het ontwikkelen van betere citymarketing?

‘Natuurlijk, daar werken we als overheid ook iedere dag keihard aan, samen met de ondernemers. Maar als je permanent blijft publiceren dat er grote leegstand is in de stad, en je vergelijkt het niet met andere steden met een vergelijkbare omvang et cetera, dan doe je of er hier een unieke situatie is. Dat bestrijd ik. Je moet er met elkaar aan blijven werken. Evenementen organiseren, de aantrekkelijkheid de stad vergroten en de unieke elementen van een stad gebruiken om mensen warm te maken.’

Wat is er volgens u zo fantastisch aan Sittard-Geleen, dat iedereen er gelijk moet komen wonen en werken?

‘De omgeving. Centraal in Limburg. Grote bedrijvigheid. Wijken - Hoogveld is daar een voorbeeld van - met veel activiteiten. Dat is in Hoogveld allemaal prima in elkaar; goed verzorgingscentrum en een mooie Hof van Onthaasting. En Sittard-Geleen ligt tegen het Heuvelland aan. Onze stad ligt ook op een steenworp afstand van alle mooie steden in het buitenland; Leuven, Aken, Hasselt, Luik. En van alle steden in het binnenland uiteraard.’

U bent, naast burgemeester van Sittard-Geleen, ook plaatsvervangend korpsbeheerder van de Politie Zuid-Limburg. Hoe zou u uw leiderschapsstijl omschrijven?

‘Ik ben heel direct. Mensen aan afspraken houden. Lezen. Daar waar mogelijk nieuwe ideeën inbrengen en mensen de ruimte geven. Mensen de indruk en de overtuiging geven dat ze zelf het beste weten wat goed voor hen en voor de omgeving is. Mensen het vertrouwen geven. Als dat er niet meer is, heb je aan vierentwintig uur niet genoeg.’

Vanuit uw rol bij de politie had u intensief contact met Gerd Leers, de oud-burgemeester van Maastricht die onlangs gedwongen afscheid nam. Wat is uw indruk van die gebeurtenis?

‘Ik vermoed dat meerdere zaken een rol hebben gespeeld in het hele debat dan feitelijk naar buiten is gekomen. Ik acht het niet uitgesloten dat de procedure rond ‘Bulgarije’ anders was verlopen als hij veel eerder gezegd had: “Ik ben stom geweest”.
Wat jammerlijk is, en dat geeft ook de solitaire positie van de burgemeester aan, op een gegeven moment kom je in een bepaalde flow terecht. Als anderen je daarbij niet voldoende kunnen ondersteunen of je anderen daarbij niet toelaat, gaan dingen fout. Was dat wel gebeurd, dan hadden mogelijkerwijs wat rampjes voorkomen kunnen worden.
We maken allemaal fouten. Wanneer je niet van elkaar accepteert dat je fouten maakt of als jij in het verleden altijd de vinger op de zere plek hebt gelegd, dan moet je niet verbaasd zijn als andere mensen dat op andere momenten ook doen.
Je moet altijd proberen elkaar de ruimte te geven en te ondersteunen. En daar waar het echt misgaat, keihard ingrijpen. Dat heeft Gerd ook gedaan. Af en toe elkaar een spiegel voorhouden en via die spiegel in debat gaan, dat is soms niet zo heel gek.’

U geeft aan dat Gerd Leers mensen om zich heen had die niet kritisch genoeg waren?

‘Ik praat over mezelf. Ik heb mensen nodig die je, al is het maar thuis, de ruimte geeft om kritische vragen te stellen over wat je doet. Om je te ontnuchteren, want hij werkte zich kapot, dat doen wij ook… En als je af en toe niet eens een verzetje kunt hebben om weer met beide benen weer op de grond te komen, dan raak je… Af en toe, in een drukke periode, denk ik dat er niks aardiger is dan om bij een voetbalwedstrijd op de tribune te zitten en de mensen te horen praten over dingen waar jij de afgelopen weken niet mee bezig bent geweest. Dat is het meest ontnuchterende dat er is.’

U schetst iemand die heel gedreven en heel kundig is, ethisch hoogstaande normen heeft en een beetje los staat van de werkelijkheid. Iemand die zo gelooft in zijn dingen, dat hij wat moeilijker benaderbaar is met kritiek is of de mensen niet om zich heen heeft gehad of verzameld die deze zouden kunnen geven.

‘Ik heb het over mijzelf. Wat betreft Gerd Leers zou dat best kunnen. Verder is de positie van de burgemeester veranderd. Je maakt nu deel uit van een politiek systeem, bent niet meer onaantastbaar. Vroeger had je burgemeesters die dachten dat ze na hun vertrek altijd een standbeeld zouden krijgen. Nou nee, ik moet gewoon mijn werk doen. En mijn werk, daar hoort ook bij dat ik voldoende bewust ben van dat wat ik beteken voor de directe omgeving.
Jij moet je directe omgeving meeslepen. Doe je dat niet, en kijk je niet voldoende achterom, dan heb je uiteindelijk een probleem. Dat geldt ook voor een sportvereniging, maar ook voor personen. Je kunt geweldige ideeën hebben, maar als je het niet kort sluit met de mensen om je heen, niet andere mensen hun ideeën en creativiteit laat inbrengen, ben je met een verloren zaak bezig.’

Geen Reacties »

admin op 13 May 2010 in Politiek & Media