Remco van de Vorst, zijn leven lang al straatmuzikant

Met zijn gitaar heeft Remco van de Vorst al jaren een eigen plaats in het Sittardse straatbeeld.

Als het kooplustige publiek massaal door de stad struint, is hij daar waar hij vrij kan zijn; op de hoek van een straat of aan de rand van een plein. Voorzien van een gitaar, de koffer opengeklapt met een aan de rode bekleding geprikt eurobiljet als vriendelijke suggestie, speelt hij zo wat extra geld bij elkaar.

Hoewel zijn zwarte uniform van ingetogenheid dat niet doet vermoeden - broek, halfhoge laarzen, jasje en een onafscheidelijke pet - heeft de 46-jarige Remco van de Vorst al een intens leven achter de rug. Zijn gezicht daarentegen, vertelt het verhaal van dromen die al te vaak tot littekens zijn verworden.

Z’n overvolle Sittardse flat weerspiegelt z’n wispelturige geest. Wat opvalt, zijn een vitrine met exotische snaarinstrumenten, een djembé voor het raam, aangespannen met klimtouw, en een grote troosteloze kamerplant.

Naast een handjevol bij de keuken geparkeerde gitaren staan de voerbakjes van zijn twee katten, Tigri en Theike. Aan de muur er tegenover, boven twee gestapelde podiumboxen, een grote wolk foto’s met in het midden een tekening van Handsome Lake (1735-1815).

‘Ooit gemaakt door mijn vader. Hij was een leider en profeet van de Iroquois die na zwaar alcoholmisbruik door drie spirituele boodschappers werd gewaarschuwd dat de blanken de indianen via alcohol afhankelijk wilden maken.’

Remco van de Vorst lacht. Schenkt even later zijn zoveelste jonge jenever in. Dat praat makkelijker. Liever zingt of speelt hij.

Een blauwe maandag heeft hij in zijn jeugd les gehad aan de Sittardse muziekschool. ‘Alleen ladders spelen, voor de rest niks’. Dus is hij snel weg. Liever leert hij het zelf, met vallen en opstaan.

Hij heeft aanleg. Tijdens een feestje, maanden later, geven mensen spontaan geld nadat hij met een vriend de gitaar pakt en wat speelt. Dat smaakt naar meer en dus gaat hij de straat op en optreden in cafés.

In die tijd woont hij in Nieuwstadt, waar hij als negenjarig met zijn vader naartoe is gekomen toen de scheiding een feit was. Sittard is de grote stad. Hij zit er op het atheneum, heeft daarna diverse baantjes via uitzendbureaus, onder meer bij een kaasfabriek, en woont vervolgens een jaar in Parijs.

‘De nieuwe vrouw van mijn vader was een Française, dus kon ik er goedkoop leven. Ik speelde daar ook op straat, werkte samen met mimespelers en straat-fakirs en liftte heen en weer als ik even in Limburg wilde zijn.’

Hij zucht bijna onmerkbaar; te veel om te ver op de details in te gaan.

Het leven in Frankrijk is goed tot de Staat der Nederlanden aanklopt: de dienstplicht. Remco van de Vorst wil niet in het groene gareel, daarvoor is zijn vrijheidsdrang te groot. En zeker niet naar de gevangenis.

Terug in Nederland belandt hij in het Amsterdamse bandjescircuit en werkt opnieuw als straatmuzikant. Ondertussen soebat hij drie jaar om de onafhankelijke deskundige en later de rechtbanken te overtuigen dat hij gewetensbezwaarde is.

Bij de verstandelijk gehandicapten in ‘Dennendal’, Den Dolder, gaat hij uiteindelijk aan de slag om zijn sociale dienstplicht in te vullen. Daarnaast verzorgt hij in dat kader de publiciteit voor het legendarische Haagse poppodium ‘Het Paard van Troje’.

Het is 1992 en Remco van de Vorst komt terug naar het zuiden voor een nieuwe start. ‘Je moest een economische band met de stad hebben om in Den Bosch te komen wonen’; een uitkering was niet voldoende. Dus wordt het Sittard, waar hij zich inschrijft aan de Katholieke Leergangen, de hogeschool.

‘Twee jaar heb ik de vrije richting gedaan. Maar ze probeerden je steeds de lerarenopleiding in te pushen en daar had ik geen zin in.’

Sittard lijkt ineens nogal klein na zijn tijd in Parijs, Den Haag en Amsterdam. De enige grote stad in de buurt is Maastricht. Daar moet toch genoeg te doen zijn in de kroegen? Hij ziet zichzelf al een beetje studeren en vooral veel feest vieren. ‘Dat viel vies tegen.’

Na anderhalf jaar als assistent licht en geluid aan de toneelacademie en spelen in diverse bandjes en op straat, volgden nog drie Melkertbanen.

Aan de academie had hij ondertussen een vaste aanstelling moeten krijgen, maar dat komt er niet van. Hetzelfde gebeurt later bij het Limburgs Symphonie Orkest, waar hij opstellingen maakt; stoelen en muziekinstrumenten klaarzetten. ‘Het werd steeds gerekt, je was een goedkope kracht, maar daarna hield het op.’

In psychiatrische inrichting ‘Vijverdal’ is hij anderhalf jaar verantwoordelijk voor de logistiek; zorgt onder meer dat de vuile en schone was wordt vervoerd en distribueert medicijnen.

‘Na twee maanden Maasveld’, een organisatie voor gehandicapten, ook in Maastricht, ‘had ik mijn snuit vol’. Hij is een jaar of vijfendertig en het leven is uitzichtloos. Geslaagde optredens kunnen dat gevoel slechts kort onderdrukken.

In die periode krijgt hij een nieuwe kameraad, een veeleisende, die zorgt dat zijn wereld heel snel kleiner wordt en alleen nog maar draait om ‘die flauwekul’; heroïne. ‘Het was modderen, afkicken in Heerlen, nog eens afkicken in een kliniek in Brabant…’ Naar eigen zeggen heeft hij nooit hoeven stelen om zijn verslaving te betalen: ‘Dat is me gelukkig bespaard gebleven.’

Sinds anderhalf jaar is hij clean. Nou ja, drie keer week gaat hij methadon halen. Hij wil ook daar graag vanaf, maar dat zouden ze niet willen bij de Ambulante Hulpverlening Verslavingszorg Westelijke Mijnstreek.

‘Misschien krijgen ze subsidie per deelnemer aan het programma en willen ze je liever bij de club houden? Ze hebben nu een nieuw beleid; als je één keer niet komt, wordt automatisch een afbouwprogramma gestart. Dus misschien moet ik dat maar doen?’ Een schamper lachje.

Hij neemt nog een teug van het verse sjekkie dat rokend op hem wacht op de rand van een slecht schoongemaakte tinnen asbak.

Op zaterdags en donderdags speelt hij op straat ‘aaie leem’, jaren zestig repertoire, en af en toe eigen nummers. Ook treedt hij soms op met bandjes en er zijn zelfs voorzichtige plannen voor een cd met eigen werk.

Wat ‘de mensen’ van hem denken, laat hem koud. Hij speelt en hij zingt. Geïnspireerd door singer-songwriters als Bob Dylan en Paul Westerberg, de ex-frontman van ‘The Replacements’.

‘Van omstanders krijg ik alleen positieve kritiek. Bij sommige winkeliers kan ik mijn kleingeld wisselen en daar zijn ze heel blij mee.’ Nog nooit is hij lastig gevallen en met zijn Oost-Europese collega’s kan hij het goed vinden. ‘Ik zit ook niemand in de weg’.

Al pratend kijkt hij vertederd hoe één van zijn katten zich loom uitstrekt en daarna knorrend geniet van een nieuw gevonden slaapplekje. ‘Zijn moeder is vorige week door een rottweiler gepakt…’

Het is even stil in de drukke kamer. Gedachten dwarrelen neer als verstofte herinneringen.

‘Ik doe wat ik doe om mijn innerlijke onrust te bezweren, dat is mijn drijfveer’, zegt hij zachtjes. ‘Ik heb nooit een beeld gehad van wat ik wilde worden. Mijn vader liet ons vrij. Hij zei altijd: “Doe waar je je goed bij voelt.” Dat heb ik gedaan.’

(dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje)

Geen Reacties »

admin op 17 January 2012 in Ongewoon & Anders

Maria Felling, van bezetene tot reinigend medium

Bij Petiet, die andere uitgeverij van spirituele boeken, verscheen dit jaar ‘Opdracht van een Engel’ van Maria Felling. Het autobiografische boek gaat over een vrouw wiens leven een hel was tot ze succesvol werd in haar gevecht tegen entiteiten en negatieve energieën. Roy Martina, een bekende holistisch werkende arts met uitstekende reguliere getuigschriften, schreef het voorwoord.

De verschrikkelijke geschiedenis van Maria Felling begint met een seance bij haar ouders thuis. Het is 1944, we zijn in Nederland. Maria Felling kijkt stiekem toe en voelt dat een ‘man’ bezit van haar neemt, een schimmige gestalte wel te verstaan. Hij stapt als het ware haar lichaam binnen. Meteen daarna hoort ze een stem in haar hoofd: ‘Zo, nu heb ik je’.

‘Vanaf dat moment nam mijn leven het scenario van een horrorfilm aan.’ Haar stiefbroer begint haar stelselmatig te misbruiken en te martelen. De schrijfster wordt hierdoor woest op de hele wereld en wil niet meer aangeraakt worden. Haar moeder, onkundig van het misbruik, noemt haar wild en onhandelbaar. Ze wordt gezien als een zwakzinnige.

De ellende gaat door; ze wordt verkracht door een buurjongen, regelmatig onzedelijk betast door de vriend van haar zus en op school getreiterd door drie meisjes die zelfs sigaretten op haar lichaam uitdrukken. Tijdens een stage wordt ze door een vriend van de familie onzedelijk betast.

Psychisch zit de schrijfster vervolgens jarenlang op de bodem van de put. Overdag is ze volledig geblokkeerd, willoos, ze wordt gek van de negatieve stemmen in haar hoofd en het lijkt of elk sprankeltje zonlicht in haar leven is gedoofd. ’s avonds voelt het voor haar alsof entiteiten regelmatig seksueel bezit van haar nemen; ze is nooit vrij, heeft nooit rust, geen privacy en kan niet genieten.

Ogenschijnlijk doordat ze veel in het grensgebied tussen bewustzijnstoestanden verblijft, de gesteldheid waarin dit soort fenomenen veel voorkomen, ervaart ze in Venetië en Rome, tijdens een reisje met christenjongeren, flarden van eerdere levens.

Thuis gaat het gewone leven door. Ze wordt gemolesteerd door twee jongens, die haar het plezier in het paardrijden bijna vergallen. Door een incident, waarbij ze mogelijk onbewust haar eigen situatie gespiegeld ziet; een duivels ogende jongen mishandelt een prachtig paard als niemand kijkt, stopt ze tijdelijk met paardrijden.

Positieve en negatieve ervaringen wisselen elkaar af. Zo wordt Maria Felling hulp in de huishouding in een normaal gezin, ze krijgt zelfs pianoles en de goede tijden lijken aangebroken. Tot de man en vrouw een ongeluk krijgen; einde verhaal.

Op haar vijfentwintigste geeft ze paardrijles in een manege. Daar ziet ze weer de verschijning van de seance in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het wandelen met haar paard Bonnie ontmoet ze illustrator Anton Pieck en Lex Goudsmit. Ze waardeert dit korte moment, waarin ze met normaal respect wordt bejegend.

Haar paranormale vermogens ontwikkelen zich geleidelijk. Zo heeft ze op haar zesentwintigste een paard dat ze met haar gedachten kan sturen. Maar voor man-vrouw relaties heeft ze nog steeds een antenne waarmee het op z’n zachtst gezegd behelpen is.

Ze ontmoet een man, de eerste die ze in seksueel opzicht vertrouwt, een man zonder vaste verblijfplaats en met wisselende inkomsten. Het wordt niets en later blijkt hij haar te hebben bedrogen met een vrouw die intussen zwanger is. Vrienden zetten een contactadvertentie en een half jaar later is ze getrouwd en zwanger, maar de demonische stemmen in haar hoofd blijven.

Zo is ze ervan overtuigd dat haar pasgeboren kind dood is door het triomfantelijke gelach in haar hoofd. Ze gelooft pas het tegendeel als ze het perfect gezonde kind in haar armen neemt. Deze dochter wordt jaren later ’s nachts gillend wakker en vertelt over schimmen en deuren die zonder oorzaak opengaan. Bij logerende vriendinnen van haar dochter wordt aan de haren getrokken en het voelt alsof er muizen over hun lichaam lopen.

In haar hoofd is het nog steeds een duivels strafkamp, al helpt meezingen met de muziek uit de film ‘Jesus Christ Superstar’ om de stemmen te onderdrukken. Na de scheiding van haar man ligt ze zes weken plat, naar eigen zeggen doordat de entiteiten willen laten zien wie de baas is.

Volgens haar worden de entiteiten aangevoerd door de Strijders van de Duisternis die het opnemen tegen de Strijders van het Licht. Dit aan de hand van een inzicht over de strijd in een Kathaars dorp in de twaalfde eeuw. De aanvoerder van de zwart geklede bad guys is de man die ze voor het eerst zag tijdens de seance. Hij heeft haar destijds vervloekt, daarvan is ze overtuigd.

Zelf hoort ze uiteraard bij de witten. In die tijd is ze onder behandeling van Lady of the Light Jomanda, het omstreden medium dat healing vanuit de achterkamertjes naar de wereld van de showbizz heeft gebracht. Haar behandelingen helpen uiteindelijk onvoldoende om de welgeteld achtentwintig entiteiten te verbannen.

Na Jomanda wordt een hele reeks ‘mindere goden’ ingeschakeld. Vaak ontsteekt Maria Felling in een oer-boosheid als iemand haar wil helpen, waarbij de grens tussen haar woede en bezetenheid niet altijd duidelijk is. Een ingeschakelde healer, tijdens een sessie die door enkele entiteiten bezeten, wordt er zelfs bang van.

Een trance-medium en een pastoor concluderen dat Maria Felling de fenomenen zelf produceert (een conclusie die veel psychiaters trekken bij internationaal onderzoek naar katholieke gevallen van vermeende bezetenheid); het zijn onverwerkte emoties. Ze blijven samen een nacht in het huis van de schrijfster, vallen in slaap en worden wakker als de schrijfster midden in de kamer staat. De kamer is een ravage.

Een aantal nachten later ziet Maria Felling in een spiegel in plaats van zichzelf een prachtige man van bovenaardse schoonheid. Ze hoort de naam ‘Raphaël’ en concludeert dit is de aartsengel Raphaël. De hoge engel neemt haar in zeven nachtelijke uitstapjes mee naar de bron van goddelijke energie, maar de strijd is nog niet gestreden. Zo wordt een therapeute, die goed werk doet, nog door de patiënt aangevallen als deze is overgenomen door haar tegenstrever, de leider van de Strijders van de Duisternis.

Later wordt deze man onder leiding van de aartsengel, die een steeds belangrijker rol gaat spelen in het leven en de heelwording van Maria Felling, meegenomen naar het licht. Maar daarmee is de ellende van alle andere zwarte entiteiten, naar haar overtuiging afkomstig van mensen uit vorige levens die een reden zouden hebben om haar te haten, nog niet voorbij.

De aartsengel leert haar een techniek om de negativiteit te verwijderen. Maria Felling roept eerst alle negativiteit in haar wezen, zodat haar aura helemaal zwart wordt. Daarna wordt er een zuil van licht in haar geplaatst, van de kruinchakra naar beneden, waarin het kwaad gevangen raakt.

Als al die negativiteit niet kan vluchten, een proces waarbij het medium fysiek en psychisch wordt geradbraakt, volgt overgave. Tot slot begeleidt ze de entiteiten onder begeleiding van de aartsengel met de meest liefdevolle gedachten naar het licht. Dit soort reinigingen voert Maria Felling nu regelmatig uit en behalve bij personen ook bij woningen.

‘Opdracht van een Engel’ maakt grote indruk door het levensverhaal (later wordt de schrijfster ook nog blind), maar bovenal zet het aan tot nadenken over bezetenheid en entiteiten. Vanuit psychiatrische en theologische hoek is hier de laatste jaren al wat meer over gepubliceerd (met name in het Engelse taalgebied). Het boek is een waardevolle aanvulling hierop, doordat het vanuit de patiënt is geschreven, aantoont dat er altijd een uitweg is en bevestigt dat persoonlijke belevingen en overtuigingen fundamentele bouwstenen zijn van onze werkelijkheid. Een aanrader voor psychiaters, psychologen, pastoors en paranormaal genezers.

(Afbeelding van Asterion’s Occult Art)

Geen Reacties »

admin op 20 December 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

En Jezus zei: ‘Beter voor hem als hij van een flat wordt geduwd’

Het Jezus-verhaal wordt op veel manieren verteld en uiteraard ook geparodieerd. Zo zijn er strips waarin een pittige Jezus de strijd aangaat met zombies, actiehelden en Zeus. Een mooie titel is bijvoorbeeld ‘Manga Messiah’, met als onderkop: ‘Has he come to save the world… or destroy it?’ Onlangs verscheen het Jezus-verhaal in straattaal. Geen parodie, maar een poging om jongeren op straat in hun taal aan te spreken. Het Evangelie van Mattheüs werd hiervoor omgeschreven tot ‘De torrie van Mattie’ (Ark Media, 2011).

De doelgroep voor dit bekeringsboekje, nu al in de tweede druk, bestaat uit jongeren die waarschijnlijk niets van de bijbel weten. Laat staan van de interpretaties, de historische totstandkoming en de culturele en religieuze contexten waarin de verhalen zouden moeten worden gelezen. Daarom gebruikt schrijver Daniel de Wolf, kerkleider in Rotterdam en voormalig Youth For Christ-jongerenwerker, begrijpelijkerwijs de basale variant van het Jezus-verhaal.

Het eerste dat opvalt als je de ‘torrie’ leest, is dat de hoofdpersoon geen straatnaam heeft. Hij heet Jezus ‘a.k.a. Christus’ of ‘Immanuel’, hoewel een naam als ‘JC’ of ‘Dr. J.’ of iets dergelijk ook had gekund; hij was een healer, een soort witch doctor en geleerd genoeg om ander soort doctor te zijn. Johannes de Doper wordt bijvoorbeeld ‘JohnnyBoy (hij was overigens geen hosselaar en ook niet dope, maar zou als eerste de New World Order hebben gepreekt), Petrus heet op straat ‘The Rock’ en Andreas is in zijn hood beter bekend als ‘Dre-C’.

Waarom Jezus dan niet een coole naam gegeven? Mogelijk was het angst, respect of een combinatie daarvan. Als je goed leest, komt deze terughoudendheid op meerdere plaatsen in het boekje aan de oppervlakte. Zo is in diverse toelichtingen te veel vastgehouden aan het nette Nederlands en soms staat er zelfs regelrecht bijbeljargon. Terwijl ‘De Torrie’ eigentijds is vormgegeven, een beetje als een VMBO-lesboek, compleet met kadertjes voor verdieping, gekleurde letters en grote grafisch verwerkte citaten.

De schrijver en de uitgever hebben waarschijnlijk gedacht: hoe kunnen we met een beperkte woordenschat, nul voorkennis en een gemiddeld leesniveau de complexiteit van het Jezus-verhaal benaderen en er toch een doeltreffend boekje van maken? Het resultaat was ogenschijnlijk een compromis. Ik had liever een meer ‘revolutionaire’ keuze gezien; het roer van de vissersboot in één keer om; alles vertalen naar straattaal en ja, ook de typische christelijke toverwoorden door de shredder halen, allemaal voor meer succes met (nog) minder nuance. Verdieping is altijd mogelijk.

Toch respect voor de schrijver en zijn elf jonge meelezers, want er valt ook nu veel te genieten. Zo zien we Jezus in de woestijn battlen met de Duivel. Satan houdt hem een heel aantrekkelijk beeld voor, volgens mij de ultieme rappersdroom: zwemmen in geld, goud, dag en nacht omringd door lekkere bitches [die heb ik erbij verzonnen omdat het goed in het plaatje past], rijdend in grote auto’s en wonend in een kast van een huis. Maar Jezus kiest daar niet voor, dist zo de Duivel tijdens zijn veertig dagen durende meditatie en wint dus deze strijd.

De Speech op de Berg is ook prachtig. Een citaat: ‘Zo zei Jezus: “Gelukkig ben je als je een skirre mind hebt: als je weet dat je niet zo veel voorstelt, als je geen bigi fasi hebt voor God. Gelukkig ben je, wanneer je weet van jezelf: hey, ik ben fokop.”’ In mijn vertaling: open, bescheiden, en niet heel veel anders dan de meeste mensen die jij kent (een fuck up).

Jezus geeft aan dat we niet moeten leven naar de wetten van de straat. Die wetten zijn simpel: ‘Wie slim is en corrupt, komt ver. No time for losers. Wie doekoe heeft, heeft vrienden. En dan ben je gelukkig, fok de rest.’ (…) Dat zijn [ook] de wetten van corrupte politici en zakenmensen. Ze hebben gewoon skitta.’ Jezus heeft geen schijt. Van hem moet je een soort hippie worden die rekening houdt met anderen, eerlijk is en positief blijft. Dat is tough, maar dat is volgens Jezus wel de real shit: ‘(…) Ik zeg jullie: houd van je vijanden en bid voor je haters.’

Maar pas op, hij is ook street wise. Zo zegt de Jezus van Daniel de Wolf verderop: ‘Wie één van de kleine mensen die in Mij geloven van de goede weg afbrengt, hombu, het is beter voor hem als hij van een flat geduwd zou worden.’ In de ‘Explanation’ box staat als uitleg van deze gangsterpraat: ‘Jezus bedoelt dat niet letterlijk. Hij is juist tegen geweld en voor het liefhebben van je vijanden. Hij maakt alleen duidelijk dat zo’n persoon een serieus probleem heeft met God.’ En Jezus kan het weten: ‘Jezus is God die Mens werd. (…) Eet zijn woorden en check zijn daden!’

Delen van de torrie zijn ook als mp3 te beluisteren. Bijvoorbeeld het verhaal hoe Herodes de Grote geflasht wordt.

Geen Reacties »

admin op 23 November 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel

Niemand is wie hij lijkt in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer

Er zijn verhalen die je in grote lijnen bijblijven, zelfs na jaren. Vaak raken ze op kleine schaal aan universele thema’s als liefde, dood, waarheid en vertrouwen en maken daardoor meer indruk dan de grote verhalen die er het decor voor vormen. Het verhaal van Tom, een joodse jongen in het door bombardementen geteisterde Londen van de Tweede Wereldoorlog, is zo’n vertelling. Het is de rode draad in ‘Honor knows no borders’ van John Sharer (iUniverse, 2010).

Net als de andere verhalen in dit boek gaat dat van Tom over eer, een term die vaak misbruikt wordt omwille van politieke ideeën en persoonlijk gewin. In het kort: Tom vindt in een vernietigd woonhuis een Duitse piloot, een vijand dus, maar deze vijand lijkt heel vriendelijk. Van het spaarzame eten dat er is, legt Tom telkens wat opzij om zijn nieuwe vriend te helpen vluchten zodat deze bij zijn zieke vrouw kan zijn.

Maar niet alles is wat het lijkt en dat geldt ook voor de thematisch gespiegelde verhalen die John Sharer rondom het verhaal van Tom heeft geweven. Zo komen we het boek binnen via een krijgsgevangenenkamp van de geallieerden in Noord-Afrika. Daar horen we het verhaal van een Duitser die claimt een joodse familie te hebben gered. De naspeuringen leiden onder meer naar Groot-Brittannië waar de kleine Tom zich bevindt, maar pas aan het eind komen alle draden samen.

Het aantrekkelijke van dit boek is dat er voortdurend gespeeld wordt met begrippen als goed en slecht, vriend en vijand, dader en slachtoffer. En dat geldt ook buiten het kader van deze debuutroman. Zo schrijft John Sharer dat antisemitisme (en daaraan gerelateerd geweld door fascistische groepen) in het Londen van de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid was. Dat wist ik niet, wel dat bijvoorbeeld de nazi eugenetica in de VS werd toegejuicht. Naast eer, kennen blijkbaar ook veel andere ideeën geen grenzen.

Verder krijg je een goed beeld van het leven van een jongen in het Londen in die tijd. De schrijver was zelf jong in de Tweede Wereldoorlog en put soms duidelijk uit zijn ervaringen. Bijvoorbeeld als hij vol passie vertelt over ‘conkers’, een populair kinderspel in Groot-Brittannië waarbij kinderen elkaars kastanje stuk slaan, of over het zoeken naar bomscherven in half ingestorte huizen. Of over ’s nachts in een verduisterde stad thuis blijven en niet, zoals vrijwel iedereen, naar een schuilkelder vluchten als er een bommendeken boven de stad wordt afgeworpen.

De structuur zit goed in elkaar, waardoor het boek tot het eind toe boeit. De ontknoping in het krijgsgevangenenkamp is mooi bedacht, maar onwaarschijnlijk. Dat is jammer, omdat de rest van het boek de indruk wekt dat het wel echt gebeurd zou kunnen zijn. ‘Honor knows no borders’ is een fijn boek om een paar avonden mee op de bank te kruipen. Geen hoogstaande literatuur, gewoon lekker even eruit. Met af en toe prachtige zinnen, zoals deze: ‘While Hitler was blamed for most things, it did not appear to be his fault that nobody cleaned the rubbish dump behind the flats frequently enough (…).’

Geen Reacties »

admin op 22 November 2011 in Boek & Meer

Irak-ganger uit 2004: ‘Ineens zat er een rood stipje op mijn borstkas’

Exact zeven jaar geleden werd hij in een bus Irak ingereden onder de beschuttende deken van de duisternis. Sergeant der eerste klasse Jeffrey Bont (26) uit Sittard blikt terug. Het verhaal van een Nederlandse militair in Irak.

‘Ik zocht het avontuur, wilde spannende dingen doen en leuk sporten, zoals klimmen, duiken of helikopter vliegen.’

Sinds zijn middelbareschooltijd wilde Jeffrey Bont het leger in, de helden uit zijn favoriete oorlogsfilms achterna. In 2002 kon hij zijn dromen, losjes gebaseerd op jaren tachtig films als ‘Platoon’ en ‘Full Metal Jacket’, wekelijkheid laten worden; hij werd toegelaten tot het leger.

En het bleek allemaal niet zo te zijn als in de films: ‘Een heleboel dingen zijn functiegerelateerd; als je wilde leren om helikopters te vliegen, moest je naar de Luchtmobiele Brigade. Wilde je veel klimmen, dan moest je naar het Korps Commandotroepen. En had je interesse in tanks, dan werd het de cavalerie.’

Jeffrey Bont wilde ‘de echte actie’ en koos na zijn oriëntatiejaar, toen een Nederlandse pilot, voor de zandhazen, de troepen die als eerste voorwaarts moeten als er iets gebeurt. Hij haalde ondertussen ook het diploma Beveiligingsmedewerker. ‘Daarna was het veel oefenen op weg naar de eerste uitzending.’

Voor de Sittardenaar werd het Irak. Hoe werd hij daarop voorbereid? ‘Extra schietoefeningen; schieten, daar moesten we beter in worden. En we oefenden contactprocedures; wat je moet doen als jouw wagen van voren, van achteren of van opzij wordt aangevallen of bedreigd.’

Hij werd opgeleid op de YPR-765 A1, een licht pantservoertuig, als boordschutter van het Oerlikon Contraves boordkanon (dat 25 mm granaten afvuurt) en het Browning .50 machinegeweer. Maar behalve voor techniek, was er ook aandacht voor de menselijke kant van de missie.

‘We kregen geleerd wat je ten aanzien van de bevolking wel en niet moet doen. Zo moet je mensen niet de linkerhand geven omdat ze zich daarmee afwassen als ze hun behoefte hebben gedaan. Dat is onrein.

Het is ook opgepast om je voetzolen naar ze toe te keren. En vrouwen spreek je niet rechtstreeks aan, dat is in die cultuur niet gebruikelijk. Als er echt wat gezegd moet worden, spreek je met de sjeik van het dorp. Dat praten met een sjeik, via een tolk, werd ook geoefend.’

Rare jongens, die Amerikanen

Jeffrey Bonts uitzending naar Irak was voorafgegaan door het nodige gesteggel, voor en na het Kamerbesluit in mei 2003. In Nederland was de vraag of we, zoals gebruikelijk, loyaal aan Amerika moesten blijven en de invasie met soldaten moesten ondersteunen. Spanje bijvoorbeeld, haakte af om politieke redenen.

Er kwam groen licht, maar er bleven vraagtekens vanwege het gedrag en de argumenten van de Amerikanen. In april 2004 bijvoorbeeld, doken geruchtmakende foto’s op uit de voormalige Abu Ghraib gevangenis, één van de vier militaire gevangenissen van de Amerikanen. Daarop is te zien hoe Amerikaanse militairen, onder wie een vrouw, sadistische spelletjes spelen met Iraakse gevangenen. Geen gedrag waar je als land mee geassocieerd wilt worden.

Dan waren er nog de argumenten om de Amerikanen en de Engelsen te helpen bij ‘de bevrijding van het Iraakse volk’. Er zouden massavernietigingswapens zijn (een bedreiging voor Amerika’s regionale bondgenoot Israël) en het regime van dictator Saddam Hoessein zou het internationale terrorisme steunen.

In juli 2003 kwamen formeel de eerste Nederlandse soldaten aan in Irak. In oktober 2003 werd door de coalitie toegegeven dat er geen weapons of mass destruction waren gevonden. Dit verhaal was gebaseerd op flinterdunne informatie. (De beweerde band met al-Qaeda, bedoeld om de 9/11-woede te gebruiken om steun te krijgen, is tot op heden ook nooit bewezen.)

Rond die tijd, oktober 2003, werd de ‘bevrijding’ van Jessica Lynch in april 2003, destijds live via tv te volgen, ontmaskerd als een PR-actie van de Amerikaanse overheid / het Amerikaanse leger. Het was doorgestoken kaart; er was zelfs geen Irakees in de buurt geweest. Dat Jessica Lynch door Irakezen was verkracht, een verhaal bedoeld om woede op te wekken en draagvlak te creëren, bleek eveneens een verzinsel.

Het kabinet van Jan Peter Balkenende, met medeweten van de coalitiepartijen via de Commissie Stiekem, wist in mei 2003 dat het verhaal van de massavernietigingswapens onzin was. De eigen veiligheidsdienst had corrigerende informatie, maar die werd onder de pet gehouden.

De Tweede Kamer is in 2003 opzettelijk onjuist en onvolledig geïnformeerd, concludeerde de Commissie Davids dan ook in 2010. (Er zijn overigens aanwijzingen, via het VPRO-radioprogramma ARGOS, dat Nederland al voor mei 2003 special forces naar Irak heeft gestuurd.)

Relatief rustig gebied

De militaire trein in Irak denderde in 2004 gewoon door, gedreven door economische, politieke en militaire strategische belangen (olie en de strategische verhoudingen in het Midden-Oosten). Ook Nederland zat op die trein.

De Nederlandse missie werd uitgevoerd als onderdeel van de Stabilisation Force Iraq. Vanwege de veiligheid van ‘onze jongens’, werden uit voorzorg zeventig commando’s aan de ongeveer elfhonderd soldaten toegevoegd.

Dat was geen overbodige luxe. In augustus 2004, drie maanden voordat Jeffrey Bont arriveerde, waren nog twee mortiergranaten afgevuurd op de Nederlandse basis Camp Smitty in de Zuid-Iraakse stad as-Samawah. Eerder raakte een Nederlandse patrouille in Rumaythah, ten noordoosten van die stad, betrokken bij een vuurgevecht. In beide gevallen vielen er geen doden of gewonden.

Toch was de situatie in het ‘Nederlandse’ (woestijn)gebied naar militaire begrippen relatief rustig. Toen de Sittardenaar aankwam, werd vooral fel gevochten om Fallujah. In die stad waren in maart vier Blackwater USA-huurlingen door de straten waren gesleept en daarna aan een brug opgehangen.

De Amerikanen waren pissed en stuurden tien tot vijftienduizend soldaten die de stad vervolgen binnen enkele weken onder de naam Operation Phantom Fury hebben onderworpen. Twaalfhonderd opstandelingen / vrijheidsstrijders, achtendertig Amerikaanse en zes Iraakse militairen kwamen hierbij om.

Tien kogels in de bus

Van alle twaalfhonderd Nederlandse militairen die naar Irak zijn gingen, kwam tien procent rechtstreeks van de opleiding. Jeffrey Bont was één van hen. Hij was chauffeur, boordschutter en ging mee met het ‘uitgestegen personeel’, het grondteam.

Met zijn collega’s was hij ingevlogen in Koeweit, zoals de Amerikanen maanden geleden voor hen, die in Irak intussen al zo’n honderdtwintig operationele en veertien semi-permanente basissen (voorheen van de Iraakse geheime dienst) hadden opgezet.

Er stond een personenbus op ze te wachten. ‘Onze spullen zaten onderin de bus, in het passagiersgedeelte hadden we alleen ons wapen met elk tien patronen – dat aantal zal iemand wel ooit bedacht hebben. Het is maar goed dat er niets is gebeurd, anders waren we zo door de munitie heen geweest. Gelukkig reden er wel andere auto’s naast de bus om ons te beschermen.

Bij een klein dorpje gingen we in het holst van de nacht de grens over en de volgende ochtend werden we wakker in Camp Smitty. Daar stonden allemaal prefab-huisjes. We hebben gelijk de muren versierd; helemaal volgeplakt met open wonden – een soldaat weet gelijk wat ik bedoel.’

Na de overdracht ging Jeffrey Bont met patrouilles in een voertuig op pad in de omgeving. Soms deden ze ook dorpen aan. Zoals bij alle bewegingen van de coalitietroepen, waren de militairen altijd op hun hoede; behalve voor schutters ook voor geïmproviseerde explosieven (’bermbommen’).

Rood stipje op je borst

Een van de meest indrukwekkende ervaringen van Jeffrey Bont in Irak, lijkt een scene uit één van de oorlogsfilms die hij als jongen graag keek. Alleen nu was het echt. ‘We reden in onze Jeep een dorp in om iemand op te sporen. Op een gegeven moment had ik een rood puntje op mijn borstkas. Het ging van de één naar de ander….’ [De laser-aanwijzer van een geweer.]

‘Dat was even spannend. We zijn gelijk aan slingeren en hebben het groot licht aangezet om het ze moeilijk te maken. Daarna zijn we er op afgestormd, iedereen in het dorp uit bed gehaald, maar de dader hebben we niet gevonden.’

Op andere momenten vlogen de tracers hem om de oren, lichtsporen van kogels, en werd er dus echt geschoten. Jeffrey Bont: ‘Soms ook door leden van de Iraakse Nationale Garde die ons voor de verkeerden aanzagen.’ In een bepaald dorpje waren altijd problemen, herinnert de boomlange militair zich. ‘Maar we mochten in principe niets terug doen; alleen reageren als er gericht op ons werd geschoten.’

De Nederlanders waren er tijdens hun in totaal twintig maanden lange verblijf in Irak namelijk niet om te vechten. In die periode zijn door de Nederlanders ‘3360 veiligheidsfunctionarissen opgeleid’ , stelt het Ministerie van Defensie. ‘Daarnaast werkten de Nederlandse soldaten mee aan de humanitaire hulpverlening en de wederopbouw’.

Jeffrey Bont, de man die zelf in het Iraakse woestijnzand heeft rondgelopen, zegt hij net wat anders. Wat nuchterder: ‘Wij coachten daar de lokale politie en we hebben één keer [in de vijf maanden dat hij er zat] op een heel afgelegen locatie een watervoorziening aangelegd’. Maar dat was eigenlijk meer uit compassie.

In het algemeen lijken de Nederlanders in Irak door hun respectvolle en relatief ontspannen houding een goede indruk te hebben gemaakt bij de lokale bevolking. Ze waren in elk geval niet zo opgefokt als de Amerikanen en minder up tight dan de Britten die ze kwamen aflossen.

Jeffrey Bont: ‘Toen we weggingen, werden we opgevolgd door de Engelsen en daarna ontplofte er gelijk een aantal bommen langs de weg in ons gebied. De Engelsen hebben toch een andere manier om dingen aan te pakken.’

‘Ik had het avontuur wel gezien’

De overdracht aan de Britten was in maart 2005. Die maand vertrok de Sittardenaar uit Irak, waar hij een mooie tijd zegt te hebben gehad. Terug in Nederland, stond de eerste missie naar Afghanistan op het punt om goedgekeurd te worden. Jeffrey Bont: ‘Ik had dat wel gewild, maar wilde ook niet langer wachten en ik besloot om hogerop te gaan. Ik had het met het avontuur eigenlijk wel gezien.’

Als onderofficier aan de Infanterieschool in Harskamp gaf hij les in zware wapens. ‘Mijn ervaring als boordschutter in Irak kwam me daarbij goed van pas’. In november vorig jaar werd hij in Oirschot rij-instructeur aan ‘de grootste rijschool van Europa’. Hij geeft er de reguliere B- en C-opleiding, aangevuld met terrein rijden, slippen, onderhoud en het opleggen van sneeuwkettingen.

Mist hij de actie niet? Is dit wel ‘militair’ genoeg? Jeffrey Bont: ‘Het is een heel stuk minder militair, eigenlijk bijna niet. Maar gezien de thuissituatie, mijn vrouw is vijf maanden zwanger, en mijn behoefte aan een normaal sociaal leven, ben ik erg blij met deze baan.’

In Irak is het ondertussen al jaren onrustig, met name in 2006 was er een piek in het geweld. In 2010 leidden de eerste verkiezingen tot een regering van nationale eenheid. De Amerikaanse militairen, in wiens kielzog Jeffrey Bont in 2004 het land is binnengekomen, zouden eerst voor het eind van dit jaar allemaal zijn vertrokken.

Volgens de New York Times zijn er nu echter gesprekken gaande om een aantal troepen in 2012 te laten terugkeren; niet als bezetters maar als gasten – al dan niet onder de vlag van de NATO. Het broeit namelijk nog op diverse plaatsen in Irak.

De Koerden en de Soennieten zijn bang dat de Sjiieten (met steun uit Iran) de politiek willen gaan domineren. Aan de andere kant heeft de Iraakse overheid in november 2011 een groep van ruim zeshonderd vermeende coupplegers gearresteerd, bestaand uit militairen uit het voormalige leger en leden van de Ba’ath-partij van Saddam Hoessein. Dat zijn dan weer Soennieten.

De Irakezen zijn sinds 2003 dan wel bevrijd van Saddam Hoessein, stabiel is de situatie nog lang niet. Het avontuur van het democratische Irak is nog maar net begonnen.

(dit verhaal is geschreven voor het WijkKrantje)

Geen Reacties »

admin op 12 November 2011 in Politiek & Media

Sera Beak in ‘Het Rode Boek’: slim, sexy en spiritueel

Een happiness handgranaat die ontploft in miljoenen kleuren. Die beelden uit tradities en religies stukslaat om tot de kern door te dringen. En dan ook nog eens heel vlot geschreven. Zo zou je ‘het Rode Boek’ van Sera Beak kunnen omschrijven (Kosmos, 2011).

Het aardige van dit boek over vrouwen en spiritualiteit, is dat het is geschreven door een gewone jonge vrouw, wars van poespas. Ze wil tot de kern doordringen, heeft tal van wegen geprobeerd, is daarbij ook tig keer op haar aantrekkelijke snuitje gegaan, en combineert uit diverse tradities wat haar bevalt. En wat werkt. Postmodern shoppen dus, iets dat heel goed past bij de westerse mens van vandaag.

Geschreven in de eenvoudige stijl van een glossy als Happinez, biedt het meer dan spiritualiteit als een nieuw stel mindfulness hakken, een lekker stukje spirituele chocolade of welke andere vorm van gemakzuchtige innerlijke decoratie dan ook. Sera Beak heeft namelijk inhoud dankzij haar studie vergelijkende godsdienstwetenschappen én doordat ze het niet heeft gelaten bij spiritueel pootjebaden, maar meerdere malen in het diepe is gedoken.

Voor mensen die al wat meer onder de zon hebben gezien en meegemaakt, biedt het boek niet veel nieuws. Het is vooral het totaaloverzicht en de aanstekelijke nuchterheid, de humor en haar persoonlijkheid die aanspreken. Ze schrijft als een vriendin die met je praat en tips geeft. Maar ook haar zwaktes en diepte- en hoogtepunten deelt. Ze is echt in haar zweven, zitten, vallen en opstaan. En dat is heerlijk verfrissend.

Sera Beak: ‘Ik ben een ware moderne devoot. Ik hou van mystiek en ‘The Matrix’, yoga en de White Stripes, meditatie en designerjeans. In termen van culturele dialecten ben ik meertalig. Ik spreek de taal van new age en Aveda-huidverzorging, oosterse filosofie en ‘Elle’, metafysica en Hitachi-vibrators. Ik hou van moderne kunst en dinertjes, lavendelchocolade en smerige martini’s, van dansen en zomaar ergen heen rijden en lekker chillen mijn mijn vriendinnen. Mijn spiritualiteit is echt, levend, actief, funky en fris.’

De Amerikaanse stoft spiritualiteit af en maakt haar sexy. Spiritualiteit moet ook cool zijn, vindt Sera Beak. Het moet swingen en zingen, schreeuwen, maar ook zwijgen. Soms. Het is in elk geval onderdeel van je dagelijks leven. En ja, seks heeft er ook mee te maken. Zo haalt ze Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Avila (1515-1582) aan, twee christelijke nonnen ‘die claimden persoonlijke de goddelijke sensualiteit en seksualiteit via hun lichaam te hebben ervaren, ervaringen die ertoe leidden dat velen binnen de Kerk aannamen dat ze God voor de duivel aanzagen (en o, wat zaten ze ernaast)’.

Een etage hoger was seks tot opkomst van de christelijke religie, rond tweehonderd van onze jaartelling, een heel normale zaak. Zo had Krishna, die vrolijke speelse god uit India, seks met talloze vrouwen en El, de oppergod van Kanaän (Israël, Palestina en delen van Libanon en Syrië) deed het honderden jaren met de godin Asherah. Zeus, om wat meer in de buurt te blijven, de Griekse grote baas, was getrouwd met Hera ‘maar hij werd door veel sterfelijke vrouwen verleid en als hij niet achter rokken aanzat, masturbeerde hij veelvuldig.’

Ook diverse grote goeroes waren niet vies van seks en dus van hun lichaam. Jezus, een verlichte meester, kuste zijn vermoedelijk favoriete discipel, de schijnbaar volledig ontwaakte Maria Magdalena regelmatig vol op de mond. Mogelijk had hij ook (tantrische) seks met haar. Dat zou zomaar kunnen. De historische boeddha, die Jezus voor ging, moest er overigens weer niets van hebben; vrouwen en seks.

Van Mohammed, de aardse man van de islam, wordt gesteld ‘dat hij met zijn vrouwen veel lichamelijke bevrediging en genegenheid kreeg’. ‘Verschillende Hadith, geschreven vertellingen van de uitspraken en praktijken van de profeet, stellen dat een orgasme krijgen eigenlijk het recht is van de vrouw en dat seksuele ontevredenheid een legitieme grond is om van een echtgenoot te scheiden’, schrijft Sera Beak.

‘Het Rode Boek’, oorspronkelijk uit 2006, biedt vrouwen een informatieve en creatieve leidraad om meer spiritualiteit in het dagelijks leven te vervlechten. Behalve over (tantrische) seks – maar een klein onderdeel - gaat het onder meer over diverse manieren om anders te bidden, het bedenken van eigen rituelen, heldere visualisaties, regels die soms overtreden moeten worden, de noodzaak om te blijven ‘kicken’, spiritueel masturberen en het voelen van de energie van anderen.

Het boek is vooral geschreven voor westerse, liberale vrouwen die hun eigen weg kunnen en durven gaan. In de aanvankelijke publiciteit werd Sera Beak voor deze doelgroep ‘vermerkt’ als een ’spirituele cowgirl’. Hierdoor kreeg ik eerlijk gezegd bij voorbaat al jeuk op onaangename plaatsen. Zo werd een publiciteitsfoto verspreid waarop ze een cowboyhoed draagt om deze term visueel te versterken. Ik dacht; ze ziet er lekker uit, zelfs met die hoed, maar heeft ze ook wat te melden?

Mijn vrees was onterecht. De schrijfster is slim, sexy en spiritueel. En integer. Zo kreeg ze na de publicatie van dit boek in 2006 - en de gecultiveerde hype die volgde - na verloop van tijd schijnbaar genoeg van de misbruikende marketing van ‘vrouwelijke spiritualiteit’ die haar aanvankelijk hielp, maar haar ook uitholde en verkocht als een pak spiritueel wasmiddel (’wast nu nog roder’). In haar volgende boek, dat over enkele maanden in de winkels moet liggen in het Engelse taalgebied, blikt ze terug op de roerige jaren na het verschijnen van haar eersteling.

‘Het Rode Boek’ is een aanrader voor vrouwen van twintig plus die voluit leven en het spirituele daarin een frisse en fruitige maar vooral een permanente plaats willen geven. Zonder zurige angsten of zouteloze praatjes, maar vurig, kruidig en scherp, zodat je weet dat je leeft en de tranen je soms in de ogen schieten. Bijvoorbeeld van het lachen.

Bij psychiater Nick Blaser spelen de cliënten met blokken

In de werkruimte van een psychotherapeut zag ik jaren geleden tot mijn verbazing een koets met zes paarden ervoor. Van Playmobil. De therapeut legde me uit dat hij hiermee cliënten lessen leert over onder meer (on)bewuste drijfveren, emoties en de ratio. Belangrijke vragen zijn dan: wie zit er op de bok en wat of wie zit er in de koets en waar gaat het allemaal naar toe?

Dit prachtige verhaal schoot me te binnen bij het lezen van ‘In en om mij – Grenzen stellen door systeemopstellingen’ van de Nick Blaser (Synthese, 2011). Blaser is onder meer psychiater en psychotherapeut. In zijn boek combineert hij systeem- of familie-opstellingen met Mentalisatie Bevorderende Therapie (MBT) (denk ook aan het gebruik van poppen bij misbruikzaken). Blaser gebruikt blokken uit de blokkendoos.

Het voordeel van de aanpak van Blaser ten opzichte van therapie met opstellingen is duidelijk; er is geen groepje mensen meer nodig, slechts een zak met blokken. Het ogenschijnlijke nadeel; anderen worden gereduceerd tot persoonlijke ervaringen, waar bij familie-opstellingen via empathie energetische inductie plaatsvindt, die een mogelijk een meer intense en zeker een meer complexe interactie mogelijk maakt.

Van zulk een minder grote impact is echter geen sprake, afgaand op de voorbeelden in het boek. Er wordt iets meer empathie en fantasie gevraagd en voor sommige cliënten is dat in het begin wennen, maar meestal gaan ze daarna al snel in de magie van Blaser geloven.

(Blijkbaar is het zo dat het oplossen van problemen vooral te maken heeft met perceptie en de oplossing schuilt in het opnieuw beschrijven van je zelf en je relaties met anderen. Je zou ook kunnen denken dat de aanpak van Blaser meer psychotherapeutisch is, dan gebaseerd op opstellingen met mensen.)

In zijn boek geeft Blaser een telkens een case-beschrijving en een analyse achteraf van in totaal tien gevallen waarin zijn aanpak (grotendeels) heeft gewerkt. Centraal is het begrip grensbepaling in relatie tot grensoverschrijdend gedrag. Alle cliënten plaatsen de ik-figuur, een cilinder met een door een pijltje op de kop bepaalde kijkrichting, in een ruimtelijk bouwwerk dat als geheel hun identiteit verbeeldt.

Liggende blokjes vormen de grens, die vaak voorzien is van diverse gaten waardoor de buitenwereld met de binnenwereld is verbonden (als een huis dat gemakkelijk te betreden is door een dief in de nacht). Door andere actoren in en om dat veld te plaatsen worden op basis van therapeutische interventies (typische) interacties beleefd.

Het verhaal van één cliënte, Roos, vind ik bijzonder. Dit is een interessante casus, volgens mij exemplarisch voor wat ‘hoog sensitieve’ mensen ervaren, en ook veel beginnende spirituele therapeuten die onvoldoende met grensbepaling bezig zijn, het probleem bij de ander laten, en zich vooral richten op het stimuleren van hun ontvankelijkheid (en hun gesprekstechnieken).

Roos krijgt bezoek en deze persoon laat ‘iets belastends’ bij haar achter. De eerste reactie van Roos is om dat belastende eruit te werken. Daarna krijgt ze wroeging (wie weet waar het dan (on)terecht komt) en besluit het terug te geven aan degene die haar dit negatieve cadeautje heeft gegeven. (’We kunnen niet alleen gevoelens, maar ook ervaringen, beelden en meningen, opdrachten en verantwoordelijkheden retourneren’, schrijft Blaser op bladzijde 109.)

Ze houdt het belastende voorlopig bij zich, want ze ervaart dat als minder erg dan het onder ogen zien haar eigen gekwetstheid (zielenpijn). Bovendien zou ze zich erachter kunnen verstoppen (zoals anderen op Romantische wijze achter het ‘wereldleed’ dat in zijn totaliteit voor één persoon niet oplosbaar is en eigen problemen altijd in de schaduw stelt).

Het bij zich houden van het belastende, geeft volgens Blaser aan dat Rosa haar grens niet duidelijk is. Dit kan samengaan met het idealistische geloof dat mensen elkaars grenzen altijd respecteren of dat zouden moeten doen, zoals bij Roos. Vaker nog, volgens de schrijver, komt het voor in combinatie met een aangeleerde houding om aardig voor iedereen te willen zijn (de behoefte om te ‘pleasen’).

Kortom: mensen nemen negatieve energie (de ‘imprint’) van anderen soms over als een vorm van sociaal wenselijk gedrag en als excuus om (in relaties met anderen) niet zichzelf te hoeven zijn (en de ander eventueel echt te kunnen helpen door het onderscheid, de grens, tussen ik en de ander duidelijk en vooral bewust te stellen).

Beter is het om met toestemming in de ruimte van de ander de gevoelens van de ander te ervaren, stelt Blaser. Dat is fysiek merkbaar. Of – en dat heeft zijn voorkeur - om vanuit de eigen gevoelsruimte de gevoelens van jezelf en van de ander tegelijk te beleven, bijvoorbeeld door te spiegelen (via onze ’spiegelneuronen’) tot dit is bereikt.

Dit laatste, dat pas mogelijk is na bewust zijn van je zelf, onder meer je eigen gevoelens, gedachten en drijfveren, is volgens Blaser echt een vorm van respectvol kijken. En dat is heel wat anders dan bij een ander op de bok gaan zitten, toelaten dat een ander dat bij jou doet of jouw boze paard aan het span van een ander z’n koets hangen, om het voorbeeld uit het begin nog eens aan te halen.

Geen Reacties »

admin op 31 October 2011 in Boek & Meer

Woont Hoogveld aan de voet van een chemische vulkaan?

De afgelopen maanden is in Sittard-Geleen behoorlijke onrust ontstaan over vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor. Hoewel het zwaartepunt van de discussie ligt bij Chemelot in Geleen, heeft ook de Sittardse wijk Hoogveld heeft ermee te maken. Ontsnappen de inwoners regelmatig aan een ramp van CNN-proporties of is dat zwaar overdreven?

Directe aanleiding was het aanvragen van een nieuwe milieuvergunning van ProRail voor het emplacement in Born, ook voor rangeren met en transport van gevaarlijke stoffen. Dit verzoek was eind 2008 al ingediend, maar de gemeente wilde meer informatie van de spoorgebruikers en die liet zo lang op zich wachten.

De Stadspartij van Sittard-Geleen en maatschappelijke organisaties protesteren tegen deze vergunning vanwege de veiligheid en de overlast voor omwonenden (geluidshinder, fijn stof).

De Stadspartij had eerder al geageerd tegen de plannen van Chemelot om meer gevaarlijke stoffen per spoor te vervoeren. Hierdoor zou de veiligheid van zeker zesduizend mensen in het geding zijn. Bij een ongeluk met LPG wonen zij in de dodelijke zone. Op internet vielen vanwege de LPG-wagons al termen als ‘rijdende bommen’.

2500 handtekeningen

Volgens Henk Bril, Senior Distribution Safety Expert bij SABIC, is dat een paniekverhaal, al kan een ramp niet geheel worden uitgesloten. SABIC is beeldbepalend op Chemelot en de grootste speler wat betreft transport van gevaarlijke stoffen in de Westelijke Mijnstreek.

Cijfers, plannen en maatregelen zouden volgens Henk Bril door critici op verkeerde wijze zijn gecombineerd, zodat onterecht het beeld ontstaat dat de mensen langs het spoor leven aan de voet van een chemische vulkaan.

In maart dit jaar werd het kookpunt bereikt. De Stadspartij had intussen ruim vijfentwintighonderd handtekeningen verzameld tegen het rijden en rangeren met gevaarlijke stoffen door en langs woonwijken.

Ironisch genoeg, kreeg SABIC drie maanden later van brancheorganisatie VNCI de Nederlandse Responsible Care Award, juist vanwege de voortrekkersrol wat betreft veilig transport via het spoor. En dat allemaal in het Jaar van de Chemie.

Twee sporen bij Hoogveld

Hoe zit het nu met Hoogveld, dat aan twee kanten wordt begrensd door rails? Aan de oostzijde van de wijk ligt een traject waarover vanaf Chemelot, via station Sittard, naar het noorden (gevaarlijke) stoffen worden vervoerd.

Dit gebeurt met name door SABIC (ex-DSM, in Saoedische handen), OCI Nitrogen (onderdeel van het Egyptische Orascom Construction Industries met daarin opgenomen het voormalige DSM Agro en DSM Melamine) en DSM.

Er vinden via station Sittard ook Chemelot-transporten naar het zuiden plaats, maar daar hebben de inwoners van Hoogveld niet direct mee te maken.

Van Sittard naar Born

Aan de zuidzijde van Hoogveld loopt een spoorlijntje dat vanaf station Sittard, tussen Hoogveld en Limbrichterveld, via het emplacement in Born, leidt naar de Rail Terminal Born (RTB) en Industrieterrein Holtum-Noord.

Via dat spoor zijn in 2010 jaar geen gevaarlijke stoffen vervoerd. ProRail telde in 2010 op het emplacement in Born 571 goederentreinen (’nul wagons met gevaarlijke stoffen’) en 122 ‘overige treinen (geen personenvervoer)’, aldus ProRail-woordvoerder René Vegter.

Actievoerders beweren dat voor 2010 wel gevaarlijke stoffen over dit traject zijn gegaan. ‘Eind vorige eeuw, in de tijd van DSM, voordat SABIC en OCI Nitrogen bestonden’, zegt Henk Bril, zijn over het spoor Sittard-Born inderdaad ‘heel sporadisch’ wagons met het giftige acrylnitril vervoerd (D3).

‘Maar dat is al jaren niet meer het geval. Tegenwoordig vervoeren we over dat spoor alleen nog brandbare vloeistoffen in zogenoemde bombes. Dat zijn geen tankwagons, maar platte wagens met daarop tanks van achtduizend liter. De brandbare vloeistoffen die erin zitten, aluminium alkylen, zijn hulpstoffen voor de productie van kunststoffen.

Deze transporten vinden sporadisch, één keer per maand / één keer per kwartaal, plaats en zelfs dat willen we afbouwen tot nul. Probleem is, dat deze stoffen in Duitsland niet via de weg mogen worden vervoerd, dus moet het per spoor. Verder vervoert SABIC geen gevaarlijke stoffen van of naar Born en al helemaal geen LPG; vanwege de veiligheid is dat niet verantwoord.’

Emplacement in Born

Ook DSM en OCI Nitrogen rijden niet met gevaarlijke stoffen over het spoor naar Born. Ze zijn dat naar eigen zeggen ook niet van plan, net zo min als SABIC, hoewel de opname van het traject in het Basisnet volgend jaar dat wel mogelijk maakt. Basisnet is binnen het Nederlandse spoorwegennet een reeks routes voor transport van gevaarlijke stoffen die vermoedelijk in 2012 wettelijk zal worden vastgelegd (er komt ook een Basisnet voor de weg en het water).

Henk Bril: ‘Het lijntje Sittard-Born is een zogenoemde grijze lijn. Dit betekent dat er nauwelijks vervoer van gevaarlijke stoffen is voorzien. En als dat gebeurt, moeten de risicocontouren op de spoorlijn blijven liggen.’

ProRail, sinds 2005 de nationale railbeheerder, heeft een vergunning aangevraagd om jaarlijks maximaal zevenhonderd wagons met gevaarlijke stoffen toe te laten op dit stuk spoor en het Bornse emplacement. Het gaat om tweehonderd wagens met propaan (LPG), vijftig met ammoniak (giftig gas), vierhonderd met benzine en vijftig met acroleïne (zeer giftige vloeistof). Tussen het rangeerterrein in Born en Holtum-Noord mogen met deze vergunning maximaal zesenveertig bewegingen per etmaal plaatsvinden (bijna zeventienduizend per jaar).

Het gaat om dezelfde maximale hoeveelheden als toegestaan voor de Rail Terminal Born. De ruimte die de aangevraagde milieuvergunning biedt, hoeft echter niet te worden benut, zegt René Vegter: ‘Voor zover ik weet, zijn er geen kandidaten die interesse hebben in vervoer van gevaarlijke stoffen over dit traject’.

Langs uw achtertuin

Dan is er nog het andere spoor, aan de oostelijke kant van Hoogveld. Hierover gaan nu al transporten met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt als onderdeel van een koepelvergunning voor alle spoorvervoer van en naar Chemelot.

De Chemelot-bedrijven vervoerden volgens ProRail in 2010 ruim veertienduizend wagons met gevaarlijke stoffen over het spoor oostelijk van Hoogveld. Specifiek ging het om 7600 van categorie A (LPG), 2050 van categorie B2 (ammoniak), 950 van categorie C3 (benzine) en 3750 van categorie D3 (acrylonitril).

Wat kan er mis gaan?

Hoe gevaarlijk of veilig is het (toekomstige) vervoer van gevaarlijke stoffen? Hiervoor worden diverse risicoberekeningen gehanteerd. Simpel gezegd is de kans op overlijden voor omwonenden één op een miljoen per jaar (het plaatsgebonden risico). Daarnaast is er een factor die de kans op een ramp met meerdere doden aanduidt (het groepsrisico).

De soort stof is van grote invloed op het theoretische risico. LPG valt onder de hoogste risico-categorie (A). LPG kan door langdurige externe verhitting van de tank, bijvoorbeeld door een brandende vloeistof, omgezet worden in gas, waardoor de druk in de tank toeneemt. Dit zorgt uiteindelijk voor rupture (openscheuren) en via het vuur voor een explosie, CNN-waardig.

Denk aan een vuurbal met een straal tot honderdtachtig meter die in een fractie van een seconde een enorm krachtige drukgolf voortbrengt.

Het effect van zo’n ontploffing of Warme BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) is dat binnen een straal van tweehonderd meter iedereen sterft. Binnen de straal van de vuurbal wordt alle bebouwing verwoest. Op vierhonderdvijftig meter ben je theoretisch veilig, maar tot negenhonderd meter sneuvelen je ruiten.

Gelukkig zijn de tanks waarin LPG per trein wordt vervoerd, heel sterk. Zo is de kans volgens deskundigen klein dat ze lekken door ontsporing of aanrijding, zo is uit proeven en ongelukken gebleken. Er is zelfs een specialist die beweert dat een LPG-tank nog niet kapot gaat als er een vliegtuig op neerstort.

LPG en ammoniak

Een andere gevaarlijke stof, waarmee langs Hoogveld wordt gereden, is ammoniak. OCI Agro produceert jaarlijks een miljoen ton ammoniak, verwerkt het leeuwendeel daarvan op Chemelot, waar ook een opslag is, en vervoert de rest (volgens haar website) via tankwagens en goederentreinen naar locaties in Nederland, België, Duitsland en Noord-Frankrijk.

Ammoniakgas kan bij het vrijkomen ervan, zelfs als het gaat om kleine hoeveelheden, in een relatief groot gebied (tot meerdere kilometers bij grootschalige transporten en productielocaties) zorgen voor gewonden en doden (bij de bron). Vanwege de mogelijk grootschalige effecten bij een calamiteit wil het Rijk dat OCI Nitrogen alle ammoniak op Chemelot verwerkt.

Als het fout gaat

In de risicoberekening bij ammoniak wordt uitgegaan van een aantal deeltjes in de lucht dat binnen een bepaalde blootstellingstijd door inademing blijvende schade en soms de dood tot gevolg heeft. Gelukkig heeft ammoniak een stekende geur, zodat mensen snel gealarmeerd raken.

Bij de discussie over veiligheid, gaat het vrijwel altijd over dit soort abstracte waarden die statistisch bezien niemand zorgen baren. De werkelijkheid blijkt soms echter niet in cijfers te vatten en dat verklaart de emotionele reacties.

Het meest recente voorbeeld is het ongeluk met een goederentrein 7 oktober in het achthonderd inwoners tellende Tiskilwa, in de Amerikaanse staat Illinois. Daarbij ontspoorden zesentwintig van de 131 wagons en explodeerden drie van de zeven tot negen wagons met ethanol (zes raakten in brand). Doordat het dorpje snel is geëvacueerd, zijn er geen doden of gewonden gevallen.

Een voorbeeld in Europa is het ongeluk in juni 2009 in Viareggio, Toscane. De eerste wagon van een goederentrein ontspoorde, ook in het station, doordat een wielas brak. Een wagon met LPG kantelde en kwam terecht op een metalen paal, waardoor de twee centimeter dikke tankwand werd doorboord en het gas vrijkwam, dat vervolgens explodeerde via de hete uitlaat van een motorfiets. Daarna explodeerde een andere wagon met LPG. Nog vier wagons ontspoorden en kantelden, twee andere ontspoorden maar bleven overeind. Meerdere woningen werden geraakt door ontspoorde wagons.

De trieste balans: tweeëndertig doden, zesentwintig gewonden en honderd mensen dakloos.

Hetzelfde jaar gebeurden in Nederland drie ongelukken met goederentreinen; in Vleuten, bij Amsterdam-Zuiderpoort en bij Barendrecht.

Bij het laatste ongeluk botsten twee goederentreinen op elkaar. Een personentrein werd geraakt door brokstukken. De ketelwagens met aardgascondensaat in één van de goederentreinen bleven heel dankzij crashbuffers van SABIC, zodat een catastrofe is voorkomen.

Achteraf bezien, heeft de machinist van één goederentrein vermoedelijk een hartaanval gehad, waardoor hij uiteindelijk ‘door rood reed’. De machinist van de andere goederentrein raakte zwaargewond.

Veiligheid wordt beter

Naar aanleiding van met name het ongeluk in Barendrecht is er extra overheidsgeld voor een beter alarmsysteem gekomen dat machinisten corrigeert als ze dingen doen of nalaten die de veiligheid in gevaar brengen.

Het gaat simpel gezegd om het voorkomen van ‘door rood licht rijden’, dat volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid tussen 2000 en 2009 zorgde voor tweeëndertig Nederlandse spoorongelukken, met een sterke verdubbeling de laatste vijf jaar.

Ook zijn de leeftijd van het materieel, de indeling van de goederentreinen, de snelheid en het communicatiesysteem (dat in Barendrecht aanvankelijk faalde) ter discussie gesteld.

De palen, waarvan er één in Toscane zorgde voor het doorboren van een LPG-tank, worden overigens in Nederland sinds de jaren tachtig niet meer gebruikt, stelt Henk Bril.

Zijn bedrijf vervult binnen Nederland wat betreft spoorveiligheid een voortrekkersrol. SABIC vindt veiligheid belangrijk, net als goede sociale inbedding (people, planet, profit). Daarom heeft het onlangs via het SABIC Fonds, dat maatschappelijke initiatieven ondersteunt, voor twintig mille AED’s (reanimatie-kastjes) in de wijken van Sittard-Geleen laten plaatsen.

Wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen, plaatst SABIC intussen crashbuffers op alle wagons. Ook rijdt SABIC alleen nog met wagons jonger dan twintig jaar. Hiervoor heeft het bedrijf in juni de VNCI Responsible Care-prijs gekregen.

Lakse houding verandert

Opvallend genoeg waren deze veiligheidsverhogende maatregelen al veel eerder voorgesteld (in plaats van crashbuffers werd gesproken over kreukelzones), onder meer in ‘Ketenstudies ammoniak, chloor en LPG’ uit 2004 en de ‘Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen’ uit 2005.

De branche, de vervoerders, de railbeheerder en de overheid hadden tot voor kort schijnbaar niet veel haast om het transport van gevaarlijke stoffen echt veiliger te maken. Zo concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid in januari in haar rapport over ‘Barendrecht’:

“De spoorpartijen en de minister voeren (…) een ’rituele dans’ uit, waarbij de nadruk ligt op wat relatief gemakkelijk kan en niet op wat daadwerkelijk noodzakelijk is. (…) Spoorwegveiligheid krijgt met name aandacht nadat een ernstig voorval heeft plaatsgevonden.”

Volgens Henk Bril is het vervoer van gevaarlijke stoffen gebaseerd op regels van de Verenigde Naties en was er aanvankelijk internationaal weinig bijval voor deze (veiligheids- maar ook kostenverhogende) maatregelen. Intussen lijkt het tij dus gekeerd.

Een maatregel die nog op stapel staat, is het in 2008 door de overkoepelende brancheorganisatie voor veilig transport, de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen, geopperde Warme BLEVE-vrij rijden. WBV-rijden houdt in dat de afstand tussen een wagon met brandbaar gas en één met een zeer brandbare vloeistof maximaal achttien meter bedraagt.

In december willen de Nederlandse chemiebedrijven, SABIC voorop, een convenant sluiten om alleen nog op deze manier te treinen met gevaarlijke stoffen. Henk Bril: ‘DSM had hierover al eerder afspraken gemaakt met de Nederlandse overheid.’

Meer gevaarlijke stoffen

Hoe ziet de toekomst er uit? Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor zal in Nederland sterk toenemen. En daarmee ook het risico, ondanks de toegenomen veiligheidsmaatregelen, en mogelijk ook de overlast.

Chemelot mag vanaf volgend jaar, met het Basisnet, jaarlijks 15.900 wagons met brandbaar gas (LPG en butadieen) vervoeren en hoopt dat aantal in 2015 te realiseren. Daarvan rijden er 13.900 langs Hoogveld over de lijn met Roermond (en 3000 over de lijn Chemelot – Maastricht).

Langs de Hoogveldse achtertuinen rijden dan maximaal jaarlijks 3500 wagons met ammoniak (op een totaal van 5200), 6200 met zeer brandbare vloeistoffen, als methanol (daarnaast gaan er 400 van en naar Maastricht), en 5500 met acrolyonitril. (Er zit overlap in de cijfers doordat treinen naar het zuiden via Sittard, waar locs gewisseld worden, moeten omrijden.)

Voor de inwoners van Hoogveld komt dit neer op jaarlijks bijna dertigduizend wagons langs de achtertuin, grofweg zo’n acht treinen per dag.

Meer via spoor en water

De toename komt in het algemeen doordat vervoer per spoor steeds voordeliger wordt, afgezet tegen transport via de weg. Gemiddeld neemt het vervoer van (gevaarlijke) goederen per rail tot 2020 toe met zo’n vijf procent per jaar. In 2010 ging het volgens ProRail om veertig miljoen ton.

De overheid lijkt daarbij overigens sinds 2003 met haar schattingen achter de feiten aan te lopen. SABIC vervoerde in 2010 bijvoorbeeld 8000 wagons van categorie A (LPG), terwijl dat aantal in 2007 nog werd aangehouden als streefgetal voor 2020 (8040). Intussen is het aantal bijna verdubbeld.

Chemisch hart van Europa

Na 2020 wordt een toename met een factor 1,5 tot 2 voorzien. Henk Bril wil niet voorbij die magische grens kijken: ‘Tot 2020 heeft Chemelot hier, denk ik, genoeg aan. Uitbreiding van de vergunning is tot die tijd niet aan de orde’, zegt hij eerst. Na lezing van het concept artikel voegt hij daaraan toe: ‘Maar zeg nooit nooit’.

Want SABIC wil blijven groeien. Zo streeft het bedrijf ernaar om in 2020 wereldleider te zijn in de chemie. Chemelot wordt dan een centrale locatie in Europa die bijna geen gebruik meer maakt van vervoer via de weg (medio 2010 495.000 ton).

Vrijwel alles gaat dan via het spoor en het water (en pijpleidingen, de belangrijkste manier van transport). Dit scheelt tijd en geld, en zorgt voor kleinere milieu- en veiligheidsrisico’s.

Om die grote plannen waar te maken, wordt honderd miljoen geïnvesteerd in de modernisering van naftakraker NAK4 van SABIC en krijgt het Chemelot-terrein een (ook door externe vervoerders te gebruiken) railterminal voor wagons met (gevaarlijke) stoffen (tot 100.000 containers per jaar). De provincie betaalt mee aan deze Rail Terminal Chemelot (RTC). Verder zijn er (nog niet uitgekristalliseerde) plannen voor een zuidelijke ontsluiting, zodat treinen naar het zuiden niet via Sittard hoeven te gaan.

De gevolgen van deze ontwikkelingen voor de inwoners van Hoogveld zijn nog niet goed in te schatten. Zo is onduidelijk of de externe vervoerders met interesse in de RTC, behalve de haven van Stein, ook de lijn naar de Rail Terminal Born in hun plannen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen willen betrekken.

(Dit artikel is geschreven voor het WijkKrantje van Hoogveld).

Geen Reacties »

admin op 14 October 2011 in Politiek & Media

Een goede schrijver is een goede lover, zegt Geertje Couwenbergh

Recent verscheen bij Ankh Hermes ‘Zin – Lust in je leven door schrijven’ van Geertje Couwenbergh. Ze geeft in haar boek een berg bruikbare schrijftips (met bronvermelding) en brengt deze helder, vrolijk en met de nodige vonken en spetters.

Als schrijver moet je volgens boeddhiste Geertje Couwenbergh ‘bewoest’ zijn. Dat wil zeggen: blijven hangen, staan of liggen in een situatie die confronteert, irriteert, charmeert of desintegreert, om maar eens wat te noemen. Bewust worden van het onverdachte zijn. Proef het leven in alle facetten en schrijf erover. Zo krijg je weer zin. Ga in geen geval wachten op inspiratie. Die klopt altijd een paar deuren verderop aan, nooit bij jou. Ook een verstopt doucheputje kan inspiratie geven om weer te schrijven.

‘De grootste uitdaging is om midden in een verslonsd huis en dichtslibbend leven een bord met aangekoekte etensresten een armlengte weg te schuiven, er een kladblok neer te leggen, en te schrijven. Hoe moeilijk en ranzig het ook is. Als je namelijk midden in de imperfectie van je leven kan schrijven dan creëer je een relatie met imperfectie zelf. Met alles wat onaf, aangekoekt en imperfect is in jezelf. En ik garandeer je dat precies deze relatie de meeste waardevolle in je leven is.’ (blz. 66)

‘Dezelfde eigenschappen die je een goede schrijver maken, maken je een goede lover’, schrijft ze. ‘Ze vereisen totale zintuiglijke aandacht. Om goed te doen moet je leren luisteren, aanraken, voelen, ruiken en reageren. Allebei kennen ze de creatieve spanning van inspiratie, actie, hoogtepunt en afname. Beide schudden je wakker, brengen je in het hier-en-nu. Je gebruikt je hele wezen: van het puntje van je tenen tot in je haarwortels, je angsten en dromen.’ (blz 83)

Om energie op te doen en nieuwe werelden te verkennen struint ze regelmatig op erotische sites (wie niet). Ze noemt er zelfs eentje in haar boek. Dat past binnen het (zelf)onderzoek dat ze (als schrijver en boeddhist) noodzakelijk vindt; kijken waar de lotusbloem zijn voeding haalt, die donkere poel van het onbewuste waarin angsten en verlangens het toneel vormen voor duistere fantasieën die gesublimeerd of uitgeleefd moeten worden. De naam van haar twitter-account, TheKinkyBuddhst, is wat dat betreft veelbetekenend.

Schrijven is hardcore, omdat je jezelf onder ogen moet komen, zegt Geertje Couwenbergh: ‘Wie schrijft komt onvermijdelijk op het punt waar je wilt stoppen. (…) Precies daar besef je namelijk dat je niet wegkomt door alleen je linkerhersenhelft te geven aan het schrijven. Dat het alleen maar werkt als je je ingewanden, demonen, nagelriemen, hartkamers en hersenstam inlevert. Dat maakt schrijven – en leven – als je het goed doet hardcore.’ (…) Schrijven betekent verder gaan dan je denkt dat je kunt.’ Ik heb nu al zin in haar erotische verhalen.

Geen Reacties »

admin op 19 September 2011 in Boek & Meer

Thierry Salmerons ezelboek leert ons om onbevreesd naakt te zijn

Handboeken over hoe je gelukkig kunt worden zijn niet aan te slepen. Vaak verdwijnen ze snel naar de ramsj als de volgende trend zich heeft aangediend om de geluk-shoppers voor even tevreden te stellen. ‘De mens is een god… vermomd als ezel’ van Thierry Salmeron en Yann Christophe (Petiet, 2011) stijgt hier bovenuit en verdient een ander lot.

In de ’spirituele’ wereld, in elk geval door mensen die zichzelf spiritueel noemen, wordt gestolen bij het leven. Van de doorleefde inzichten van anderen is vrij makkelijk een eigen merk chocolade te maken. Een paar therapieën doorroeren en het resultaat gieten in een nieuwe mal voor chocoladerepen, een pakkende wikkel er omheen, de marketingmachine laten draaien en klaar is je nieuwe spirituele tussendoortje. Boekenplanken worden zo vol getypt.

Gelukkig zijn er ook andere mensen, die ik hier van harte bij u aanbeveel. Wat ze gemeenschappelijk hebben, om maar eens de auto metafoor te gebruiken, is dat ze de nodige ’spirituele’ kilometers op de teller hebben, vaak hebben ze ook al de nodige ongelukken achter de rug, en dat ze weten hoe de motor werkt. En dat is meestal heel eenvoudig, net als hun innerlijk leven, dat kan worden beschreven als een onbevreesd naakt zijn. Je kunt er zelfs geen religie van maken. (Dat gaat meestal ook fout.)

De Fransman Thierry Salmeron is iemand die de verpakking kwijt is en tot de essentie van de chocolade weet door te doordringen, die soms aan de oppervlakte ligt. Zijn verhaal, opgeschreven samen met Yann Christophe, is zo eenvoudig, dat zijn boekje wereldwijd commercieel waarschijnlijk geen groot succes zal zijn. Ondanks de vertalingen. We zijn ook meer op de Amerikaanse cultuur gericht, waar Eckhart Tolle al een groot marktaandeel heeft.

Maar het is vooral de grote helderheid, die mensen vermoedelijk zal weerhouden om ermee aan de slag te gaan. Was het een boek van drie delen met samen duizend pagina’s, liefst met eigen terminologie, en gepresenteerd als semiwetenschappelijk, dan ging het waarschijnlijk beter. Zoiets biedt alle ruimte om het bos in te duiken zonder een boom te zien, de boom te zien. En dat is heel fijn, want heerlijk verdovend; u kunt er zo lekker spiritueel bij wegdromen.

Ik kan op dit punt in mijn bespreking de essentie van dit boekje heel goed samenvatten, en daar een prachtig verhaal van maken, maar dat ga ik niet doen. Want dan denkt u misschien: ‘O, dat weten we al. Zo zijn we al. Zo leven wij al’. En dat is nu net wat de schrijvers ernstig betwijfelen, en vooral bij mensen die zichzelf heel spiritueel vinden. In plaats daarvan ga ik hieronder een paar fragmenten aanhalen om u een beetje te prikkelen.

‘In werkelijkheid is er geen verleden, geen toekomst, dus geen geschiedenis, geen bestaan van een kleine, gelukkige of ongelukkige persoon met een naam, een beroep enzovoorts. Dat alles is tot in details bedacht om in het leven te kunnen functioneren, maar het bestaat niet echt. Je bent zo bang voor de leegte, voor het niets, dat je geest tijd heeft gecreëerd om het te vullen.’ (pagina 44)

‘De geest is blind en slechts een instrument van het Leven. Maar hij denkt dat hij alles kan weten, begrijpen en controleren. De geest houdt zich alleen met zijn eigen belangen bezig, maar begrijpt de dingen lang niet altijd. Daar wordt hij gek van en dus laat hij jou geloven dat een situatie slecht, goed of oneerlijk is.’ (pagina 48)

‘Wij zijn “dienaren”. De “geest” hoort dat niet graag want hij is bang om overheerst te worden en zijn individuele vrijheid te verliezen. Maar op de dag dat je de weg kruist van iemand die begrepen heeft dat hij dienaar is en dus het leven dient, zul je hem niet snel vergeten. Je bent gewend mensen te zien die slechts hun persoonlijke belangen nastreven. (…) Het Leven is precies het tegenovergestelde en wat daaruit voortvloeit is perfect, het tegenovergestelde van wat we vandaag de dag op Aarde doen.’ (pagina 100)

Dit boekje zou ik met gemak inruilen voor meters ’spirituele’ boeken die sowieso beter bomen hadden kunnen blijven. Aan de andere kant: nu maken ze ook deel uit van het bos. Het commerciële spirituele bos. Zo niet ‘De mens is een god… vermomd als ezel’.

Geen Reacties »

admin op 6 September 2011 in Boek & Meer, Religie & Spiritueel